GESCHIEDENIS VAN NOUREDDIN EN VAN DE SCHOONE PERZIANE. (continued 2)
Reading edition
Na den ezel op zijne plaats gebragt te hebben, kwam Scheich Ibrahim weder in de zaal. „Scheich Ibrahim,” zeide nu Noureddin tot hem, „wij kunnen u niet dankbaar genoeg zijn voor de moeite, die gij u om onzentwil hebt gegeven, maar ons ontbreekt nog iets.” „En wat mag dat zijn?” vroeg Scheich Ibrahim, „wat kan ik nog doen, om u genoegen te geven?” „Wij hebben geene bokalen om uit te drinken,” hernam Noureddin, „en kondet gij ons tevens bij den wijn wat fruit bezorgen, dat zou eene heerlijke zaak zijn.” „Gij hebt slechts te spreken,” antwoordde Scheich Ibrahim, „wat gij ook wenschen moogt, het zal u geworden.” Scheich Ibrahim ging naar beneden, om het verlangde te halen, en dekte op nieuw de tafel, waarop nu weldra heerlijke vruchten op zilveren schotels, en gouden en zilveren bokalen prijkten. Noureddin noodigde hem uit mede aan te zitten; maar hoe sterk hij daarop ook aandrong, Scheich Ibrahim was er niet toe te bewegen; hij wenschte zijnen gasten een' genoegelijken avond, en verliet de zaal. Noureddin en de schoone Perziane schikten weder aan, en maakten een begin door elk eene bokaal wijn te drinken, dien zij uitmuntend bevonden. „Wel nu mijne schoone,” sprak Noureddin al zijn leed vergetende, „zijn wij niet de gelukkigste menschen der aarde, dat wij een zoo aangenaam verblijf hebben gevonden? Laten wij ons dan verblijden, en alle zorgen ter zijde stellen. Kan mijn geluk wel grooter zijn, u aan mijne zijde, en deze gouden bokaal met tintelenden wijn voor mij?” Zij schonken en dronken druk, werden steeds vrolijker, en zongen het eene lied voor, het andere na.
Daar beiden, en vooral de schoone Perziane, eene zeer fraaie stem hadden, trok hun gezang aldra de aandacht van Scheich Ibrahim, die op den trap post vatte en hen met het grootste vermaak aanhoorde, zonder zich evenwel te laten zien. Ten laatste echter stak hij het hoofd door de half openstaande deur, en meenende dat Noureddin reeds te veel wijn gedronken had, kon hij zich niet onthouden, hem schertsende toe te roepen: „Houd maar goeden moed, mijn beste heer! Ik ben zeer verblijd, u zoo vrolijk te zien.” „O, Scheich Ibrahim,” riep Noureddin, „gij zijt toch een uitmuntend mensch, en wij hebben alle verpligting aan u! Wij zouden niet van u durven vergen om een' beker met ons te drinken; maar kom binnen, en bewijs ons ten minste de eer van uw gezelschap”—„Laat ik u niet storen,” antwoordde Scheich Ibrahim, „en maak u te zamen vrolijk, het is u van harte gegund; en ik zal mij vergenoegen, u zoo schoon te hooren zingen, als gij daar even deedt.” Dit zeggende, trok hij het hoofd weder terug en verdween.
De schoone Perziane bemerkte echter, dat Scheich Ibrahim op den trap bleef staan. Zij deelde dit aan Noureddin mede. „Heer,” vervolgde zij, „onze gastheer betuigt een' grooten afkeer van den wijn te hebben; maar indien gij mij behulpzaam wilt zijn, maak ik mij sterk hem over te halen, dat hij ons bescheid doet.” „Ik geloof, mijne schoone,” zeide Noureddin, „dat gij ditmaal te veel op u zelve rekent, maar ik ben geheel tot uwen dienst; zeg slechts, wat ik te doen heb.” „Beweeg hem, dat hij zich bij ons nederzet,” hernam de Perziane „schenk dan een' beker in, en biedt hem dien aan. Zoo hij weigert, moet gij dien uitdrinken, en u houden of de wijn u bevangen heeft en gij in slaap valt; het overige zal ik doen.”
Noureddin begreep terstond, wat de schoone Perziane in den zin had. Hij riep Scheich Ibrahim, die zich daarop weder aan de deur vertoonde. „Scheich Ibrahim,” ging hij voort, „wij zijn uwe gasten, en gij hebt ons op de meest verpligtende wijze onthaald. Zoudt gij ons nu het verzoek weigeren, dat wij u willen doen, en waarop wij hoogen prijs stellen, namelijk dat gij ons vereert met uw gezelschap. Ik kan mij niet voorstellen, dat gij ons dit genoegen ontzeggen zult.”
Scheich Ibrahim liet zich bepraten; hij trad binnen en nam plaats aan het uiterste einde der sofa, waarop zijne gasten gezeten waren. Hij hield zich zoo digt mogelijk bij de deur. „Daar zijt gij niet goed geplaatst, en wij kunnen u moeijelijk zien,” sprak Noureddin, „schik wat nader bij, en ga naast mijne vrouw zitten; dat zal haar een genoegen zijn.” „Daar gij het dus verlangt,” antwoordde Scheich Ibrahim, „zal ik het doen.” Hij schikte werkelijk naderbij, en glimlachte van genoegen, dat hem het geluk te beurt viel naast eene zoo schoone dame te zitten. Noureddin verzocht nu aan de Perziane een lied te willen zingen, uit erkentelijkheid voor de eer, die Scheich Ibrahim hun bewees. Zij kweet zich daarvan zoo wel, en zong zoo hartstogtelijk, dat de goede grijsaard geheel opgetogen was. Toen het lied ten einde was, schonk Noureddin een' beker in, bood dien den gastheer aan, en sprak: „Scheich Ibrahim, als ik u bidden mag, drink eens op onze gezondheid.” „Heer,” antwoordde hij, het hoofd afwendende, als schuwde hij zelfs het gezigt van den wijn, „ik smeek u mij daarvan te verschoonen; ik heb u reeds gezegd, dat ik sints langen tijd van den wijn heb afgezien.” „Daar gij dan volstrekt niet wilt drinken op onze gezondheid,” hernam Noureddin, „zoo veroorloof mij, dat ik dezen beker op uw welzijn ledig.”
Terwijl Noureddin dronk, sneed de schoone Perziane een' appel door, en bood de helft daarvan Scheich Ibrahim met een bevallig lachje aan. „Gij hebt,” zeide zij, „niet willen drinken; maar ik vlei mij, dat gij geene zwarigheid zult maken dezen appel te proeven, die keurig is, en dien ik u zeer kan aanbevelen.” Scheich Ibrahim kon niet over zich verkrijgen af te wijzen, wat hem door eene zoo schoone hand en met zoo veel bevalligheid werd aangeboden; hij nam den halven appel met een vriendelijk hoofdknikken aan, en bragt dien aan den mond. Zijne schoone buurvrouw zeide hem deswegens eenige beleefdheden, terwijl Noureddin zich met den rug in de sofa liet nedervallen, en zich hield alsof hij plotseling door den slaap overmand werd. De schoone Perziane schikte thans digter bij Scheich Ibrahim, en fluisterde hem toe: „Ziet gij wel, zoo doet hij nu. Als wij ons te zamen vrolijk maken, valt hij bij den tweeden of derden beker reeds in slaap, en laat mij alleen aan de verveling over. Ik vlei mij echter,” vervolgde zij, een' teederen blik op haren gastheer werpende, „dat gij wel de goedheid zult willen hebben, mij tot aan zijn ontwaken gezelschap te houden.”
De schoone Perziane nam nu een' beker, vulde dien met wijn, en bood hem Scheich Ibrahim met een verleidelijk lagchen aan. „Neem deze bokaal,” zeide zij, „en drink eerst op mijne gezondheid; ik zal u bescheid doen.” Scheich Ibrahim maakte groot bezwaar, en verzocht haar dringend hem hiervan te verschoonen; maar zij hield zoo sterk aan, dat hij, door hare bekoorlijkheid overwonnen, ten laatste den beker aannam, en dien tot op den bodem ledigde.
De goede grijsaard dronk gaarne zijn' beker wijn, maar hij schaamde er zich voor, en onthield er zich van in het bijzijn van onbekenden. Hij ging dien, gelijk vele zijner geloofsgenooten, in stilte in deze of gene herberg halen, en had daarbij ook ditmaal geenszins de voorzorg gebruikt, die Noureddin hem aan de hand had gedaan, om zijn geweten niet te bezwaren. Hij had den wijn gehaald bij een' herbergier, waar hij zeer bekend was, terwijl de duisternis hem ten dekmantel diende. Op die wijze had hij, wat zeer met zijne hebzucht strookte, het geld bespaard, dat hij, door die boodschap aan een' ander op te dragen, meerder zou hebben moeten uitgeven.
Terwijl nu Scheich Ibrahim, na gedronken te hebben, voortging zijn' halven appel te eten, schonk de schoone Perziane een' anderen beker in, dien hij ditmaal zonder veel tegenstribbelen uit hare hand ontving. Bij den derden beker maakte hij volstrekt geene zwarigheden meer. Hij dronk zijnen vierden, toen Noureddin uit zijn' geveinsden slaap ontwaakte, en, hem dus ziende, met een schaterend lagchen uitriep: „Ha, ha!, Scheich Ibrahim, daar heb ik u verrast. Gij hebt mij gezegd, dat gij geheel van den wijn hadt afgezien, en nu drinkt gij ze toch.”
Scheich Ibrahim, niet verdacht, dat hij dus verrast zou worden, werd bloedrood, maar nam daarom toch den beker niet van den mond, vóór dat hij dien geledigd had. „Heer,” zeide hij nu lagchende, „indien ik gezondigd heb, is dit niet mijne schuld, maar die van uwe gade, want hoe zou ik weêrstand hebben kunnen bieden, waar de bevalligheid in persoon mijne verleidster was.”
De schoone Perziane nam in schijn de partij voor haren gastheer op. „Scheich Ibrahim,” zeide zij, „laat hem maar praten, en stoor er u niet aan; laat ons te zamen drinken en vrolijk zijn.” Eenige oogenblikken daarna schonk Noureddin eerst voor zich, en toen voor de schoone Perziane in. Doch daar Scheich Ibrahim zag, dat Noureddin hem niet bediende hield hij zelf zijnen beker bij, met de woorden: „Denkt gij misschien, dat ik bang ben, om tegen u op te drinken?” Op dit zeggen van Scheich Ibrahim konden Noureddin en zijne schoone gade zich bijna niet van lagchen onthouden. Noureddin schonk hem in, en zij hielden vol met schertsen en drinken tot bij middernacht. Omstreeks dien tijd merkte de schoone Perziane op, dat er slechts ééne waskaars op tafel stond, die een zeer flaauw licht verspreidde, zoodat de groote zaal bijna in duisternis gehuld was. „Scheich Ibrahim,” sprak zij tot den goeden grijsaard, „gij hebt ons slechts één licht gegeven, en er zijn hier zoo vele schoone waskaarsen; doe mij het vermaak die aan te steken, opdat wij elkander goed kunnen zien.”
Scheich Ibrahim had weinig lust, om op te staan. De wijn, die hem reeds naar het hoofd steeg, maakte hem vrijmoedig, en zonder eenige pligtplegingen te maken, zeide hij tot de schoone Perziane: „Verlangt gij meer licht te hebben, steek het dan zelve aan; dit voegt beter aan jeugdige menschen zooals gij, dan aan een' grijsaard met stramme beenen. Maar draag zorg, er niet meer aan te steken dan vijf of zes, want dat is voldoende.” De schoone Perziane stond op, ging eene der waskaarsen halen, ontstak die en begon vervolgens al de tachtig kaarsen aan te steken, zonder zich in het minst te bekreunen, om hetgeen Scheich Ibrahim haar gezegd had. Deze was zoo bezig met drinken en praten, dat hij er volstrekt geene acht op gaf, op welke wijze de schoone Perziane de haar gegeven vrijheid had overschreden, en toen hij nu met haar aan het praten raakte, drong Noureddin op zijne beurt aan, dat hij eenige der lustres of kristallen kroonen zou ontsteken. „Gij moet wel zeer op uw gemak gesteld zijn,” antwoordde Scheich Ibrahim, „dat gij zulks van mij durft vergen, en niet zelf de handen aan het werk slaat. Ga, ontsteek ze als gij lust gevoelt; maar niet meer dan drie.” Noureddin hield zich echter aan dat getal niet; hij stak al de kroonen aan, zoodat de zaal als in eene zee van licht zwom; ook wierp hij de tachtig vensters open, alles zonder dat Scheich Ibrahim daarvan iets bemerkte, zoo wist de schoone Perziane hem bezig te houden.
Haroun-Al-Raschid had zich op dat uur nog niet ter ruste begeven, en was in eene der zalen van zijn paleis, welke het uitzigt had op den Tigris, naar de zijde van het schilderijen-pavilloen. Het toeval wilde, dat de kalif een der vensters opende, en een oogenblik op het balkon trad, om frissche lucht te scheppen. Het schelle licht, dat hem tegenstraalde, deed hem eerst denken, dat er ergens brand was; maar weldra overtuigde hij zich, dat dit van zijn pavilloen moest zijn, en dat het niet in brand stond, maar geheel verlicht was. De groot-vizier Giafar was nog tegenwoordig, en wachtte slechts het tijdstip af, dat de kalif zich ter rust zou begeven, om naar huis te gaan. Tegen hem barstte het eerst de toorn van den Beheerscher der geloovigen los. „Vizier!” riep hij, „kom hier, en aanschouw het schilderijen-pavilloen. Zeg mij, hoe zulks op dit uur verlicht kan zijn, zonder dat ik mij daar bevind!”
Reeds de stem van den kalif, die van gramschap trilde, deed den groot-vizier beven, maar zijn schrik nam nog toe, toen hij, op het balkon komende, bespeurde, dat hetgeen zijn gebieder zeide, maar al te waar was. Giafar bevond zich in de grootste verlegenheid, te meer daar hij zich van de zaak geen begrip kon maken, en echter moest hij er iets op vinden, om de woede van den kalif ter neder te zetten. „Beheerscher der geloovigen,” zeide hij tot hem, „ik kan uwe majesteit daaromtrent niets anders zeggen, dan dat Scheich Ibrahim nu vier dagen geleden zich bij mij vervoegde. Hij gaf mij te kennen, dat hij voornemens was aan de hoofden zijner moskee een feest te geven, ter gelegenheid van eene plegtigheid, die hij zeer verblijd was onder de gelukkige regering van uwe majesteit te mogen vieren. Ik vroeg hem, wat hij dan in die zaak van mij verlangde, en waarmede ik hem van dienst kon zijn. Hierop verzocht hij mij, dat ik bij uwe majesteit zou bewerken, dat hij verlof kreeg zijne gasten in het pavilloen te onthalen, vermits zijne woning daartoe te klein en ongeschikt was. Ik liet hem gaan met de verzekering, dat hij zulks wel zou mogen doen, en dat ik er met uwe majesteit over wilde spreken. Dit laatste is mij echter door het hoofd gegaan, zoodat ik uwer majesteit voor dit mijn verzuim om vergiffenis moet vragen. Scheich Ibrahim,” vervolgde hij, „heeft waarschijnlijk dezen dag bestemd voor die plegtigheid, en zijne gasten willen verrassen, door de zaal van het pavilloen in al hare pracht te verlichten.”
„Giafar,” sprak de kalif op meer bedaarden toon, „naar hetgeen gij daar zegt, hebt gij u aan drie onvergeeflijke fouten schuldig gemaakt. De eerste, door aan Scheich Ibrahim verlof te geven, die plegtigheid in mijn pavilloen te vieren; aan een eenvoudig bewaarder mijner goederen komt zulk eene hooge eer niet toe, zijn rang geeft hem daarop geene aanspraak. De tweede, dat gij de toestemming niet kondet noch mogt geven, zonder mij daarin vooraf te kennen; en de derde, dat gij de ware bedoeling van dien goeden man niet beter doorgrond hebt. Ik ben overtuigd, dat zijne eigenlijke meening was, eene ondersteuning te verkrijgen, om hem in de uitgaven voor zijn feest te gemoet te komen. Gij hebt daarop niet gedacht, en ik stel hem niet in het ongelijk, dat hij, niets van u ontvangende, zich gewroken heeft, door u de nog veel grootere kosten van deze verlichting te berokkenen.”
De groot-vizier Giafar was zeer verblijd, dat de kalif het in dien zin opnam, en liet zich derhalve gaarne de misslagen aanleunen, die hem verweten werden; hij beleed zelfs rondborstig, dat hij verkeerd had gedaan, door aan Scheich Ibrahim niet eenige goudstukken te geven. „Daar gij schuld belijdt,” hernam de kalif lagchende, „zoo is het billijk, dat gij voor de door u begane fouten wordt gestraft; maar die straf zal ditmaal ligt zijn. Gij zult namelijk met mij het overige van dezen nacht in het gezelschap van die goede lieden doorbrengen. Het spreekt van zelven, dat ik, om hunne vreugde niet te bederven, daar incognito zal verschijnen; terwijl ik mij dus burgerlijk kleed, moet gij en Masrour eveneens doen; doch draag zorg, dat gij beiden niet op u laat wachten.” De vizier veroorloofde zich de opmerking te maken, dat het reeds laat was en het gezelschap dus waarschijnlijk uit een zou zijn gegaan, alvorens zij gereed waren, en daar konden zijn. De kalif echter gaf te kennen, dat zijn besluit nu eenmaal genomen was, en hij daarbij bleef. Giafar verbleekte; maar moest gehoorzamen.
De vorst verliet dus in burgerkleeding zijn paleis met zijn groot-vizier Giafar en met Masrour, opperste der gesnedenen, en ging door de straten van Bagdad, totdat hij aan zijn' tuin kwam. Hier had de kalif op nieuw reden van ergernis, want hij vond de poort open, daar Scheich Ibrahim, toen hij den wijn haalde, verzuimd had, die te sluiten. „Giafar,” zeide hij tot den groot-vizier, „wat moet ik er van denken, dat de poort van mijn' lusthof op dit uur van den nacht open staat? Zou het mogelijk zijn, dat Scheich Ibrahim de schandelijke gewoonte heeft, deze des nachts open te laten, om aan dieven en stroopers den vrijen toegang te geven? Dit is mij zeer onaangenaam, maar ik wil liever gelooven, dat hij door de drukte van het feest, zich aan dit nieuwe onvergeeflijke verzuim zal hebben schuldig gemaakt.”
De kalif trad den tuin in, doch bij het pavilloen gekomen, bleef hij onder aan den trap staan, daar hij, alvorens zich te vertoonen, wilde weten, hoe het in de zaal toeging. Hij gaf daarom zijn' vizier in bedenking, om in een der naastbij zijnde boomen te klimmen, vanwaar hij alles zou kunnen zien, wat in de verlichte zaal voorviel. Giafar echter maakte hem opmerkzaam, dat de deur der zaal half open stond, zoodat zij op den trap hunne waarneming zouden kunnen doen, zonder door het gezelschap te worden opgemerkt.
„Ik zie wel,” zeide de kalif half schertsende, „dat mijn tuinbewaarder zijn licht wil laten schijnen voor de menschen, daar hij feest viert met open deuren en vensters.” Groot was echter zijne verbazing, toen hij, bij de deur plaats vattende Scheich Ibrahim aan tafel zag zitten, in gezelschap eener onvergelijklijk schoone jonge dame en van een' zeer welgemaakten jongen man. De koninklijke pavilloen-bewaarder hield den beker in de hand. „Mijne lieve dame,” sprak hij op vrolijken toon tot de schoone Perziane, „een goed drinker moet nooit zijnen beker ledigen, zonder vooraf een lied te zingen. Doe mij de eer een oogenblik te luisteren.”
Scheich Ibrahim dreunde nu zijn lied helder uit de keel op, en de kalif was daarover te meer verwonderd, daar hij niet wist, dat hij ooit wijn dronk, en hij hem tot dusverre voor een zeer bedaard en verstandig mensch had gehouden. „Giafar,” zeide hij tot zijn' vizier, die een paar treden lager op den trap stond, op een' toon, die niet vrij van spotternij was: „Kom eens hier, om te zien, of de lieden daar binnen bestuurders van de moskee zijn, zooals gij mij dit hebt willen doen gelooven.”
De toon, waarop de kalif dit zeide, gaf den groot-vizier genoeg te kennen, dat de zaak zeer slecht voor hem begon te staan. Hij klom echter den trap op, en zag nu tot zijn' grooten schrik het zelfde tooneel, dat zich aan den kalif had voorgedaan. Hij geraakte geheel van zijn stuk, en wist niets tot zijne verontschuldiging bij te brengen. „Welk een schandaal!” duwde de vorst hem toe. „Men heeft de vermetelheid mijn pavilloen als herberg te gebruiken, en Scheich Ibrahim ontziet zich niet, daar met zijne gezellen goede sier te maken. Ik geloof nogtans niet, dat men een schooner en volmaakter paar in mijn rijk zou kunnen vinden, dan die twee jonge lieden. En daarom wil ik, alvorens mijn' toorn te bevredigen, weten, wat dat voor menschen zijn, en hoe Scheich Ibrahim aan dat gezelschap gekomen is.” De kalif bleef daarom met Giafar nog bij de deur staan. Zij hoorden nu Scheich Ibrahim tot de schoone dame zeggen: „Beminnelijke schoone, zoudt gij ook nog eenen wensch koesteren, waaraan ik voldoen kan, en waardoor de vreugde van dezen avond, indien mogelijk, nog verhoogd kan worden?” „Ik geloof,” antwoordde deze, „dat ons ten dien opzigte niets te wenschen overig blijft, indien gij mij een muzijk-instrument wildet verschaffen.” Scheich Ibrahim behoefde daartoe niet ver te gaan. Hij kreeg uit eene ebbenhouten kast eene fraaije met zilver gemonteerde luit, en bood deze de schoone Perziane met eene buiging aan. Zij nam het instrument en begon dit te stemmen.
Inmiddels wendde de kalif zich tot zijn' groot-vizier. „Giafar,” zeide hij, „de jonge dame zal op de luit spelen, en als zij zich daarvan goed kwijt zal ik, om harentwil, ook den jongen man en mijn' bewaarder niet straffen; maar u zal ik laten ophangen, omdat gij mij misleid hebt.” „Beheerscher der geloovigen,” hernam de groot-vizier met eene diepe buiging, „mijn leven is ter beschikking van uwe majesteit; maar als ik toch moet sterven, dan bewijze Allah mij de gunst, dat die dame zeer slecht moge spelen!” „En waartoe zou u dat baten?” hernam de kalif. „Hoe meer in getal,” antwoordde de groot-vizier, „des te meer reden van troost zullen wij vinden, daar het altoos aangenamer is in goed gezelschap dan alleen te moeten hangen.” De kalif, die gaarne een snedig gezegde aanhoorde, kon zich bijna niet van lagchen onthouden over dit antwoord van zijn' vizier. Hij bedwong zich echter, en keerde het oor naar de opening der deur, om de schoone Perziane te hooren spelen.
Wat hij hoorde, overtrof zijne verwachting. Zij begeleidde haar instrument met eene heerlijke stem, en speelde zoo meesterlijk, dat de Beheerscher der geloovigen in verrukking werd gebragt. Zoodra zij ophield met spelen en zingen, gaf hij zijn' vizier een' wenk, om met hem naar beneden te gaan, en sprak tot hem: „Schooner stem en meesterlijker spel heb ik nooit gehoord! Izaäk, dien ik voor den eersten luitspeler van de wereld hield, heeft in deze jonge dame zijne meesteres gevonden. Ik ben zoo tevreden over hetgeen ik gehoord heb, dat ik daar meer van wil hooren, en wel van meer nabij. Maar hoe zullen wij het aanleggen, om daartoe te geraken; zal ik van mijn regt gebruik maken, en onaangemeld binnentreden?”
„Beheerscher der geloovigen,” antwoordde de groot-vizier, „indien gij dat doet, en Scheich Ibrahim u herkent, dan zal hij het van schrik besterven.” „Zulks zou mij spijten,” hernam de kalif, „want hij heeft mij vele jaren trouw gediend. Doch er komt mij iets in de gedachten, waardoor ik welligt tot mijn doel zal kunnen geraken, zonder den goeden ouden man te verschrikken. Wacht mij met Masrour in gindsche laan, totdat ik terugkom.”
De nabijheid van den Tigris had den kalif in de gelegenheid gesteld, een' kleinen tak van die rivier met de vijvers van zijnen lusthof in verbinding te brengen, zoodat deze steeds van versch water voorzien werden, en van visch overvloeiden. Dit wisten de Bagdadsche visscherlieden zeer goed, en zij zouden goede zaken hebben kunnen maken, indien zij daar hadden mogen visschen; doch dit was hun ontzegd, en de kalif had aan Scheich Ibrahim gestreng verboden, immer een' van deze lieden toe te laten. Maar in dien nacht had de hoop op eene rijke vangst een' der visschers, die met zijne netten beladen daar voorbij kwam, toen hij de poort open vond, tot eenen nachtelijken strooptocht verleid. Hij was den tuin binnen geslopen, even voor dat de kalif daar kwam, en deze had dit gezien. Hierop bouwde Haroun-Al-Raschid zijn plan.
De visscher had zijne netten reeds uitgeworpen en maakte zich gereed die op te halen, toen de kalif plotseling bij hem stond. Hij herkende den vorst niettegenstaande zijne verkleeding, wierp zich terstond aan zijne voeten, en bad om vergiffenis, waarbij hij zich beriep op zijne armoede, die hem, toen hij de poort open had gevonden, tot dezen nachtelijken togt had verlokt. „Sta op, en heb geene vrees,” sprak de kalif, „doch haal uwe netten op, ik wil zien, wat gij gevangen hebt?” De visscher hier door gerust gesteld, haastte zich aan het bevel van den kalif te voldoen. Zijne vangst bestond in vijf of zes zeer schoone visschen. De kalif koos er de twee grootsten uit, liet de koppen bijeen binden, en zeide toen tot den visscher: „Geef mij uw kleed, neem gij het mijne, pak uwe netten bij elkander, en spoed u heen.”
De arme visscher vertrok zeer verblijd over zijn goed geluk, dat hem, behalve de drie nog overige visschen, voor zijne oude plunje, een goed pak kleeren had verschaft. De kalif voegde zich, de twee visschen in de hand dragende, weder bij Giafar en Masrour, en plaatste zich weder voor den groot-vizier die hem niet herkende. „Wat zoekt gij hier nachtdief,” zeide hij barsch, „pak u dadelijk voort, eer dat u iets erger overkomt!” De kalif kon zich niet van lagchen onthouden, waardoor Giafar hem herkende. „Beheerscher der geloovigen,” riep hij uit, „is het mogelijk dat gij het zijt? Ik herkende u niet, en moet u duizendmalen om verschooning vragen voor mijne onwellevendheid. Gij kunt u echter thans gerust in de zaal laten zien, zonder bevreesd te zijn, dat Scheich Ibrahim u in dat visschersgewaad zoeken zal.” „Blijft gij dan nog hier met Masrour,” beval de kalif, „terwijl ik mijn rol ga spelen.”
De vorst klom den trap op, en klopte aan de deur der zaal. „Daar is iemand aan de deur,” zeide Noureddin, die het kloppen het eerst hoorde, tot zijn' gastheer. „Wie is daar?” riep Scheich Ibrahim, zoo barsch mogelijk. De kalif stootte de deur open, en deed eene schrede in de zaal, waarna hij staan bleef. „Scheich Ibrahim,” gaf hij nu ten antwoord, „ik ben de visscher Kerim. Daar ik bemerkte, dat gij uwe vrienden onthaaldet, dacht ik dat deze visschen u misschien welkom zouden zijn; ze zijn zoo even gevangen.”
Noureddin en de schoone Perziane werden belust, toen zij van visch hoorden spreken. „Scheich Ibrahim,” zeide de laatste, „doe mij het genoegen dien man binnen te roepen, dat wij zijne visschen eens zien?” Scheich Ibrahim was niet meer in staat, om aan den gewaanden visscher te vragen, hoe en langs welken weg hij daar was gekomen; daartoe had hij te veel gedronken. Hij was op niets anders bedacht, dan om aan de schoone Perziane zijn hof te maken. Niet zonder moeite keerde hij het hoofd naar de deur, en zeide al stamelende tot den kalif, dien hij werkelijk voor een visscher aanzag: „Kom nader nachtdief, opdat wij u zien kunnen.”
De kalif, al de manieren van een' visscher namakende, kwam naderbij, en bood zijne twee visschen met veel takt te koop aan. „Ziedaar een paar heerlijke visschen,” zeide de schoone Perziane; „indien zij toebereid waren, zou ik er met smaak van eten.” „Mevrouw heeft gelijk,” liet Scheich Ibrahim daarop volgen; „zoo kunnen wij uwe visschen niet gebruiken, vriend. Wilt gij dat ik ze koopen zal, zoo moet gij ze eerst zelf toebereiden, waartoe gij in mijne keuken al het noodige vinden zult.”
De kalif ging zijn' groot-vizier weder opzoeken. „Giafar,” zeide hij, „ik ben zeer goed ontvangen geworden; maar men verlangt van mij, dat ik deze visschen zelf zal toebereiden; want Scheich Ibrahim is zoo zeer door den wijn en de liefde bevangen, dat hij niet meer weet, wat hij doet of zegt, en geen' anderen wil heeft, dan die van de schoone jonge dame, aan wier zijde hij gezeten is.” „Geef mij de visschen,” gaf de groot-vizier ten antwoord, „ik zal ze met spoed laten gereed maken; binnen een half uur ben ik terug.” „Neen,” hernam de kalif, „de zaak gaat mij zoo zeer ter harte, dat ik mij de moeite der bereiding wel wil getroosten. Daar ik in mijne visschersrol zoo goed geslaagd ben, zal ik ook die van kok wel weten waar te nemen.” Dit zeggende begaf hij zich naar de woning van Scheich Ibrahim, gevolgd door den groot-vizier en Masrour.
Alle drie sloegen zij de handen aan het werk, en daar de keuken van Scheich Ibrahim, hoewel niet groot, ruim voorzien was van alles, wat zij konden noodig hebben, was de schotel met visch weldra toebereid. De kalif droeg dien zelf op, en legde tevens bij ieder bord een citroen, indien een der gasten mogt wenschen daarvan gebruik te maken. Vooral Noureddin en de schoone Perziane aten, tot groot vermaak van den vorst, met goeden smaak van zijn geregt.
Toen zij hunnen eetlust bevredigd hadden, sloeg Noureddin de oogen op den kalif, die in bescheiden houding achter tafel stond, en scheen af te wachten, of men hem ook nog iets te bevelen had. „Visscher,” zeide hij, „gij hebt eer van uw werk; men zou de visch niet lekkerder kunnen wenschen, en gij hebt ons daarmede een groot genoegen gedaan.” Hierop stak hij de hand in zijne borst en haalde er zijne beurs uit, waarin nog dertig goudstukken waren, het overschot der veertig, welke Sangiar bij zijn vertrek uit Balsora gegeven had. „Neem dit voor uwe moeite,” vervolgde hij, „indien ik meer had zou ik u meer geven; ja, hadde ik u gekend vóór dat ik mijn vaderlijk erfdeel doorbragt, zoo zou ik u op éénmaal en voor altoos uit uwe armoede geholpen hebben; stel u echter thans met dit weinige tevreden.”
De kalif nam de beurs aan, en zeide: „Mijn goede heer, ik kan u niet genoeg danken voor uwe mildheid. Men is wel gelukkig, als men met zulke brave en edelmoedige menschen te doen heeft. Echter heb ik, alvorens te vertrekken, u nog een nederig verzoek te doen, dat ik u smeek mij toe te staan. Ik zie daar bij mevrouw eene luit liggen, hetgeen mij doet denken dat zij dit instrument bespeelt. Uw knecht is een hartstogtelijk beminnaar van muzijk en zang, en bijaldien gij van haar kunt verkrijgen, dat zij mij de gunst bewijst een enkel lied voor te dragen, zoo zal ik hoogst gelukkig van hier gaan.”
„Schoone Perziane,” zeide Noureddin zich onmiddelijk tot haar rigtende, „ik verzoek u dien goeden man dit vermaak te geven, en ik vertrouw, dat gij mij zulks niet zult weigeren.” Zij nam de luit, stemde die in weinig tijd, en speelde en zong een lied, waardoor de kalif geheel werd weggesleept, zoodat hij ten laatste in geestvervoering uitriep: „Welk eene stem, en welk een spel! Heeft men ooit iets voortreffelijkers gehoord?”
Het was de gewoonte van Noureddin, alles wat zijn eigendom was, en door dezen of genen bovenmatig werd geprezen, onbedacht weg te schenken; en van deze dwaasheid had het ongeluk hem nog niet genezen. „Visscher,” gaf hij op dien lofspraak ten antwoord, „ik zie wel, dat gij een kenner zijt zooveel van muzijk als van schoone vrouwen; daar deze jonge dame u zoo zeer behagen kan, zoo neem haar, zij is u geschonken.” Op het zelfde oogenblik stond hij op, sloeg zijn overkleed om, en wilde vertrekken, om den kalif, dien hij slechts voor een' armen visscher kende, in het rustige bezit te laten van de schoone Perziane. De laatste, ten hoogste ontsteld en verbaasd over de dwaze vrijgevigheid van Noureddin, weêrhield hem echter. „Heer,” sprak zij hem teeder aanziende, „waar wilt gij heen gaan? Ik bid u, herneem uwe plaats, en hoor wat ik voor u spelen en zingen zal.” Hij deed wat zij verlangde, en nu de luit aanslaande, en de met tranen gevulde oogen op hem gerigt houdende, zong zij eenige verzen, waarin zij hem op hartroerenden toon de weinige liefde verweet, die hij jegens haar liet blijken, door haar zoo vrijwillig te verlaten, ja weg te schenken aan een' man als Kerim, in wien ook zij niet den kalif vermoedde, maar slechts een' armen visscher zag.
Noureddin antwoordde op deze verwijten geen enkel woord. Hij gaf door zijn stilzwijgen te kennen, dat zijne daad hem niet berouwde. Maar de kalif, verwonderd over hetgeen hij gehoord had, zeide tot hem: „Heer, zooals ik bemerk, is deze wonderschoone en hoogst beminnelijke dame, welke gij mij met zooveel edelmoedigheid ten geschenke wilt geven, uwe slavin; gij zijt dus haar meester.” „Daar zegt gij de waarheid Kerim,” antwoordde Noureddin, „en moge het u verbazen, dat ik zoo gereed was, haar aan u af te staan, uwe verwondering zou ophouden, indien gij bekend waart met al de rampen, die mij om harentwil zijn overkomen.” „Ik verzoek u,” hernam de kalif, zijne rol van visscher steeds voortspelende, „verpligt mij nog door de mededeeling van uwe lotgevallen, die ik mij voorstel, dat zeer belangwekkend zullen zijn.”
Noureddin, die in grootere zaken zich zoo vrijgevig jegens den gewaanden visscher betoond had, vond er geen bezwaar in, hem ook dit zijn laatste verzoek toe te staan. Hij verhaalde hem zijn' geheelen levensloop, van af het tijdstip dat zijn vader de vizier, de schoone Perziane voor den koning van Balsora had aangekocht, zijne kennismaking met haar, en alles wat hij sedert gedaan had, en hem bejegend was, tot hunne aankomst te Bagdad.
„En waar wilt gij nu heen gaan?” vroeg hierop de kalif. „Dat weet ik zelf niet,” antwoordde Noureddin, „ik zal gaan, werwaarts Allah mij geleiden zal.” „Wilt gij naar mij hooren,” hernam de vorst „zoo zult gij niet verder gaan, maar integendeel naar Balsora terugkeeren. Ik zal een paar regels schrift medegeven, die gij van mijnentwege aan den koning moet overhandigen, en ik blijf er u borg voor, dat hij, na die gelezen te hebben, u zeer wel ontvangen, en niemand het wagen zal, u een kwaad woord te zeggen, laat staan u eenig leed te doen.”
„Kerim,” antwoordde Noureddin met een een' glimlach en een ongeloovig hoofdschudden, „hetgeen gij daar zegt, komt mij al zeer vreemd voor; het is nog nooit gebeurd, dat een arme visscher gelijk gij met een' koning briefwisseling houdt!” „Dit moet u echter niet verwonderen,” hernam de kalif; „zijne majesteit en ik zijn te zamen opgevoed en hebben de zelfde onderwijzers gehad, en steeds heeft er tusschen ons eene naauwe vriendschap bestaan. Het is waar, dat de fortuin ons niet gelijkelijk met hare gunsten bedeeld, maar hem tot koning, en mij tot visscher gemaakt heeft; dit verschil van rang en stand heeft onze vriendschap evenwel niet kunnen verminderen. Hij heeft mij meermalen en met aandrang voorgesteld, om mij uit mijnen nederigen stand tot hoogen staat te verheffen. Ik heb dit standvastig geweigerd, en mij tevreden gesteld, om van den invloed, dien ik bij hem heb, gebruik te maken ten dienste mijner vrienden. Nooit heb ik dat te vergeefs gedaan; laat mij slechts begaan, en gij zult bevinden, dat ik u niet te veel gezegd heb.”
Ten halve overtuigd, maar toch nog weinig meer prijs op zijne bewering stellende, gaf Noureddin eindelijk zijne toestemming, en daar er schrijfgereedschap in de zaal aanwezig was, zette de kalif zich dadelijk neder, en schreef een' brief aan den koning van Balsora, waarboven hij, aan het uiterste einde van het blad, in zeer klein schrift, deze formule plaatste: „In naam van den barmhartigen God,” ten teeken dat hij volstrekt en zonder verzuim gehoorzaamd wilde worden.
Brief van den kalif Haroun-Al-Raschid aan den koning van Balsora.
„Haroun-Al-Raschid, zoon van Mahdi, zendt dezen brief aan Mohammed Zinchi, zijn' neef. Zoodra Noureddin, zoon van den vizier Khasan, brenger van dezen brief, u dien zal hebben overgegeven, en gij dien zult gelezen hebben, zoo ontdoe u oogenblikkelijk van den koninklijken mantel, hang hem dien om, en doe hem zitten op uwe plaats. Wees gegroet.”
De kalif vouwde en verzegelde den brief, en stelde dien aan Noureddin ter hand, zonder hem met den inhoud bekend te maken. „Neem dezen,” zeide hij, „en scheep u oogenblikkelijk in op het schip, dat dagelijks op dit uur van hier naar Balsora afvaart. Aan boord kunt gij uwe nachtrust nemen.” Noureddin nam den brief aan, en vertrok zonder ander reisgeld, dan het weinige, dat hij bij zich droeg op het tijdstip, dat de kamerheer Sangiar hem zijne beurs gaf. Toen de schoone Perziane hem zag heengaan, zonk zij achterover op de sofa neder, en smolt weg in tranen.
Naauwelijks had Noureddin de zaal verlaten, of Scheich Ibrahim brak het stilzwijgen, dat hij gedurende het voorgevallene bewaard had, en zag den kalif, dien hij nog altoos voor een' visscher hield, aan. „Luister eens, Kerim,” sprak hij; „gij zijt hier gekomen om ons twee visschen te verkoopen, die op zijn meest twintig stukken koper waard zijn, en men heeft u daarvoor gegeven eene goed gevulde beurs, benevens eene slavin. Meent gij dat alles voor u te behouden? Ik denk daar geheel anders over! De slavin moet ik half hebben. Wat de beurs aangaat, laat mij zien wat daarin is, bevat zij zilvergeld, zoo zult gij daarvan een stuk voor u nemen, maar indien het goud is, zoo neem ik dit geheel voor mij, en ik zal u eenige koperstukken geven, die ik nog in den zak heb.”
Om hetgeen nu volgen zal op te helderen, moeten wij aanteekenen, dat de kalif, alvorens den schotel met visch, dien hij had toebereid, op te dragen, aan zijn' groot-vizier gelast had, zich onmiddelijk naar het paleis te begeven, van daar vier zijner kamerdienaars en zijn staatskleed te halen, en in de nabijheid van het pavilloen post te vatten, totdat hij uit een der vensters in de handen zou klappen. De groot-vizier had zich van dezen last gekweten, en was met Masrour en de vier kamerdienaars steeds wachtende op het bestemde teeken.
Keeren wij nu tot het zoo even afgebroken gesprek terug. De vorst altijd in zijne rol van visscher volhardende, antwoordde den pavilloen-bewaarder vrij beslist, met te zeggen: „Scheich Ibrahim, of er in de beurs goud of zilver is, weet ik niet; maar ik ben bereid dit met u te deelen. Wat echter de slavin aangaat, deze begeer ik geheel voor mij te behouden. Neemt gij genoegen in mijn voorstel, zoo zullen wij het geld tellen en deelen; staat u dat echter niet aan, zoo zult gij niets hebben.” Op zulk een' hoogen toon was Scheich Ibrahim nog nooit door een' visscher toegesproken; hij gevoelde zich in zijne eer getast, en opstuivende greep hij een' der porseleinen bekers van de tafel, en wierp dien den kalif naar het hoofd. Het viel dezen niet moeijelijk den worp te ontwijken, waardoor Scheich Ibrahim nog meer opgewonden werd. Hij stond al waggelende op, nam de kaars die op de tafel stond, en klom een' verborgen trap af om een' rotting te halen.
De kalif maakte van deze gelegenheid gebruik, om zijn visschersgewaad met het door Giafar medegebragte kleed te verwisselen, en Scheich Ibrahim, met een' rotting in de hand weder binnenkomende, werd door deze plotselinge verschijning dadelijk geheel uit den droom geholpen. Hij wierp zich voor de voeten van zijn' vorst, die hem al lagchende vergiffenis schonk. Aan de schone Perziane beloofde de kalif eene kamer in zijn paleis, totdat hij haar als koningin aan Noureddin zou terugzenden.
De terugreis van Noureddin naar Balsora was voor zijn geluk te voorspoedig. Hij kwam daar eenige dagen vroeger aan, dan iemand denken kon, en voor hem, zooals wij zien zullen, veel te vroeg. Zonder bij zijne bloedverwanten of vrienden aan te gaan, ging hij van het schip regelregt naar het paleis des konings, daar hij wist, dat de koning in den regel juist op dien dag audiëntie gaf. Het gelukte hem, den brief in de hoogte houdende, door de menigte heen te dringen, en denzelven met de gebruikelijke eerbewijzing den vorst te overhandigen. De koning nam dien aan, en opende hem; maar naauwelijks had hij den inhoud gezien, of zijne kleur verschoot. Hij kuste echter den brief tot driemalen, en maakte zich gereed het bevel van den kalif te volbrengen, toen hij zich weder bezon, en den brief aan den vizier Saony, den geslagen vijand van Noureddin, ter lezing overreikte.
Saony, die Noureddin terstond herkend had, en zich reeds zeer ongerust maakte, wat hem herwaarts mogt voeren, was, toen hij het bevel las, dat de brief behelsde, even zeer verrast als de koning zelf. Doch daar hij in de zaak niet minder betrokken was, zoo zon hij dadelijk op een middel, om deze lastgeving te verijdelen. Den schijn aannemende, alsof hij den brief niet goed kon lezen, liep hij naar een der vensters om beter licht te hebben. Hij hield hier het papier digt voor de oogen, scheurde er de formule bovenaan behendig af, stak die in den mond, en slikte het reepje papier door, waarmede het teeken, dat de kalif volstrekt gehoorzaamd wilde worden, verdwenen was.
Na deze valsche streek voegde Saony zich weder bij den koning, gaf den brief terug, en vroeg op fluisterden toon: „En wat is nu het voornemen van uwe majesteit?” „Te doen, wat de kalif mij beveelt,” gaf de koning ten antwoord. „Wacht u daarvoor sire,” hernam de schelmsche vizier; „ik erken wel het handschrift van den kalif, maar de gewone bekrachtiging ontbreekt.” De koning had deze, toen hij den brief voor de eerste maal las, zeer goed opgemerkt, doch daar zij nu ontbrak, meende hij zich, in de verwarring, waarin hij verkeerde, vergist te hebben. Hij liet zich door Saony bepraten, en gaf Noureddin in handen van zijn vizier, om met hem naar welgevallen te handelen. Deze liet Noureddin naar zijne woning brengen, en hem daar stokslagen geven, totdat hij voor dood bleef liggen. In dien toestand deed hij hem naar de gevangenis vervoeren, en in een onderaardsch hok werpen, den cipier gelastende, hem niet dan water en brood te geven.
Tien dagen lang bleef Noureddin in zijne ellendige gevangenis, waar hij zon noch maan aanschouwde, en eene eeuwige nacht hem omringde. Op den elfden dag begaf Saony, die inmiddels door allerlei slinksche middelen bij den koning het doodvonnis over Noureddin had weten te verkrijgen, zich naar de gevangenis, vergezeld door een twintigtal zijner slaven. Men bragt den gevangene tot hem. Zoodra Noureddin zag dat hij in de handen van zijn' vijand was overgeleverd, voegde hij hem toe: „Gij zegepraalt en maakt misbruik van uwe magt, maar ik stel vertrouwen in de spreuk, welke in een van onze boeken geschreven staat: „O regter, gij die onregtvaardig oordeelt, gedenk, dat gij zelf weldra zult geoordeeld worden.”” „Hoe, onbeschaamde!” antwoordde Saony, „gij waagt het ook nu nog mij te honen? Maar laat dit zoo zijn, ik vergeef het u; laat mij overkomen wat wil, indien ik u slechts eerst, voor de oogen van geheel Balsora, het hoofd door den beul mag zien afslaan. Want ook gij moet weten, wat een onzer boeken zegt: „Wat is er aan gelegen, te moeten sterven den dag na den dood zijns vijands?”” Daarna begaf hij zich naar het koninklijk paleis, in welks front een schavot was opgerigt, en liet Noureddin door slaven bewaakt, voor zich uitrijden. De vrees, dat het verbitterde volk zou trachten den algemeen beminden gevangene te bevrijden, deed den vizier allen spoed maken. Hij leverde Noureddin dadelijk aan den beul over. Ook deze had medelijden met hem. „Heer,” sprak hij, „ik smeek u, mij uwen dood niet toe te rekenen. Als slaaf, ben ik in de noodzakelijkheid te gehoorzamen. Indien ik echter nog het een of ander voor u doen kan, zoo hebt gij slechts te spreken.” Noureddin stelde hem gerust, bedankte hem voor zijne gehechtheid, en maakte zich gereed, om den doodelijken slag te ontvangen. Nog slechts een wenk des konings, en het ware met zijn leven gedaan!..... Daar verschijnt op eenmaal in de straat, die regt op het plein van het paleis aanliep, een troep ruiters, die in vollen galop naderen. De kalif merkte dit dadelijk op, en niettegenstaande het onophoudelijk aandringen van Saony, geeft hij bevel het vonnis eenige minuten op te schorsen. Hij had den vizier Giafar herkend, en wilde eerst weten, wat deze hem kwam zeggen.
Om de komst van dezen staatsdienaar te Balsora te verklaren, moeten wij mededeelen, dat de kalif, nadat Noureddin met den brief was vertrokken, er de eerstvolgende dagen in het geheel niet aan gedacht had, om hem te bevestigen in zijn koningschap (waarvan hij tot de schoone Perziane gesproken had) door een' kourier naar Balsora hem achterna te zenden. Eens echter, dat hij zich naar zijne kamer begaf, hoorde hij in de vrouwenvertrekken eene zeer schoone stem; hij bleef staan om te luisteren, maar naauwelijks had hij de eerste woorden aangehoord, of hij vroeg aan Masrour, den opperste der gesnedenen, die hem volgde, welke vrouw daar zoo fraai zong. „Sire,” antwoordde Masrour, „het is de schoone slavin van dien jongen heer, wien het uwer majesteit behaagd heeft naar Balsora te zenden, om daar koning te zijn in de plaats van Mohammed Zinchi.”
„Ach! arme Noureddin,” riep de sultan nu uit, „hoe heb ik u vergeten! Spoed u,” vervolgde hij tot Masrour, „laat de vizier Giafar zich onmiddelijk naar Balsora begeven; en is Noureddin niet meer in het land der levenden, heeft men hem doen sterven, zoo doe hij den vizier Saony oogenblikkelijk ophangen. Leeft hij echter nog, zoo zal hij den koning, diens vizier en Noureddin voor mij brengen.”
De groot-vizier had naauwelijks dit bevel vernomen, of hij spoedde zich met zijn gevolg naar Balsora, om daar nog juist bij tijds aan te komen. De koning van Balsora ontving hem bij den ingang van zijn paleis met de meeste onderscheiding, en vroeg dadelijk naar het doel zijner zending. „Haroun-Al-Raschid,” sprak Giafar, „doet u vragen of Noureddin, de zoon van Khasan, nog leeft?” De koning beantwoordde deze vraag toestemmend, en deed den gevangene voorbrengen. Onmiddelijk liet Giafar hem van zijne boeijen ontdoen, en die Saony aanleggen. Slechts één dag hield hij zich te Balsora op; hij vertrok reeds den volgenden morgen, om zoo spoedig mogelijk den Beheerscher der geloovigen gerust te stellen, en hem Mohammed Zinchi, Noureddin en Saony over te leveren. Hij deelde hem alles mede, wat Noureddin van den koning van Balsora, daartoe door Saony aangedreven, had moeten verduren.
De kalif stelde daarop den boozen vizier geheel in Noureddin's handen, en toen deze weigerde hem persoonlijk te dooden, liet hij hem reeds den volgenden dag op een van Bagdad's pleinen door beulshanden onthoofden. Aan Noureddin gaf Haroun-Al-Raschid zijn verlangen te kennen, dat hij naar Balsora zou terugkeeren, om daar als koning te heerschen. „Beheerscher der geloovigen,” gaf deze ten antwoord, „in de stad Balsora te wonen, is mij, na al het voorgevallene, ondoenlijk geworden. Ik verzoek daarom uwe majesteit mij in haren persoonlijken dienst te nemen.” De kalif gaf aan dezen wensch gehoor, en verhief Noureddin tot zijnen meest begunstigden hoveling, terwijl hij hem de schoone Perziane terug gaf. Hij schonk hem bovendien zoo vele goederen, dat Noureddin spoedig zijn vroeger lijden vergeten was. Wat de koning van Balsora betreft, de kalif stelde zich tevreden hem voor te houden, van hoeveel belang het voor een' vorst is, goede staatsdienaren te kiezen. Met deze les zond hij hem naar zijn koningrijk terug.
