GESCHIEDENIS VAN DEN VISSCHER.
Reading edition
In vroegeren tijd leefde er een visscher, die hoog bejaard en daarbij zoo arm was, dat hij groote moeite had aan zijne vrouw en drie kinderen, waaruit zijn huisgezin bestond, het noodige onderhoud te verschaffen. Hoewel hij eene gelofte gedaan had om, hetzij hij veel of weinig visch ving, zijne netten nimmer meer dan viermaal daags uit te werpen, ging hij toch elken morgen vóór zonsopgang op de vischvangst.
Op zekeren morgen, dat hij reeds bij maneschijn, dus voor het aanbreken van den dag, van huis ging, begaf hij zich naar een' inham der zee, waar hij zijne netten uitwierp. Toen hij ze weder ophaalde en naar het strand trok, voelde hij een' sterken tegenstand, hetgeen hem hoop gaf op eene goede vangst, waarover hij zich reeds vooruit verheugde. Doch die vreugde ging weldra in droefheid en bittere teleurstelling over, want in plaats van de verwachte visch vond hij, toen hij het net met inspanning van al zijne krachten opgetrokken had, daarin niets dan het geraamte van een ezel.
Nadat de visscher, zeer ter neêrgeslagen wegens deze slechte vangst, zijne netten, die door het ezelsgeraamte zeer beschadigd waren, weder hersteld had, wierp hij die voor de tweede maal uit. Weder ondervond hij bij het ophalen eenen hevigen tegenstand, als of het net vol groote visschen ware, maar wat hij dit maal optrok was eene met puin en slijk gevulde mand. „O Fortuin!” riep thans de arme visscher op klagenden toon, „wees niet op mij vergramd, en kwel geen ongelukkige, die u smeekt hem te sparen! Ik ben van huis gegaan om hier iets te zoeken tot onderhoud mijns levens, en wat gij mij vinden doet is voor mij de dood. Ik heb geen ander middel van bestaan, en hoezeer ik moeite noch arbeid ontzie, is het mij hoogst bezwaarlijk in de behoeften van mijn gezin te voorzien.” „Maar” vervolgde hij, „waarom mij aan u te beklagen, gij schept er vermaak in brave lieden te kwellen, en groote mannen in vergetelheid te laten, terwijl gij de slechten begunstigt en diegenen verheft, welke geene enkele deugd of goede hoedanigheid bezitten, waardoor zij zulks waardig zijn.”
Bij het eindigen dezer woorden smeet hij de mand vertoornd weg, wiesch zijne netten, reinigde ze van het slik, en wierp ze voor de derde maal uit. Ook nu haalde hij niets op dan steenen, schelpen en wier; zijne wanhoop was onbeschrijfelijk, hij was als zinneloos! Daar echter de dag begon aan te breken verzuimde hij als goed muzelman niet zijn gebed te doen, waaraan hij deze bede toevoegde: Heere! gij weet dat ik mijne netten niet meer dan viermaal daags uitwerp. Reeds heb ik ze driemaal uitgeworpen, zonder van mijnen arbeid eenige vrucht te genieten. Nog slechts ééne vraag blijft mij over; ik bid u laat ditmaal de zee even gunstig voor mij zijn, als gij ze voor Mozes gemaakt hebt.
Na dit gebed wierp de visscher zijne netten voor de vierde maal uit. Toen hij nu dacht dat er visch in was, trok hij ze niet zonder krachtsinspanning op. Hij vond er ook nu geen visch in, maar eene koperen vaas, die, naar haar gewigt te oordeelen, met iets zwaars gevuld moest zijn. Ook bemerkte hij, dat de vaas met eenen looden zegel, waarop eenige vreemde letters gegraveerd stonden, gesloten was. Deze vangst verblijdde hem. Ik zal, dacht hij, de vaas bij den koperslager brengen, en voor het geld, dat ik er van maak, eene maat koren koopen, opdat ik iets te eten hebbe voor mij en voor mijne huisgenoten.
Hij bekeek intusschen de vaas aan alle kanten, en schudde ze krachtig om te vernemen of hetgeen zij inhield ook geluid of klank gaf. Hij vernam niets, en deze omstandigheid, gevoegd bij die van het zegel, bragten hem op het denkbeeld, dat deze vaas misschien eene zaak van waarde kon inhouden. Hieromtrent zekerheid wenschende te hebben, nam hij zijn mes, en ligtte met eenige moeite het zegel op. Hij keerde de nu geopende vaas dadelijk het onderste boven, maar er viel niets uit, hetgeen hem ten hoogste verwonderde. Dezelve met aandacht beschouwende, bemerkte hij intusschen een' digten damp, die er uit opsteeg, en die hem vepligtte twee of drie passen achterwaarts te doen, om niet te stikken. Deze damp verhief zich tot de wolken, en breidde zich als een dikke mist over de zee en het strand uit, een schouwspel dat, gelijk men ligt kan denken, den visscher grootelijks verbaasde. Toen al de damp uit de vaas was opgestegen, vereenigde hij zich tot een vast ligchaam, waaruit zich een geest vormde langer dan de grootste reus, die ooit bestaan heeft. Op het gezigt van dit bovennatuurlijke monster, wilde de visscher de vlugt nemen, maar hij was zoo ontzet en door schrik getroffen, dat zijne voeten hem hunne dienst weigerden en hij als aan den grond vastgenageld staan bleef. „Salomo,” riep nu de uit zijne enge gevangenis ontslagen geest, met eene stem gelijk aan het rollen van den donder, „Salomo, groote profeet van God, vergiffenis, vergiffenis! Nimmer meer zal ik mij tegen uwen wil verzetten. Ik zal gehoorzaam zijn aan al uwe bevelen.”
Toen de visscher deze woorden van den geest hoorde, schiep hij moed en zeide: „Arme geest wat gij daar zegt is voor mij een raadsel. Het is reeds meer dan achttienhonderd jaar geleden, dat Salomo, de profeet van God, gestorven is, wat kunt gij dan met hem te doen gehad hebben? Verhaal mij uwe geschiedenis en waarom gij in deze vaas waart opgesloten?” Op deze toespraak, zag de geest den visscher met verachting aan, en graauwde hem toe: „Spreek met meer beleefdheid, wat vermeet gij u wel, mij dus gemeenzaam met den naam van „arme” aan te spreken?” „Welnu!” hernam de visscher, „vindt gij beter dat ik u een geluksvogel noem?”
„Ik zeg,” herhaalde de geest, „dat gij mij beleefder en met meer ontzag hebt toe te spreken, voor dat ik u doe sterven.” „Wel nu nog fraaijer!” riep de visscher, „om wat reden zoudt gij mij dooden? Ik heb u zoo even uit uwe gevangenis verlost, waar gij al vrij benaauwd en dus niet op uw gemak zult hebben gezeten: zijt gij dat misschien reeds vergeten, dan hebt gij een heel kort geheugen.”—„Neen, dat weet ik zeer goed,” sprak de geest, „maar het zal mij niet weêrhouden u te doen sterven; ik heb u daarbij slechts ééne gunst toe te staan.” „En wat zal dat zijn?” vroeg de visscher. „Dat ik het aan uwe keus laat,” antwoordde de geest, „op welke wijze gij wilt dat ik u doode.” „Die keus,” hernam de visscher, „bevalt mij niet, en moge een ander doen. Maar waarmede heb ik u beleedigd? Wilt gij de weldaad, die ik u bewezen heb, vergelden door mij het leven te benemen?” „Ik mag niet anders handelen,” hernam de geest, „en opdat gij daarvan overtuigd moogt worden, zoo hoor mijne geschiedenis.
Ik ben een dier weêrspannige geesten, die zich tegen den wil van God verzet hebben. Alle andere geesten erkennen den grooten Salomo voor Gods profeet, en onderwerpen zich aan hem: Wij, Sacar en ik, waren de eenigsten, die zich hiertoe niet wilden vernederen. Om zich over onze weêrspannigheid te wreken, belastte deze magtige koning zijnen eersten minister Assaf, zoon van Barakhia, mij gevangen te doen nemen. Deze last werd volvoerd. Assaf verzekerde zich van mijn persoon, en bragt mij tegen mijnen wil voor den troon van den koning zijn' meester. Salomo, de zoon van David, gelastte mij, om mijne verkeerde levenswijze te veranderen, zijne oppermagt te erkennen, en mij aan zijne bevelen te onderwerpen. Ik sloeg dit met trotschheid af en wilde liever zijnen toorn ondervinden, dan den eed van getrouwheid en onderwerping, dien hij van mij vorderde, afleggen. Om mij daarvoor te straffen sloot hij mij in deze koperen vaas, en om zich te beter van mij te verzekeren, zoo dat ik uit mijne gevangenis niet zou kunnen losbreken, drukte hij eigenhandig op het looden deksel van de vaas zijn zegel, waarop de naam van den almagtigen God gegraveerd was. Vervolgens stelde hij de vaas in handen van een der hem onderdanige geesten, met last deze in zee te werpen, welk bevel tot mijne groote spijt maar al te getrouw volbragt werd. Gedurende de eerste eeuw van mijne gevangenschap deed ik een' plegtigen eed, dat ik dengene, die mij binnen verloop van die honderd jaren uit mijne gevangenis mogt bevrijden, schatrijk zou maken. Maar die eeuw verliep, zonder dat iemand mij deze dienst bewees. In de tweede eeuw zwoer ik aan mijnen bevrijder al de onderaardsche schatten te zullen schenken, maar ik was niet gelukkiger. In het derde honderdtal jaren beloofde ik mijn' verlosser tot eenen magtigen monarch te zullen verheffen, hem ten alle tijde als zijn beschermgeest ter zijde te blijven, en hem elken dag drie wenschen toe te staan, van welken aard die ook mogten zijn; maar deze eeuw ging om gelijk de beide voorgaanden, zonder dat er eenige verandering in mijn treurig lot kwam. Eindelijk, verbitterd dat zich niemand over mij ontfermde en verwoed wegens mijne langdurige gevangenschap, zwoer ik dat, mogt in het vervolg iemand mij bevrijden, ik hem zonder mededoogen om het leven zou brengen en geen andere gunst toestaan, dan dat hij zou kunnen kiezen welken dood te sterven. Daarom, gij, die mij heden bevrijd hebt, kies welken dood gij van mijne hand wenscht te ontvangen. Maar haast u!”
Dit stond echter den visscher volstrekt niet aan. „Ik ben wel ongelukkig,” riep hij op klagenden toon, „dat ik juist hier mijne netten moest uitwerpen, om eene zoo groote dienst aan een' ondankbare te bewijzen! Ik bid u, wees regtvaardig en herroep uwen onredelijken eed. Wees mij genadig! God zal ook u genadig zijn, indien gij mij grootmoedig het leven schenkt, doch de moord op een' onschuldige gepleegd is een gruwel in zijne oogen.” „Neen, uw dood is onvermijdelijk,” sprak de geest, „kies alleen op welke wijze gij sterven wilt.”
De visscher, ziende dat de geest besloten had hem te dooden, werd zeer bedroefd, niet zoo zeer uit gehechtheid aan het leven, dan wel om zijne drie kinderen, die door zijnen dood in de diepste armoede en ellenden zouden worden gestort. Dit bewoog hem nogmaals te beproeven of hij den geest niet zou kunnen vermurwen. „Ach,” smeekte hij, „heb mededoogen, is het niet met mij, dan met mijne arme kinderen die, indien gij mij het leven beneemt, van honger en gebrek zullen moeten omkomen. Wees niet ondankbaar voor de dienst, die ik u bewezen heb.”—„Ik heb u reeds gezegd,” hernam de geest, „dat het juist die dienst is, welke mij in de verpligting brengt u te dooden.” „Het is toch vreemd,” hernam de visscher, „dat gij er zoo op staat het goede, dat u bewezen is, met kwaad te vergelden. Het spreekwoord zegt, dat wie aan een' onwaardige eene weldaad bewijst, slechts ondank heeft te wachten. Ik heb altoos gemeend dat die spreuk onwaar was, als strijdig met de wet der liefde en verderfelijk voor de maatschappij, doch thans ondervind ik, helaas! op eene vreeselijke wijze, dat zij maar al te waar is. En ….” „Geef u geene vergeefsche moeite,” viel de geest ongeduldig in, „alle die redeneringen kunnen u niet baten of mij van mijn voornemen afbrengen. Haast u! op welke wijze wilt gij sterven!”
De nood maakt dikwijls vindingrijk en deed ook nu den anders eenvoudigen visscher op eene list bedacht zijn. „Daar ik zie,” zeide hij tot den geest, „dat ik den dood niet kan ontgaan, zoo zal ik mij aan den goddelijken wil, zonder wiens toelating gij niets tegen mij zoudt vermogen, onderwerpen. Doch alvorens eenen dood te kiezen, zoo bezweer ik u bij den levenden God, wiens naam op het zegel van den profeet Salomo, de zone Davids, gegrift is, mij de waarheid te zeggen omtrent eene vraag, die ik u heb voor te stellen.”
Toen de geest zag, dat hem eene bezwering werd gedaan, dat hem tot een bepaald antwoord noodzaakte, ging hem eene rilling door de leden, en zich tot den visscher wendende, zeide hij: „Vraag wat gij wilt, doch haast u!” „Ik wensch te weten,” hernam de visscher, „of gij werkelijk in deze vaas waart opgesloten; durft gij dit bezweren bij den grooten naam die op het zegel is gegrift!” „Ja,” antwoorde de geest, „ik zweer u bij dien grooten naam, dat ik er in was en dat dit de waarachtige waarheid is.” „Kom, geen praatjes,” hernam de visscher, „ik kan u niet gelooven. Deze vaas is niet ruim genoeg om slechts een' van uwe voeten te kunnen bevatten, hoe is het dan mogelijk, dat uw geheele ligchaam daarin besloten is geweest!” „Ik zweer u nogthans,” sprak de geest, „dat ik er in was, zoo als gij mij hier voor u ziet. Gelooft gij mij niet, na den zwaren eed, dien ik gedaan heb!” „Neen inderdaad niet,” zeide de visscher, „en ik zal u niet gelooven, tenzij gij het mij met eigen oogen zien laat, zoodat ik daardoor overtuigd wordt.”
Nu ontbond zich het ligchaam van den geest, dat weder in damp veranderde, verspreidde zich als vroeger over de zee en het strand, trok daarop weder te zamen en verdween van lieverlede in de vaas, zoodat er eindelijk niets meer buiten bleef. Vervolgens liet zich uit de vaas eene stem aldus hooren: „Welnu, ongeloovige visscher, thans ben ik in de vaas, gelooft gij mij nu?”
De visscher, in plaats van te antwoorden, nam het loden deksel en sloot zonder talmen de vaas digt. „Geest!” riep hij nu op triomferenden toon, „thans is de beurt aan u, mij om genade te smeeken; kies, door welken dood gij wilt dat ik u doe sterven! Doch neen, het is beter, dat ik u weder in zee werp, ter plaatse waar ik er u uit opgehaald heb. Ik zal dan hier mijne hut opslaan en mijne woning vestigen, ten einde alle visschers, die te dezer plaatse hunne netten mogten willen uitwerpen, te waarschuwen, om zich wel in acht te nemen een' zoo slechten geest, die den zondigen eed heeft gedaan, zijn bevrijder te zullen dooden, niet weder op te visschen.”
Op deze honende taal spande de vertoornde geest al zijne krachten in om uit de vaas te komen maar te vergeefs, want het opschrift van Salomo op het zegel belette hem zulks. Zich geheel in de magt van den visscher ziende, besloot hij zijne gramschap te ontveinzen. „Visscher,” sprak hij op zachten toon, „neem u wel in acht aan uwe bedreiging gevolg te geven. Mijne handelwijze met u is slechts gekschering geweest, gij moet haar geenszins in ernst opnemen.” „O Geest!” antwoordde de visscher, „gij, die een oogenblik geleden de grootste waart, doch nu de kleinste van alle geesten zijt, maak er staat op, dat al die listige praatjes u niets zullen baten. Gij keert naar den bodem der zee terug. Indien gij daar zoo vele eeuwen hebt gewoond, als gij mij gezegd hebt, dan kunt gij er ook wel huisvesten tot aan den dag des oordeels. Ik heb u gesmeekt en bij den hemel bezworen, mij het leven niet te benemen, doch gij bleeft doof voor mijne gebeden; het is billijk, dat ik u thans met gelijke munt betaal.”
De geest spaarde inmiddels geene fraaije woorden en beloften om den visscher te vermurwen. „Open de vaas,” sprak hij, „geef mij de vrijheid terug, ik smeek er u om en beloof u, dat gij over mij tevreden zult zijn.” „Gij zijt slechts een trouwelooze,” hernam de visscher. „Ik zou verdienen het leven te verliezen, indien ik de onvoorzigtigheid beging, mij op u te verlaten. Gij zoudt dan gewis niet in gebreke blijven met mij op gelijke wijze te handelen, als zeker Grieksche koning met den geneesheer Douban handelde. Dit is eene geschiedenis, welke ik u vertellen zal, luister!
GESCHIEDENIS VAN DEN GRIEKSCHEN KONING EN DEN GENEESHEER DOUBAN.
In Zouman, eene landstreek in Perzië, regeerde een koning, wiens onderdanen van Griekschen oorsprong waren. Deze koning was in eene hooge mate melaatsch. Zijne geneesheeren, na al de hun bekende middelen tot zijne genezing te hebben aangewend, zonder dat de vorst daarbij eenige baat of verligting van smart vond, wisten niet meer wat hem voor te schrijven, toen er een zeer kundige arts, Douban genaamd, in zijne hofstad aankwam.
Deze arts had zijne groote kennis geput uit Grieksche, Perzische, Turksche, Arabische, Latijnsche, Syrische en Hebreeuwsche geneeskundige werken; bovendien was hij een groot wijsgeer, en zeer ervaren in de botanie, zoodat hij de kracht van bijna alle kruiden kende. Zoodra de ziekte des konings hem ter ooren kwam en hij daarbij vernam, dat zijne geneesheeren hem als ongeneesbaar hadden opgegeven, deed hij zijn beste kleed aan en vond weldra gelegenheid om aan den vorst te worden voorgesteld. „Sire,” sprak hij, „het is mij bekend dat alle geneesheeren, die uwe majesteit behandeld hebben, u niet van uwe melaatschheid hebben kunnen genezen; maar indien het u behaagt mijne behandeling aan te nemen, zoo verbind ik mij u zonder in- of uitwendige middelen volkomen te herstellen.” De Koning hoorde dit voorstel met even veel verbazing als blijdschap aan. „Indien gij,” zeide hij „zoo bekwaam zijt als gij voorgeeft, en in staat uwe belofte te verwezentlijken, zoo zweer ik, dat ik u en uwe nakomelingen rijk zal maken, en behalve de geschenken, welke gij van mij te verwachten hebt, zult gij mijn eerste gunsteling zijn. Gij verzekert mij dus,” vervolgde de koning, „dat gij mij van mijne kwaal kunt genezen, zonder mij eenigen drank toe te dienen, en zonder mij eenige pijnlijke bewerking te doen ondergaan?” „Ja Sire,” antwoordde de arts, „ik vlei mij daarin met Gods hulp te zullen slagen, en reeds morgen zal ik er de proef van nemen.”
De medicijnmeester Douban keerde daarop naar zijne woning terug, en maakte eene kolf met een hol handvatsel, dat hij met kruiden en droogerijen vulde. Vervolgens vervaardigde hij ook een dusdanigen bal, en begaf zich den volgenden morgen met een en ander naar den koning. Volgens de gebruikelijke pligtplegingen wierp hij zich aan zijne voeten neder, kuste de aarde, en zeide tot den koning, dat hij zijne majesteit voorschreef te paard te stijgen en zich naar de maliebaan te begeven om den bal te slaan. De koning deed zoo als hem gezegd werd. Toen hij op de bestemde plaats was gekomen, trad de arts eerbiedig nader en bood den vorst de door hem toebereide maliekolf aan. „Neem deze kolf, Sire,” zeide hij, „oefen er u in om met dezelve den bal met alle kracht voort te slaan, en ga hiermeê tot zweetens toe voort. Wanneer het geneesmiddel, dat ik in de greep van deze kolf gedaan heb, door uwe hand warm wordt, zal het door uw geheele ligchaam heen trekken. Zoodra gij goed warm zijt, kunt gij uwe oefening staken, het middel zal dan zijne werking gedaan hebben. In uw paleis terug gekomen, begeer dan dadelijk een bad en laat u goed wasschen en wrijven. Begeef u vervolgens ter ruste, en als gij morgen uw bed verlaat, zult gij volkomen genezen zijn.”
De koning nam de kolf en zette zijn paard aan om den bal, dien hij had opgeworpen, te achtervolgen. Hij trof den bal, en deze werd hem door zijne hovelingen, die met hem speelden, teruggeworpen; hij sloeg hem weder terug, en hield met dit spel zoo lang vol, dat niet alleen zijne hand, maar zijn geheele ligchaam zweette. Dit was voldoende om de kruiden hunne werking te laten doen. De koning staakte toen het spel, reed naar zijn paleis terug, ging in het bad, en volgde in alles de voorschriften van zijnen nieuwen geneesheer strikt op. Hierbij bevond hij zich zeer goed, want den volgenden morgen opstaande, bleek hem tot zijne groote verwondering en vreugde, dat hij van zijne melaatschheid geheel was genezen, en dat zijn ligchaam even gezond was, als vóór zijne ziekte. Zoodra hij gekleed was, begaf hij zich naar zijne audientie-zaal, zette zich op den troon en vertoonde zich aan zijne verbaasde hovelingen, die, nieuwsgierig naar de uitwerking van het middel, zich reeds vroegtijdig daar lieten vinden. Toen zij nu den koning geheel genezen zagen, gaven zij allen daarover hunne groote vreugde te kennen.
Nu trad de arts Douban de zaal binnen, en wierp zich voor den troon op zijn aangezigt neder. De koning echter riep hem tot zich, deed hem naast zich op den troon zitten, vertoonde hem aan de vergaderde menigte en gaf hem in het openbaar al den lof, dien hij verdiende. De vorst liet het hierbij niet blijven; daar hij dien dag zijn geheele hof onthaalde, noodigde hij ook den arts, en plaatste zich met hem aan eene afzonderlijke tafel.
De Grieksche koning vergenoegde zich niet den medicijnmeester Douban aan zijne tafel te ontvangen, hij deed hem tegen den avond in tegenwoordigheid van het geheele hof met een' kostbaren tabberd omkleeden, en schonk hem twee duizend sequinen. Zoo ging hij elken dag voort den bekwamen Douban met nieuwe weldaden te overladen.
Deze koning nu had een groot-vizier, gierig, afgunstig en van nature tot allerlei boosheden in staat. Hij zag niet zonder nijd, dat een vreemdeling, wiens schitterende talenten hem meer en meer in de schaduw stelden, zulke rijke geschenken ontving en bij den vorst zoo hoog in gunst stond. Daarom besloot hij Douban bij den koning gehaat te maken. Met dit doel ging hij tot den vorst en zeide, dat hij hem een' raad van het allerhoogste gewigt te geven had. „En die raad is?” vroeg de vorst. „Sire,” sprak de vizier, „het is voor een' groot monarch zeer gevaarlijk vertrouwen te stellen in iemand, wiens trouw niet beproefd is. Terwijl uwe Majesteit den geneesheer Douban met uwe hooge gunst en weldaden overlaadt, bedenkt gij niet, Sire, dat deze besteed worden aan een' verrader, die zich slechts aan dit hof heeft ingedrongen om u te dooden.” „Hoe weet gij, hetgeen gij mij daar durft zeggen?” vraagde de koning. „Bedenk wel dat gij tegen mij spreekt, en met eene beschuldiging voor den dag komt, waaraan ik niet ligt geloof zal slaan!” „Sire,” antwoordde de vizier, „ik ben zeer goed onderrigt omtrent de zaak, die ik de eer heb, uwe Majesteit voor te dragen. Berust daarom niet in een zoo gevaarlijk vertrouwen. Is uwe Majesteit blind voor het gevaar dat zij loopt, het is mijn pligt, haar de oogen te openen, en ik moet het herhalen, de arts Douban is met geen ander oogmerk uit Griekenland aan dit hof gekomen, dan om het snoode ontwerp, waarvan ik u gesproken heb, ten uitvoer te brengen.” „Neen, neen, vizier,” viel de koning in, „ik ben verzekerd, dat deze man, dien gij van trouweloosheid en verraad aanklaagt, de deugdzaamste en beste der menschen is; niemand ter wereld is mij liever dan hij. Gij zelf weet, door welk middel of beter door welk wonder hij mij van mijne melaatschheid genezen heeft. Indien hij mij naar 't leven stond, waartoe zou hij mij gered hebben? Hij had mij slechts aan mij zelven over te laten in den toestand waarin ik mij bij zijne komst bevond, en zijn doel zou reeds lang bereikt zijn. Blaas mij dus niet langer onregtvaardige vermoedens in. In plaats van daaraan gehoor te geven, zal ik van heden af aan dien grooten man, zijn leven lang, eene maandelijksche uitkeering schenken van duizend sequinen. Wanneer ik al mijne schatten met hem deelde, ja, hem de helft van mijn rijk gaf, ik zou daarmede niet naar waarde kunnen vergelden, hetgeen hij aan mij gedaan heeft. Ik zie wel wat er aan scheelt, gij zijt afgunstig op zijne deugd; maar geloof niet dat gij er ooit in slagen zult mij tegen dien man in te nemen; te wel herinner ik mij, hetgeen zeker vizier tot den koning Sindbad zeide, om hem te weêrhouden dat hij den prins zijn' zoon zou dooden.”
„Sire,” hernam de vizier, „ik smeek uwe Majesteit mij de stoutmoedigheid te vergeven, wanneer ik u verzoek, mij wel te willen mededeelen, wat de vizier van den koning Sindbad tegen dezen zijnen heer zeide, om hem terug te houden den prins zijnen zoon ter dood te brengen?” De koning had de inschikkelijkheid om aan dit verzoek te voldoen. „De vizier van den koning Sindbad,” antwoordde hij, „na aan zijnen vorst te hebben doen opmerken, dat hij moest vreezen alleen op beschuldiging van eene schoonmoeder tot eene daad over te gaan, waarover hij welligt later groot berouw zou gevoelen, vertelde hem deze geschiedenis.”
GESCHIEDENIS VAN DEN MAN EN DEN PAPEGAAI.
Een jaloersche man had eene zeer schoone vrouw, en beminde haar zoo hartstogtelijk, dat hij haar bijna nimmer uit het oog verloor. Eens dat hij voor dringende zaken op reis moest, begaf hij zich vooraf naar een' vogelverkooper, die er alle soorten van vreemde vogels op nahield, en kocht van dezen een' papegaai, die niet alleen zeer goed kon praten, maar daarbij de zonderlinge gave bezat, alles wat in zijne tegenwoordigheid voorviel te kunnen navertellen. Hij bragt hem in eene fraaie kooi te huis, en verzocht zijne vrouw deze in hare kamer te plaatsen, en gedurende zijne afwezigheid goede zorg voor den vogel te dragen, waarna hij op reis ging.
Bij zijne terugkomst verzuimde hij niet den papegaai te ondervragen, naar hetgeen gedurende zijne afwezigheid had plaats gehad, en de vogel deelde hem zaken mede, waaruit hij reden meende te hebben, om zijne vrouw harde verwijten te doen. Zij dacht, dat eene van hare slavinnen haar verraden had, doch deze bezwoeren allen hare onschuld, zoodat zij eindelijk op de gedachte kwam, of ook de papegaai de verrader kon zijn. Met dit denkbeeld bezield, was de vrouw bedacht op een middel om de kwade vermoedens van haren man weg te nemen, en zich tevens op den papegaai te wreken. Zij had hiertoe spoedig gelegenheid, want toen haar man kort daarna weder voor één' dag en nacht op reis was, gaf zij eene harer slavinnen bevel gedurende dien nacht met een' handmolen onder de kooi van den papegaai te draaijen, aan eene andere om met een' gieter water op de kooi te storten, even als of het zwaar regende, terwijl eene derde in last kreeg met eenen spiegel, waar tegen zij een kaarslicht liet schijnen, voor de oogen van den papegaai heen en weer te zwaaijen. De slavinnen waren met dit werk den ganschen nacht bezig, en kweten er zich met behendigheid van.
Toen de man den volgenden morgen terug kwam, haastte hij zich den papegaai te ondervragen, over hetgeen ditmaal ten zijnent was voorgevallen. „Mijn goede meester,” antwoordde de vogel, „de bliksem, de donder, de wind en de regen hebben mij dezen ganschen nacht zoo geplaagd, dat ik u bijna niet kan zeggen, hoe ik er onder geleden heb.” De man, die wel wist, dat het dien nacht noch gedonderd, noch geregend had, was overtuigd dat de papegaai hem maar wat voorjokte, en leidde daaruit af, dat hij hem ook den vorigen keer geene waarheid gezegd had. Hij werd hierover zoo toornig, dat hij den vogel uit zijne kooi rukte en dood ter aarde wierp. Later echter vernam hij van zijne buren, dat de papegaai hem over het gedrag zijner vrouw, gedurende zijne afwezigheid, goed had ingelicht, zoodat hij groot berouw kreeg het onschuldige dier gedood te hebben.
VERVOLG VAN DE GESCHIEDENIS VAN DEN GRIEKSCHEN KONING EN DEN GENEESHEER DOUBAN.
Toen de Grieksche koning,” vervolgde de visscher tot den geest, „de geschiedenis van den man en den papegaai geëindigd had, maakte hij daaruit deze toepassing: „En gij vizier, door een' onbillijken naijver tegen den medicijnmeester Douban, die u nooit eenig leed heeft gedaan, ingenomen, wilt dat ik hem zal doen ombrengen. Maar ik zal er mij wel voor in acht nemen, uit vreeze dat ik er spoedig berouw van mogt hebben, even als de man die den papegaai doodde.” Het was voor den boosaardigen vizier van te veel belang, Douban ten val te brengen om het hierbij te laten berusten. „Sire,” bragt hij in, „de dood van den papegaai had weinig te beduiden, en ik kan mij niet voorstellen, dat zijn meester er lang over zal hebben getreurd. Maar waarom zou de vrees om misschien een' onschuldige te treffen, u weêrhouden den geneesheer te laten dooden. Is de beschuldiging u naar het leven te staan, die tegen hem wordt ingebragt, niet reeds voldoende om u het regt te geven, hem het zijne te doen verliezen? Wanneer het de veiligheid van een' groot koning geldt, moet reeds de minste verdenking tot handelen leiden. Het is veiliger en beter een onschuldige op te offeren, dan welligt den schuldige te sparen. Maar, Sire, het geldt hier geene onzekere zaak, de arts Douban wil u vermoorden. Het is geene afgunst, welke mij tegen hem bezielt, het is alleen het belang dat ik in het behoud van uwe Majesteit stel, het is alleen mijne getrouwheid, die mij dringt, u, Sire, een' raad te geven, die voor uwe veiligheid van het allerhoogste gewigt is. Is die raad slecht, dan verdien ik op dezelfde wijze gestraft te worden als zeker vizier vroeger gestraft werd.” „En wat had die vizier misdreven,” vroeg de Grieksche koning, „dat hem strafwaardig maakte?” „Ik zal het u mededeelen, Sire,” antwoordde de vizier, „heb de goedheid mij aan te hooren.”
GESCHIEDENIS VAN DEN GESTRAFTEN VIZIER.
Er leefde eertijds een koning, die een' zoon had, welke een hartstogtelijk liefhebber van de jagt was. De koning, zijn vader, vergunde hem gaarne dit vorstelijk vermaak, doch hij gaf aan zijn' grootvizier last, hem steeds te vergezellen en nimmer uit het oog te verliezen. Op zekeren dag, dat de jagers een groot en schoon hert hadden opgedreven, zette de prins, niet anders denkende of de vizier zou hem op den voet volgen, het hert na. Zich door zijne drift latende vervoeren, bevond hij zich weldra op grooten afstand van het jagtgezelschap en geheel alleen te midden van eene hem onbekende wildernis. Hij wilde nu op zijnen weg terug keeren, om zich weder bij den vizier te voegen, die verzuimd had hem te volgen, maar bemerkte weldra dat hij verdwaald was. Terwijl hij nu, in het onzekere waarheen hij zijne rigting zou nemen, dan dit, dan weder een ander pad opreed, ontmoette hij, op eene plaats waar de weg een' driesprong vormde, eene dame, schoon van aangezigt, doch bitter schreijende. De jonge prins hield de teugels van zijn paard in, en vroeg aan de dame wie zij was, wat zij alleen in dit eenzame oord zocht, en of hij haar ook welligt van dienst kon zijn? „Zie in mij,” antwoordde zij, „de dochter van eenen Indischen koning. Terwijl ik in het open veld een' rid te paard maakte, overviel mij de slaap, en viel ik uit den zadel. Mijn paard is doorgegaan, en ik weet niet wat daarvan geworden is.” De prins had medelijden met de prinses, en deed het voorstel haar achter zich te nemen, hetgeen zij met vreugde aannam. Toen zij nu voorbij een' ouden bouwval kwamen, verzocht zij een oogenblik te mogen afstijgen. De prins sprong van zijn paard en bood haar de hand. Maar hoe groot was zijne verbazing toen hij de dame, die zich in den bouwval begeven had, nu overluid hoorde zeggen: „Verblijd u, kinderen, ik breng u ditmaal een' schoonen jongeling mede, die welgevoed en vet is;” waarop andere stemmen antwoordden: „Mama, waar is hij? opdat wij hem dadelijk kunnen opeten, want wij hebben grooten eetlust.”
De prins had niet noodig meer te hooren, om het gevaar te beseffen, waarin hij zich bevond. Hij bemerkte thans dat de dame, welke zich voor de dochter van een' Indischen koning had uitgegeven, de vrouw was van een' wildeman, welke vrouwen in de eenzaamste en meest woeste oorden haar verblijf houden; en zich van duizenderlei listen bedienen om de eenzame of verdwaalde reizigers ten harent te lokken, en ze als een lekker brokje verslinden. Hevig verschrikt, wierp de prins zich in den zadel. Op dit oogenblik verscheen de gewaande prinses, en ziende dat haren aanslag dreigde te mislukken, riep zij den prins toe: „Vrees niet, waar wilt gij heen gaan?” „Ik ben verdwaald,” antwoordde hij, „en ik zoek den regten weg.” „Indien gij verdwaald zijt,” zeide zij, „beveel u dan Gode aan, die u uit de verlegenheid, waarin gij u bevindt, kan redden.” De jeugdige prins, die zeer goed begreep, dat de gewaande prinses niet opregt met hem sprak, en steeds vreesde in hare handen te zullen vallen, hief de oogen ten hemel, en riep uit: „Almagtig God en Heer, zie in genade op mij neder, en verlos mij van deze vijandin.” Na dit gebed trad de vrouw van den wildenman den bouwval weder binnen, terwijl de prins zich in groote haast verwijderde. Gelukkig vond hij den regten weg weder, en kwam gezond en wel bij den koning zijn' vader terug, wien hij in alle bijzonderheden het gevaar, dat hij door de schuld van den groot-vizier geloopen had, mededeelde. De koning, hierdoor tegen dezen minister in hevigen toom ontstoken, liet hem oogenblikkelijk dooden.
VERVOLG DER GESCHIEDENIS VAN DEN GRIEKSCHEN KONING EN DEN GENEESHEER DOUBAN.
„Sire,” vervolgde de vizier van den Griekschen Koning, „om op den geneesheer Douban terug te komen, indien gij niet voorzigtig zijt, zal u het vertrouwen, dat gij in hem stelt, hoogst noodlottig worden. Ik weet uit eene goede bron, dat hij een spion is, door uwe vijanden omgekocht, om uwe Majesteit van het leven te berooven. Hij heeft u genezen, zegt gij, niet waar! maar wie verzekert u zulks! Waarschijnlijk heeft hij u slechts in schijn, en niet geheel afdoende hersteld. Wie weet of zijn geneesmiddel met der tijd niet eene hoogst schadelijke uitwerking zal hebben.”
De koning van Griekenland, die noch een vlug begrip, noch een groot verstand bezat, had te weinig doorzigt om de slechte bedoelingen van zijnen vizier te doorgronden, en te weinig vastheid van karakter, om in zijn eerst genomen besluit te blijven volharden. De woorden van den vizier schokten hem. „Vizier,” zeide hij, „gij hebt gelijk; misschien is hij alleen gekomen om mij om het leven te brengen, zelfs de reuk van een zijner geneesmiddelen zou mij den dood kunnen veroorzaken. Wij moeten zien hoe wij in dezen het verstandigst handelen.”
Toen de vizier zag, dat de koning geheel in de meening verkeerde zoo als hij die wenschte, zeide hij tot hem: „Sire, het zekerste en beste middel, om uwe rust te verzekeren en uw leven in veiligheid te stellen, is de geneesheer Douban onmiddelijk te laten halen, en hem dadelijk bij zijne komst te doen onthoofden.” „Inderdaad,” hernam de koning, „ik geloof, dat ik daardoor zijn vreeselijk voornemen moet verijdelen.” Dit gezegd hebbende, riep hij een zijner officieren en beval hem den geneesheer te gaan halen. Deze, niet wetende wat de koning hem te zeggen had, begaf zich in haast naar het koninklijk paleis. „Weet gij wel,” vroeg de koning, hem ziende, „waarom ik u hier heb laten roepen?” „Neen, Sire,” antwoordde Douban, „en ik bid uwe Majesteit zich te verwaardigen mij daarvan te onderrigten.” „Ik heb u laten komen,” hernam de koning, „om mij van u te bevrijden door u het leven te benemen.”
Het is niet mogelijk de verbazing van den geneesheer uit te drukken, toen hij aldus zijn doodvonnis hoorde uitspreken. „Sire,” zeide hij, „welke reden kan uwe Majesteit hebben, om mij te doen sterven? Welke misdaad heb ik bedreven?” „Ik heb uit eene goede bron vernomen,” hernam de koning, „dat gij een spion zijt; en dat gij slechts aan mijn hof verschenen zijt, om mij naar het leven te staan; maar om u te voorkomen, wil ik u het uwe benemen. Sla toe,” voegde hij den beul, die tegenwoordig was, toe, „en verlos mij van een' verrader, die zich hier alleen heeft ingedrongen om mij te vermoorden.”
Op dit wreede bevel begreep de geneesheer zeer goed, dat de eerbewijzingen en de weldaden, welke hij ontvangen had, hem vijanden hadden verwekt, en dat zij den zwakken koning door hunne lasteringen tot zijnen dood hadden doen besluiten. Het berouwde hem, den vorst van zijne melaatschheid te hebben genezen; maar dit berouw kwam te laat. „Is het op dusdanige wijze,” zeide hij tot hem, „dat gij de u bewezen weldaad beloont?” Maar de koning luisterde niet naar hem, en beval ten tweeden male aan den beul om den doodelijken slag toe te brengen. De geneesheer zocht hulp in bidden en smeeken. „Helaas! Sire,” riep hij uit, „spaar mijn leven, en God zal het uwe verlengen, doe mij niet sterven, uit vrees dat God ook niet op dezelfde wijze jegens u handele.””
* * * * *
De visscher hield hier in zijn verhaal op, en rigtte het woord tot den geest. „Welnu! geest,” zeide hij tot hem, „gij ziet, dat hetgeen toen tusschen den Griekschen koning en den geneesheer Douban voorviel geheel overeenkomt met wat zoo even tusschen ons is voorgevallen.
* * * * *
De Grieksche koning, in plaats van op de ootmoedige smeekingen van den geneesheer acht te slaan, hernam met hardheid: „Neen, neen, het is volstrekt noodzakelijk dat ik u doe sterven. Gij zoudt mij nog op eene behendiger wijze het leven kunnen benemen, dan waarop gij mij genezen hebt.” De geneesheer berstte in tranen los, en beklaagde zich bitter, dat de dienst, die hij den koning bewezen had, zoo slecht werd beloond. Hij bereidde er zich inmiddels op voor, om zijn vreesselijk lot te ondergaan. De beul deed hem den blinddoek voor de oogen, bond hem de handen, en sloeg de hand aan de sabel, om die uit de scheede te trekken.
De hovelingen, die hierbij tegenwoordig waren, met het lot van den ongelukkigen Douban begaan, baden den koning hem genade te verleenen; verzekerende dat hij onschuldig was, waarvoor zij borg wilden blijven. Maar de vorst was onverbiddelijk, en sprak hen op eene wijze toe, dat zij geen woord meer durfden uitbrengen.
De geneesheer, geknield, geblinddoekt, en ieder oogenblik den slag afwachtende die zijn leven zou doen eindigen, wendde zich nog éénmaal tot den koning, zeggende: „Sire, daar uwe Majesteit mijn doodvonnis toch niet wil herroepen, bid ik haar mij ten minste de genade te verleenen, dat ik mij nog eerst naar mijne woning begeve, om de noodige beschikkingen voor mijne begrafenis te maken, mijn huisgezin een laatst vaarwel te zeggen, aalmoezen uit te deelen, en mijne boeken aan personen te maken, welke genoeg kunde bezitten, om er een goed gebruik van te maken. Ik bezit onder anderen een boek, dat ik uwe Majesteit wensch te schenken, omdat het een hoogst kostbaar werk is, wel waardig om zorgvuldig in uwe schatkamer geborgen te worden.” „En waarom is dat boek zoo kostbaar als gij zegt?” hernam de koning. „Sire,” antwoordde de geneesheer, „dit werk bevat een groot aantal hoogst merkwaardige zaken, waarvan de voornaamste is, dat, wanneer men mij het hoofd zal hebben afgeslagen, en uwe Majesteit zich dan de moeite wil geven, het boek tot aan het zesde blad te openen en te lezen hetgeen op den derden regel van dat blad aan de linkerhand staat, mijn hoofd al de vragen zal beantwoorden, welke uwe Majesteit tot hetzelve zal willen rigten.” De koning, zeer nieuwsgierig om eene zoo wonderlijke zaak te zien, stelde de teregtstelling tot den volgenden dag uit, en zond Douban onder eene zorgvuldige bewaking naar huis.
De geneesheer stelde inmiddels orde op zijne zaken, en daar het gerucht zich verspreid had, dat er een ongehoord wonder na zijnen dood zoude plaats hebben, begaven zich de vizier, de emirs, de officieren der lijfwacht, in een woord het geheele hof, den volgenden dag naar de audientiezaal om er getuige van te zijn.
De geneesheer Douban verscheen weldra, hij naderde tot aan den voet van den koninklijken troon met een dik boek in de hand. Vervolgens liet hij zich een bekken brengen, waarop hij den doek uitspreide, die om het boek was gewonden, en het den koning aanbiedende, zeide hij: „Sire, neem dit boek en beveel dat mijn hoofd, zoodra het gevallen zal zijn, in het bekken op den doek, waarmede het boek omwonden is, worde nedergezet. Zoodra het daarop geplaatst zal zijn, zal het ophouden met bloeden; open alsdan het boek, en mijn hoofd zal uwe vragen beantwoorden. Maar Sire,” voegde hij er bij, „veroorloof mij, uwe Majesteit nog eenmaal om de genade te smeeken. Laat u in Gods naam verbidden; ik betuig u plegtig dat ik onschuldig ben.” „Uwe gebeden,” hernam de koning, „kunnen mij niet van besluit doen veranderen. Al ware het ook maar om uw hoofd na uwen dood te hooren spreken, wil ik dat gij sterft.” Dit zeggende nam hij het boek uit de handen van den geneesheer, en beval den beul zijn pligt te doen.
Het hoofd werd zoo behendig van den romp gescheiden, dat het in het bekken viel; en naauwelijks was het op den doek geplaatst of het hield op met bloeden. Tot groote verbazing van den koning en van alle toeschouwers, opende het toen de oogen, en sprak: „Sire, uwe Majesteit gelieve het boek te openen.” De koning opende het, doch daar het eerste blad als aan het tweede vastgeplakt zat, bragt hij, om het gemakkelijker om te slaan, den vinger aan den mond om dien nat te maken. Dit deed hij tot aan het zesde blad, en daarop niets geschreven vindende, zeide hij tot het hoofd: „Doctor, er staat hier niets geschreven.” „Sla nog eenige bladen om,” hernam het hoofd. De koning ging daarop voort met het omslaan der bladen, steeds den vinger aan den mond brengende tot dat het vergift, waarmede ieder blad was doortrokken, zijne werking begon te doen. De vorst gevoelde eensklaps eene vreemde gewaarwording, zijne oogen werden beneveld, en in hevige stuiptrekkingen zakte hij aan den voet van zijn' troon in een.
Toen de geneesheer Douban, of liever zijn hoofd zag, dat het vergift zijne uitwerking had gedaan, en dat den koning nog slechts weinige oogenblikken levens overschoten, riep het uit: „Tyran, ziedaar op welke wijze de vorsten gestraft worden, die van hunne magt misbruik maken, en het bloed van onschuldigen vergieten. God straft vroeg of laat hunne ongeregtigheid en hunne wreedheid.” Naauwelijks had het hoofd deze woorden gesproken, of de koning viel dood ter neder, en ook het hoofd verloor het weinige leven dat nog aan hetzelve was bijgebleven.””
* * * * *
„Sire,” vervolgde Scheherazade, „aldus was het einde van den Griekschen koning en den geneesheer Douban, ik wil thans de geschiedenis van den visscher en den geest gaan vervolgen.
VERVOLG DER GESCHIEDENIS VAN DEN VISSCHER EN DEN GEEST.
Zoodra de visscher de geschiedenis van den Griekschen koning en den geneesheer Douban geeindigd had, maakte hij daarop de volgende toepassing voor den geest, dien hij steeds in de vaas opgesloten hield.
„Indien de Grieksche koning,” zeide hij, „den arts in het leven had gelaten, zou God hem ook het zijne hebben doen behouden; maar hij hoorde niet naar zijne ootmoedigste smeekingen, en God heeft hem daarvoor gestraft. Zoo is het ook met u, o geest! indien ik u had kunnen vermurwen en de genade waarom ik u bad van u had kunnen verwerven, zou ik thans medelijden hebben met den toestand waarin gij u bevindt; maar dewijl gij, in weêrwil der zoo groote verpligting, welke gij jegens mij hadt, omdat ik u in vrijheid had gesteld, toch in uw voornemen om mij te dooden zijt blijven volharden, moet ik op mijne beurt onverbiddelijk zijn. Ik zal, door u in deze vaas opgesloten te laten en u weder in zee te werpen, u tot aan het einde der eeuwen van het gebruik des levens berooven; ziedaar de wraak, die ik mij voorneem op u te nemen.”
„Visscher, mijn waarde vriend,” antwoordde de geest, „ik bezweer u eene niet zoo wreede wraak op mij te nemen. Bedenk, dat alle wraak hoogst liefdeloos is, en dat het integendeel zeer prijsselijk is, kwaad met goed te vergelden; behandel mij niet gelijk Imma weleer Ateca behandelde.” „En wat deed Imma met Ateca?” hernam de visscher. „Ja!” antwoordde de geest, „indien gij die geschiedenis wenscht te hooren, open dan vooraf deze vaas; meent gij dat ik zoo, in uwe gevangenis opgesloten, lust heb u geschiedenissen te vertellen? Ik zal er u zoo velen verhalen als gij maar wilt, wanneer gij mij eerst weder uit deze vaas bevrijd hebt.” „Neen,” zeide de visscher; „ik zal u niet verlossen, gij praat te vergeefs, ik zal u in het diepste der zee werpen.” „O visscher,” riep de geest daarop uit, „ik beloof u, u volstrekt geen kwaad te zullen doen, integendeel wil ik u een middel aan de hand geven om verbazend rijk te worden.”
De hoop, om uit zijne armoede verlost te worden, deed den visscher van gedachte veranderen. „Ik zou uw verzoek wel willen inwilligen,” zeide hij, „indien ik op uw woord staat kon maken; zweer mij bij den grooten naam van den almagtigen God, dat gij ter goeder trouw zult nakomen wat gij belooft, dan zal ik de vaas weder openen. Ik vertrouw, dat gij niet zoo goddeloos zult zijn eenen zoo vreeselijken eed te schenden.” De geest lag den eed af en de visscher deed daarop dadelijk het deksel van de vaas. Onmiddelijk steeg er damp uit op, en de geest hernam langzamerhand zijne vorige gedaante. Het eerste wat hij vervolgens deed, was de vaas met den voet in zee te stooten. Deze handelwijze deed den visscher schrikken. „Geest,” zeide hij, „wat beteekent dit? Wilt gij den eed, dien gij zoo juist gezworen hebt, schenden? en moet ik tot u zeggen wat de geneesheer Douban tot den Griekschen koning zeide:” „Laat mij leven, en God zal uwe dagen verlengen!” De vrees van den visscher deed den geest lagchen, die hem antwoordde: „Neen visscher, stel u gerust; ik heb de vaas tot mijn vermaak in het water geworpen, om te zien of gij er ook door ontsteld zoudt worden, om u te overtuigen, dat ik mijn woord gestand wil doen, neem uwe netten op en volg mij.” Deze woorden gezegd hebbende, ging hij heen, den visscher vooruit, die, met zijne netten beladen, hem met eenig wantrouwen volgde. Zij kwamen langs de stad, en klommen boven op eenen hoogen berg, waarna zij in eene uitgestrekte vlakte nederdaalden en bij eenen tusschen vier heuvelen gelegen vijver kwamen.
Toen zij aan den kant van den vijver gekomen waren, zeide de geest tot den visscher: „Werp uwe netten uit en vang visch.” De visscher twijfelde er niet aan eene groote menigte te zullen vangen, want hij zag den vijver van visschen wemelen; maar wat hem in het bijzonder verwonderde was, dat hij er zag die van vier verschillende kleuren waren: witte, roode, blaauwe en gele. Hij wierp zijne netten in het water, en ving er van ieder dezer kleuren één. Daar hij nimmer zulke visschen gezien had, kon hij niet ophouden ze te bewonderen, en oordeelende, dat hij er eene vrij aanzienlijke som voor zou kunnen krijgen, was hij over deze vangst uitermate verblijd. „Neem deze visschen meê,” zeide hem de geest, „en breng ze aan uwen sultan; hij zal er u meer geld voor geven, dan gij uw gansch leven gehad hebt. Gij kunt elken dag in dezen vijver komen visschen, maar ik waarschuw u, uwe netten iederen dag slechts éénmaal uit te werpen, anders zal er u een groot ongeluk van overkomen; pas dus op. Dit is de raad dien ik u geef: indien gij hem naauwkeurig opvolgt, zult gij er u wel bij bevinden.” Dit gezegd hebbende, stampte hij met den voet op de aarde, die zich opende en onmiddelijk weder sloot, nadat de geest in haren schoot verdwenen was.
De visscher, die besloten had, om de raadgevingen van den geest stiptelijk op te volgen, wachtte zich wel zijne netten voor den tweeden keer uit te werpen. Zeer tevreden met zijne vangst, sloeg hij den weg naar de stad weder in, over de vreemde gebeurtenis nadenkende, welke hem bejegend was. Hij ging regelregt naar het paleis van den sultan, om dezen zijne visschen aan te bieden. De sultan was ten hoogste verwonderd op het zien dezer vier visschen, hij nam ze den een na den ander op, en na ze langen tijd beschouwd te hebben, zeide hij aan zijnen groot-vizier: „Neem deze visschen en breng ze aan de bekwame hofmeesteres, mij door den koning van Griekenland gezonden, ik veronderstel dat zij wel even lekker als schoon zullen zijn.” De vizier bragt ze zelf naar de keukenmeesteres, en gaf ze haar eigenhandig over: „Ziedaar,” zeide hij tot haar, „vier visschen die men aan den sultan gebragt heeft, hij beveelt u, ze voor hem toe te bereiden.” Na aldus aan het hem gegeven bevel te hebben voldaan, keerde hij naar den sultan zijnen meester terug, die hem toen den last opdroeg, den visscher vier honderd goudstukken uit zijne schatkamer ter hand te stellen, wat hij terstond naauwkeurig deed. De visscher, die nimmer in eens eene zoo belangrijke som bezeten had, kon zich van zijn geluk bijna geen begrip vormen, het was hem alsof hij droomde. Maar hij ondervond weldra, dat het geen droom was, toen hij het geld ging gebruiken om in de behoeften van zijn huisgezin te voorzien.
De keukenmeesteres geraakte middelerwijl in de grootste verlegenheid. Zoodra zij de visschen, welke de vizier haar gegeven had, schoon gemaakt had, zette zij ze in eene pan met olie op het vuur, om ze te bakken. Toen zij dacht, dat ze aan de eene zijde gaar genoeg zouden zijn, keerde zij ze om. Maar, o ongehoord wonder! naauwelijks waren de visschen omgekeerd, of de muur der keuken spleet van een en eene dame van eene verwonderlijke schoonheid en een bevallig uiterlijk trad door de nieuwe opening de keuken binnen. Zij was in een gebloemd satijnen kleed van Egyptische snede gehuld, droeg groote oorbellen en een halssnoer van schitterende parelen, gouden met robijnen bezette armbanden, en had een myrten stokje in de hand. Tot groote verwondering van de hofmeesteres, die van verbazing sprakeloos en als aan den grond vastgenageld stond, trad de dame op de braadpan toe, en raakte een der visschen met haar stokje aan: „Visch, visch,” sprak zij, „bewijst gij wel den verschuldigden eerbied?” De visch niet antwoordende, herhaalde zij de zelfde vraag, waarop de vier visschen allen te gelijk de koppen ophieven, en haar duidelijk antwoordden: „Ja, ja, als gij telt, tellen wij ook; als gij uwe schulden betaalt, betalen wij de onzen; als gij vlugt, overwinnen wij en zijn wij tevreden.” Zoodra zij deze woorden gesproken hadden, smeet de jonge dame de pan omver, en keerde in de opening van de muur terug, welke zich achter haar sloot als of er nimmer eenige opening of scheur geweest ware.
Toen de over al deze wonderen verbaasde keukenmeesteres van haren schrik eenigzins bekomen was, nam zij de visschen, die op de gloeiende kolen gevallen waren, weder op; maar zij waren zoo zwart als steenkool geworden, en konde den sultan onmogelijk zóó voorgezet worden. Zij gevoelde er zeer groot leedwezen over, en begon bitter te weenen: „Helaas!” zeide zij, „wat moet er van mij worden? Ik ben verzekerd, dat wanneer ik aan den sultan vertel wat ik gezien heb, hij mij toch niet zal gelooven; wat zal hij vreesselijk vertoornd op mij zijn!”
Terwijl zij dus bekommerd was, trad de grootvizier binnen en vraagde haar of de visschen gereed waren. Zij verhaalde hem al wat er voorgevallen was, en gelijk men kan begrijpen, verwonderde hem dit verhaal in de hoogste mate; maar, zonder er iets van aan den sultan te zeggen, verzon hij eene uitvlugt, welke den sultan tevreden stelde. Intusschen liet de vizier den visscher onmiddelijk halen, en toen deze gekomen was, zeide hij tot hem: „Visscher, breng mij vier andere visschen, in alles gelijk aan die, welke gij reeds geleverd hebt, want er is een ongeluk meê voorgevallen, dat oorzaak is, dat men ze den sultan niet heeft kunnen voorzetten.” De visscher verhaalde hem niet, waarvoor de geest hem gewaarschuwd had; maar om zich te ontslaan van het verzoek, de visschen nog dien dag te leveren, verontschuldigde hij zich door den verren afstand waar ze gevangen werden, doch beloofde ze den volgenden morgen te zullen brengen.
De visscher begaf zich werkelijk den volgenden nacht naar den vijver. Hij wierp zijne netten uit, en vond er, toen hij ze weder optrok, vier visschen in, die gelijk de vorigen ieder van eene verschillende kleur waren. Hij keerde oogenblikkelijk terug en bragt ze binnen den bepaalden tijd aan den groot-vizier. Deze minister ging er zelf weder meê naar de keuken, waar hij, toen hij zich met de keukenmeesteres alleen bevond, de deur toegrendelde. De keukenmeesteres maakte de visschen in zijne tegenwoordigheid dadelijk schoon, en zette ze toen op het vuur, gelijk zij den vorigen dag met de vier anderen gedaan had. Toen zij aan de eene zijde gaar waren, en zij ze omgekeerd had, opende zich wederom de muur der keuken, dezelfde dame verscheen met haar stokje in de hand, naderde de braadpan, raakte een der visschen aan, rigtte dezelfde woorden tot hen, en allen gaven zij, de koppen opligtende, haar het zelfde antwoord. De jonge dame smeet daarop met haar stokje de braadpan nogmaals omver en verdween in den muur op de zelfde plek, waar zij er uit gekomen was. Toen de groot-vizier dit een en ander zelf gezien en gehoord had, zeide hij! „dit is te vreemd en te wonderbaar om er voor den sultan een geheim van te maken; ik zal hem van dit wonder kennis geven.” Hij ging hem dan ook terstond opzoeken, en deelde hem de gebeurtenis in zijn geheel naauwkeurig mede.
Toen de sultan dit vernomen had, betoonde hij er de grootste verwondering over, en stond er op, zelf het wonder bij te wonen. Hiertoe moest de visscher bij hem komen. „Vriend,” zeide hij tot hem, „kunt gij mij nog vier zulke visschen brengen?” De visscher gaf hierop een bevestigend antwoord, mits men hem drie dagen tijd gaf, om zijne belofte te vervullen. Toen de sultan hem dezen tijd toegestaan had, ging hij ten derden male naar den vijver, en was weder even gelukkig als vroeger. Hij bragt de vier visschen onmiddelijk bij den sultan, die er zeer verheugd over was, te meer daar hij niet verwacht had ze reeds zoo spoedig te zullen ontvangen; hij gaf den visscher weder vier honderd geldstukken.
Zoodra de sultan de visschen in zijn bezit had, liet hij ze in zijn vertrek brengen met al het noodige om ze te doen braden. Vervolgens sloot hij zich met den groot-vizier in zijne kamer op, waarna deze laatste de visschen toebereidde en in eene pan op het vuur zette. Toen ze aan de eene zijde gaar waren, keerde hij ze om; dan, onmiddelijk opende zich de muur, doch in plaats van de jonge dame, trad een zwarte uit de opening te voorschijn. Hij was als slaaf gekleed, van reusachtigen ligchaamsbouw, en had een' grooten groenen stok in zijne hand. Hij ging naar de pan, en met zijnen stok een der visschen aanrakende, sprak hij met eene bulderende stem: „Visch, visch, bewijst gij wel den verschuldigden eerbied?”
Op deze vraag hieven de visschen hunne koppen op, en antwoordden: „Ja, ja, wij bewijzen ze; als gij telt, tellen wij ook; als gij uwe schulden betaalt, betalen wij de onzen; als gij vlugt, overwinnen wij en zijn wij tevreden.”
Naauwelijks hadden zij deze woorden uitgesproken of de zwarte wierp de pan omver, midden in het vertrek, en veranderde de visschen in steenkolen. Daarna keerde hij trotsch in de opening terug, die zich onmiddelijk achter hem weder sloot, zoodat er niets meer van te zien was. „Wat ik thans gezien heb,” sprak de sultan tot den groot-vizier, „veroorzaakt mij de grootste onrust. Aan deze visschen is zeker iets geheimzinnigs en bijzonders verbonden, dat ik opgehelderd wil hebben.” Hij deed dadelijk den visscher voor zich verschijnen, en zeide tot hem: „Uwe visschen verontrusten mij zeer, waar hebt gij ze gevangen?” „Sire,” was zijn antwoord, „ik heb ze uit eenen vijver, die aan gene zijde van gindschen berg tusschen vier heuvelen gelegen is.” „Kent gij dien vijver, groot-vizier?” vraagde de sultan. „Neen Sire,” hernam deze, „ik heb hem nooit hooren noemen, niettegenstaande ik zestig jaren lang in dien omtrek jaag.” De sultan aan den visscher naar den afstand van den vijver tot aan het paleis vragende, vernam van dezen, dat het slechts drie uren gaans waren. Daar er dus, vóór het vallen van den avond, nog tijd genoeg was om den vijver te bezoeken, deed de sultan zijn gevolg te paard stijgen, terwijl de visscher hen tot gids diende.
Zij beklommen den berg en bemerkten, bij het afdalen, tot hunne groote verwondering, eene uitgebreide vlakte, die tot nog toe aan niemand hunner bekend was geweest. Vervolgens bereikten zij den vijver, die werkelijk tusschen vier heuvels gelegen was, gelijk de visscher dit verhaald had. Het water was zoo helder en doorschijnend, dat zij er duidelijk eene menigte visschen in bespeurden, gelijk aan die, welke de visscher aan het paleis gebragt had.
De sultan hield stil aan den kant des vijvers; en na eenigen tijd de visschen bewonderd te hebben, vraagde hij aan zijne hovelingen, hoe het mogelijk was, dat zij dezen vijver, die toch zoo digt bij de stad was, nooit gezien hadden? Zij antwoordden, dat zij er nooit iets van gehoord hadden. „Omdat gij allen met dit antwoord instemt, en ik, niet minder dan gij, over deze zaak verwonderd ben,” sprak de sultan, „zoo heb ik besloten, niet naar mijn paleis terug te keeren, vóór dat ik weet, hoe het komt, dat deze vijver zich nu hier bevindt, en dat er slechts visschen van vier verschillende kleuren in zijn.” Vervolgens gaf hij bevel, onmiddelijk een kamp bij den vijver op te slaan.
Na het ondergaan der zon, riep de sultan den groot-vizier afzonderlijk bij zich in zijne tent, en zeide tot hem: „Deze vijver alhier, de zwarte, die ons in mijn paleis is verschenen, en de visschen, die wij hebben hooren spreken, wekken mijne nieuwsgierigheid zoo zeer op, dat ik mijne begeerte om ze te bevredigen niet langer kan weêrstaan. Tot het bereiken van dit doel, heb ik een middel uitgedacht, waarbij ik mij evenwel alleen buiten het kamp moet begeven. Ik beveel u dus, om mijne afwezigheid geheim te houden. Blijf in mijne tent en wanneer morgen ochtend mijne emirs en hovelingen zich hier vertokken, zeg hun dan, dat ik, ten gevolge van eene ligte ongesteldheid, verlang alleen te zijn. Dit herhaalt gij iederen morgen tot aan mijne terugkomst.”
De groot-vizier deed zijn best, om den sultan van dit voornemen af te brengen. Hij stelde hem het gevaar voor oogen, waaraan hij zich blootstelde, maar te vergeefs was al zijne welsprekendheid; de sultan volhardde in zijn voornemen, en maakte zich tot de uitvoering er van gereed. Hij koos zich een ligte kleeding uit, ten einde meer gemak in het loopen te hebben, hij voorzag zich van eene sabel, en toen alles in zijn kamp in diepen slaap gedompeld was, vertrok hij onvergezeld.
Hij ging zonder groote moeite over een' der heuvels, en liep vervolgens door tot aan zonsopgang. Toen ontdekte hij in de verte een groot gebouw, waarover hij zeer verheugd was, dewijl hij aldaar de oplossing van het raadsel hoopte te vinden. Toen hij er digt bij was, bemerkte hij, dat het een schoon paleis, of liever een zeer sterk kasteel was, gebouwd van schoon gepolijst zwart marmer, gedekt met geslepen staal en glad gelijk een spiegel. Verblijd dat hij niet lang had behoeven te zoeken, alvorens iets te vinden dat zijn onderzoek waardig was, hield hij stil bij den voorgevel van het kasteel, en beschouwde dezen met groote aandacht. Vervolgens ging hij naar de poort met eene dubbele deur, waarvan de eene helft geopend was. Ofschoon de ingang geheel vrij was, zoo meende hij toch eerst te moeten aankloppen. Hij liet den klopper vrij zacht vallen, maar niemand ziende komen, dacht hij, dat men het niet gehoord had, en klopte voor de tweede maal harder; niemand verscheen. Hij herhaalde zijn kloppen nogmaals, doch zonder gevolg. Dit verwonderde hem uitermate, daar hij niet kon denken, dat een zoo goed onderhouden gebouw onbewoond zoude zijn. „Intusschen,” zeide hij bij zich zelven, „indien er niemand is, heb ik niets te vreezen, en is er iemand, welnu, dan heb ik wapens om mij te verdedigen.”
De sultan trad dus het voorportaal binnen, uitroepende: „Is hier niemand, om een' vreemdeling te ontvangen, die behoefte heeft aan verfrissching en lafenis?” Hij herhaalde deze vraag twee of drie malen, maar niettegenstaande hij zeer luide riep, ontving hij toch geen antwoord. Dit stilzwijgen vermeerderde zijne verbazing. Hij betrad vervolgens eene ruime binnenplaats, en zag naar alle zijden rond of hij niet iemand ontdekken kon. Dan, geen levend wezen deed zich aan zijne oogen op, hij ging dus verder en kwam in groote zalen, waarin zijden vloerkleeden lagen, waar de sofa's en zitbanken met in Mekka vervaardigd tapisseriewerk bekleed, en waar de gordijnen van kostbare Indische stoffen, met goud en zilver doorweven waren.
Hij trad vervolgens een wonderlijk vertrek binnen, in het midden waarvan zich eene groote waterkom bevond; op iederen hoek versierd met een' gouden leeuw. Het water vloeide uit den muil van ieder der vier leeuwen, en deze waterdroppels die waren als diamanten en paarlen, vormden een schoon geheel met de fontein, welke zich in het midden van het bekken bevond, en die haar water tot bijna tegen de op Arabische wijze beschilderde zoldering opwierp.
Het kasteel was aan drie zijden omgeven door schoone tuinen, voorzien van watervallen, bloem- en heesterperken, kleine boschjes en duizend andere verfraaijingen. Bovendien werd het aangename dezer bekoorlijke plek nog verhoogd door eene menigte vogels, die de lucht met hun welluidend gezang vervulden, en die hier gevangen werden gehouden door een net, dat over het paleis en de toppen der boomen was uitgespreid.
De sultan wandelde langen tijd door vertrekken en zalen, waarvan de eene hem al kostbaarder toescheen dan de andere. Toen hij moede was, zette hij zich neder in eene opene kamer, dat het uitzigt in den tuin had, en daar, verrukt over al het prachtige dat hij gezien had en nog rondom zich zag, begon hij over zijne verschillende ontmoetingen na te denken, toen eensklaps klaag- en jammertoonen tot zijne ooren doordrongen. Hij luisterde aandachtig toe, en onderscheidde duidelijk deze droevige woorden: „O, Fortuin, gij, die mij slechts korten tijd geluk hebt geschonken, en mij toen tot den rampzaligsten aller menschen hebt gemaakt, o, staak uwe vervolging, en maak, door een spoedigen dood, een einde aan mijne ellende! Helaas! hoe is het mogelijk, dat ik, na zooveel lijden, nog leef?”
De sultan, door deze weeklagten bewogen, stond op, om zich naar die zijde van het vertrek te begeven, van waar zij kwamen. Toen hij de deur van eene groote zaal bereikt had, ligtte hij de gordijn op, en zag een schoon welgemaakt jongeling, zeer rijk gekleed, en gezeten op eenen, een weinig boven den grond verheven troon. De droefheid sprak uit al zijne gelaatstrekken. De sultan ging tot hem en groette. De jongeling, zonder van zijnen zetel op te staan, boog zich zeer diep voor den sultan, en zeide tot hem: „Heer, ik acht het mijn pligt, dat ik voor u opsta en u de vereischte beleefdheid bewijze, maar duid het mij niet ten kwade, eene bijzondere reden verhindert mij daarin.”
„Heer,” antwoordde de sultan, „ik zeg u mijnen dank voor uwe hoogachting, en welke uwe verontschuldiging omtrent uwe zittende houding ook moge zijn, ik zal dit niet euvel opnemen. Ik betuig u mijne deelneming in uw lijden, en bied u mijne hulp aan. Gave God, dat het van mij afhing, om u verligting van smart te geven; ik zou er mijn uiterste best toe doen. Ik vlei mij met de hoop, dat gij mij uwe geschiedenis wel zult willen verhalen; maar wees zoo goed en zeg mij vooraf, welke vijver het is, die zich hier in de nabijheid bevindt, waarin men visschen van vier verschillende kleuren ziet; wat dit kasteel is; waarom gij er u in bevindt, en hoe het komt dat gij alleen zijt?” In plaats van op deze vragen te antwoorden, begon de jongeling bitter te weenen. „Wat is de Fortuin toch veranderlijk!” riep hij uit, „zij schept er behagen in om diegenen weder te verlagen, welke zij eerst verhoogd heeft. Waar leeft de mensch, die een' voortdurenden voorspoed geniet, en wiens levensdagen altijd helder en gelukkig zijn?”
De sultan, getroffen over zijnen treurigen toestand, vraagde hem dringend naar de oorzaak dier groote droefenis. „Helaas! Heer,” hernam de jongeling „weet gij dan een middel om mijne smarten te lenigen, en mijne tranen op te droogen?” Te gelijker tijd ligtte hij zijn opperkleed op, en deed aan den sultan zien, dat hij slechts mensch was tot aan de middel, en dat de andere helft van zijn ligchaam uit zwart marmer bestond.
De sultan was ten hoogste verwonderd over den jammervollen toestand van den jongeling. „Wat gij mij daareven deed zien,” riep hij, „verhoogt mijne nieuwsgierigheid nog meer; ik brand van ongeduld om uwe geschiedenis te vernemen, die ongetwijfeld hoogst wonderlijk moet zijn, en ik ben overtuigd, dat zij in verband staat met den vijver en zijne bewoners. Verhaal ze mij dus; gij zult er waarschijnlijk verligting door vinden, daar het voor ongelukkigen toch altijd troostvol is, wanneer zij iemand hunne rampen kunnen mededeelen.” „Ik wil het u niet weigeren,” hernam de ongelukkige, „ofschoon ik daardoor mijne smarten slechts vernieuw: maar bereid er u op voor om gebeurtenissen te vernemen, zoo wonderbaar als uwe verbeelding ze zich slechts kan voorstellen.”
GESCHIEDENIS VAN DEN KONING DER ZWARTE EILANDEN.
„Weet, Heer,” ging hij voort, „dat mijn vader Mahmoud koning van dezen staat was. Het is het koningrijk der Zwarte Eilanden, dat zijnen naam ontleent aan de vier heuvels, waarvan gij mij gesproken hebt. Deze heuvels waren vroeger eilanden, en de stad waar mijn vader zijn verblijf hield stond op de plaats, waar zich thans de vijver bevindt, dien gij gezien hebt. De oorzaak dezer veranderingen zult gij uit mijne geschiedenis vernemen.
De koning, mijn vader, stierf op zeventigjarigen leeftijd. Ik had naauwelijks den troon beklommen of ik trad in het huwelijk met een mijner nichten. Zij gaf mij tallooze blijken harer liefde, en van mijnen kant betoonde ik ook zooveel teedere genegenheid voor haar, dat er niets aan ons huwelijksgeluk ontbrak. Dit duurde zoo vijf jaren, toen ik bemerkte dat het hart der koningin had opgehouden voor mij te kloppen.
Eens, dat zij na den middag in het bad was, gevoelde ik lust tot slapen, en ging op eene sofa liggen. Twee van hare vrouwen, die in mijne kamer waren, zetten zich bij mij neder, de eene aan het hoofd, de andere aan het voeteneinde, ieder met een' waaijer in de hand, zoowel om mij te verfrisschen, als om de vliegen, die mij zouden kunnen verontrusten, te verjagen. Zij waanden dat ik sliep, en spraken zeer zacht, doch ik hield slechts mijne oogen gesloten, en verloor geen woord van hun gesprek.
De eene dezer vrouwen zeide tot de andere: „Heeft de koningin niet groot ongelijk, om eenen vorst, zoo beminnelijk als de onze, niet lief te hebben?” „Zeker,” zeide de andere, „ik begrijp niet waarom zij elken nacht uitgaat, en hem alleen laat. Hoe komt het dat hij er niets van bemerkt?” „O,” hernam de eerste; „dat komt door dat zij iederen avond zeker vocht in zijnen avonddrank mengt, waardoor hij in eenen diepen slaap gedompeld wordt; alsdan heeft zij den tijd om te gaan waarheen zij wil, en bij het aanbreken van den dag bij hem terug te komen. Vervolgens wekt zij hem door een fleschje met zeker reukwater onder zijn' neus te houden.”
Oordeel, Heer, over mijne verbazing en mijne gewaarwordingen, toen ik dit hoorde. Evenwel bezat ik zelfbeheersching genoeg, om mij niet te verraden; ik hield mij als of ik juist ontwaakte en niets gehoord had.
De koningin keerde uit het bad terug; wij gebruikten ons avondeten, en vóór dat wij gingen slapen, bood zij mij zelve mijnen avonddrank aan. In plaats van den beker evenwel leêg te drinken, wierp ik den inhoud behendig buiten het venster, zoodat zij niets bemerkte. Ik gaf haar vervolgens den beker terug, opdat zij er niet aan twijfelen zou, dat ik hem geledigd had.
Wij gingen daarna te bed, en weldra stond zij, in de meening dat ik sliep, met zoo weinig omzigtigheid op, dat zij hardop zeide: „Slaap, en mogt gij nimmer meer ontwaken!” Zij kleedde zich spoedig aan en verliet de kamer.—Onmiddelijk volgde ik haar voorbeeld, ik nam mijne sabel, en volgde haar van zoo nabij, dat ik hare voetstappen konde hooren. Zij ging door onderscheidene deuren, die zich openden op eenige tooverwoorden, welke zij uitsprak. De laatste kwam uit in den tuin, dien zij binnentrad. Ik wachtte een oogenblik bij deze deur, ten einde haar eerst over eene opene plek te laten gaan, en volgde haar intusschen met mijne oogen. Ik zag haar een boschje binnengaan, waarvan de paden door zeer dik hekwerk waren afgesloten. Ik begaf mij langs eenen anderen weg daarheen, en mij achter het latwerk van eene vrij lange laan verbergende, zag ik haar met een' man wandelen.
Ik luisterde aandachtig naar hun gesprek, en zie hier wat ik hoorde: „Ik verdien,” zeide de koningin tot haren minnaar, „uw verwijt niet aangaande mijnen ijver! gij kent de reden, die mij in mijne werkzaamheden hindert. Maar, indien de blijken mijner liefde, die ik u tot nu toe gegeven heb, niet voldoende zijn om u van mijne opregte genegenheid te overtuigen, dan zal ik u nog grootere bewijzen daarvan geven; gij hebt slechts te gebieden, gij kent mijne magt. Ik zal, als gij het verlangt, vóór den opgang der zon deze groote stad en dit schoone paleis in puinhoopen, bevolkt met wolven, raven en uilen, veranderen. Wilt gij, dat ik al de steenen dezer hecht gebouwde muren naar gindsche zijde van den Kaukasus, buiten de grenzen der bewoonde wereld, vervoer? Spreek slechts, en dit geheele oord verandert van aanzien.”
Toen de koningin deze woorden voleindigd had, waren zij te zamen aan het einde der laan gekomen, en gingen mij voorbij ten einde een ander pad in te slaan. Ik had mijne sabel getrokken, en daar haar minnaar aan mijnen kant was, gaf ik hem een' slag in den nek, zoodat hij ter aarde stortte. Ik meende hem gedood te hebben, en ging dus haastig weg ten einde onbekend te blijven aan de koningin, die ik wilde sparen omdat zij mijne bloedverwante was.
Hoewel de toegebragte wonde doodelijk was, zoo behield zij haren minnaar toch nog door hare toovermiddelen in het leven. Toen ik den tuin doorging om in mijn paleis terug te keeren, hoorde ik de koningin hevige kreten slaken, en daaruit hare bovenmatige smart opmakende, was ik verheugd, dat ik haar had laten leven.
In mijn vertrek teruggekomen, legde ik mij weder te bed, en tevreden dat ik mijn beleediger gestraft had, sliep ik in. 's Morgens ontwakende, vond ik de koningin naast mij, maar zonder te onderzoeken of zij wakker was of sliep, stond ik met alle mogelijke stilte op, en kleedde mij aan. Vervolgens woonde ik de raadsvergadering bij, en vond bij mijne terugkomst de koningin in diepen rouw, met loshangende haren. „Sire,” zeide zij, „drie bedroevende tijdingen heb ik heden morgen ontvangen, ziehier de reden van mijne smart waarvan gij slechts de zwakke uiterlijke kenteekenen ziet.” „Welke zijn die tijdingen, mevrouw?” vraagde ik. „Mijne moeder is gestorven; mijn vader is in een' veldslag gesneuveld en mijn broeder is in een' afgrond gevallen,” hernam zij.
Ik nam er genoegen in, dat zij deze redenen als de oorzaak harer droefheid voorwendde, en maakte er uit op, dat zij mij niet als de moordenaar van haren minnaar herkend had. „Mevrouw,” zeide ik, „het zij verre van mij uwe smart te laken, integendeel betuig ik u mijne opregte deelneming in uw ongeluk. Ik zou zeer verwonderd geweest zijn, wanneer gij ongevoelig waart over dit groote verlies. Stort vrij uwe tranen, zij zijn het zekere bewijs van uw gevoelig hart. Ik hoop intusschen dat de tijd uwe smarten zal lenigen.”
Zij sloot zich vervolgens in haar vertrek op, en bragt een geheel jaar met weenen en in droefheid door. Daarna vraagde zij mij de toestemming, om nabij mijn paleis, op de plaats waar eens haar graf zoude zijn, eene woning te mogen bouwen, in welke zij dan tot aan haren dood wilde vertoeven. Ik keurde dit goed, en een prachtig kasteel met een koepeldak, dat gij van hier kunt zien, verrees. Zij noemde het, 't Tranenpaleis.
Toen het voltooid was, bragt zij er haren minnaar, dien zij nog den zelfden nacht, waarin ik hem gewond had, naar eene, volgens haar oordeel, geschikte plaats had doen vervoeren. Zij had hem zoo lang in het leven behouden door geneesmiddelen, die zij zelve had toebereid en ging er mede voort, toen hij in het Tranenpaleis was, ze hem iederen dag zelve te brengen.
Intusschen slaagde zij er toch niet in, om den ongelukkige geheel en al te genezen. Niet alleen, dat hij niet loopen of staan kon, maar zelfs zijn spreekvermogen had hij verloren, en slechts zijne blikken verrieden, dat er nog leven in hem was. Ofschoon de koningin slechts het genoegen en de troost had, van hem te kunnen zien en alles te kunnen zeggen, wat hare dwaze liefde haar ingaf, zoo liet zij toch niet na, hem iederen dag twee vrij lange bezoeken te brengen. Ik was van dit alles naauwkeurig onderrigt, doch hield mij als of ik er niets van wist.
Eens ging ik uit nieuwsgierigheid naar het Tranenpaleis, ten einde de verrigtingen der koningin aldaar gade te slaan. Ik verborg mij op eene plaats, waar zij mij niet zien kon, en hoorde haar de volgende woorden spreken: „Ik ben diep bedroefd over uwen toestand, niet minder dan gij gevoel ik uw smartelijk lijden, maar geliefde, ik spreek altijd tot u, en gij antwoordt mij nooit. Tot wanneer nog zult gij uw stilzwijgen bewaren? Ik vraag slechts één enkel woord. Helaas! de gelukkigste oogenblikken mijns levens zijn die, welke ik hier bij u doorbreng. Ik kan niet leven zonder u, en het genoegen van u te zien ruilde ik niet voor alle koningrijken der aarde.”
Op het hooren van dit gesprek, dikwerf door hare tranen en zuchten afgebroken, verloor ik mijn geduld. Ik kwam uit mijn' schuilhoek te voorschijn, en zeide tot haar: „Mevrouw gij hebt lang genoeg geweend, het wordt tijd dat gij een einde maakt aan eene droefheid, die u beiden onteert, gij vergeet u zelven en uwe verpligtingen jegens mij.” „Sire,” gaf zij ten antwoord, „wanneer gij nog eenige liefde of genegenheid voor mij gevoelt, zoo bid ik u, laat mij begaan. Sta toe, dat ik mij overgeef aan mijn hevig verdriet; de tijd kan het niet verminderen.”
Zoodra ik zag, dat mijne woorden, in plaats van haar tot inkeer te brengen, slechts hare gevoeligheid opwekten, vertrok ik. Zij ging voort met alle dagen haren minnaar te bezoeken; en gaf zich nog twee geheele jaren aan wanhoop over.
Toen ging ik voor de tweede maal naar het Tranenpaleis, op den tijd dat zij er was. Ik verborg mij weder en hoorde haar tot haren minnaar zeggen: „Sedert drie jaren is er nu geen woord over uwe lippen gekomen, en beantwoordt gij niet aan de liefdeblijken, die ik u geef door mijne woorden en mijne zuchten; is dit uit ongevoeligheid of uit verachting? O graf! zoudt gij de liefde uitgedoofd hebben, die hij eertijds voor mij gevoelde? Zoudt gij de oogen gesloten hebben, die mij vroeger zulke teedere blikken toewierpen, en die mijne grootste vreugde waren? Neen, neen, dat kan ik niet gelooven. Zeg liever door welk wonder, gij de bezitter zijt geworden van de zeldzaamste schat, die ooit bestond?”
Gij begrijpt Heer, hoe verontwaardigd ik over deze woorden was, want die geliefde, die aangebeden sterveling, hij was niet zooals gij hem u voorstelt; neen, het was een zwarte Indiër, een inboorling van dit gewest. Mijne verbittering over dit gesprek, was dan ook zoo groot, dat ik mij onverhoeds vertoonde, en hetzelfde graf aanroepende, uitriep: O graf, verslind dit monster der natuur, of liever neem tot u en minnaar en minnares!
Naauwelijks had ik deze woorden voleindigd, of de koningin, die naast de zwarte gezeten was, stond op en werd bleek van woede. „O! wreedaard,” zeide zij tot mij, „gij zijt de oorzaak mijner smarten. Meen niet, dat uwe handelwijze mij onbekend is, ik heb langen tijd slechts geveinsd. Uwe barbaarsche hand heeft mijnen minnaar in dezen beklagenswaardigen toestand gebragt; en gij zijt wreed genoeg om mij, wanhopige, nog te komen beleedigen.” „Ja, dat ben ik,” hernam ik vertoornd, „ik zelf heb dit monster naar verdienste gestraft; met u had ik op de zelfde wijze moeten handelen, reeds te lang maakt gij misbruik van mijne goedheid.” Dit zeggende, trok ik mijne sabel, en hief mijne hand op om haar te straffen. Zij zag evenwel mijne handelingen bedaard aan en zeide spottende: „Matig uwe woede.” Ter zelfder tijd prevelde zij eenige woorden, die ik niet verstond; en voegde mij vervolgens toe: „Door de kracht van mijn tooverformulier gelast ik u onmiddelijk half mensch, half marmer te worden.” Dadelijk werd ik, zoo als gij mij nu ziet, een levende onder de dooden, en eene doode onder de levenden.
Nadat de wreede toovenares, den naam van koningin onwaardig, mij aldus veranderd, en door een ander toovermiddel naar de zaal overgebragt had, verwoestte zij mijne hoofdstad, die zeer bloeijend en sterk bevolkt was. Zij vernietigde de huizen, pleinen en markten, en schiep in plaats daarvan den vijver en de verlatene landstreek, die gij gezien hebt. De visschen in den vijver zijn de inwoners der stad, die vier verschillende godsdiensten beleden: de witte zijn Muzelmannen, de roode Perzen of Zonaanbidders, de blaauwe Christenen en de gele Joden, de vier heuvelen zijn de vier eilanden, waaraan het koningrijk zijn' naam ontleende. Ik vernam dit alles van de toovenares, die, tot overmaat van ramp, zelve deze gevolgen harer gramschap aan mij kwam mededeelen. Maar dit is nog niet alles; het is haar niet genoeg mijn rijk verwoest en mijn ligchaam veranderd te hebben, neen, iederen dag komt zij hier, om mij honderd geeselslagen op mijne naakte schouders te geven, zoodat ik geheel en al bebloed ben. Wanneer deze strafoefening afgeloopen is, bedekt zij mij eerst met een ruw kleed van geitenhaar en hangt vervolgens daarover dit zijden kleed, niet om mij eene eer aan te doen, maar om mij te bespotten.”
Thans kon de jonge koning der Zwarte Eilanden zijne tranen niet langer weêrhouden, en de sultan was zoo ter neergeslagen, dat hij geene woorden kon vinden om hem te troosten. Spoedig daarop sloeg de jeugdige vorst zijne blikken ten hemel, en riep uit: „Magtige Schepper van al wat bestaat, ik onderwerp mij aan de besluiten van uwe Voorzienigheid, ik lijd geduldig mijne smarten, dewijl dit uw wil is; maar ik hoop dat uwe Oneindige Goedheid mij er voor zal beloonen.”
De sultan, bewogen door dit zoo vreemde verhaal, en begeerig om den ongelukkigen vorst te wreken, zeide tot hem: „Zeg mij waar die trouwelooze toovenares zich ophoudt, en waar zich haren minnaar bevindt, die reeds vóór zijnen dood begraven is.” „Heer,” antwoordde hij, „de minnaar is, zoo als ik u reeds gezegd heb, in het Tranenpaleis in een koepelvormig graf, en dat paleis heeft ter zijde van de poort gemeenschap met dit kasteel. Wat de toovenares aangaat, kan ik u niet juist zeggen, waar zij haar verblijf houdt; maar iederen dag bij het opgaan der zon, gaat zij haren minnaar bezoeken, na vooraf de bloedige strafoefening op mij te hebben gehouden, waarvan ik u gesproken heb, en waartegen ik mij niet verzetten kan. Zij brengt haren geliefde den drank, waarmede zij hem tot nu toe in het leven gehouden heeft, terwijl zij niet ophoudt met over zijn stilzwijgen te klagen.”
„Vorst, met wien men niet genoeg medelijden kan hebben,” hernam de sultan, „niemand kan meer met uwen toestand begaan zijn, dan ik. Nooit heeft iemand zulke zonderlinge lotgevallen gehad, en zij, die uwe geschiedenis te boek stellen, zullen de voldoening hebben de wonderlijkste zaken te kunnen beschrijven, die nooit zijn voorgevallen. Slechts één ding ontbreekt er nog aan: het is de wraak, die over u genomen moet worden, en tot welker voldoening ik alles, wat in mijn vermogen is, in het werk zal stellen.”
Terwijl de sultan met den jongen vorst over dit onderwerp sprak en hem medegedeeld had, wie hij was en waarom hij dit kasteel bezocht had, was hem inderdaad een middel in de gedachte gekomen, hoe hij wraak kon nemen, waarvan hij hem deelgenoot maakte. Zij overlegden zamen welke maatregelen er genomen moesten worden, om dit ontwerp te doen gelukken, welks uitvoering op den volgenden dag bepaald werd. Daar de avond inmiddels reeds ver gevorderd was, nam de sultan eenige rust. Wat de jeugdige vorst betreft, hij bragt den nacht, als naar gewoonte, in eene voortdurende slapeloosheid door (want sedert hij betooverd was had hij niet kunnen slapen), doch nu gesterkt door de flaauwe hoop weldra van zijn lijden verlost te zullen worden.
Den volgenden morgen stond de sultan op zoodra de dag aanbrak. Dadelijk met de uitvoering van zijn voornemen beginnende, verborg hij in een' hoek zijn opperkleed, dat hem hinderlijk zou kunnen zijn, en ging naar het Tranenpaleis. Hij vond het door eene ontelbare menigte flambouwen van wit was verlicht, en bespeurde een' heerlijken geur, die uit een aantal wierookvaten van het fijnste goud opsteeg; deze wierookvaten waren bovendien buitengewoon kunstig en fraai bewerkt en in de schoonste orde gerangschikt. Zoodra hij de legerstede ontdekte, waarop de zwarte uitgestrekt lag, trok hij zijne sabel, benam den ellendeling, zonder eenigen tegenstand, het leven, en sleepte vervolgens het ontzielde ligchaam naar de binnenplaats van het kasteel, waar hij het in een' put wierp. Vervolgens ging hij zelf in het bed van den zwarte liggen en legde zijne sabel bij zich onder de dekens, om aldus zijn plan geheel te kunnen volvoeren.
De toovenares kwam al spoedig opdagen. Zij begaf zich eerst naar de kamer waar de koning der Zwarte Eilanden, haar echtgenoot, zich bevond, ontblootte zijnen rug en gaf hem weder op de schouders met een' lederen riem honderd geeselslagen, op eene zoo barbaarsche en wreede wijze, dat er geen voorbeeld van was. Te vergeefs vervulde de ongelukkige vorst het paleis met zijne jammerkreten, te vergeefs bad hij haar, medelijden met hem te hebben; de onmeêdoogende vorstin hield niet op, vóór zij hem de honderd slagen gegeven had. „Gij hebt geen medelijden met mijnen minnaar gevoeld,” zeide zij tot hem, „verwacht dus ook geen medelijden van mij.”—Nadat zij hem dus honderd geeselslagen gegeven had, hing zij hem het ruwe haren kleed en daarover den zijden met goudstof doorweven mantel weder om de leden, en begaf zich toen volgens hare gewoonte naar het Tranenpaleis. Toen zij er binnengetreden was, begon zij hevig te weenen en te weeklagen, en deed de lucht van hare klaagtoonen weêrgalmen. Zich vervolgens naar het bed, waarop zij meende dat haar minnaar lag, begevende, riep zij uit: „Welk eene wreedheid, om aldus de grootste genoegens eener liefde, zoo teeder, zoo hartstogtelijk als de mijne, te verwoesten! O gij, die mij verwijt dat ik onmenschelijk wreed ben, wanneer ik u de gevolgen mijner gramschap doe ondervinden, wreede vorst, overtreft uwe barbaarschheid niet verre de mijne? O, ellendeling! hebt gij niet, toen gij naar het leven stond van hem, dien ik aanbid, mij het mijne benomen? Helaas!” voegde zij er bij, het woord tot den sultan rigtende, meenende dat zij tot den zwarte sprak, „mijn licht, mijn leven, zult gij steeds blijven zwijgen? Hebt gij besloten mij te laten sterven zonder mij den troost te schenken, mij ten minste nog éénmaal te zeggen, dat gij mij bemint? Mijne ziel, mijn alles, spreek nog eens een enkel woord tot mij, ik smeek het u.” De sultan veinsde alsof hij uit eenen diepen slaap ontwaakte, en de stem van den zwarte nabootsende, antwoordde hij de koningin op een' ernstigen toon: „Bij den Almagtigen God is alleen kracht en magt.” De tooveres, die op geen antwoord had durven rekenen, gaf op het hooren zijner stem een' kreet van blijdschap. „Mijn dierbare meester,” riep zij uit, „bedrieg ik mij niet, is het werkelijk waar, dat ik u hoor en dat gij tot mij spreekt?” „Ongelukkige,” hernam de sultan, „zijt gij wel waard dat ik u antwoord?” „En waardoor,” zeide de koningin, „heb ik dit verwijt verdiend?” „De jammerkreten,” hernam hij, „het geween en het gekerm van uwen echtgenoot, dien gij iederen dag zoo onverdiend en zoo wreed kastijdt, houden mij dag en nacht uit den slaap. Ik zou reeds sedert lang genezen zijn, en de stem terug ontvangen hebben, wanneer gij hem van zijne betoovering verlost hadt; ziedaar de oorzaak der stilzwijgendheid waarover gij zoo vreeselijk klaagt.” „Welnu!” antwoordde de tooveres, „om u te bevredigen ben ik bereid alles te doen, wat gij mij gebiedt; wilt gij dat ik hem zijne vroegere gedaante teruggeve?” „Ja,” zeide de sultan, „haast u hem weder in vrijheid te stellen, opdat zijn weeklagen mij niet meer hindere.”
De tooveres verliet oogenblikkelijk het Tranenpaleis, zij nam een' kop met water, boog zich daarover heen, en sprak eenige woorden, die het water deden koken alsof het op 't vuur stond. Zij ging vervolgens naar de zaal, waarin zich de jonge koning haar gemaal bevond; besprenkelde hem met dit water en sprak daarbij de woorden: „Indien de Schepper van het Heelal u in uwen tegenwoordigen staat geschapen heeft, of indien Hij vertoornd op u is, zoo verander niet; maar indien gij slechts in dezen toestand zijt door de kracht mijner betoovering zoo herneem uwe natuurlijke gedaante, en wordt gelijk gij vroeger waart.” Nauwelijks had zij deze woorden gesproken, of de vorst gevoelde zich weder in zijnen voormaligen toestand. Hij stond met eene blijdschap, die niet te beschrijven is, naar goedvinden op, en dankte God voor zijne herstelling. De tooveres sprak daarop verder tot hem: „Ga, verwijder u uit dit kasteel, en zoo gij hier immer terugkomt, zal zulks u het leven kosten.”
De jeugdige koning, voor de noodzakelijkheid bukkende, verwijderde zich van de tooveres zonder een enkel woord te spreken, en begaf zich naar eene afgelegen plaats, waar hij met ongeduld op het verder welgelukken der onderneming van den sultan wachtte.
Middelerwijl keerde de tooveres naar het Tranenpaleis terug. Aldaar gekomen en steeds in den waan verkeerende, dat zij tot den zwarte sprak, zeide zij: „Dierbare geliefde, ik heb gedaan wat gij mij bevolen hebt; niets belet u thans van uwe legerstede op te staan, en mij daardoor een genoegen te schenken, dat ik zoo lang heb moeten ontberen.”
De sultan evenwel ging voort de stem van den zwarte na te bootsen, en antwoordde haar op een' norschen toon: „Hetgeen gij gedaan hebt, is niet voldoende om mij te herstellen; gij hebt slechts een gedeelte der kwaal weggenomen, doch zij moet met wortel en tak worden uitgeroeid.” „Mijn lieve zwarte,” hernam zij, „wat meent gij met wortel en tak?” „Ongelukkige,” antwoordde de sultan, „begrijpt gij niet dat ik die stad met hare inwoners en de vier eilanden, welke gij door uwe betooveringen allen verwoest hebt, bedoel? Iederen nacht ten twaalf ure steken die visschen in den vijver de koppen boven water, en roepen wraak over mij en over u. Dat is de eigentlijke oorzaak, waardoor ik niet herstellen kan. Breng zoo spoedig mogelijk alles in zijnen vroegeren toestand terug, en wanneer gij dan terugkomt, zal ik u de hand geven en zult gij mij helpen om op te staan.”
De tooveres riep, bij het hooren dezer hoopvolle woorden, in groote blijdschap uit: „Mijn leven, mijn alles, gij zult uwe gezondheid zeer spoedig geheel terug hebben; want ik zal onmiddelijk doen wat gij mij beveelt.” Zij vertrok dadelijk, en toen zij bij den vijver gekomen was, nam zij eenige droppelen van het betooverde water, besprengde daarmede de oppervlakte van de waterkom, en sprak een onttooverings-formulier over de visschen en den vijver uit. Oogenblikkelijk herrees de vroegere stad, de visschen werden mannen, vrouwen of kinderen, Mahomedanen, Christenen, Perzen of Joden, vrijen of slaven, ieder herkreeg zijne natuurlijke gedaante. De huizen en winkels hadden hunne vroegere bewoners, die alles in denzelfden toestand en in dezelfde orde wedervonden, als het was vóór de betoovering. Het talrijke gevolg van den sultan, dat zich op het grootste plein der stad gelegerd zag, was niet weinig verwonderd zich in één oogenblik te midden eener fraaie groote en digt bevolkte stad te bevinden.
Zoodra de tooveres deze wonderbare verandering had te weeg gebragt, spoedde zij zich naar het Tranenpaleis terug, om de vrucht harer gehoorzaamheid te plukken. „Mijn dierbare heer,” zeide zij binnentredende, „ik kom mij met u over het herstel uwer gezondheid verheugen; ik heb alles gedaan wat gij mij bevolen hebt: sta dus op en geef mij de hand.” „Kom bij mij,” zeide de sultan steeds met de stem van den zwarte. Zij naderde hem. „Kom toch, kom nog digter bij mij,” vervolgde hij. Zij voldeed aan zijn verzoek. Eensklaps sprong nu de sultan op, vatte haar zoo onverwachts bij den arm, dat zij geen tijd had van hare verbazing te bekomen en, met één slag van zijne sabel, scheidde hij haar ligchaam in twee deelen, die het eene regts, het andere links ter neder vielen. Dit verrigt hebbende, liet hij het lijk op de plek zelve liggen, verliet het Tranenpaleis, en ging den jeugdigen vorst der Zwarte Eilanden, die hem met ongeduld verbeidde, opzoeken. „Vorst,” zeide hij, hem omhelzende, „verblijd u, gij hebt niets meer te vreezen, uwe wreede vijandin leeft niet meer.”
De jonge vorst dankte den sultan op eene wijze zoo innig, zoo hartelijk, dat daaruit bleek hoe gevoelig zijn hart was voor de schoone pligt der erkentelijkheid. Hij besefte ten volle de gewigtige en groote dienst, hem door den sultan bewezen; en wenschte hem uit de volheid des harten een lang leven toe en alle mogelijke voorspoed en zegeningen. „Gij kunt van nu af aan,” zeide hem de sultan, „rustig in uwe hoofdstad wonen; tenzij dat gij in de mijne, die zoo digt bij is, wenscht te komen, ik zal er u met opene armen ontvangen, en gij zult er niet minder geëerd en geacht worden dan in uwe eigene stad.” „Magtig monarch, aan wien ik alles verpligt ben,” antwoordde de koning, „meent gij dan zoo digt bij uwe hoofdstad te zijn?” „Ja,” hernam de sultan, „ik meen zulks, de afstand bedraagt slechts vier of vijf uren.” „Er is één jaar reizens noodig om van hier in uw rijk te komen,” hernam de jonge vorst. „Ik kan best begrijpen, dat gij in den korten tijd, welken gij opgeeft, uit uwe hoofdstad hier zijt gekomen, maar zulks werd veroorzaakt omdat de mijne toen betooverd was, maar sedert dat dit niet meer het geval is, zijn de zaken geheel veranderd. Dat zal mij evenwel niet beletten u te volgen, al ware het tot aan de uiterste einden der aarde. Gij zijt mijn redder, en om u mijn gansche leven blijken mijner dankbaarheid te kunnen geven, wensch ik u te vergezellen, en verlaat ik zonder leedwezen mijn koningrijk.” De sultan was ten hoogste verwonderd te vernemen, dat hij zich zoo ver van zijne staten verwijderd bevond, en begreep niet hoe zulks mogelijk kon zijn. Maar de koning der Zwarte Eilanden gaf hem zulke overtuigende bewijzen van de waarheid zijner woorden, dat hij er ten laatste niet langer aan kon twijfelen. „Het doet er ook niets toe,” hernam toen de sultan, „de moeite der terugreis naar mijn rijk weegt lang niet op tegen het genoegen, dat ik gesmaakt heb, door u eene dienst te bewijzen, en in uwen persoon een' zoon te hebben verkregen; want, omdat gij mij de eer wilt aandoen mij te vergezellen, en omdat ik geene kinderen heb, beschouw ik u als zoodanig. Ik benoem u van dezen stond af aan tot mijnen erfgenaam en opvolger.”
Het gesprek tusschen den sultan en den koning der Zwarte Eilanden eindigde met betuigingen der innigste vriendschap, waarna de jeugdige vorst zich onledig hield met het maken der toebereidselen voor zijn vertrek. Na drie weken was de koning gereed, tot groot leedwezen van het geheele hof en van al zijne onderdanen, die uit zijne handen een zijner naaste bloedverwanten tot koning ontvingen.
Eindelijk begaven dan de sultan en de jonge vorst zich op weg, gevolgd door honderd kameelen, beladen met onmetelijke rijkdommen uit de schatkamers van den jeugdigen koning, en vergezeld van vijftig ruiters, allen schoone jongelingen, schitterend gekleed en op de prachtigste paarden gezeten. Hunne reis was voorspoedig, en toen de sultan, die koeriers vooruit had gezonden om zijnen onderdanen kennis te geven van de vertraging zijner terugkomst en van de redenen, welke dit veroorzaakt hadden, de hoofdstad zijns rijke naderde, kwamen de groot-officieren, die hij er achtergelaten had, hem te gemoet met de verklaring dat zijne lange afwezigheid geene enkele moeijelijkheid in het rijksbestuur veroorzaakt had. Ook zijne onderdanen gingen hem in menigte te gemoet, en ontvingen hem met groot gejuich en met de blijken der hartelijkste vreugde en eerbied.
Den dag na zijne aankomst liet de sultan al zijne hovelingen bij zich komen, en gaf hun een uitvoerig verslag der oorzaken, welke, tegen zijne verwachting, zijne afwezendheid zoo lang hadden doen duren. Hij verklaarde hun vervolgens zijn besluit tot aanneming van den koning der Zwarte Eilanden als zijn zoon en opvolger, daar deze een magtig koningrijk verlaten had om hem te vergezellen en met hem zamen te leven. Om hen voor hunne getrouwheid te beloonen, gaf hij bovendien een ieder naar zijnen rang groote en rijke geschenken.
Wat den visscher betreft, daar deze de eerste oorzaak was der bevrijding van den jongen vorst, werd hij door den sultan met weldaden overladen, en met zijn huisgezin, hun leven lang, hoogst gelukkig gemaakt.