← Table of contents
Drie Vertellingen

HERODIAS

Marie Koenen translation

I

De citadel van Machaerous verhief zich ten oosten van de Doode Zee op een kegelvormige bazalt-rots. Vier diepe dalen lagen er omheen, twee bezijden, een er tegenover, het vierde aan den achterkant. De huizen, opgestapeld aan haar voet, werden ingesloten door een ringmuur, die met de oneffenheden van den grond meegolfde.

Een weg, zig-zag uitgehouwen in de rots, verbond de stad met de sterkte, wier muren honderd-twintig elleboogslengten hoog waren en talrijke uitsprongen hadden, kanteelen langs hun rand, en hier en daar ook torens: het starre lofwerk aan die kroon van steenen hangend boven den afgrond.

Het binnenste der citadel was een met zuilengangen versierd paleis, bedekt met een platform, dat omgeven werd door een leuning van sycomore-hout, en waar staken stonden opgericht om een velarium uit te spannen.

Op zekeren uchtend—de zon was nog niet opgegaan—kwam de viervorst Hero-des-Antipas zich over de balustrade heenbuigen, en zag-uit.

De bergen aan zijn voeten begonnen hun kam op te heffen uit de schaduwen waarin hun logge gevaarten, tot in de diepte der afgronden die ze scheidden, nog verhuld lagen. Nevels zwierven om, scheurden open, en de omtrekken der Doode Zee werden zichtbaar. De dageraad die achter Machaerous rees, verspreidde een roodigen schijn. Deze verlichtte weldra den zandigen zeeoever, de heuvelen, de woestijn, en in verder verschiet, de bergen van Judea met hun grillige grijze glooiingen.

Engaddi trok door het midden zijn zware zwarte lijn; Hebron in de diepte rondde zich koepelvormig, Esquol droeg granaatboomen, Sorek wijnstokken, Karmel sesamkruid, en het reusachtig blok van den toren Antonia bestreek Jeruzalem. De Viervorst wendde den blik af om te rechterzijde de palmen van Jericho te beschouwen; en hij peinsde over de andere steden van Galilea: Capharnaüm, Endor, Nazareth, Tiberias—waar hij waarschijnlijk nimmer meer komen zou.

En almaar stroomde de Jordaan door de barre vlakte, die in haar witte dorheid verblindend was als een sneeuwveld. Het meer scheen, in deze stonde, van vloeiend lazuur; en aan zijn zuidelijke punt, naar de richting van Yemen, werd Antipas gewaar, wat hij vreesde te zien: Bruine tenten stonden daar verspreid, mannen met lansen schreden heen en weer tusschen de paarden, en smeulende vuren twinkelden als vonken laag tegen den grond.

Het waren de troepen van den Arabischen koning, wiens dochter hij verstooten had voor Herodias, de vrouw van een zijner broeders, die in Italië woonde zonder te streven naar macht.

Antipas wachtte hulp van de Romeinen, en hij werd door onrust verteerd, omdat Vitellius, stedehouder in Syrië, nog steeds niet kwam opdagen.

Agrippa zou hem ongetwijfeld bij den keizer in ongenade hebben gebracht. Philippus, zijn derde broeder, vorst van Batanéa, wapende zich zeker in 't geheim. De Joden hadden genoeg van zijn afgodische zeden, de anderen van zijn overheersching; zoodat hij weifelde tusschen twee plannen: of de Arabieren tot vrede te stemmen, of een verbond te sluiten met de Parthen; en, onder voorwendsel van zijn geboortefeest te vieren, had hij voor dezen zelfden dag nog, de aanvoerders van zijn troepen, al zijn rentmeesters en de oppersten van Galilea, op een groot gastmaal genoodigd.

Hij liet zijn blik spiedend weiden over de wegen: ze waren nog leeg. Arenden vlogen boven zijn hoofd om: de soldaten langs de wallen sliepen tegen den muur, en binnen het paleis bewoog niets.

Maar eensklaps deed een verre stem, die uit de diepten der aarde scheen te komen, den Viervorst verbleeken. Hij boog zich voorover om te luisteren. De stem zweeg.

Maar toen ze herbegon, klapte hij in de handen, en riep:

"Mannaëi! Mannaëi!"

Een man trad te voorschijn, naakt tot den gordel, zooals de masseurs bij de baden. Hij was zeer groot, oud, uitgemergeld, en droeg op de heup een korte kling in bronzen scheede. Zijn haardos door een kam opgehouden verhoogde nog de gerektheid van zijn voorhoofd. Slaperigheid verdoofde nu de kleur zijner oogen, maar zijn tanden glinsterden. Zijn geheele gestalte had een aapachtige lenigheid, en licht drukten zijn teenen den vloer. Zijn gelaat was ondoorgrondelijk als dat eener mummie.

—Waar is hij? vroeg de Viervorst.

Mannaëi antwoordde, terwijl hij met den duim iets achter hen aanwees: "Ginds! Altijd-door!"

"Ik meende hem te hooren".

En na een diepe ademhaling vroeg Antipas berichten over Jaokanann, denzelfden dien de Latijnen Sint Joannes den Dooper noemen. Had men de twee mannen nog weergezien, die men uit welwillendheid verleden maand had toegelaten in zijn kerker? en wist men nu ten laatste, waartoe ze gekomen waren?

Mannaëi antwoordde:

"Ze hebben geheimzinnige woorden gewisseld, zooals dieven doen, 's avonds op den viersprong der wegen. Daarna zijn ze heengetogen naar Noord-Galilea, aankondigend dat ze een groot nieuws zouden brengen."

Antipas boog het hoofd. Toen als in angst:

"Bewaak hem! bewaak hem! En laat niemand binnen. Sluit de deur goed! Bedek den put! Men mag niet vermoeden dat hij leeft!"

Zonder die bevelen ontvangen te hebben, had Mannaëi ze toch steeds uitgevoerd, want Jaokanann was een Jood, en, zooals alle Samaritanen, verfoeide hij de Joden. Hun tempel van Garizim door Mozes als hart en middelpunt van Israël aangewezen, bestond niet meer sinds koning Hyrcan, en die van Jeruzalem deed hen, als een blijvend en hoonend onrecht, in wrok en woede leven. Mannaëi was er binnengedrongen om er het outer met doodsbeenderen te schennen. Zijn gezellen, minder behendig dan hij, waren onthoofd geworden. Hij zag op dit oogenblik dien tempel, door de inzinking tusschen twee heuvels heen. De zon deed de wit-marmeren muren weerglanzen, en de gouden platen van het dakwerk schitterden. Het geleek een berg van licht, iets bovenaardsch, dat alles overheerschte door zijn rijkdom en zijn trots.

Toen strekte Mannaëi de armen uit naar Sion, en, hoog opgericht, het gelaat geheven, de vuisten gebald wierp hij zijn vervloeking naar die stad, wanend dat zijn woorden een werkelijke macht in zich hadden.

Antipas hoorde het aan, en leek in 't minst niet geërgerd.

Toen hervatte de Samaritaan: "Bij wijlen is hij onrustig. Hij zou dan 't liefst willen ontvluchten, en hoopt op verlossing. Andere keeren lijkt hij kalm als een ziek dier, en ook wel heb ik hem heen en weer zien loopen in het donker, voor-zich-heen herhalend: "Wat deert het? Hij moet grooter, maar ik kleiner worden."

Antipas en Mannaëi zagen elkander aan. Maar de Viervorst was het moe verder na te denken.

Al die bergen om hem heen, opstapelingen gelijk van versteende golven, de zwarte draaikolken langs de rotsige kusten, de eindeloosheid van den blauwen hemel, het schelle glanzen van den dag, de diepte der afgronden verbijsterden hem; en toen zijn oogen weiden gingen over de woestijn, werd hij nog mistroostiger, bij het zien van die woest doorwoelde gronden met hun bouwvallen van amphitheaters en paleizen.

Op de heete windademen dreef een zwavelreuk aan, als een uitwaseming van de vervloekte steden, die, dieper dan de oevervlakten, bedolven liggen onder de zware wateren.

Deze teekenen van een eeuwige gramschap joegen zijn gedachten verschrikt op, en hij bleef met de ellebogen op de balustrade, het hoofd in de handen, staroogend staan.

Iemand raakte hem aan.

Hij wendde zich om.

Herodias stond daar.

Een licht purperen samaar omhulde haar tot op de sandalen.

Ze was overhaast uit haar kamer getreden en droeg noch parelsnoeren, noch oorhangers; een vlecht van heur zwarte haren viel haar over den arm op den boezem. Haar hoog opgetrokken neusvleugels trilden; de vreugde van een triomf glansde over haar gelaat, en met forsche stem begon ze, terwijl ze den arm van den Viervorst schudde:

"Cesar is ons welgezind! Agrippa is gekerkerd!"

"Wie heeft het u gezegd?"

"Ik weet het!"

En ze voegde erbij:

"'t Is wijl hij het keizerschap wenschte voor Cajus."

Hij die van hun aalmoezen leefde, had gestaan naar den koningstitel, dien zij-zelve even begeerig najoegen als hij!

Maar voortaan geen vrees meer!

"De kerkers van Tiberius worden moeielijk ontsloten, en men is er niet altijd zeker van zijn leven!"

Antipas begreep haar, en hoewel zij Agrippa's zuster was, leek haar wreedaardige bedoeling hem gerechtvaardigd. Die moorden volgden uit den samenloop der dingen, en waren een noodlot van de Koningshuizen. In dat van Herodes was hun aantal niet te tellen.

Toen begon ze haar welgeslaagden toeleg uiteen te zetten; de omgekochte cliënten, de gevonden brieven, de verspieders aan alle deuren, en hoe ze erin geslaagd was Eutyches tot aanklacht te verleiden.

"Het viel me niet moeielijk, ik heb immers wel andere dingen gedaan voor U? Verliet ik zelfs mijn dochter niet?"

Na haar echtscheiding, hopend in haar huwelijk met den Viervorst wel moeder te worden van andere kinderen, had ze dat dochtertje in Rome gelaten. Ze sprak er nimmer over.

Daarom zocht de Viervorst nu naar de beweegreden van die opwelling van teederheid.

Men had het velarium ontplooid en, gedienstig, groote kussens bij gebracht. Herodias zonk er in neder, en weende met afgewend gelaat. Toen streek ze met de hand over de oogleden, en zeide dat ze verder niet meer eraan denken wilde; dat ze zich gelukkig voelde; en ze herinnerde hem hun gesprekken ginds in het atrium, hun ontmoetingen bij de baden, hun wandelingen langs den Via Sacra en in de groote villa's des avonds bij het murmelen der fonteinen, terwijl ze uitzagen onder de bloemenbogen door over de Romeinsche Campagna. En ze blikte naar hem op als toen ter tijd, met streelerige gebaren zich vlijend aan zijn borst. Hij stootte haar van zich af. De liefde, die zij wilde doen herleven, was zoo verre thans. Al zijn rampen waren er uit voortgekomen, want reeds twaalf jaar duurde de oorlog. De Viervorst was er door verouderd. Zijn rug was gedoken in de donkere, paarsom rande toga; zijn witte haren golfden samen met die van zijn grijzenden baard, en de zon, die door den baldakijn drong, stortte een stroom van licht over zijn wrevelend voorhoofd. Ook Herodias' voorhoofd zette rimpels. Aangezicht tegenover aangezicht stonden ze, en in wrokkende kwaadaardigheid maten ze elkander met den blik.

Er begon beweging te komen op de bergpaden. Herders dreven ossen voort, kinderen trokken ezels mee aan den toom, stalknechten leidden hun paarden. Zij die afdaalden van de hoogten voorbij Machaerous, verdwenen achter in den burcht, anderen togen door de rotsklove aan den voorkant verder, en in de stad gekomen zetten ze hun pakken en lasten op de binnenplaatsen neer. Dit waren de hofmeesters van den Viervorst en knechten die de gasten voorafgingen.

Doch daar trad plotseling aan den linkeropgang van het terras een Esseër te voorschijn, geheel in 't wit gekleed, blootsvoets, en met het uiterlijk van een Stoïcijn. Tegelijkertijd stortte Mannaëi, van tegenovergestelde zijde uitschietend, zich met getrokken zwaard op hem.

"Steek hem dood!" riep Herodias den beul toe.

"Houd in!" beval de Viervorst.

Manaëi bleef onbeweeglijk staan; de andere evenzoo.

Toen trokken ze zich terug, achteruittredend, ieder langs een andere trap, en zonder elkaar uit het oog te verliezen.

"Ik ken hem!" zei Herodias, "zijn naam is Phanuel, en hij tracht tot Jaokanann door te dringen, wiens leven door uw dwaasheid zoo veilig bewaard blijft".

Antipas wierp haar tegen, dat Jaokanann hun vandaag of morgen van dienst zou kunnen zijn. Zijn aanvallen tegen Jeruzalem zouden de rest der Joden tot hen doen overloopen.

"Neen!" hernam zij. "Ze buigen zich onder alle meesters en zijn niet in staat een eigen rijk te vormen!" En wat dengene betrof, die de gemoederen in beweging bracht door een hoop op te wekken, die sinds Nehemias voortleefde onder het Joodsche volk, was het niet 't meest doeltreffend hem uit den weg te ruimen?

Volstrekt geen haast had dit, volgens den Viervorst: Jaokanann gevaarlijk! Komaan nu! en hij deed alsof hij erom lachen moest. "Zwijg!" En zij herbegon het verhaal van de diepe vernedering, welke ze ondergaan had, op den dag toen ze naar Galaäd was getogen voor den balsem-oogst.

Er waren aan de rivier menschen die zich herkleedden. Terzijde, op een lagen heuvel, stond een man te spreken. Hij droeg een kemelshuid om de lenden, en zijn hoofd leek op dat van een leeuw. "Van 't eerste oogenblik dat hij me gewaar werd, wierp hij me alle vervloekingen der profeten toe. Zijn oogen schoten vlammen, zijn stem huilde, hij hief de armen als om den bliksem neer te halen. Geen mogelijkheid hem te ontvluchten, de raderen van mijn wagen waren tot de assen in het zand gezonken; en langzaam ging ik heen, me beschuttend met mijn mantel, verbijsterd door zijn hoon, die op me viel als een stortvlaag." Zij kon niet verder leven, zoolang Jaokanann bestond. Toen hij gevangen werd genomen en met koorden gebonden, was den soldaten bevolen hem te dooden, zoo hij zich verweren mocht; hij had zich zachtmoedig betoond. Men had slangen in zijn kerker gezet; ze waren er doodgegaan.

De nutteloosheid van die verraderlijke lagen bracht Herodias' geduld ten einde. En daarenboven, waarom zijn strijd tegen haar? Welk belang dreef hem aan? Zijn predikingen tot het volk hadden zich verspreid, gingen van mond tot mond; alom hoorde zij ze fluisteren, ze vervulden de lucht. Legioenen zou ze getrotseerd hebben. Maar deze macht, feller dan een tweesnijdend zwaard, en die zich niet aangrijpen liet, ze werkte geestverlammend. Bleek van woede, geen woorden meer vindend om uit te stooten wat haar den adem benam, schreed ze heen en weer over het terras.

En tegelijkertijd kwelde haar de gedachte, dat de Viervorst wellicht bezwijken zou voor des volks oordeel, en zoo ertoe gebracht worden haar te verstooten. Dan ware alles verloren! Sinds haar kinderjaren koesterde ze den droom van een groot keizerrijk. En om er toe te geraken, had ze haar eersten gemaal verlaten, om zich met Antipas te verbinden in wien ze zich bedrogen had, dacht ze.

"Ik koos een hechten steun, toen ik in uw familie trad!"

"Ze staat met de uwe gelijk!" zei de Viervorst kalm-weg.

Herodias voelde in haar aderen het bloed koken van de priesters en koningen, die haar voorvaders waren.

"Maar uw grootvader veegde den tempel van Ascalon! De anderen waren herders, roovers, karavaanleiders, een zwervende stam, schatplichtig aan Judea sinds koning David! Al mijn voorvaders hebben de uwe verslagen. De eerste der Makkabieten heeft u verjaagd van Hebron, Hyrcan dwong u tot de besnijdenis!" Het was de patricische vrouw die den peblejer haar verachting in 't aangezicht wierp, den haat van Jacob tegen Edom. Ze verweet hem zijn gevoelloosheid voor smaad en hoon, zijn lankmoedigheid jegens de Farizeërs die hem verrieden, zijn lafheid jegens het volk dat haar haatte.

"Ge zijt als zij, beken het! en ge betreurt het Arabische meisje dat rondom steenen danst. Neem haar weer tot u! Keer tot haar weer in haar linnen huis; verorber haar brood, dat onder de asch gebakken werd, zwelg de gestremde melk van haar schapen! kus haar blauwe wangen! en vergeet mij!"

De Viervorst luisterde niet meer. Hij tuurde uit naar het platform van een huis, waar zich een jong meisje bevond met een oude vrouw, die een zonnescherm ophield aan een rieten stok zoo lang als de hengelroe van een visscher. Midden op het vloer-tapijt stond een groote reismand met open deksel. Gordels en sluiers, hangers en ketens van goud warden er uit. Bij tusschenpoozen boog het meisje zich over die dingen heen om ze uit te slaan in de open lucht. Ze was als een Romeinsche gekleed, in een tunica die overplooid werd door een peplum, afgezet met akers van smaragd. Blauwe banden omsloten haar kapsel, dat te zwaar leek, want van tijd tot tijd bracht ze er de hand aan. De schaduw van het zonnescherm bewoog zich boven haar, en verhulde haar ten deele. Antipas onderscheidde twee of drie keeren de fijne lijnen van haar hals, den winkel van haar oog, den hoek van een kleinen mond. En geheel haar gestalte, van de heupen tot het hoofd, zag hij buigen en zich oprichten met veerkrachtige bewegingen. Nog eenmaal wilde hij dat gebaar zien, en terwijl hij het afwachtte, ging zijn adem zwaarder, en zijn oogen schitterden.

Herodias bespiedde hem.

Hij vroeg: "Wie is dat?" Ze zeide er niets vanaf te weten, en ging, plotseling gerustgesteld heen. Onder de zuilengangen werd de Viervorst door Galileërs opgewacht, zijn griffier, den opzichter van den veestapel, den rentmeester der zoutpannen, en een Babylonischen Jood die het bevel voerde over zijn ruiters. Hij werd met gejuich begroet, maar wendde zich af, heenschrijdend in de richting, der binnenzalen.

Phanuel dook op uit een hoek in een der gangen.

"Wat! nog hier? Ge komt zeker voor Jaokanann?"

"En voor U! ik moet U iets gewichtigs mededeelen."

En, zonder Antipas meer te verlaten, drong hij achter hem aan een duisterig vertrek binnen.

Het licht viel door tralies, die, onder de kroonlijst, den geheelen lengtekant innamen. De muren waren beschilderd in granaat-tint, op zwart af. In de kamerdiepte stond een ebbenhouten bed, welks ligmat uit riemen van ossenleder was gevlochten.

Er boven hing een gouden beukelaar, die glansde als een zon. Antipas ging dwars de zaal door en strekte zich uit op het bed.

Phanuel bleef opgericht staan. Hij hief den arm en sprak, als in bezieling:

"De Allerhoogste zendt bijwijlen een zijner zonen. Jaokanann is een van hen. Indien gij hem verdrukt, zult ge gestraft worden."

"Ik word door hém vervolgd!" riep Antipas uit. "Hij heeft van mij het onmogelijke gevergd! Sinds dat oogenblik kwelt hij me. En waarlijk, ik was niet hardvochtig in den beginne. Zelfs van Machaerous zendt hij mannen uit, die mijn provincies in beroering brengen. Vloek over zijn bestaan! Ik verweer me, waar hij me aanrandt!"

"Wat geeft het, al moge zijn gramschap te heftig zijn? Ge moet hem vrijlaten."

"Men laat geen dolle beesten los!" zei de Viervorst.

De Esseër antwoordde: "Verontrust u niet! Hij zal naar de Arabieren gaan, naar de Galliërs of de Scythen. Zijn arbeid moet zich uitstrekken tot des aardrijks einden!"

Antipas scheen verloren in een droomgezicht. "Wel groot is zijn macht!… ondanks me-zelf, heb ik hem lief."

"Welnu dan, laat hem!"

De Viervorst schudde het hoofd. Hij was bang voor Herodias, voor Mannaëi, en voor den onbekende.

Phanuel trachtte hem te overtuigen, door hem, ten rugsteun voor zijn plannen, de onderwerping der Esseërs aan de koningen voor te spiegelen.

Men had ontzag voor die mannen, arm aan aardsche goederen, die in ruw linnen gekleed gingen, door lijfstraffen niet te buigen waren en die de toekomst lazen uit de sterren.

Antipas herinnerde zich daar het woord van straks.

"En welk nu is het gewichtig nieuws, dat ge me zoudt mededeelen?"

Op hetzelfde oogenblik trad een neger het vertrek binnen. Zijn lichaam was wit bestoven. Hij hijgde schor en kon niets anders uitbrengen, dan:

"Vitellius!"

"Wat? Komt Vitellius?" "Ik heb hem gezien. Vóór het derde middaguur is hij hier."

Het was alsof een windvlaag door zalen en gangen toog en de voorhangsels in beweging bracht. Een luid gerucht vulde het paleis, geraas van af- en aandravende lieden, van versleepte meubelen, van ineen-rinkelende stapels zilverwerk, en hoog van de torens schalden de bazuinen, om de verspreide slaven te waarschuwen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings