V
Marie Koenen translation
Uit de weien woei de zomergeur aan; vliegen gonsden; de zon overglansde de rivier en blakerde de leien. Vrouw Simon was teruggekomen en viel zachtjes in slaap.
Klokgelui maakte haar wakker; de vespers waren uit. Félicité kwam weer bij. Ze dacht aan de processie en zag die voor haar oogen, alsof ze er in meeging.
Alle schoolkinderen, de zangers en de brandweergasten liepen over de stoepen, terwijl midden in de straat de hondenslager met zijn hellebaard, de onderkoster met den kruisstaf voorttogen, ook de onderwijzer, die een waakzaam oog hield op de schooljongens, en de zuster vol zorg voor haar kleine meisjes; drie van de allerliefste, met krullekopjes als engelen, wierpen rozeblaadjes in de lucht; de diaken temperde, met uitgebreide armen, de muziek, en twee knapen met wierookvaten keerden zich bij iedere schrede naar het Heilig Sacrament, dat onder een hel-rooden troonhemel, dien vier kerkmeesters torsten, gedragen werd door mijnheer Pastoor in zijn prachtige kazuifel. Een stroom van menschen volgde, tusschen het witte doek, dat de muur der huizen bedekte; en men kwam aan 't eind van den oeverwal.
Félicité's slapen waren klam van 't koude zweet. Vrouw Simon bette ze met een stuk linnen, peinzend hoe ook zij eenmaal dit alles zou moeten doorstaan.
Het gegons der menigte nam toe, was een oogenblik zeer luid, en verwijderde zich.
Een losbarsting van geweerschoten deed de ruiten trillen. Het waren de postiljons die het Allerheiligste groetten. Félicité rolde met de oogen, en zei, zoo duidelijk ze vermocht, vol zorg voor den papegaai: "Staat hij goed?"
Haar doodsstrijd begon. Een gereutel, dat steeds sneller werd, deed haar zijden schokken, 't Schuim blies tot bellen op in haar mondhoeken, en heel haar lichaam beefde.
Niet lang, of men hoorde het geschal der koperen bashoorns, de heldere kinderstemmen, de zware stem der mannen. Bij tusschen-poozen was alles stil, en het treden der voetstappen, gedempt door het bloemen-strooisel, geleek op het geschuifel van een kudde, die voorttrekt over het gras.
De schaar van priesters verscheen op de voorplaats. Vrouw Simon klauterde op een stoel om bij het zolderraampje te komen, en zag zoo vlak neer op het altaartje.
Groene guirlanden hingen er over en het was versierd met een strook van Engelsche kant. Middenop stond een schilderijtje met relikwieën, twee oranjeboompjes op de hoeken, en in het rond zilveren luchters en porseleinen vazen, waaruit zonnebloemen oprankten, lelies, pioenen, campanula's, bossen hortensia's. Dit kleurgewemel daalde schuin omlaag van de eerste verdieping tot op het vloerkleed, dat tot ver over de straatsteenen lag uitgespreid; en vreemdsoortige voorwerpen trokken het oog. Een verguld zilveren suikerpot droeg een kroon van viooltjes, hangers van Alençonschen steen schitterden op een laagje mos, twee Chineesche horretjes stalden hun landschappen ten toon. Loulou stond onder rozen verborgen, en van hem was niets te bespeuren dan 't bovenste van zijn blauwen kop, en dit blonk als een plakje lazuursteen.
De kerkmeesters, de zangers, de kinderen schaarden zich aan de drie zijden van de plaats. De priester besteeg langzaam de altaartreden, en zette op de kanten dwale zijn monstrans, die straalde als een groote gouden zon. Allen knielden. Er zonk een diepe stilte. En de wierookvaten gleden in breeden uitzwaai op hun kettingen weg en weder.
Een azuren waas steeg naar de kamer van Félicité. Haar neusgaten zetten zich uit terwijl ze den wierook inademde met een mystiek welbehagen; dan sloot ze de oogen. Haar lippen glimlachten. De bewegingen van haar hart vertraagden een voor een, telkens flauwer, telkens zachter, zooals een fontein uitgeput neerruischt, zooals een echo wegsterft; en terwijl ze den laatsten adem uitblies, waande ze in de open hemelen een reusachtigen papegaai te zien, zwevend boven haar hoofd.