V.
Reading edition
Wij eindigen met een verslag van den noodlottigen tocht met den Zenith, waarop de heeren Sivel en Crocé-Spinelli hun leven verloren.
Den 15den April 1875, ten elf uur, vijf-en-dertig minuten in den voormiddag, steeg de ballon de Zenith aan de gasfabriek van la Villette, omhoog; Crocé-Spinelli, Sivel en ik hadden in het schuitje plaats genomen. Drie kleine ballons, met een mengsel van 70 deelen lucht op 100 deelen zuurstof gevuld, waren aan den hoepel bevestigd. Aan het ondereinde van elk dezer ballons bevond zich een gomelastieken buis, die door een met aromatisch vocht gevulde flesch liep. Deze toestel moest dienen om de reizigers, in de hoogere streken van den dampkring, van het voor het leven noodige verbrandend gas voorzien. Een groote aspirator of luchtbuis, met essence van petroleum gevuld, die ook bij het dalen der temperatuur niet bevriest, hing buiten aan het schuitje; ter hoogte van drieduizend el zou die Bladzijde 259aspirator in vertikale richting worden vastgezet, om in de met potasch gevulde buizen, die koolstof moeten leveren, versche lucht te voeren. Sivel had binnen het bereik zijner hand eenige zakken met ballast vastgemaakt, die zich van zelven ledigden, wanneer men het touwtje doorsneed, dat ze tegenhield. Onder aan het schuitje had men een dikke stroomatras bevestigd, om bij het nederkomen den schok te verminderen. Crocé-Spinelli had zijn fraaien spectroskoop medegenomen, die bij de vorige reis met den ballon de Zenith zulke uitmuntende diensten had bewezen. Aan de touwen van het schuitje had men twee aneroïde-barometers opgehangen, die des morgens onder de luchtpomp waren nagezien, en waarvan de eerste de drukking aanwees van eene hoogte van 0 tot 4000 el, de tweede die van 4000 tot 9000 el. Nevens deze instrumenten hingen: een met rooden alkohol gevulde thermometer, die de daling der temperatuur aanwees tot -30°; en nog een thermometer voor minima en maxima, die door middel van een aan de veiligheidsklep bevestigd touw, naar believen in de gasmassa kon worden op- en nedergehaald. Daar boven hingen, in eene verzegelde doos, acht barometerbuizen, goed in zaagsel ingepakt, en bestemd om bij de terugkomst, de juiste aanwijzing te geven der hoogte, die de reizigers hadden bereikt. Kaarten, kompassen, kijkers, enz. voltooiden het wetenschappelijk materieel der expeditie.
Men vertrekt; men stijgt, omstraald door vroolijk licht, het zinnebeeld van blijdschap, van hoop!...
Drie uren na ons vertrek, zouden Sivel en Crocé-Spinelli levenloos in het schuitje worden wedergevonden! Boven de hoogte van 8000 el gestegen; hebben deze moedige priesters der wetenschap den dood door verstikking gevonden! Hun reisgenoot, als door een wonder aan den dood ontsnapt, wil een oogenblik zijne smart vergeten, en de pijnlijke herinneringen, die in zijn geest oprijzen, verbannen, om te verhalen hetgeen hem bekend is van het lot zijner beide tochtgenooten.
De opstijging geschiedde aanvankelijk met eene snelheid van omstreeks twee el in de sekonde: welke snelheid der hoogte van 3500 el eenigszins verminderde, om ter hoogte van 5000 el weder toetenemen, ten gevolge van het voortdurend uitwerpen van ballast, en ook van de werking der brandende zonnestralen. Reeds aanstonds na ons vertrek, had Sivel de voorzorg genomen, het ankertouw te laten zakken, en alles in gereedheid te brengen voor het nederdalen. Nauwelijks zijn wij op 300 el boven den grond, of hij roept op vroolijken toon: “Ziezoo, mijne vrienden, nu zijn wij op weg! Ik ben recht in mijn schik!” En een weinig later, terwijl hij een blik wierp op den zwellenden ballon boven het schuitje: “Zie, hoe goed de Zenith gevuld is, hoe mooi hij is!”
Ter hoogte van 4300 el begonnen wij zuurstof in te ademen; niet omdat wij er reeds behoefte aan gevoelden, tot dit gasachtig mengsel onze toevlucht te nemen, maar alleen om ons te overtuigen, dat onze toestellen, overeenkomstig de voorschriften van den uitvinder, den heer Paul Bert, ingericht, naar behooren konden werken.
Ik moet hier de opmerking bijvoegen, dat mijn geliefde en diep betreurde vriend Crocé-Spinelli er met kracht op had aangedrongen, dat ik deel zou uitmaken van den tocht naar de hooge streken van den dampkring, dien hij eerst met Sivel alleen zou hebben ondernomen. De heeren Hervé-Mangon, president der Société de navigation aérienne, en Hureau de Villeneuve, secretaris-generaal, hadden daar veel tegen: trouwens om geen andere reden, dan omdat Sivel dan geen genoegzame hoeveelheid ballast zou kunnen medenemen, terwijl mijne tegenwoordigheid de zwaarte van den ballon vermeerderde. Men had echter aan den aandrang van Crocé-Spinelli toegegeven.—“Mijn vriend Tissandier, zeide Crocé tot mij, weinige dagen na de eerste opstijging van den Zenith; wees gerust; gij zult met ons gaan. Ik laat u niet los. Bij een tocht naar zulke groote hoogten, moeten wij met ons drieën zijn, om te beter de resultaten te kunnen constateeren. En wie weet? er kan een ongeluk gebeuren. Zes armen zijn beter dan vier. Bovendien moet ook gij de zuurstof inademen, om met ons te kunnen verklaren dat dit helpt en volstrekt noodig is”.—Ten een uur twintig minuten, op eene hoogte van 7000 el, heb ik dit mengsel van lucht en zuurstof ingeademd, en inderdaad voelde ik de afmatting die mij begon te overweldigen, wijken en mijn gansche wezen als op nieuw bezield.
Op deze hoogte begon Sivel, die eene ongewone mate van physieke kracht bezat en van een sanguinisch gestel was, bij tusschenpoozen de oogen te sluiten, te verbleeken en zelfs in te dommelen. Maar hij wilde aan die zwakheid niet toegeven: met eene uitdrukking van wilskracht richtte hij zich weder op, en begon ballast uit te werpen om nog hoogere streken te bereiken. Het vorige jaar had hij, met Crocé-Spinelli, eene hoogte van 7300 el bereikt; ditmaal wilde hij tot 8000 el stijgen; en wanneer Sivel iets wilde, liet hij zich niet licht in de volvoering van zijn plan stuiten.
Crocé-Spinelli had zijne oogen onafgewend op den spectroskoop gevestigd, terwijl ik nauwkeurig aanteekening hield van de aanwijzingen van den thermometer en den barometer. De thermometer wees eene voortdurende daling der temperatuur aan, tot op 3200 el; tusschen de 3200 en 3700 el steeg zij eenigszins, om dan weder geleidelijk af te nemen van 4000 tot 7000 el en hooger. Op 7000 stond de thermometer -10°.
Voor de eerste maal hebben wij, met groote nauwkeurigheid, de inwendige temperatuur van den ballon waargenomen; en de door ons verkregen resultaten schijnen mij van veel gewicht. Toen wij op eene hoogte van 4600 tot 5000 el zweefden, en de temperatuur der omringende lucht 0° was, wees de thermometrograaf aan dat de temperatuur van het gas in den ballon, in het midden 19°, en bij de veiligheidsklep 22° bedroeg. Op 5300 el was de temperatuur in den ballon in het midden 23°, terwijl de buitenlucht -5° aanwees. Eindelijk bleef de thermometer in den ballon op het oogenblik onzer bezwijming. Wij hebben hem, na de nederdaling, ongeschonden gevonden; hij was gerezen tot 23°. Dit aanmerkelijk verschil tusschen de temperatuur van het gas in den ballon en de lucht waarin hij zweeft, verklaart het snelle stijgen van het Bladzijde 260luchtschip in de hooge sferen, en ook zijn ijlings nederdalen, zoodra hij lagere luchtstreken heeft bereikt.

De luchtballon de Zenith, met de heeren Tissandier, Sivel en Crocé-Spinelli.
Ik ben nu genaderd tot het noodlottig oogenblik, waarop de verderfelijke invloed van de verdunning der lucht, of liever van het gebrek aan zuurstof—een gevolg van de afnemende drukking—zich ook op ons zou doen gevoelen. Wij hadden eene hoogte van 7000 el bereikt, en stonden allen in het schuitje; Sivel, een oogenblik als verstijfd, is weder bijgekomen; Crocé-Spinelli staat onbewegelijk tegenover mij. “Zie, zegt hij, hoe fraai die wolken zijn.” En inderdaad, het schouwspel, dat zich voor onze blikken ontrolde, was prachtig. Vederwolken (cirrhus), verschillend van gedaante, nu eens lang uitgestrekt, dan weder vlokkig of eenigszins op elkander gestapeld, vormden rondom den ballon een wijden kring van schitterend zilver wit. Als men zich over den rand het schuitje boog, bemerkte men, evenals op den bodem van een eindeloos diepen put, waarvan de wolken de wanden vormden, de oppervlakte der aarde. De hemel was helder blauw; de brandende zon blakerde ons bijna het gezicht. Inmiddels begon de koude haar invloed te doen gevoelen, en reeds hadden wij onze reisdekens omgeslagen. Ik was verstijfd; mijne handen waren ijskoud en als bevroren. Ik wilde mijne pelshandschoenen aantrekken; maar, hoewel ik zelf dit niet bespeurde, was ik toch niet in staat, ze uit mijn zak te krijgen.
Desniettemin ging ik, op eene hoogte van 7000 el Bladzijde 262nog altijd, zij het ook bijna werktuigelijk, voort, aanteekeningen in mijn zakboekje te maken; ik neem daaruit de volgende regels over, die ik moet geschreven hebben, zonder dat mij nu te kunnen herinneren; zij zijn blijkbaar, met eene sterk bevende, geheel verkleumde hand en bijna onleesbaar geschreven.

Nederdaling van den ballon de Ville d’Orléans in Noorwegen.
”Mijne handen zijn bevroren. Ik ben wel. Wij zijn goed op gang. Nevel aan den horizon met kleine ronde vederwolken. Wij stijgen. Crocé blaast. Wij ademen zuurstof in. Sivel sluit de oogen. Crocé sluit ook de oogen. Ik ledig den aspirator. Temp. -10°; 1 uur 20 min. H. 320. Sivel is ingedommeld.... 1 uur 23 min. temp. -11° H. 300. Sivel werpt ballast uit. Sivel werpt ballast uit.” (Die laatste woorden zijn bijna niet leesbaar).
Sivel, die eenige oogenblikken, onbewegelijk en als in gepeins verzonken, had gestaan, nu en dan de oogen sluitende, had zich eensklaps herinnerd dat hij de grenzen wilde overschrijden, die de Zenith nu bereikt had. Hij richt zich weder op; zijn sprekend gelaat neemt eene ongewone uitdrukking aan; hij wendt zich tot mij, met de vraag “Welke drukking?—300 millim. (ongeveer 7450 el hoogte).—Wij hebben veel ballast; zal ik nog wat uitwerpen?—Doe zooals gij wilt”, antwoord ik hem. Hij keert zich naar Crocé en herhaalt dezelfde vraag; Crocé knikt van ja, met een zeer sterk gebaar.
In het schuitje waren minstens nog vijf zakken ballast, en er hingen omstreeks evenveel aan den buitenkant. Deze laatsten waren echter niet meer geheel vol. Sivel neemt zijn mes, en snijdt achtervolgens drie touwen door: de drie zakken loopen ledig, en wij gaan snel omhoog. Dit oogenblik is het laatste, dat ik mij nog duidelijk herinner. Crocé-Spinelli was gezeten met den flakon van het zuurstofgas in de hand: hij hield het hoofd een weinig gebogen en scheen benauwd. Ik had nog de kracht, met den vinger tegen den aneroïde-barometer te kloppen, om de beweging van den wijzer te vergemakkelijken; Sivel had de hand ten hemel geheven als om ons den weg te wijzen naar de hoogere streken van de atmosfeer. De plaat op bladz. 260 stelt, zoo getrouw mogelijk, dit indrukwekkend oogenblik voor.
Maar weldra bleef ik onbewegelijk, zonder te beseffen, dat ik waarschijnlijk reeds het gebruik mijner ledematen verloren had. Op de hoogte van 7500 el wordt de toestand van verdooving bijna volkomen. Geest en lichaam verzwakken gaandeweg, ongevoelig, langzamerhand, zonder dat men er besef van heeft. Ge voelt hoegenaamd geen pijn of onaangename gewaarwording; integendeel, een soort van innerlijke vreugde, iets als eene weerkaatsing van het hemelsche licht, dat u ontstraalt. Ge wordt onverschillig; ge denkt niet meer aan den gevaarlijken toestand waarin ge verkeert; ge stijgt, en dat stijgen maakt u gelukkig. De bedwelming der hooge streken is geen ijdel woord. Maar voor zoover ik naar persoonlijke ondervinding oordeelen kan, overvalt u deze bedwelming, deze duizeling, op het laatste oogenblik; onmiddellijk wordt zij gevolgd door eene totale, plotselinge, onwederstaanbare vernietiging van het geheele bewustzijn.
Nadat Sivel de drie zakken had losgesneden, meen ik mij te herinneren, dat hij in het schuitje ging zitten, ongeveer in dezelfde houding als Crocé-Spinelli. Ik stond in een hoek van het schuitje geleund, en kon mij in die positie staande houden. Weldra gevoelde ik mij zoo zwak, dat ik het hoofd niet meer kon omwenden om naar mijne makkers te zien. Even daarna wil ik de buis met zuurstof grijpen, maar het is mij onmogelijk, den arm op te lichten. Mijn hoofd is echter nog volkomen helder. Ik neem voortdurend den barometer waar, en wend mijne oogen niet af van den wijzer, die weldra op 290, straks op 280 staat en nog verder gaat. Ik wil roepen: “Wij zijn op 8000 el!” Maar mijn tong is als verlamd. Eensklaps vallen mijne oogen toe, en stort ik bewusteloos neder. Het zal ongeveer half twee zijn geweest.
Acht minuten over tweeën ontwaak ik voor een oogenblik. De ballon daalde snel. Ik heb nog een zak kunnen doorsnijden, om de snelheid te temperen, en in mijn zakboekje het volgende op te teekenen:
”Wij dalen; temperatuur -8°; ik werp ballast uit: H = 315. Wij dalen. Sivel en Crocé nog in zwijm op den bodem van het schuitje. Dalen sterk.”
Nauwelijks heb ik deze regels geschreven, of ik begin te beven en val wederom neer. Een sterke luchtstroom woei van beneden naar boven: een bewijs, dat wij zeer snel daalden. Eenige oogenblikken later voel ik mij bij den arm schudden, en ik herken Crocé, die bijgekomen is. “Gooi ballast uit, zegt hij: wij dalen.” Maar ik kan nauwelijks mijne oogen openen, en ik heb niet gezien of ook Sivel wakker geworden was.
Ik herinner mij dat Crocé den aspirator heeft losgemaakt en buiten boord geworpen, en dat hij ballast heeft uitgegooid, benevens dekens enz. Dit alles is slechts eene verwarde herinnering, want nog sterker dan zoo even overvalt mij eene volkomen gevoelloosheid; het is mij of ik voor eeuwig ga inslapen. Wat is er toen gebeurd? Het is zeker, dat de dus verlichte ballon, die ondoordringbaar en zeer warm was, nog eenmaal naar de hoogere streken is gestegen.
Omstreeks half vier doe ik mijne oogen open; ik gevoel mij uitgeput, bedwelmd, maar mijn geest wordt helderder. De ballon daalt met schrikwekkende snelheid; het schuitje slingert sterk heen en weer. Ik kruip op mijne knieën voort en trek Sivel bij den arm, alsook Crocé. “Sivel! Crocé! roep ik hun toe, wordt wakker!”
Mijne beide reisgezellen zitten neergehurkt in het schuitje, het hoofd onder hunne reisdekens verborgen. Ik verzamel al mijne krachten en poog hen omhoog te tillen. Het gelaat van Sivel was zwart, zijne oogen waren gebroken, zijn mond half geopend en met bloed gevuld. De oogen van Crocé waren half gesloten en zijn mond vol bloed.
Het is mij onmogelijk, in bijzonderheden te verhalen wat verder is gebeurd. Ik gevoelde een allergeweldigsten luchtstroom, van beneden naar boven. Wij waren nog op eene hoogte van 6000 el. Er waren in het schuitje twee zakken ballast, die ik heb uitgeworpen. Weldra naderden wij de aarde; ik wil mijn mes grijpen, om het ankertouw door te snijden: ik kan het niet vinden. Ik was als krankzinnig, en riep zonder ophouden; Sivel! Sivel! Bladzijde 263
Gelukkig kon ik nog tijdig een mes vinden en het touw doorsnijden, dat het anker vasthield. De schok bij de landing was vreeselijk. De ballon scheen platgedrukt, en ik dacht dat hij zou blijven liggen: maar de sterke wind sleepte hem mede. Het anker vatte niet, en het schuitje voerde over het veld: de lichamen mijner ongelukkige vrienden werden heen en weder geworpen, en ik vreesde elk oogenblik dat zij uit het schuitje zouden vallen, Echter gelukte het mij, het touw van de veiligheidsklep te grijpen; de ballon ontledigde zich weldra en scheurde tegen een boom. Het was vier uur.
Toen ik den vasten grond betrad, werd ik door eene koortsachtige overprikkeling aangegrepen, en zonk ineen. Ik dacht een oogenblik dat ik mijne vrienden in den dood zou volgen. Langzamerhand echter herstelde ik mij. Ik keerde naar mijne ongelukkige makkers terug, die reeds koud en verstijfd waren. Ik liet hunne lijken in eene naburige schuur brengen, en barstte in snikken uit. Wij bevonden ons in de nabijheid van Ciron (Indre), op een afstand in rechte lijn, van tweehonderdvijftig kilometer van Parijs.
Ziedaar een zoo getrouw mogelijk verslag van den tocht met den Zenith. Mij blijft nog over iets te zeggen omtrent de twee belangrijke vragen, die de aandacht, niet alleen der geleerde wereld, maar ook van het publiek, in zoo hooge mate hebben getrokken.
De eerste is: welke is de grootste hoogte, door den Zenith bereikt?
De tweede: aan welke oorzaak is de dood van Sivel en Crocé-Spinelli toe te schrijven?
De eerste vraag is thans beantwoord, door de opening der barometerbuizen, volgens het door den heer Janssen uitgevonden stelsel, en die reeds door Crocé-Spinelli en Sivel waren gebruikt geworden bij hunne opstijging op den 22sten Maart 1874, toen zij eene hoogte van 7300 el bereikten.
Deze buizen zijn dik, langwerpig, en aan het benedeneinde omgebogen; de lengte bedraagt vijf palm; de diameter der buis inwendig een tot twee streep. Wanneer, bij het vertrek van de aarde, de buis geheel met kwik gevuld is, dan begint die kwik, zoodra men de hoogere luchtstreken bereikt, waar de drukking minder dan 50 bedraagt, te dalen en door de benedenste opening weg te vloeien. De hoeveelheid kwik, die bij den terugkeer, in de buis gevonden wordt, wijst alzoo het minimum der drukking aan. Natuurlijk worden de buizen, voor de afreis, zorgvuldig ingepakt, en in verzegelde doozen gesloten, die bij de terugkomst vooraf nauwkeurig worden nagezien.
Na de nederdaling van den Zenith, heeft het onderzoek der buizen plaats gehad in het laboratorium van de Sorbonne, met medewerking van de heeren Berthelot, Jamin en Hervé-Mangon. De buizen, die ik heb medegebracht, zijn met een barometer onder de luchtpomp geplaatst. Men heeft achtervolgens de lucht uitgepompt, tot de kwikzuil gedaald was tot het gebogen uiteinde van de buis, zoo als zij moest staan, toen wij de grootste hoogte bereikt hadden. Een der buizen was gebroken; enkele anderen waren beschadigd of hadden slecht gewerkt; maar twee hadden goed aangewezen, en leverden geheel overeenstemmende uitkomsten. Zij toonen aan dat de minste drukking is geweest van 264 tot 262 millimeter: waaruit volgt, dat de grootste hoogte tusschen de 8540 en 8601 el heeft bedragen.
Daar, op het oogenblik van mijne bezwijming, ter hoogte van 8000 el, de wijzer van den barometer snel over het cijfer 280 (8002 el) heengleed, en dus eene tamelijk snelle rijzing aanduidde, houd ik mij overtuigd, dat wij reeds bij de eerste opstijging die hoogte van 8600 el hebben bereikt. Na de eerste nederdaling, leefde Crocé-Spinelli stellig en Sivel zeer waarschijnlijk nog; zij zijn bezweken, toen de ballon voor de tweede maal de hooge sferen had bereikt, die hij zoo juist verlaten had, maar die hij niet heeft kunnen overschrijden, daar zijn gewicht en zijn volume hem zeker niet vergunden, nog hooger te stijgen.
Wat de oorzaak van den dood mijner twee ongelukkige vrienden betreft:—het schijnt mij aan geen twijfel onderhevig dat die moet worden toegeschreven aan de verdunning der lucht. Het is mogelijk, gedurende een zeer korten tijd, den invloed dier verdunning te verdragen; maar het is uiterst bezwaarlijk, daaraan, bijna twee volle uren achtereen, en wel bij herhaling, weerstand te bieden. Want ons verblijf in de hooge sferen van den dampkring heeft veel langer geduurd, dan bij eenige vorige opstijging. Ik moet daarbij voegen, dat de buitengewone droogte der lucht waarschijnlijk mede een noodlottigen invloed heeft uitgeoefend. Sivel en Crocé-Spinelli zijn, in één woord, gestikt.
Men zal vragen, hoe het komt dat ik er het leven heb afgebracht? Waarschijnlijk ben ik mijne redding verschuldigd aan mijn bijzonder lymphatisch temperament; wellicht ook aan mijn volkomen bezwijming, waardoor de functiën der ademhalingswerktuigen in zekeren zin werden opgeschort. Ik was nog nuchter op het oogenblik van ons vertrek, en ik dacht eerst alleen in dit geval te verkeeren; maar het is mij naderhand gebleken dat, indien Sivel al iets gebruikt had, Crocé-Spinelli, even als ik, bijna niets in de maag had.
Op de hoogte van 8600 el is de verdunning der lucht zeer belangrijk: de kwikzuil in den barometer is dan niet hooger dan ongeveer O.26 m. Bij vroegere opstijgingen is men steeds ver beneden dit punt gebleven. Gay-Lussac, in 1804, verhief zich tot 7004 el; Robertson en Lhoest, in 1803, tot 7400 el; Barral en Bixio, in 1852, tot 7016 el; Welsh, in datzelfde jaar, tot 6990 el. Men ziet dat al deze opstijgingen zijn gebleven beneden de grens der hoogte van 7000 tot 7400 el. Ik meen het er voor te moeten houden, dat daar ook de uiterste grens bereikt is, waarop de lucht nog voor de inademing van den mensen geschikt is.
Het is waar, dat onze leermeester en vriend, de heer Glaisher, in 1862, tot eene hoogte van 8838 el is gestegen; daar heeft hij echter plotseling zijn bewustzijn verloren en liep groot gevaar, er het leven bij in te schieten; hij zelf verhaalt, dat het hem was of hij ging sterven. Zijn vermoeden, dat hij vervolgens tot de hoogte van 11000 el is opgestegen, komt mij hoogst twijfelachtig voor: want hij komt tot die slotsom door eene algebraïsche berekening, afgeleid uit de snelheid Bladzijde 264van den luchtballon bij het stijgen en het nederdalen. De heer Glaisher neemt aan, dat die snelheden gedurende zijne bezwijming, onveranderd zijn gebleven, terwijl zij wel degelijk hebben moeten veranderen, en met name de snelheid der opstijging tot nul kan zijn herleid geworden. Het is toch alleszins mogelijk, dat de ballon, zonder verder te rijzen, een poos op dezelfde hoogte is blijven zweven. Wat hier ook van zij, wij moeten niet vergeten, dat de heer Glaisher reeds vroeger meer dergelijke expeditien had gemaakt; hij had zich langzamerhand daaraan gewend, daarvoor geoefend; het is zeker, dat zijn organisme in zekere mate was gewoon geraakt aan de verdunning der lucht, en dat hij daardoor voor deze gevaarlijke tochten eene geheel eigenaardige geschiktheid had verworven.

De boerderij des Néreaux, bij Ciron, waar de lijken van Sivel en Crocé-Spinelli werden nedergelegd.
Ik heb de stellige overtuiging, dat Civel en Crocé-Spinelli, ondanks hun langdurig verblijf in de hooge sferen, nog leven zouden, indien zij de zuurstof hadden kunnen inademen. Zij zullen, even als ik, op eenmaal het vermogen verloren hebben om zich te bewegen, en de buizen, die hun de levenslucht moesten toevoeren, zullen aan hunne verlamde handen ontsnapt zijn. Zij zijn als martelaars der wetenschap gevallen; hun dood heeft de aandacht gevestigd op de gevaren, die, naar wij vertrouwen, bij voortgaande studie zullen worden weggenomen of althans aanmerkelijk verminderd. Zij hebben een nieuw veld voor waarnemingen geopend; in dat opzicht zal hun streven niet vergeefs geweest zijn, en verdienen hunne namen in eervolle gedachtenis te worden gehouden.