← Table of contents
De Zwervers van het Groote Leger

Veertiende Hoofdstuk.

Reading edition

De doodssnik van het Groote Leger.

Den 22sten November begon voor het Fransche leger de vermoeiende marsch van Orcha naar Borizof. De weg was bedekt met smeltende sneeuw, waaronder een dikke modderlaag. De zwakkeren waren niet in staat er doorheen te komen; velen bleven liggen. Allen, die te Smolensk in de verwachting dat de vorst niet zou ophouden, hun wagens tegen sleden hadden verwisseld en nu niet verder konden, vielen in handen der kozakken.

Het leger van Oudinot, dat niet naar Moscou was geweest, maar toch eveneens terug had moeten trekken, zou thans de voorhoede vormen. Den volgenden morgen, op drie mijlen voor Borizof, stootte deze maarschalk op de Russische voorhoede, die hij krachtig terugwierp, waarbij hem een heele bagage-trein van den vijand in handen viel. Meer dan duizend bespannen wagens met levensmiddelen en uitrustingstukken van allerlei aard werden zijn buit. Reusachtig was de hoeveelheid ham, worst, gerookt vleesch, scheepsbeschuit, die werd gevonden. En dan die duizenden paren schoenen! Verscheidene soldaten hebben zich toen voor vijf en twintig dagen van voedsel voorzien. Dit, en de buitgemaakte schoenen hebben menig armen krijgsman het leven gered.

Ongelukkig genoeg werd echter door het overschot van dit corps, bij het doortrekken van Borizof, de brug over de Berezina vernield. Napoleon zelf bevond zich nog op drie dagmarschen van de stad, toen hem de ramp bericht werd. Hij stampte met zijn stok op den grond van woede. Daarop liet hij zich de positie van Borizof beschrijven. Men verzekerde hem, dat op dit punt de Berezina niet alleen een rivier, doch een meer was van drijvende ijsschotsen; dat de brug een lengte had van driehonderd vademen en deze zoodanig vernield was, dat herstelling ondoenlijk bleek en een overgang daardoor onmogelijk.

De Keizer zag zich thans van alle kanten ingesloten en opdat geen zijner standaards als zegeteeken in handen van den vijand mocht vallen, liet hij de adelaars van alle corpsen verzamelen en verbranden.

Den 24sten vernam Napoleon, dat de overtocht alleen mogelijk zou zijn bij Studianka, waar de stroom slechts 54 voet breed en zes voet diep is, doch dat men op den anderen oever in een moeras terecht kwam, onder het vuur van den vijand, die daar een zeer overheerschende stelling had ingenomen.

De Keizer begaf zich nu onverwijld met zijn leger in de donkere en uitgestrekte bosschen van de provincie Minsk, waar slechts enkele gehuchten en ellendige woningen hier en daar nauwelijks een open ruimte hadden gelaten. Het kanon van Witgenstein deed zich daar hooren. Deze Rus, van het Noorden komend, trok op de rechterflank van het stervende leger aan; tevens begon het weer te vriezen. Het dreigend kanongebulder verhaastte den tocht. Veertigduizend mannen, vrouwen en kinderen volgden het leger door deze bosschen, zoo snel als hun zwakte en het ijs dat zich weer vormde, hun veroorloofde.

Deze geforceerde marschen, die bij het aanbreken van den dag begonnen en bij het vallen van den avond nog niet ophielden, deed den weinigen samenhang, die er nog bestond, geheel verdwijnen. In de duisternis dier onmetelijke bosschen en der lange nachten, raakte men elkander kwijt. Des avonds werd er halt gehouden; tegen het aanbreken van den dag begaf men zich weer op marsch, in de duisternis, op den gis en zonder het signaal af te wachten; wat er nog van de corpsen overgebleven was, bleek niet meer bijeen te krijgen; in de grootste verwarring liep alles door elkaar.

In dit laatste stadium van verzwakking en wanorde in de nabijheid van Borizof gekomen, hoorde men in de verte luide kreten. Het was het leger van Victor, dat door Witgenstein langzamerhand naar de rechterzijde van de Fransche hoofdarmee toegedrongen was. Het wachtte het voorbijtrekken van Napoleon af. Dit leger bestond nog in zijn geheel en verkeerde in een goeden toestand. Het zag zijn Keizer terug en begroette hem met den gebruikelijken uitroep, die bij Napoleons krijgers zelf reeds lang vergeten was.

Men was daar van hun tegenspoeden onkundig gebleven; zij waren zorgvuldig verborgen gehouden; zelfs voor de officieren.

Toen zij dan ook in plaats van het zegevierende leger van Moscou, achter Napoleon dien sleep van uitgeputte gedaanten ontwaarden, gekleed in lompen, vrouwenpelzen, stukken tapijt of smerige mantels, verschroeid door het bivakvuur en vol gaten, terwijl de meesten hun voeten hadden omwikkeld met vodden van allerlei aard, werden zij er ten hoogste door ontsteld. Met schrik zagen zij die ongelukkige, uitgemergelde soldaten voorbijtrekken, met vuile gezichten, afschuwelijke baarden, zonder wapens, zonder schaamte, zich met moeite voortslepende, met hangende hoofden, de oogen op den grond gevestigd, zwijgend als een troep gevangenen.

Wat het meest verwondering wekte, was het zien van de talrijke verspreide, alleenloopende kolonels en generaals, die zich enkel met zichzelf bemoeiden en wier eenig doel nog was, hun persoon te redden; zij marcheerden te midden van soldaten, die hen niet eens bemerkten, die zij niets meer te bevelen hadden; alle banden waren verbroken, alle rangen uitgewischt door de ellende.

De soldaten van Victor konden hun oogen niet gelooven. Hun officieren, door medelijden bewogen, hielden met tranen in de oogen hun kameraden, die zij herkenden, staande. Zij ondersteunden dezen met levensmiddelen en kleeren; vroegen hun waar hun corps was gebleven. En wanneer het hun dan gewezen werd, zagen zij in plaats van zooveel duizend man, slechts een zwak peloton officieren en onderofficieren om een chef; zij moesten er nog naar zoeken.

En evenwel twijfelden zelfs de ongewapenden, de stervenden niet aan de overwinning, hoewel zij er niet onkundig van waren, dat zij een rivier over moesten en zich door een nieuwen vijand hadden heen te slaan.

Het was niet meer dan de schaduw van een leger, doch het was de schaduw van het Groote Leger. Men voelde zich slechts overwonnen door de natuur. Het gezicht van hun Keizer gaf hun nog vertrouwen. Sedert lang was men al niet meer gewend op hem te rekenen om te kunnen leven, doch wel om te overwinnen. Het was de eerste noodlottige veldtocht, en er waren zoovele gelukkige gevoerd. Als men nog maar de kracht had om hem te volgen, kon hij alleen hen nog redden.

In de achterhoede marcheerde thans de generaal Victor met vijftien duizend man; de voorhoede van vijfduizend man, onder Oudinot, was reeds tot aan de Berezina genaderd; de Keizer bevond zich tusschen beiden in met zevenduizend man, veertigduizend achterblijvers en een langen sleep van voertuigen en artillerie. Zoo bereikte het leger de Berezina.

Onder bevel van den generaal der genie Eblé rukt nu het overschot der pontonniers, ongeveer vierhonderd man, benevens enkele sappeurs, naar de aangewezen plaats voor den overtocht, om hier het werk, door Oudinot's mannen reeds begonnen, te voltooien. Van het pontonmateriaal, dat men bij Orcha op Napoleon's bevel moest vernielen, had Eblé zes voorraadwagens met gereedschap, spijkers, klampen, in één woord al de benoodigdheden voor den bouw van twee schraagbruggen, benevens twee veldsmidsen, alle voertuigen goed bespannen, alsmede twee karren met steenkolen weten te redden. De huizen van Studianka zouden het noodige hout leveren.

In den namiddag van den 25sten kwam dit detachement ter plaatse aan. Een compagnie was bij Oukoholda achtergelaten, die al het mogelijke moest doen om den vijand van Studianka weg te lokken en in den waan te brengen, dat men bij eerstgenoemde plaats den overgang beproeven wilde. Deze schijnbeweging, meesterlijk uitgevoerd, had het gewenschte resultaat; de vijand liet zich er door verschalken.

Napoleon, in zijn ongeduld, had verlangd dat de bruggen nog dien avond gereed zouden zijn. Met geen mogelijkheid echter kon hieraan worden voldaan, want ondenkbaar waren de moeilijkheden, waarmee de pontonniers bij hun arbeid hadden te kampen. Vermits er hoegenaamd geen vaartuig voor handen was, moesten zij vier aan vier telkens met een schraag te water gaan en deze in de modderige en ongelijke rivierbedding zóódanig bevestigen, dat de kopstukken van al de schragen zich in hetzelfde vlak bevonden om het daarover te brengen dek de vereischte horizontale richting te geven. Het kostte een ongehoorde inspanning. Want tot overmaat van ongeluk was, door het wassen van de rivier, de doorwaadbare plaats zoo goed als geheel verdwenen. De beklagenswaardige kerels moesten soms tot aan den hals in het water de ijsschotsen van zich afhouden, die met den stroom kwamen afdrijven. Verscheidenen hunner stierven reeds onder den arbeid van koude of werden door het ijs, dat door den hevigen wind werd voortgestuwd, reddeloos meegesleept.

Eblé is later te Koningsbergen van uitputting gestorven. Van zijn dapperen, meerendeels Hollanders, hebben geen twaalf het vaderland teruggezien. Opgeofferd hebben zij zich, die mannen! Zij hadden dan ook met alles te kampen, behalve met den vijand. Het weer was juist streng genoeg om den overtocht zoo bezwaarlijk mogelijk te doen zijn, zonder dat het ijs er door ging vastzitten of dat het moerassige terrein waarin men terecht kwam, er meer vastheid door verkreeg.

Twee bruggen zouden worden geslagen, ongeveer tweehonderd meter van elkander, de rechter voor de ruiters en de voetgangers, de andere voor de voertuigen en het geschut. Hoewel zij geen ander voedsel kregen dan een stuk gekookt paardevleesch zonder zout, hoewel het water zich op hun armen, beenen en borst als ijskorsten vastzette en hun hevige pijn veroorzaakte, bleven de pontonniers onafgebroken aan het werk. Drieentwintig schragen werden voor elke brug te water gebracht, waarover vervolgens een dekvloer werd gelegd van balken en planken, die echter de vereischte afmetingen niet hadden en dus nieuwe moeilijkheden gaven. Met boomschors, hennep en hooi werd eindelijk de dekvloer belegd, om sterkte en samenhang te geven aan het geheel.

Den volgenden dag, om één uur, was de eerste brug voltooid; de overtocht kon beginnen. Een divisie kurassiers opende den trein, dan kwamen drie Zwitschersche regimenten. De enkele kozakkenposten, die zij aantroffen, werden over de kling gejaagd of verstrooid. Op ernstigen weerstand werd aanvankelijk nergens gestooten.

Onafgebroken werd de overtocht nu voortgezet. Op den rechteroever kwam Oudinot al spoedig in gevecht met een Russische divisie, welke zich in allerijl tegenover hem begon te ontwikkelen doch teruggedreven werd. Zembin met de lange bruggen door het moeras aldaar werd vervolgens bezet. De veilige terugtocht van het Fransche leger was hiermee voorloopig verzekerd.

Om vier uur was ook de andere brug gereed. De zwakke constructie, het gebrekkige materiaal, de slappe bodem en de geweldige vrachten die zij te torschen kreeg waren echter oorzaak, dat zij in de volgende dagen bij herhaling onbruikbaar werd; dat stukken er van met schragen, voertuigen en al, door het water werden verzwolgen en dat de pontonniers telkens uit hun welverdienden slaap moesten opgewekt worden, om weer in het ijskoude water af te dalen en de schade te herstellen. De eerste brug behield haar samenhang onder den last der overtrekkende troepen; maar herhaaldelijk moest de dekvloer hersteld worden, wijl de paarden er doorheen trapten.

Intusschen had Maarschalk Victor in last, om met zijn corps den overtocht tegen de aanvallen der Russen te beschermen. Zijn generaal Partouneaux was met een divisie in Borizof door hem achtergelaten om er den aandringenden vijand te keeren, de talrijke achterblijvers die zich in de stad bleven ophouden, voor zich uit te drijven en zich tegen den avond weer met het corps van Victor te vereenigen. Tot deze divisie behoorden ook twee Hollandsche regimenten en Ros, alsmede Jakob Stargardt en Reinier Vermaat, de beide ritmeesters zonder ruiterij, waren met nog andere Hollanders, daarbij ingedeeld. Willem en moeder Jane, in de verwachting daar veiliger te zijn dan onder de tallooze ongewapende achterblijvers, hadden zich bij deze Hollandsche krijgsmacht aangesloten. Zij vermoedden niet, evenmin als de soldaten zelf het deden, dat deze troepen bestemd waren om opgeofferd te worden.

In den namiddag bemerkte Partouneaux, dat de voorhoede van Witgenstein reeds tot op den weg tusschen Borizof en Studianka was doorgedrongen, en dat hij dus was afgesneden. Ofschoon hij slechts over drie kanonnen en 3500 man beschikken kon, besloot hij onmiddellijk, zich er doorheen te slaan; hij nam zijn maatregelen en begaf zich op marsch.

Aanvankelijk had hij te kampen met een glibberigen weg, die geheel ingenomen was door voertuigen en vluchtelingen, met een hevigen, ijskouden wind waar men recht tegen in moest, bovendien met de duisternis. Weldra kwamen nog duizenden schoten van den vijand, die de hoogten aan zijn rechterhand bezet had, zijn tegenspoed vermeerderen. Zoolang hij van terzijde werd beschoten, bleef hij zijn marsch vervolgen, doch het duurde niet lang of hij ontving ook vuur in front van een talrijken vijand, die zich daar opgesteld had en wiens kogels niet alleen het hoofd maar ook den staart zijner colonne troffen.

De ongelukkige divisie bevond zich in de laagte; een lange trein van vijf- tot zeshonderd voertuigen belemmerden zijn bewegingen; zevenduizend achterblijvers, huilende van ontzetting en wanhoop, drongen zich tusschen zijn zwakke gelederen. Zij verbraken ze, veroorzaakten wanorde in de pelotons en sleepten in hun verwarring nieuwe soldaten mee, die den moed begonnen te verliezen. Om zich te verzamelen en een betere opstelling te zoeken, moest men weer omkeeren, doch hierdoor stootte men op de kozakken van Platof.

Reeds was de helft der soldaten bezweken, terwijl de vijftienhonderd overblijvenden zich ingesloten zagen door drie legers en een rivier. Toch wil Partouneaux nog een laatste poging wagen en zich een bloedigen weg naar de bruggen banen.

Dáár ontvangt hij uit zijn voorhoede de tijding, dat de bruggen bij Studianka in brand staan. Partouneaux gelooft dit onjuiste bericht, hij acht zich verlaten, overgeleverd en laat nu zeggen dat men, onder begunstiging van de duisternis, bij kleine groepjes langs 's vijands flank moet trachten te ontkomen.

Jakob Stargardt en de zijnen behoorden dien ten gevolge tot een groep van een man of vijftien, die een steile, boschrijke hoogte hadden beklommen, hopende in het donker door het leger van Witgenstein heen te kunnen sluipen en zich met Victor te vereenigen.

Doch waar zij zich ook wenden, van alle kanten bespeuren zij den vijand. Lange colonnen van voertuigen en benden ordelooze soldaten vluchtten langs verschillende richtingen naar Studianka. De kleine schare, door een dezer meegesleept, vergiste zich in den weg en daar zij zoodoende den weg dien het leger gevolgd had rechts lieten liggen, kwamen zij geheel bij toeval aan den oever der Berezina. Zij hóórden het aan het op elkander schuren der ijsschotsen. Zij volgden nu de rivier langs al haar bochten en begunstigd door het gevecht van hun minder gelukkige kameraden, door de duisternis en zelfs door de moeilijkheden in het terrein, wisten zij in stilte den vijand te ontkomen. Veilig bereikten zij de plaats van overgang, maar op dat oogenblik heerschte daar de afschuwelijkste verwarring.

Het Groote Leger had twee dagen en twee nachten beschikbaar gehad voor den overtocht. In den eersten nacht was de brug voor de voertuigen tweemaal stuk geraakt; bij gebrek aan bouwstoffen had dit den overtocht zeven uur vertraagd. Omstreeks vier uur in den namiddag van den 27sten brak zij voor de derde maal. Opnieuw werd zij hersteld. Maar in plaats van den overtocht nu voort te zetten, bleven de bruggen geheel verlaten. De achterblijvers hadden zich naar het dorp Studianka teruggetrokken; al de houten huizen waaruit het bestond gesloopt en alzoo het geheele dorp in een onmetelijk bivak veranderd. Honger en koude hadden er die ongelukkigen heen getrokken. Het was onmogelijk hen er vandaan te krijgen en zoo ging opnieuw weer een gansche nacht voor den overtocht verloren.

Toen, in den morgen van den 28sten, deden plotseling de vereenigde Russische legers op de armzalige krijgsmacht der Franschen een hevigen aanval. De achterblijvers, bevangen door een wilden schrik, vluchtten thans in dolzinnige haast naar de bruggen. Van alle zijden drongen zij op elkaar in en weldra vormde die ontzettende menigte daar aan den rivieroever, met de talrijke paarden en voertuigen, een geweldige versperring. Tegen den middag sloegen de eerste vijandelijke kogels in dien chaos neer; zij waren het signaal tot een algemeene wanhoop.

Het was in dit oogenblik, dat de kleine troep van Jakob Stargardt en de zijnen het terrein van den overgang was genaderd. Dicht aaneengedrongen bleven zij aanvankelijk stilstaan op den oever, met angstige bezorgdheid het gunstige oogenblik bespiedend, om zich te midden van den golvenden stroom van menschen, paarden en voertuigen te wagen, die aanhoudend naar de bruggen vloeide.

Zij zagen hoe sommigen, woedend en niets ontziende, zich met de sabel in de hand een afschuwelijken doortocht openden. Anderen zagen zij een nog wreeder weg zich banen; met hun voertuigen reden zij onbarmhartig door die menigte van rampzaligen heen, die zij verpletterden. Door walgelijke hebzucht gedreven, offerden zij hun metgezellen in het ongeluk op, ter wille van hun bagage. Anderen, door een weerzinwekkende vrees bevangen, schreiden, jammerden en bezweken; de schrik had hun laatste krachten uitgeput.

Huiverend van koude bracht ons troepje verscheidene uren door met op en neer van de eene brug naar de andere te gaan en twintig en meermalen, dicht aaneengedrongen, opnieuw den overtocht te beproeven. Maar iederen keer weken zij terug, wanneer een nieuwe onweerstaanbare menschenmassa vooruit stroomde en het ontzettend gedrang nog vermeerderde.

Velen van die zich vooraan bevonden in die massa vertwijfelden en van de brug afgedrongen werden, beproefden haar langs de kanten te beklimmen, doch de meesten kwamen in het water terecht. Zij zagen vrouwen met hun kinderen in de armen te midden van ijsschotsen, hen omhoog heffende naarmate zij zonken; reeds ondergedompeld, trachtten zij ze nog met hun verstijfde armen boven water te houden.

Te midden van die ontzettende verwarring zakte de brug voor de artillerie in elkaar. Zij, die er zich op bevonden, wilden terugkeeren, de ontzaggelijke menschenstroom die achter hen was en het ongeluk niet bemerkte, luisterde niet naar de angstkreten der voorsten, drong hen vooruit en in de opening, waar zij op hun beurt in geduwd werden. Toen snelde alles naar de andere brug. Een groot aantal kruitwagens, zware voertuigen en vuurmonden kwamen van alle zijden aanrijden. Door hun geleiders voortgedreven, reden zij van een steile, oneffen helling in sterken gang plotseling door die menschenmassa heen, vermorzelden de ongelukkigen die zich in hun weg bevonden, terwijl anderen door den schrik van de been geraakten en in hun val sloegen en grepen naar degenen die in hun nabijheid waren. Geheele rijen radelooze menschen vielen zoodoende op elkaar, raakten in elkaar verward en werden vertrapt door anderen, die evenzoo werden opgedrongen; men vernam slechts kreten van smart en woede. In het ontzettend gedrang stelden zij, die onder den voet waren geraakt en bijna stikten, zich wanhopig te weer met nagels en tanden. Zonder medelijden sloegen en stompten de aangevallenen van zich af, alsof zij met vijanden te doen hadden. Het afgrijzelijk rumoer dat uit die wriemelende menigte opsteeg, vermeerderd met het loeien van den storm, het gedonder van het geschut, het springen van granaten, het uitbraken van verwenschingen en vloeken, maakte die ordelooze bende doof voor de klachten der slachtoffers die zij vertrapte.

Eindelijk toch scheen voor Jakob Stargardt en de zijnen het gunstig oogenblik daar, om te trachten, den overkant te bereiken. De kloeksten van den hoop vormden de spits: als een wig moesten zij door de woelende menigte klieven. Zij bereiken de brug. Met den stormpas rukken zij nu vooruit. In een oogenblik zijn zij een tiental schreden voortgedrongen. Onweerstaanbaar wringt zich de kleine schaar in den dichten, verwarden hoop, maar weldra stuit zij in die wriemelende menschenmassa; zij golft met haar heen en weer, machteloos worstelend tegen den drang, die haar gelederen dreigt te breken, in den stroom te werpen, of onder den voet te treden.

Over hoopen gewonden, halfgestikte vrouwen en kinderen, duwden de volgenden hen vooruit. Vergeefs dat moeder Jane met gillende angstkreten haar beide zoons toeriep, waarvan zij zich plotseling zag losgerukt en die zij onmogelijk weer bereiken kon. Zij strekte de armen naar Jakob en Willem uit, smeekte om haar dóór te laten en zich weer bij haar kinderen te mogen voegen; doch links en rechts door de menigte opgedrongen, aan alle kanten geduwd en gestompt, viel zij neer als zoovele anderen.

Maar de oude Ros, die ook van het troepje was afgescheurd, wist haar te grijpen en met haar voort te dringen. Jakob strekte zijn handen nu naar zijn moeder uit en werkelijk gelukte het hem, haar weer met hun troepje te vereenigen. Maar in 't zelfde oogenblik werd Ros door een kanonskogel allervreeselijkst verminkt. Jakob poogde hem op te vangen; de oude krijgsman kon echter geen woord meer uitbrengen; enkel bewoog hij met moeite de lippen en zijn machtelooze hand sloot zich om die van zijn meester en vriend met een zachten druk. Een smartelijk lachje zweefde over zijn bleek gezicht, toen zonk hij zielloos neer.

Op dit oogenblik bevond de kleine troep zich midden op de brug. Dáár klinkt eensklaps, boven het rumoer van zoo vele duizenden jammerstemmen, boven den aanhoudenden donder van het geschut en het geknetter der geweren van Victor's korps, strijdende met Witgensteins macht,—een doordringende kreet: „De cavalerie!”

Ongeveer dertig ruiters van alle wapens, en daaronder vele officieren, stuiven de brug op, met opgeheven sabel; zij drijven hun vermagerde paarden met spoorslagen in de op elkaar gedrongen menigte; houwen links en rechts om ruimte te maken; werpen alles voor zich neer en zijn in een oogwenk midden op de brug. Maar daar worden zij in hun woeste vaart gestuit. Als een niet te ontwarren kluwen staan de veertien vereenigden rug aan rug tegen elkaar gedrongen, vast besloten tot een wanhopige verdediging. De moedige houding van het hoopje bleek ontzag in te boezemen; maar in zijn gevaarlijken toestand, daar zoo midden op de brug, kon de weifeling bij den ruitertroep niet lang duren.

„Vooruit!” klonk een gebiedende stem: „Er op in!”

Nu volgde een gevecht, waarbij de gevechten met den vijand in verwoedheid niet waren te vergelijken.

Jakob streed als nog nooit te voren; hij had zich voor zijn moeder geplaatst, om haar met zijn lijf te beschutten. Een oogenblik verloor de marketentster het evenwicht, struikelend door een verschoven plank of een opening in den dekvloer. Zij dreigde te midden der woelende ijsschotsen in het donkere water te storten, dat al zoo menig slachtoffer verslonden had. Maar Willem sloeg zijn arm om haar heen en redde haar nog tijdig uit dit gevaar.

De worsteling duurde slechts een oogenblik; de ruiters, op hun beurt gedrongen door de massa die achter hen opzette, hieuwen als razenden er op in, en—braken een bres in den kleinen phalanx. Sommigen van het veertiental werden overhoop gereden; anderen stortten in de rivier; Jakob bleef als een schaduw zijn moeder nabij; opgestuwd raakten beiden steeds verder voort door het gedrang. Nog waren zij slechts een tiental schreden van den overliggenden oever verwijderd—daar voelde Jakob een schok in zijn rug, die hem bijna voorover wierp en hem zijn moeder deed loslaten. Door een schier bovenmenschelijke inspanning gelukte het hem, zich overeind te worstelen. Maar op hetzelfde oogenblik drong een kurassier zijn reusachtig ros op hem in en scheen hem onder den voet te willen rijden.

Jakob greep de teugels van het paard en deed het eenige schreden achteruit wijken. Maar de ruiter gaf het dier de sporen en deed met zijn lange sabel een woedenden houw naar zijn tegenstander. Deze echter ontweek den slag en rukte zoo geweldig aan den teugel, dat het paard een oogenblik op zijn achterbeenen werd neergedrukt.

Terwijl de zóón op die manier worstelde met den ruiter, geraakte de móeder opnieuw in het gedrang. Zij hield echter met de kracht der wanhoop een punt van zijn kleeren in de hand, en zoolang Jakob die hand voelde, bleef hij omzichtig verkennen hoe hij zijn moeder zoo goed mogelijk door alle gevaren zou heenvoeren.

Maar opeens, terwijl hij den teugel van het ros nog vasthield, klonk, vlak bij hem, een doordringende vrouwengil, die hem door merg en been ging. Hij wendde het hoofd en zag iemand van de brug in het water storten—het was Willem! Een gevoel als zonk eensklaps het waggelend bruggedek met hem in diepte, overviel Jakob op dat vreeselijk gezicht; het bloed vloog hem naar het hoofd, bruiste en kookte in zijn hersenen en benevelde zijn blik... Hij liet den teugel glippen.

De kurassier dreef zijn paard aan; het dier sprong onder de felle spoorslagen stijgerend op, gereed om over Jakob Stargardt en zijn moeder en al wie zich maar in den weg bevinden mocht, naar den oever te rennen.

„Ellendige hond!—dat zal je ontgelden!” riep Reinier nu woedend. Met de kracht der razernij omklemden zijn armen het been van den ruiter en hij wierp den man letterlijk uit het zadel. Het paard werd door zijn berijder, die de teugels krampachtig in zijn vuist besloten hield, mee getrokken, en ruiter en ros stortten over elkander in den stroom.

Juist in dit oogenblik sloegen er opnieuw eenige kanonskogels in de verwarde, weerlooze menschenmenigte neer. Een wilde opstuwing was er het gevolg van; en geperst en mee gesleurd kwamen Reinier, de marketentster en Jakob daardoor, over lijken en stervenden, aan den anderen oever. Daar vonden zij Willem die, door den korten afstand, er in geslaagd was den kant te bereiken. Hij klappertandde van koû en zijn natte kleeren begonnen reeds te bevriezen, waarom het viertal besloot, zoo spoedig mogelijk naar Zembin te gaan, waar het overschot van het Groote Leger heen trok of zich reeds gedeeltelijk bevond.

Eerst laat in den avond kwam een einde aan het gevecht, dat herhaalde malen in een gruwelijk handgemeen ontaard was. De Russen gingen terug; zij waren op alle punten geslagen, ja, half vernietigd. Om negen uur begon Victor den afmarsch over de bruggen, nadat zijn soldaten zich met geweld een weg hadden moeten breken door de gillende, jammerende menschenmassa die zich, met voertuigen en losse paarden bont dooreen, aan de toegangen verdrong en die den kostbaren tijd om de rivier over te komen den vorigen dag had laten verloren gaan.

Om één uur in den nacht had de laatste afdeeling van Victors mannen den overkant bereikt. Slechts eenige duizenden achterblijvers bevonden zich toen nog ongewapend op den linkeroever; en den volgenden morgen om half negen liet Eblé, die uit medelijden met al die rampzaligen met de uitvoering van 's Keizers bevel zoo lang maar eenigszins mogelijk was gewacht had, de bruggen in brand steken. Een uur later bestonden zij niet meer.—Toen kwamen de kozakken met hun ijzingwekkend hoera!...

Op dezelfde wijze liet de Keizer handelen met de bruggen bij Zembin door de moerassen aldaar; doch de vorst viel weer in en maakte al zijn pogingen om zich de Russen hierdoor van het lijf te houden doelloos. Deze naderden thans over het ijs.

Na den tocht over de Berezina kwam het Fransche leger zoo goed als volslagen tot oplossing. Binnen drie dagen slonk het effectief der strijdbare manschappen weg tot beneden de negenduizend. Ney voerde weer de achterhoede aan.

Niet ver van Molodecno, den 3den December, zagen de vier Amsterdammers Keizer Napoleon voor het laatst van hun leven. Hij droeg een pels van marterbont en had een bonten muts op het hoofd. Zijn koets volgde op korten afstand. Zij herkenden hem door eenige officieren, die in zijn omgeving waren. Geen enkel „leve de Keizer” waaraan de groote veldheer zoo gewend was, werd gehoord.

In Molodecno wisten zij eenige levensmiddelen te bekomen. Het was toen een heldere winterdag en de koude was dragelijk. Tot hiertoe was de weg, hoewel moeilijk, niet door een zoo talrijk aantal lijken afgeteekend als vóór de Berezina. Deze vermindering was te danken aan Ney, die den vijand op een afstand wist te houden, aan de meer dragelijke natuur, aan eenige hulpbronnen die een minder verwoeste landstreek opleverde en ten slotte aan de omstandigheid, dat het de krachtigsten waren, die de overzijde van de Berezina hadden weten te bereiken.

De groote massa vluchtelingen had zich reeds lang verdeeld in kleine troepen van hoogstens acht tot tien man. Verscheidene dezer beschikten nog over een paard, dat bepakt was met hun levensmiddelen of, bij gebrek hiervan, zelf daartoe moest dienen. Lompen, eenig keukengereedschap, een zak en een stok, dit was de uitrusting, de bewapening van de meesten dier ongelukkigen. In niets geleken zij meer op soldaten, zij bezaten geen uniform, geen wapens meer; noch den wil, andere vijanden te bestrijden dan honger en koude; het eenige wat hun nog restte was de standvastigheid, de gewoonte om gevaren en lijden te verdragen, zoo ook een steeds vaardigen geest om in hun toestand van alles zoo veel mogelijk partij te trekken.

Te Smorgoni schreef de Keizer eigenhandig zijn laatste bulletin, het 29ste, en verliet daarna in den vroegen morgen zijn stervend leger.

Bezorgd, om bij een gevreesden afval der Pruisen tegengehouden te worden, snelde hij, in een eenvoudige slede en vergezeld van slechts weinigen, door Polen, Silezië en Saksen, naar den Rijn en verder naar Parijs, waar hij in den nacht van den 18den December onverwachts aankwam, twee dagen na de verschijning van zijn 29ste bulletin.

Eén reusachtig, hartverscheurend drama vormde de terugtocht van het Groote Leger over Wilna naar den Niemen, nadat Napoleon was heengegaan. Aan honderden, die door zijn tegenwoordigheid tot nog toe zedelijk waren geschraagd, ontzonk thans eensklaps de moed. Velen vervloekten hem. Anderen keurden zijn handelwijze volkomen goed. Het leger redden stond niet meer in zijn macht; dit leger was gedoemd om onder te gaan en bij een veldheer en een vorst als hij behoorde, meenden zij, het belang van den staat te gaan boven het gevoel.

Van krijgstucht was echter thans geen schijn of schaduw meer. Reeds in den nacht van Napoleons vertrek had een generaal geweigerd, om aan Murat te gehoorzamen, en weldra nam niemand meer bevelen aan—ieder meende verplicht te zijn, voor zichzelf te zorgen. Geen menschelijkheid, geen verbroedering meer; de honger had alle gevoel verstompt. Zooals onder de wilden de sterksten de zwakkeren berooven, zoo wierp men zich op zijn stervende metgezellen, meermalen niet wachtend zelfs op hun laatsten snik. Als een paard neerstortte, zou men gemeend hebben een troep hyena's te zien; tal van ongelukkigen verdrongen er zich omheen, rukten het in stukken en betwistten ze elkaar als verscheurende dieren.

En toch waren er nog enkelen, die ondanks al hun ellende, de zwaksten beschermden en ondersteunden, doch dezen waren zeldzaam.

Den 6den December, den dag nadat Napoleon vertrokken was, werd plotseling de koude weer feller dan ooit. Het vroor zóó hard, dat vogels verstijfd en dood op den grond vielen. Vooral Willem had er veel onder te lijden. Na het ijskoude bad in de Berezina was hij nooit recht gezond meer geweest en zijn weerstandsvermogen bleek dan ook lang zoo groot niet als van de drie anderen. Weldra kon hij geen schoenen meer dragen omdat van zijn beide voeten de teenen waren bevroren: hij moest ze toen vervangen door hazenvellen en oude lompen. Tot overmaat van ongeluk kreeg hij den volgenden dag een geweerkogel in het rechterbeen; de wond was echter niet van zoo ernstigen aard, of hij bleef dien dag met de anderen voortsukkelen; doch onder steeds heviger pijn. Want de vellen en lompen om zijn voeten, doorweekt met het bloed uit zijn wond, waren spoedig bevroren. 's Avonds, bij het bivakvuur, was dan ook zijn eerste werk, zijn voetlappen los te maken, want de pijn was in 't laatst ondragelijk geworden.

... en ruiter en ros stortten over elkander in den stroom. (vergroting 1131×1729, 373kb)

... en ruiter en ros stortten over elkander in den stroom.
... en ruiter en ros stortten over elkander in den stroom.

Hij bevond zijn teenen in een ellendigen staat; de wond in zijn been bleek echter van weinig beteekenis. Jakob nam nu het hemd, dat hij nog schoon in zijn ransel had, scheurde het aan strooken en verbond daar Willems voeten mee. Dit scheen hem heel wat op te frisschen zoodat hij er eenige rust door genoot. Den volgenden morgen echter kon hij niet voortgaan, zonder beurtelings ondersteund te worden door de anderen; en nog geen dag later was de ongelukkige reeds van vermoeidheid, koude en ontbering bezweken.

Treurig en met de wanhoop in 't hart vervolgden de drie overgeblevenen hun weg... In den dampkring was niet de minste beweging; het scheen of alles in de natuur, zelfs de wind, door de felle koude was aangetast en als verstijfd door een algemeenen dood. Hun volharding en uithoudingsvermogen werden op een zware proef gesteld; nu eens zakten zij in de sneeuw weg, dan weer bood de spiegelgladde oppervlakte geen enkelen steun; bij iederen stap gleden zij dan uit en moesten onder gedurig vallen voorwaarts zien te komen; het was alsof die vijandige bodem weigerde hen te dragen, en hun weg met opzet bemoeilijkte om de ongelukkigen over te leveren aan de nog maar altoos hen vervolgende Russen of aan de barheid van het klimaat.

Hun oogen waren rood en ontstoken door gebrek aan slaap, door die aanhoudende witheid van sneeuw om hen heen en den rook der bivakvuren.

Zwijgend en somber gingen de drie zwervelingen naast elkander voort; ook om hen heen hoorden zij thans geen stemmen, geen gemor meer; in dit rijk der dooden bewoog men zich als rampzalige schimmen voorwaarts: het gedempt en eentonig geluid hunner schreden, het gekraak van de sneeuw en de zwakke zuchten der stervenden, waren het eenige wat die algemeene stilte verbrak. Nu geen toorn, geen verwenschingen meer; nauwelijks bezat men nog de kracht, om hulp te smeeken; de meesten van hen die niet meer verder konden vielen neer zonder kreet of klacht, hetzij uit zwakte of uit berusting.

Moeder Jane voelde met den dag haar krachten slinken en met angst nam zij waar, hoe ook haar zoon en hun vriend al zwakker, al magerder werden.

En toch, geen hunner durfde rusten, zoolang hij nog maar éénigszins voort kon gaan. Want, honderdmaal reeds hadden zij het gezien, wie rusten gingen gaven zich over aan den dood. Nauwelijks toch waren zij gaan zitten, of terstond greep de winter hen aan. Dan was het te vergeefs dat die ongelukkigen, voelende dat zij verstijfden, weer opstonden en sprakeloos, versuft en half verdoofd als automaten eenige passen voorwaarts deden... Zij waggelden en kwamen niet meer verder; uit hun ontstoken oogen vloeiden in werkelijkheid bloedige tranen; hun borst stootte diepe zuchten uit; zij zagen met een verschrikten, starenden blik naar den hemel, vervolgens naar hun makkers en naar dien bevroren grond. Hun knieën knikten; zij zonken er op neer, daarna op hun handen; hun hoofd maakte nog een enkele beweging terwijl uit hun open mond eenige stervensgeluiden kwamen; eindelijk raakte ook deze de sneeuw, die dadelijk lichtrood werd gekleurd en hun lijden was geëindigd.

Honderd maal wel hadden zij dit gezien en daarom—niet rusten, zoolang zij nog een voet konden verzetten, maar vóórt, steeds voort, tot zij een beschutting tegen den nacht bereikt hadden.

Want bij die ontzettende koude was ieder verloren, die den nacht niet onder een dak doorbracht, of althans aan een bivakvuur in de luwte der bosschen.

Meermalen reeds had ons drietal met over de honderd menschen in een klein vertrek moeten doorbrengen. Spoedig volgde dan een ondragelijke warmte, terwijl zij geplaagd werden door ongedierte en vuil, want in verscheidene weken hadden zij zich niet gewasschen of verschoond; de huid begon dan onduldbaar te jeuken, zoodat zulk een nacht moeilijker door te brengen was dan de dagen met hun vermoeiende marschen.

O, de vreeselijkste dingen hadden onze drie zwervers al beleefd! Geen schuur aan den weg, of soldaten en officieren, allen wilden er binnen. Zij hoopten en drongen er zich als beesten op elkaar om eenige vuren, en daar zij de dooden niet van den haard konden wegkrijgen, gingen zij er op zitten, om straks misschien zelf weer tot zetel van anderen te dienen. Of nieuwe troepen kwamen en om het bezit van de schuur werd dan dikwerf gevochten op leven en dood.

Ja, het waren huiveringwekkende tooneelen, die het drietal soms had bijgewoond. Op een der dorpen bijvoorbeeld, die zij waren doorgetrokken, staken de soldaten geheele huizen van buiten in brand, enkel om zich eenige oogenblikken te kunnen verwarmen. Door het schijnsel dezer branden werden andere ongelukkigen aangelokt, die door de hevige koude en de vele ontberingen tot razernij waren vervallen. Woest kwamen deze bezetenen er op aangeloopen; tandenknersend en onder een helschen schaterlach wierpen zij zich in den vuurpoel, waar zij onder afschuwelijke stuiptrekkingen den dood vonden.

Zulke afgrijzelijke tooneelen had het drietal reeds beleefd. Met het Groote Leger was het zóó ver al gekomen, dat tusschen Smorgoni en Wilna zelfs geen achterhoede meer bestond. Zij hadden Davoust, niet ver van Osmiana, zich persoonlijk de grootste moeite zien geven om een peloton uit alle wapens samen te stellen, ten einde aan de kozakken, die voor de vervolgende Russische troepen uitzwermden, nog iets te kunnen vertoonen. Hij beloofde hun gouden bergen en eindelijk was het hem gelukt een honderdtal bijeen te brengen in twee gelederen; doch de maarschalk had zich nog geen 500 pas verwijderd, of alles was weer uit elkander.

In dezen staat van volkomen oplossing bereikte het vluchtende leger eindelijk Wilna. Ongehoorde gruweltooneelen zijn ook dáár voorgevallen, toen die benden uitgehongerde, van ellende en gebrek half waanzinnige menschen voedsel verlangden, dat daar volop in de magazijnen was opgehoopt, en—afgewezen werden omdat zij niet meer tot een corps behoorden en dus niet van gewaarmerkte bons waren voorzien. Bij gebrek aan bevelen zijn te Wilna duizenden gewonden en zieken—en ziek waren bijna allen;—omgekomen van ellende naast magazijnen die met levensmiddelen en kleedingstukken waren gevuld voor honderdduizend soldaten! Eenige dagen later zouden die een buit worden voor de eveneens half verhongerde kozakken die, voor de geregelde Russische troepen uit, reeds den 10den December als een zwerm gieren om de stad begonnen te zwerven.

Onze drie Amsterdammers waren reeds in den avond van den 8sten binnen de stad gekomen. Zoo brachten zij den nacht door in een herberg en sliepen in een warme kamer na zich voor het eerst weer met brood en zelfs met een flesch wijn verkwikt te hebben. Hoe heerlijk was het hun, toen zij eindelijk zich weer in een bewoonbaar huis bevonden! Wat scheen een behoorlijk gebakken brood hun een kostelijk voedsel! Welk een onuitputtelijk welbehagen, het te kunnen opeten, zittende op een stoel en onder de koesterende warmte van een kachel! Het scheen hun toe, alsof zij van het einde der wereld gekomen waren, zoodanig had die reeks van ellenden hen uit al hun gewoonten gerukt.

Doch nauwelijks hadden zij een korten tijd van deze weldaden genoten, toen het kanon der Russen al weer begon te bulderen. Alzoo vóórt! rusteloos voort dus maar weer!

Met groote dagreizen, die hun krachten geheel moesten uitputten, kwamen zij de Russische voorhoede vooruit, die het vluchtende Fransche leger, zonder zich zelf te desorganiseeren, niet geregeld volgen kon.

Weldra kwam het drietal te Kowno. Dit was de laatste stad op Russisch grondgebied. In den morgen van den 13den geraakten zij over den Niemen en betraden, tusschen Wyrballe en Stallupönen, den Pruisischen bodem: Na zes en veertig dagen onder de treurigste omstandigheden gemarcheerd te hebben, zagen zij eindelijk een bevriend land terug.

Zonder zich op te houden, zonder achter zich te zien, trokken de meeste hunner lotgenooten de Pruisische bosschen in, en verspreidden zich aldaar.

Moeder Jane echter keerde zich om, teneinde nog éénmaal een blik te werpen op het land, dat zij te nauwernood ontvlucht waren, waar zoo véél ellende geleden was en—waar het overschot van haar oudsten jongen rustte; tranen liepen haar langs de vermagerde wangen.

Maar ook Reinier en Jakob wierpen een laatsten blik naar dat vreeselijke Russische land, waarin zoovelen waren achtergebleven, die het met zooveel vreugde en trotsch waren binnengerukt.

„Kom, moeder, kom!...” zegt Jakob; het wordt hem daar op eenmaal zóó nameloos wee, dat hij nu maar verder wil.

Doch de marketentster schijnt zich niet los te kunnen rukken van deze plek; het is, of zij het beeld daarvan voor immer in haar geest wil opnemen.

Dit was dan diezelfde oever, welke geschitterd had van die duizenden bajonetten! Dit dezelfde grond die, slechts vijf maanden geleden, op dien helderen Juli-morgen, haar had toegeschenen als veranderd in heuvelen en dalen van bewegende menschen en paarden! Daar zag zij weer diezelfde inzinkingen in het terrein, waar, onder een brandende zon, de drie lange colonnes dragonders en kurassiers uit te voorschijn waren gekomen als even zoovele stroomen van schitterend ijzer en staal!.....

En nu?...: Soldaten, wapens, adelaars, paarden,—zelfs de zon en de rivier die de krijgers met zooveel hoop en moed waren overgetrokken,—alles is verdwenen!

De Niemen is niet meer dan een uitgestrekte massa ijsschotsen, die door den steeds in strengheid toegenomen winter in elkaar zijn geschoven en vastgelegd. In plaats van de drie Fransche bruggen, die vijfhonderd mijlen door de wakkere pontonniers waren meegevoerd en die met zulk een stoutmoedige vaardigheid gelegd waren, bevindt er zich nu slechts een enkele Russische brug. Van dat half millioen soldaten, die...

„Komaan”, dringt zij nu zelf opeens, „laten we verder gaan!”

In Stollupönen vonden zij gelegenheid om ieder een paar warme sokken en een paar wanten te koopen en aldus toegerust kwamen zij 's avonds om acht uur nog te Gumbinnen.

Met hun verzwakte lichamen hadden zij in acht dagen den weg van Wilna naar hier afgelegd, een afstand van vijf en zestig uur gaans.

Vergeefs poogden zij in Gumbinnen een onderkomen te krijgen. Toen begaven zij zich naar het stadhuis, om een inkwartieringsbiljet. Doch honderden van menschen verdrongen zich voor de kamer, waar de kwartieren werden aangewezen en zij gaven den moed op, een biljet te krijgen. Doodelijk vermoeid als zij waren, wilden zij nu in het stadhuis hier of daar maar een hoekje opzoeken om den nacht door te brengen. De deuren van het ruime gebouw waren gesloten, doch één deur ging open en zij zagen een paar heeren aan lessenaars werkzaam. Jakob trad nu naar voren en zei, in het beetje Duitsch dat hij indertijd in Pruisen had opgedaan: „Mijne heeren, wij zijn ongelukkige Hollanders, twee ritmeesters en een marketentster, die verschrikkelijk veel geleden hebben. Vergun ons, dezen nacht aan uw heerlijk warme kachel door te brengen.”

Deze woorden gaven aanleiding tot een lang gesprek, waarin onze zwervelingen aan die menschen, in een mengelmoes van Fransch en Duitsch, hun ongelukken verhaalden.

Het gevolg daarvan was, dat een der heeren hen in zijn huis nam, hoewel het overvol van inkwartiering was. Hij verstrekte hun een matras, ja, den volgenden morgen bezorgde hij hun zelfs een volledige verschooning. Niets was het drietal aangenamer, dan zich het lichaam weer eens goed te reinigen.

Gesterkt door deze vriendelijke behandeling en hartelijk dank betuigend aan hun braven gastheer namen zij afscheid.

Een weinig later het stadhuis passeerend, wenkte hun een kolonel die hen herkende en die daar juist op dat oogenblik een uitbetaling van eenige soldij aan de officieren deed. Jakob en Reinier ontvingen ieder driehonderd francs.

Den 18den December bereikte het drietal Koningsbergen waar zij, van al hun vermoeienissen en ellenden nu eindelijk eens heerlijk dachten te bekomen. De winter, die hen tot daar had vervolgd, verliet hen eensklaps; in één nacht steeg de thermometer twintig graden. Die plotselinge overgang was velen noodlottig. Een aantal soldaten en generaals, die zich tot nog toe op de been gehouden hadden, verslapten eensklaps en geraakten tot verval van krachten. Velen bezweken. Iederen dag, ieder uur ontstelde men op het vernemen van nieuwe verliezen.

Ook voor onze Hollandsche zwervelingen werd die plotselinge overgang van temperatuur noodlottig. Den volgenden morgen reeds lagen zij alle drie doodziek in het hospitaal.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings