V
Reading edition
Vroolijk straalt de herfstzon aan den blauwen hemel, waarlangs witte wolkjes drijven, en giet haar licht uit over het landschap, dat reeds in gelende en bruine tinten de nadering van het najaar verkondigt. Wij hebben de bebouwde buurt langs den linkeroever van de Zaan achter ons, en rijden lustig en opgewekt over den straatweg, die ons naar Purmerend zal brengen. Het landschap draagt het bekende karakter; aanvankelijk, tot aan de buurt Het Kalf, waar de fraaie nieuw gebouwde katholieke kerk onze aandacht trekt, hebben wij nog telkens kijkjes op de breede Zaan met haar krans van molens, haar tuinen en bosschages; verder dwalen onze blikken over bijkans onafzienbare weilanden, door vaarten en slooten doorsneden. Een poos lang rijden wij langs de ringvaart van de Wormer, om straks den weg door den polder in te slaan. Wij zijn hier in een echt polderland; en wanneer onze vaderen uit de laatste helft der zestiende eeuw konden opzien uit hunne graven, dan stond het te vreezen dat zij hunne eigene woonstede niet meer zouden herkennen. Vooral dit oostelijk en zuidoostelijk gedeelte van Noord-Holland, het oude West-Friesland en Waterland, was eene aaneenschakeling van meren, poelen, stroomen, wateren, waartusschen de smalle, lage, drassige strooken en brokken land als verloren waren. Geen land was door zijne natuurlijke gesteldheid zoo uitnemend geschikt voor een eindeloozen guerilla-oorlog, zoo als de stugge Westfriezen dien eeuwen lang tegen de Graven van Holland voerden, en zoo als hunne nakomelingen dien, in de laatste helft der zestiende eeuw, gedurende eenige jaren tegen de Spanjaarden hernieuwden. Maar toen deze laatste storm had uitgewoed, toen de jonge republiek der Vereenigde Nederlanden zich van de toekomst zeker voelde, toen de herinnering aan vijandelijke krijgsknechten, aan bloedigen kamp op dijk en in moeras, aan brandende hoeven en vernielde dorpen sinds lang in de noordhollandsche streken was uitgestorven; toen dacht men er aan, ook [244] binnen eigen grenzen veroveringen te maken en den steeds verder voortvretenden gierigen waterwolf te teugelen. Met de voortvarende energie, welke het krachtig geslacht dier dagen kenmerkte, werd de hand aan het werk geslagen en binnen weinige jaren uitgestrekte plassen en meren in vruchtbaar land herschapen. De Wormer, waardoor wij nu rijden, werd in 1624 bedijkt en drooggemaakt; met de droogmaking van de Beemster was men reeds in 1608 aangevangen, en in vier jaren tijds werd dit groote werk voltooid. De Purmer werd omstreeks dienzelfden tijd, in de jaren 1618–1622, drooggelegd en tot een polder gemaakt. Zoo had, binnen weinige jaren, deze streek eene geheele herschepping ondergaan. De drie uitgestrekte meren, die door allerlei wateringen en plassen met elkander verbonden, het stedeke Purmerend omgaven, hadden plaats gemaakt voor wei- en bouwland, waarop weldra talrijke hofsteden en boerenwoningen verrezen. Met den handel in visch, een van de hoofdbronnen van bestaan voor de goede lieden van Purmerende, was het gedaan; maar in de plaats daarvan kwam nu de handel in graan, in zaden, in kaas en boter, die voor het geleden verlies ruime winst bood. Landbouw en veeteelt brachten in deze streken welvaart en rijkdom, en doen dat nog, zij het misschien in mindere mate dan ettelijke jaren geleden. Toch behoeft ge slechts om u heen te zien, om u te overtuigen, dat hier, over het algemeen genomen, welvaart heerscht. Zie er die boerderijen maar eens op aan, langs den breeden, belommerden weg geschaard; getuigt niet de geheele aanleg, het geheele voorkomen der hofstede van onbekrompenheid, van welgedaanheid? De bonte verwen, nog vaak aan de woningen aangebracht, verwonderen en mishagen u niet, na hetgeen ge reeds aan de Zaan hebt gezien; maar dat men op den zonderlingen inval kon komen, om ook de stammen der boomen om het huis blauwachtig grijs te verwen, dat mag voorwaar eene buitensporigheid heeten, waarvan de reden mij ontsnapt, en waarover ge u met recht verbazen, ja zelfs wel ergeren moogt. Maar dat daargelaten: wat u nevens dat voorkomen van welvaart treft, is de schier overdreven zindelijkheid, die aan en om het huis, en—ge kunt er zeker van zijn—ook daarbinnen en in den stal, heerscht: eene zindelijkheid, die misschien niet van overdrijving is vrij te pleiten, maar die er gewis toe bijdraagt om aan de boerenwoningen dien stempel van welstand en rijkdom te schenken, en die in ieder geval verre te verkiezen is boven de slordige onreinheid, welke in zoo menige andere streek de boerenhoeven welhaast op krotten doet gelijken en u terughoudt van een bezoek. In deze noordhollandsche boerderijen kunt ge gerust binnentreden; ge zult er vriendelijk ontvangen worden, en moge soms de weelde die in de pronkkamer heerscht—eene vrucht van de vette jaren, die nu voorloopig tot staan zijn gekomen,—u door haar kakelbont en heterogeen karakter een glimlach afpersen, zooveel is zeker dat deze menschen in goeden doen zijn. Laat mij er bijvoegen, dat de meesten, gelukkig, in aard en wezen veel minder veranderd zijn, dan hunne vaak hybridische omgeving u zou doen vermoeden. Wij hebben geen tijd om eene boerderij te gaan bezoeken; maar terwijl wij langs de sierlijke huizen met hunne boomgaarden en vaak karakteristieke opschriften, langs de uitgestrekte malsche weilanden, waarin prachtige runderen loopen te grazen of rustig nederliggen in het fluweelige gras, heenrijden en ons aan den aanblik van het vredige, stille landschap verlustigen, brengen wij dien degelijken landbouwers, wier voorvaderen den grond waarop zij wonen zelven geschapen hebben, in gedachten onzen welgemeenden groet, en wenschen wij hun van heeler harte voorspoed en gezegende jaren. In elke gezonde maatschappij zijn zij niet alleen een onmisbaar element, zij vormen den grondslag zelven waarop het maatschappelijk gebouw rust; en waar het hun op den duur slecht gaat, waar hun stand verarmt en kwijnt, daar worden alle maatschappelijke verhoudingen gaandeweg verstoord en wordt de maatschappij zelve krank. Daarom is de in sommige streken voorkomende ontvolking van het platte land, ten bate der steden, een zoo bedenkelijk, zoo onrustbarend verschijnsel, dat op maatschappelijken achteruitgang van zeer ernstigen aard wijst.
Wij naderen Purmerend en hebben reeds de vriendelijke buurt De Nek achter ons. Die vrij breede vaart daar naast ons is het Noordhollandsch-kanaal, waarvan wij reeds vroeger gesproken hebben. Het is nu stil op dat kanaal, want de schepen van en naar Amsterdam volgen dezen weg niet meer; alzoo ziet men er nog slechts binnenvaartuigen en nu en dan een enkel zeeschip, zoo als er daar juist een bij de sluis ligt, dat voor handelaars te Purmerend of in den omtrek hout aanvoert. Na den flinken rit van Zaandam mogen onze paarden wel even rusten; wij willen van het oponthoud gebruik maken en een vluchtig kijkje nemen van de stad.
Een net, vriendelijk, rustig stedeke, dat er welvarend uitziet en een prettigen indruk maakt. Wij hebben niet veel tijd noodig om de kleine stad door te wandelen; jammer, dat het geen marktdag is, dan zou het drukker en levendiger zijn op de stille straten, vooral op de ruime Veemarkt en ook op die andere Markt, waarop het geheel gemoderniseerde stadhuis staat, en waar de kaas- en boterboeren de zoo gezochte produkten hunner nijverheid uitstallen. Maar nu wij de Markt overgaan werpen wij in het voorbijgaan een blik op de in romaanschen stijl herbouwde kerk, die te midden dezer hollandsch-burgerlijke omgeving eene min of meer vreemde vertooning maakt. De oude kerk dagteekende uit de tweede helft der veertiende eeuw, en werd na den brand van 23 Juli 1519 herbouwd; zij heeft in de laatste jaren, althans uitwendig, eene geheele transformatie ondergaan. Verdere merkwaardigheden bezit het eenvoudige stedeke niet; wij hebben geen tijd er lang te vertoeven, en het ligt ook min of meer buiten de grenzen, die wij ons voor ons uitstapje hebben gesteld. Echter niet geheel: immers Purmerende [245] behoort nog tot het oude Waterland, waarvan het vroeger als een der dorpen werd gerekend. Niet meer dan een dorp was het, toen Willem VI, de Graaf-Hertog, bij giftbrief van 4 November 1410, Purmerende en Purmerland tot eene vrije heerlijkheid, met hoog en laag gerecht, verhief en met die heerlijkheid zijn trouwen dienaar Willem Eggert, eens poorters zoon uit Amsterdam, beleende. Drie jaren later verkreeg hij van den Graaf-Hertog vergunning, om te Purmerende een kasteel of huizinge te bouwen, en daarbenevens een stuk grond van een-en-dertig roeden, dat hij voor den bouw van zijn slot noodig had. De amsterdamsche koopman en poorter had dergelijke gunstbewijzen wel aan den Vorst verdiend. Hij had Willem van Beieren trouw met raad en daad, vooral ook met geld, bijgestaan, toen hij nog als Willem van Oostervant, verdacht van medeplichtigheid aan den moord van Aleide van Poelgeest, voor den toorn zijns vaders uit den lande wijken moest; en, wat niet altijd gebeurt, de landsheer toonde zich dankbaar voor de diensten den erfprins bewezen. Hij benoemde Willem Eggert tot thesaurier van Holland en beleende hem met eene hooge heerlijkheid, waardoor deze poorterszoon plaats nam onder de edelen des lands—evenwel niet onder de ridders, maar onder de knapen. En Willem toonde zich een goed heer voor zijne onderzaten, wien hij verschillende voorrechten schonk en voor wie hij van den Hertog en van den heer van Wassenaer, burggraaf van Leiden, ook tolvrijdom wist te verkrijgen. De heerlijkheid met het slot Purmerstein kwam, in 1473, door koop in handen van graaf Jan van Egmond, stadhouder van Holland, Zeeland en West-Friesland, en bleef in diens doorluchtig geslacht, tot deze goederen in 1607 door Lamoraal van Egmond, den zoon van den zoo welbekenden Lamoraal, die minder nog zijne ridderlijke trouw aan den Koning, dan wel zijne besluiteloosheiden halfslachtigheid—in revolutionaire tijden boven alles gevaarlijk—met den dood op het schavot moest boeten, wegens schulden werden verkocht. De Staten van Holland kochten toen ook de heerlijkheid van Purmerende en voegden die bij de grafelijkheidsdomeinen. Het bouwvallig geworden kasteel werd in 1729 aan de stad afgestaan, die eenige jaren daarna de ruïne deed afbreken.

West-Knollendam aan de Zaan.
Het dorp Purmerende was inmiddels mettertijd een aanzienlijk vlek geworden, dat allengs stadsrechten verkreeg en in de laatste jaren der zestiende eeuw ook het recht om afgevaardigden te zenden naar de vergadering der Staten van Holland. Even als bijna geheel Noord-Holland, schaarde ook Purmerende zich reeds in Juni 1572 aan de zijde van den Prins, en de stedelijke regenten achtten het toen noodig, de tot dusver geheel open liggende stad, door wal en gracht, tegen een mogelijken overval te beschermen. Van deze wallen, die gelukkig nooit dienst behoefden te doen, en van hare vijf poorten is thans niets meer over; het stedeke ligt op nieuw aan alle kanten open.
Doch het is tijd, onzen rit te vervolgen. De paarden hebben frissche krachten opgedaan, en lustig draaft ons rijtuig voort over den fraai belommerden weg midden door de Purmer. Een lange rechte weg, ter wederzijde door weilanden omzoomd, met nu en dan eene van die flinke, welvarende boerenplaatsen, die het steeds een lust is aan te zien, biedt desniettemin weinig afwisseling. Natuurschoon, in den gewonen zin van dat [246] woord, moet ge althans in dit gedeelte van de provincie niet zoeken; en wij moeten billijk zijn en zonder omwegen erkennen, dat dit echt-hollandsche landschap op den duur eentonig wordt. Het is op den weg ook stil: ware het marktdag te Purmerende, er zou meer beweging zijn, want dan zouden wij ongetwijfeld talrijke boerenwagens en karren ontmoeten, die vooral met kaas beladen stadwaarts rijden of van daar terugkeeren. Die wijd en zijd bekende kaasmarkt van Purmerende liep eens, het was in de vorige eeuw, ernstig gevaar te gronde te gaan. Laat mij u die niet onvermakelijke historie eens mogen vertellen: ’t is eene episode uit een soort van Culturkampf in miniatuur.
Het geschiedde dan in het jaar 1725, dat de regeering van Purmerende goedvond, om welke reden weet ik niet, den pastoor Johan Van der Velde, die sedert 1718 aan het hoofd der roomsch-katholieke gemeente had gestaan, af te zetten en in zijne plaats een zekeren Gerardus Kenens te benoemen, pastoor bij de Roomsch-Katholieken van de bisschoppelijke clerezy, de zoogenaamde Jansenisten. Wat mijne heeren van den gerechte tot deze zonderlinge keus bewogen had, weet ik evenmin, maar wel dat zijne parochianen, waartoe ook de boeren uit de Wormer en de Purmer behoorden, niet van zins waren, met dezen opgedrongen herder genoegen te nemen. Aanvankelijk lieten zij pastoor Kenens voor wat hij was, en begaven zich elders ter kerk om hunne godsdienstplichten te vervullen; maar dit begon hun, en met recht, te verdrieten, en toen nu noch verzoeken noch vertoogen baatten om den onwettigen pastoor, die door de overheid gehandhaafd werd, kwijt te raken, besloot men tot een ander middel de toevlucht te nemen. De katholieke boeren in de Wijde-Wormer, in de Purmer en de Beemster kwamen overeen, dat zij hunne kaas niet meer te Purmerende ter markt zouden brengen: zij zouden met hunne wagens midden door de stad rijden en zich naar Edam of Monnikendam begeven, om daar hunne kaas te verkoopen. Daar ook in deze stroken van Noord-Holland, gelijk zoo vaak ten platten lande, het aantal Katholieken, die aan de oude Moederkerk waren getrouw gebleven, vrij aanzienlijk was, liep de stad Purmerende groot gevaar haar kaasmarkt en kaashandel, en daarmede een hoofdbron van haar bloei en welvaart, te zien verdwijnen of althans zeer verminderen. Dit argument hielp: in het begin van 1728 werd de opgedrongen pastoor weggezonden en straks door een ander, door de bevoegde overheid geordend en erkend geestelijke vervangen. Zoo werd aan billijke grieven te gemoet gekomen, werden de gemoederen bevredigd en—werd de kaasmarkt gered. De verdreven pastoor Kenens nam, bij zijn vertrek, een aantal kostbaarheden en kerksieraden, benevens alle bescheiden betreffende de vroegere geschiedenis der kerk mede.
De weg, dien wij tot dusver volgden, heeft ons op een anderen, mede lijnrechten weg gevoerd, die ons naar Edam brengt. Zoo stil als het te Purmerende was, zoo druk en woelig is het hier: de straten zijn vol met stedelingen en buitenlieden in hun zondagspak: er heerscht eene vroolijke, opgewekte stemming. Geen wonder: het is kermis te Edam, en van de dorpen en hofsteden in den omtrek zijn de boeren en boerinnen stadwaarts getogen, om mede kermis te houden. Nu, dat kermishouden kan bezwaarlijk iemand aanstoot geven: langs de beide zijden van eene belommerde, tamelijk smalle gracht staan kramen, waarin snuisterijen, speelgoed, koek en dergelijke artikelen worden verkocht, en waarlangs de menigte heen en weder drentelt. Ginds wordt door knapen en jongelieden koek gehakt; iets verder is, op een bont geschilderd zeildoek, de geschiedenis afgebeeld van een of anderen misdadiger, wiens snoode gruweldaden, met begeleiding van een draaiorgel, den volke in dichtmaat worden voorgezongen. De rechte pret zal echter eerst later beginnen. Althans op een grasveld, nabij het logement of de herberg waar wij afstappen, staat een soort van circus, dat nu gesloten is, maar zich des avonds in al zijne heerlijkheid zal vertoonen. Ook in het logement zelf is de pret nog niet op gang. Wel is het druk in de kolfbaan, maar in de vrij ruime achterkamer, waar eene estrade voor een orchest is aangebracht, bevindt zich niemand behalve wij. De drie muzikanten, die even na onze komst op de estrade plaats nemen en straks uit alle macht beginnen te blazen en te vedelen, kunnen zich dan ook gerust die moeite en ons die kwelling besparen: niemand neemt van hen eenige notitie en wij haasten ons heen te gaan. Maar van avond zullen zij hunne talenten beter kunnen gebruiken: dan zal er gedanst worden. Inmiddels gaan wij een kijkje nemen van de stad.
Dat het juist kermis is, treffen wij niet. Immers, de weinige ruimte, die op de voornaamste gracht tusschen de huizen en de kramen overblijft, maakt het zeer moeilijk, de voor een deel antieke geveltjes goed op te nemen. Daar zijn er betrekkelijk velen uit de zeventiende eeuw, een enkele klimt ongetwijfeld nog hooger op; ook de beeldwerken en opschriften aan de huizen zijn niet zeldzaam. Over het algemeen ziet Edam er veel ouderwetscher uit dan Purmerend: daar ligt over de geheele stad een zeker waas van oudheid, dat Purmerende, althans in die mate, mist. Maar daarentegen vertoont Purmerend meer den stempel van welvaart; Edam kwijnt en is in verval: niet ten onrechte noemt Havard haar onder de villes mortes. Inderdaad, bij het bezoeken van dergelijke plaatsjes rijst onwillekeurig de vraag op: waarvan leven de menschen hier toch? Handel en nijverheid is er niet, ten minste niet van eenige beteekenis; vroeger verworven rijkdommen, nog door enkele familiën bewaard, moeten de kwijnende welvaart steunen; landbouw en kleinhandel moeten, zoo goed het gaat, in de behoeften der burgerij voorzien. Maar het algemeene peil van gegoedheid zinkt steeds dieper; de bevolking neemt af; welgestelde familiën, door de uitspanningen en genietingen der groote steden aangelokt, ontvlieden de geestdoodende verveling van het kleinsteedsche leven en [247] verhuizen naar elders, een deel van de welvaart medenemende. Zoo slepen zij haar treurig en troosteloos bestaan voort, die uitgestorven steden, van wier wallen de stroom van het leven zich sinds lang heeft terug getrokken, en die toch niet geheel sterven kunnen. Ge wandelt door hare stille straten, waarin haast geen voetstap weerklinkt dan de uwe en waarin alles u aan den vroegeren tijd herinnert; uw blik dwaalt langs de ouderwetsche geveltjes, zoo geestig uitkomende tusschen het groen ter wederzijde van de belommerde gracht; ge volgt den met statig geboomte beplanten weg, die langs de haven naar de Zuiderzee voert, en het is stil op dien weg en de haven is bijna ledig; en als ge eindelijk haar monding bereikt, dan bespeurt ge niets dan de kabbelende golfjes der zilvergrijze zee. En als ge u omwendt en weer uwe schreden naar de stad richt, dan ziet ge daar, boven een krans van geboomte, de tinne en den toren oprijzen van haar Groote-kerk, die ruimte biedt voor zoo velen meer dan er tegenwoordig plaats kunnen nemen, en die in hare verlatenheid getuigt van de vroegere welvaart der vervallen stad. En weemoedig gestemd, gaat ge weder voort door de zwijgende eenzaamheid, en beelden van het verleden rijzen op voor uwen geest.
Ja, ook Edam heeft betere dagen gekend. Haar naam, als die van zoo menige stad en zoo menig dorp in Noord-Holland, doet aan water denken en tevens aan den eeuwenouden, nooit rustenden strijd van de bewoners dezer streken met het weldadig en tegelijk vijandig element. Edam is niet anders dan dam in de Ee of de Ye, zoo als sommigen den naam spellen;—het doet er niet toe, Ee, Ye, Aa, zijn al te gader woorden van eene beteekenis: ’t is de oude naam voor stroomend water in het algemeen, en juist daarom ook de naam voor meer dan een riviertje. Wanneer nu die dam gelegd is, weet ik niet; naar het schijnt kreeg het vlek, dat aanvankelijk wel niet meer dan een visschersdorp zal zijn geweest, omtrent het midden der veertiende eeuw eenige stadsrechten. De jeugdige poorterij nam levendig deel in de burgertwisten en partijschappen, die gedurende bijna de geheele vijftiende eeuw Holland beroerden, en moest daar nu en dan zwaar voor boeten. Maar in die dagen harer romantische, onstuimige jeugd overkwam haar iets zonderlinge, dat wel vermelding verdient.
In het jaar Onzes Heeren 1403 woedde op zekeren dag, als zoo vaak, een hevige storm over Waterland; de opgezweepte golven van de Zuiderzee beukten in wilde woede de dijken, tot ze bezweken en de wateren der zee zich over het verdronken land vermengden met die van de Purmer. Men haastte zich, zoodra het noodweer eenigszins was bedaard, de gebroken dijken te herstellen, en moest nu afwachten tot het ingedrongen water weder door de sluizen was weggevloeid en door de molens opgepompt. Maar ditmaal had de Zuiderzee iets ongewoons aangebracht. Eenige meiskens, die des morgens, als naar gewoonte, naar het land gingen om de koeien te melken, bespeurden in de Purmer een wonderbaarlijk wezen, van de gedaante eener vrouw, naakt, met groen mos begroeid en zeer onrein en onbehagelijk van voorkomen. Dat de meiskens op dit gezicht ontstelden en aan een spooksel dachten, is gemakkelijk te begrijpen; maar dat ze kloeke meiskens waren, niet zenuwachtig en voor geen klein geruchtje vervaard, toonden ze, door met haar schuitjes en bootjes het raadselachtige wezen, dat in het water heen en weder zwom en spartelde, te omsingelen en gevankelijk naar Edam te brengen. Men kan zich denken, hoe verbaasd de eerzame poorters hebben gekeken, toen deze zeldzame buit uit het meer werd aangevoerd; en dat te meer, daar de vrouw niet scheen te kunnen spreken, en slechts een zuchtend en steunend geluid van zich gaf. Dat zwijgen was meer dan iets anders geschikt om aan haar vrouwelijke natuur te doen twijfelen; doch wat was het zonderlinge schepsel dan? Het at en dronk, gelijk andere menschen: maar spreken deed het niet. Niettemin, de vroede mannen van de stad, zeker niet zonder ernstige raadpleging met mijnheer den pastoor, erbarmden zich over de zwerfster, die men algemeen voor afkomstig uit de Middellandsche-zee hield, en voorzagen haar van het noodige. Dat het gerucht van dit wonder zich wijd en zijd verspreidde en tal van bezoekers naar Edam lokte, spreekt wel van zelf. Maar vooral op de regeering van Haarlem schijnt het feit een diepen indruk te hebben gemaakt. Nadat haar afgevaardigden, opzettelijk naar Edam gezonden, verslag van hun wedervaren hadden gedaan, ontwaakte bij de heeren de onbedwingbare begeerte om dit wonderbaarlijke wezen te bezitten. Zou Edam het willen afstaan? Wel, men kon het beproeven. Een dringend en nederig smeekschrift werd opgesteld en niets gespaard om de heeren van Edam te bewegen, hun schat aan die van Haarlem af te staan. En zie, tegen alle verwachting, werd de bede niet geweigerd. De geheimzinnige vrouw werd naar Haarlem gevoerd en ongetwijfeld door de heeren en burgers der goede stede met blijdschap en verrukking ontvangen. En het scheen haar in de Spaarnestad ook goed te bevallen: zij leefde daar nog vele jaren en verkeerde en spon met de andere vrouwen, maar spreken deed zij niet. Het raadsel van haar wezen en afkomst bleef dus onopgelost; maar aangezien de vrouw bij haar leven aan het heilig Kruisbeeld de verschuldigde eere had bewezen, meende men haar, na haar dood, eene christelijke begrafenis niet te mogen ontzeggen.
Dat hadt ge toch zeker niet gedacht, dat Edam de laatste der Sirenen zou hebben geherbergd! Ach, het verwondert ons niet, dat haar, de dochter der azuren, van goud en zonnevuur doortintelde Middellandsche-zee, in haar eenzame ballingschap, onder den grauwen noordschen hemel, in de troebele wateren van Purmer en Spaarne, de lust tot zingen was vergaan; maar dat ze zelfs niet sprak! Doch ook, wat een lot was het hare? Stel u haar voor, de betooverende dochter van Acheloos, naar wier onweerstaanbaar gezang zelfs Odysseus niet [248] had durven luisteren dan na zich aan de mast van zijn vaartuig te hebben laten vastbinden, stel u haar voor, eerzaam gekleed, neergezeten onder de vrome poorteressen van Haarlem, spinnende en devotelijk een kruis slaande! Dit is eene episode uit de treurige geschiedenis der Götter im Exil, waaraan Heine niet heeft gedacht..... En zoo ge mij nu beschuldigt, dat ik u een sprookje op de mouw wil spelden, dan beroep ik mij op Junius, een ernstig, achtbaar en geloofwaardig man, een historieschrijver, die ons het feit mededeelt. Wel is waar, is hij zelf niet heel zeker van de zaak, maar toch.... Zie, haast niet minder merkwaardig dan het verhaal zelf, zijn de opmerkingen die Junius er aan toevoegt: “Alle welcke dingen, zegt hij, gelyckerwys ick die niet vastelyck wil staende houden, alsoo wil ick die oock niet geheel teghenspreecken, soo om de gheloofwaerdigheydt der Chronycken, als oock mede omdat ik mij teghen de ghedachtenisse die noch soo versch is, ende door de vrouwkens van handt tot handt overghelevert, niet stellen en wil. Ick sal nochtans segghen, dat van my (aenghesien het een Fabel schijnt te sijn) niet voor waerachtigh ghehouden werdt, dat sy soude ghesponnen hebben, even oft haer handen met leden, ghelyck als die der menschen, souden onderscheyden syn geweest. Doch ick laet het peryckel van de waerheydt den Autheur.”—

Durgerdam
Dat men te Edam zoo weinig prijs stelde op het behoud der Sirene was misschien ook daaraan toe te schrijven, dat dergelijke phenomenen hier minder zeldzaam waren dan elders. Het stadhuis te Edam bewaart de portretten van drie merkwaardige personages, die aldaar hebben geleefd. Het eerste is dat van Pieter Dirksz., wiens baard zoo lang was, dat hij dien met de hand moest ophouden, om hem niet langs den grond te laten slepen. Het tweede is dat van Jan Cornelissen, kastelein in het Heerenlogement, die in het jaar 1633, toen hij zich op twee-en-veertigjarigen leeftijd liet conterfeiten, niet minder dan vierhonderd-twee-en-vijftig pond woog. Eindelijk heeft men nog, uit hetzelfde jaar, de afbeelding van Trijntje Cornelissen, eene teedere, schuchtere jonkvrouw, die op haar negentiende jaar eene lengte had van negen voet en wier geheele gestalte daaraan geëvenredigd was. Men bewaart ook nog de schoenen van deze Trijntje, welke ongeveer de afmeting hebben van eene vioolkist.
Dat was in den goeden ouden tijd, toen Edam eene bloeiende, welvarende stad was. Toen leefde ook de eerzame burger J. Oosterling, die zich in 1682 liet afbeelden tusschen zijn zoon en zijne dochter, en met den vinger wijzende naar de twee-en-negentig schepen, die aan hem behoorden en zoowel de Noord- als de Zuiderzee bevoeren. Ook dat portret is op het stadhuis te zien. Toen was Edam de negende in rang onder de steden van Holland; toen was het vertegenwoordigd zoowel in de vergadering der Staten als in het collegie der admiraliteit; toen telde het eene bevolking van ruim vijf-en-twintigduizend zielen, tegenwoordig tot minder dan een vijfde geslonken, dreef een uitgebreiden handel en was beroemd om zijne scheepstimmerwerven. Die voorspoed is voorbij gegaan en opgevolgd door langzaam en hopeloos verval, waaruit geen redding meer denkbaar is. Hoe zou zij tot nieuw leven ontwaken, de arme doode stad, die ge eigenlijk niet zien moet op een dag als deze, nu de kermispret haar een valschen schijn van leven schenkt, maar die in andere, gewone tijden zulk een onuitsprekelijk weemoedigen indruk maakt.
Van die dagen van welvaart en voorspoed is, zoo als ik zeide, ook de Groote-kerk, waarvan [249] de stichting tot de eerste jaren der vijftiende eeuw opklimt. Zij was aan Sint-Nikolaas gewijd en behoorde tot het aangrenzend klooster. In de troebelen der zestiende eeuw verdween het klooster en werd de kerk, met berooving van haar altaren en wat zij aan beeld- en schilderwerk mag hebben bezeten, voor de nieuwe eeredienst bestemd. Nog, ondanks het kale en doodsche, het unheimliche en onharmonische, dat allen dus aan hare oorspronkelijke bestemming onttrokken en in spreekzalen herschapen kathedralen eigen is, nog is deze kerk van Edam een van de grootste en schoonste in geheel Noord-Holland. Haar drie schepen van gelijke hoogte, haar achtkantig koor met smalle sierlijke vensters, geven haar, ook nog in haar berooving, een monumentaal karakter. Kunstwerken moet ge hier natuurlijk niet zoeken: het schilderwerk, dat ook hier vroeger de wanden en zuilen zal hebben versierd, is sedert eeuwen onder eene laag witkalk verdwenen. Het eenige sieraad, dat de aan alle kunst vijandige geest van het puriteinsche Calvinisme in de kerken duldde, was glasschilderwerk, waarbij de nieuwe burgerlijke regenten-aristokratie niet aarzelde, het voorbeeld van den ouden feodalen adel te volgen en hare soms vrij potsierlijke blazoenen en haar tot dusver onbekende namen aan de vergetelheid te ontrukken. Ook de kerk te Edam prijkt met zulke geschilderde vensters, uit de eerste jaren der zeventiende eeuw dagteekenende en te Gouda vervaardigd; zij zijn, naar men zegt, een geschenk van de voornaamste steden van Holland, wier wapenschilden daarop zijn afgebeeld. Maar zoowel deze glazen als de kerk hebben veel geleden en zouden eene afdoende restauratie behoeven: doch wie zal daar de hand aan slaan?—Vlak tegen de kerk aangebouwd, ziet men nog een brokstuk van eene oude woning in den sierlijken renaissancestijl van omstreeks de helft der zestiende eeuw, met banden en lijsten van bergsteen en smaakvol gebeeldhouwde nissen. Dit overblijfsel uit den vroegeren tijd is zeer zeker een der fraaiste dingen, die Edam heeft aan te wijzen.

Oranjesluizen te Schellingwoude.
De andere kerk, waarvan de zonderlinge, min of meer scheeve toren met zijn van buiten zichtbaar klokkenspel aanstonds de aandacht trekt, was vroeger de kapel van een begijnhof en toen aan Onze-Lieve-Vrouwe gewijd. Ook haar trof hetzelfde lot als hare zuster aan het andere einde der stad. Toen de omwenteling, waarbij ook Edam zich aanstonds aansloot, in Noord-Holland had gezegevierd, werden de begijntjes verdreven, het eerwaardige gesticht opgeruimd en de gewezen kapel voor de hervormde eeredienst ingericht. Zij heet nu eenvoudig, ter onderscheiding van de Groote, de Kleine-kerk en verkeert mede in zeer vervallen toestand. De wonderlijke, toch wel schilderachtige campanile, die boven op den ouden bouwvalligen toren is geplaatst, dagteekent uit het jaar 1733. Het bovenste gedeelte van den toren werd toen door den bliksem vernield, en de stedelijke regeering liet, op het oude monument, deze nieuwe, ietwat fantastische kroon plaatsen, die weinig met het gebouw in harmonie is en evenwel geen slecht figuur maakt.
Wij hebben onze wandeling door de stad volbracht, die, dank zij de kermis, een gansch ongewoon aanzien heeft. Morgen of ten hoogste over een paar dagen is dit feest, dat nu een aantal bezoekers van buiten lokt, ten einde en keert alles weder tot de gewone dommelige rust terug. Dan droomt en dommelt zij weer voort, de uitgestorven stad met haar ledige haven, aan het strand der stille Zuiderzee, wier zilvergrijze wateren niet langer door de schepen harer kooplieden en reeders worden gekliefd. Slechts nu [250] en dan dwaalt een vreemdeling door hare zwijgende straten, langs hare pittoreske grachten. Als hare zusteren, Enkhuizen, Medemblik, Hoorn, Stavoren, Hindeloopen, langs den rand der Zuiderzee geschaard, zit zij daar droomend en peinzend neder, de doode stad, mijmerende aan de dagen van weleer, toen zij rijk en bloeiend en machtig was en het frissche leven tintelde in hare aderen. Ze zijn voorbij, die schoone tijden, en niemand brengt ze ooit weder. De stroom der historie koos zich eene andere bedding: zij bleven achter, als wrakken op het strand.