← Table of contents
De Zaan en Waterland

IV

Reading edition

Daar is in de pronkkamer nog meer dat onze aandacht vraagt. Daar, tegen den wand aan de zijde van de gang, staat de porseleinkast, een monumentaal stuk van noteboomhout, rijk met snijwerk versierd, van glazen deuren voorzien, en boven op de schuine lijst gekroond met een zoogenaamd kaststel: drie porseleinen potten en twee bekers. Gij zult van mij niet verlangen, dat ik u in alle bijzonderheden den rijken inhoud van deze kast beschrijf: genoeg zij het, u te wijzen op den schat van japansch en chineesch porselein-, koppen, kommen, schotels, potten, borden van allerlei groote en vorm en van velerlei bestemming, die in dichte rijen en stapels de planken der kast vullen. Daaronder zijn vele voorwerpen van waarde, familiestukken en geschenken bij huwelijk of doopplechtigheid ontvangen. En dat al wat ge ziet echt is, daarop kunt ge vertrouwen: een deel van dien schat is, in vroeger jaren, op de veilingen der Oostindische Compagnie gekocht en sinds in de familie gebleven; andere voorwerpen zijn misschien door familieleden of vrienden rechtstreeks uit de landen van overzee medegebracht. En behalve het chineesch porselein, bevat deze kast ook een aantal dier snuisterijen en bijouteriën van schildpad en ivoor, waarop onze overgrootmoeders zoo gesteld waren, en voorts eene menigte borden, schotels, kopjes, trekpotten van inlandsch fabrikaat, waarop tafreelen uit het huiselijk leven en bedrijf der Zaankanters, gezichten langs de Zaan en dergelijke onderwerpen zijn afgebeeld. Wat van dit inlandsch aardewerk geene plaats in de porseleinkast kon vinden, werd geborgen in het opkamertje, een klein vertrek naast de pronkkamer, waarin de dusgenoemde dooddeur uitkomt. Het schilderwerk op dit delftsch porselein mist doorgaans alle kunstwaarde, maar is dikwerf zeer karakteristiek; vooral in het laatst der vorige eeuw, toen de porseleinen koppen en schotels en borden versierd werden met portretten, zinnebeelden en allerlei opschriften, betrekking hebbende op de politieke partijen en twisten van den dag, kregen die anders zoo onnoozele en prozaïsche voorwerpen van huiselijk gebruik eene eigenaardige beteekenis. Ik kan mij voorstellen, hoe een prinsgezind gastheer zich verkneukelde van genot, wanneer hij een zijner bezoekers of gasten, een Kees, ergeren kon, door hem borden en schotels en koppen voor te zetten, versierd met de portretten van den Prins of van Willemijn en met hoogdravende lofdichten ter eere dier voorstelijke personen.—Het benedenste gedeelte van de kast is gevuld met glaswerk; daar ziet ge dozijnen wijn- en bierglazen, kelken, fluiten, bekers, bokalen van allerlei vorm en grootte, met en zonder [241] deksels, snijwerk en inscripties, en daaronder vele voorwerpen van het fijnste kristal.

Doch reeds hebt ge uw schreden gewend naar die andere kast, die door haar uitwendige pracht bijna de porseleinkast in de schaduw stelt. En inderdaad, zij is een prachtstuk, hoog, breed en diep, rijk met snijwerk versierd en met fijne houtsoorten, met ivoor, schildpad en zilver ingelegd. Dit schier vorstelijk meubel—en in waarheid, meer dan eene van zulke kasten is in later tijd naar koninklijke paleizen en prinselijke salons verhuisd,—heeft vier deuren en eene lade van onderen, mitsgaders verschillende laadjes en kastjes van binnen. Aan de eene zijde werd in deze kast het linnengoed, de trots en roem van elke hollandsche huismoeder, bewaard; in den anderen vleugel bergde men de kostbare, zware zijden gewaden, die van geslacht op geslacht overgingen en alleen bij plechtige feestelijke gelegenheden werden aangetogen.—Dat kleinere sierlijke kastje aan de overzijde, met zijn kunstig gedraaide pooten, bevat den schat der familie aan zilverwerk, alles wat voor de spijs- en theetafel noodig kan zijn, en dat alles van degelijk gehalte en van de beste keur. Messen, vorken, lepels, ja alle tafelgereedschappen zijn met figuren gegraveerd en zeer dikwijls met inscripties voorzien, die ons vertellen aan wien en bij welke gelegenheid zulk een voorwerp werd vereerd, van welk feit het de herinnering moet bewaren, of ook wel voor welk bijzonder gebruik het is bestemd. Let eens op die van robbevel vervaardigde, met parelmoer ingelegde en met zilver gemonteerde étuis, waarin de gasten vroeger, als zij ten maaltijd gingen, hun mes en lepel medebrachten; vorken kwamen hier eerst omstreeks het midden der achttiende eeuw in gebruik.—Maar vergeet vooral ook niet een blik te werpen op die reeks tabaksdoozen, deels van zilver, deels van koper, maar allen met meer of minder kunstig snijwerk en de meesten ook met een rijmpje versierd. En gewis zal die gouden pijpedop met kettinkje van hetzelfde metaal uwe aandacht niet ontgaan: te minder omdat uit het opschrift, dat nevens een bijenkorf en een Mercuriusbeeldje de pijpedop siert, blijkt dat deze rariteit een verjaargeschenk was, door de kinderen aan hun vader vereerd.

Monnikendam.
Monnikendam.

Monnikendam.

Hebben wij nu de zilverkast bewonderd, dan mogen wij de pronkkamer nog niet verlaten. Want om nu maar niet te spreken van het kleinere huisraad, staat daar nog achter in de kamer, tegenover de vensters, het monumentale ledikant, met zijn hoogen, prachtig met snijwerk en pluimen versierden hemel en gedraaide pilaren; met zijn geel damasten gordijnen, door roode zijden koorden en kwasten opgehouden; met zijne hoog opgestapelde, met kant omboorde kussens, zijn fijn linnen lakens, gekleurde dekens en zijn sprei van zware zijde. Ook dit ledikant is wederom een prachtstuk, dat echter, als het porselein, het zilver, de kleinoodiën, de kostbare kleedingstukken, ja de geheele kamer, nooit of bijna nooit gebruikt wordt.—Werp nu nog even een blik op de breede, met loofen snijwerk versierde schouw, met haar gedraaide kolommen, haar schilderstuk in het midden en haar breeden marmeren mantel, waarop kostbare porseleinen vazen zijn geplaatst,—en dan willen wij van dit vertrek afscheid nemen, na vriendelijken dank aan den huisheer, die dit heiligdom voor ons wilde ontsluiten. Want inderdaad, deze [242] schier overvulde kamer, waar alle schatten en kostbaarheden der familie als in een museum zijn samengebracht, is een heiligdom, dat niet dan bij hoogst zeldzame gelegenheden door de leden des gezins betreden wordt, en waarin vreemden niet dan bij hooge gunst worden toegelaten. De zucht om met zijne schatten te pronken, om te schitteren en anderen door eene tentoonstelling van weelde te overtreffen, is den eenvoudigen Zaankanter vreemd. Zijne pronkkamer bevat voor eene zeer aanzienlijke waarde; maar de pronkkamers van zijne bekenden en buren zien er nagenoeg evenzoo uit: het is dus ten eenemale overbodig, die kostbare zaken aan elkander te laten kijken; ieder weet, dat het in een deftig zaanlandsch huis alzoo behoort.

Om den eigenaar van het huis in zijne gewone omgeving te leeren kennen, moeten wij hem dus volgen naar zijne huiskamer, die op den tuin en verder op de rivier uitziet. Ook deze huiskamer is een ruim vertrek, laag van verdieping; de vloer is met matten belegd, en de wanden zijn, boven de eikenhouten lambrizeering, met linnen behangsel bekleed, waarop gezichten aan de Zaan en tafereelen uit het bedrijf der Groenlandvaarders zijn geschilderd. De eikenhouten stoelen en tafels zijn meer soliede dan sierlijk; de laatsten zijn in den regel beschilderd, gelijk trouwens schier zonder uitzondering alle meubelen en alle voorwerpen van huiselijk en dagelijksch gebruik met snij- en schilderwerk, met opschriften, namen, rijmpjes zijn versierd. Op kunstwaarde kan die versiering in verreweg de meeste gevallen weinig of geen aanspraak maken; ook geeft zij ons niet altijd een hoog denkbeeld van den smaak des eigenaars, maar toch verdient zij ten volle onze aandacht, omdat zij ons vergunt een blik te werpen op eene zeer eigenaardige zijde van het leven onzer vaderen. Die behoefte om het huisraad en de voorwerpen, die ons dagelijks omgeven, aldus te doen spreken, tot getuigen, in zekeren zin tot deelgenooten te maken van ons persoonlijk leven, is ons ten eenemale vreemd geworden. Zij onder ons, die reeds de grenzen van den middelbaren leeftijd beginnen te naderen, herinneren zich nog wel de heilwenschen en beden op kopjes, borden en dergelijken, voor geschenken bestemd; maar ook deze flauwe echo van het verleden is weggestorven. Onze meubelen, onze huiselijke gereedschappen mogen sierlijker en vooral schitterender zijn dan vroeger, zij missen ten eenemale elk individueel karakter en staan in hoegenaamd geene betrekking tot ons persoonlijk leven. Hoe zou dit ook kunnen? Verreweg de meeste voorwerpen, die wij gebruiken, worden fabriekmatig vervaardigd en gelijken dus volkomen op elkander; zij kunnen in elke omgeving geplaatst worden en moeten in den regel slechts voor enkele jaren dienst doen. In vroeger eeuw liet de welgestelde burger zijne meubelen en zijn huisraad voor zich maken, naar eigen smaak en fantazie; die meubelen en die gereedschappen behoorden tot zijn persoon, tot zijne omgeving; zij vertegenwoordigden zijn eigen verleden en gingen, als erfstukken der familie, van vader op zoon over. Aan bijna elk van deze voorwerpen hechtte zich voor den volwassen man, voor de zorgzame huismoeder, eene persoonlijke herinnering uit de dagen der kindsheid en jeugd; zij maakten als het ware deel uit van hun eigen leven, en kregen bij elke nieuwe generatie hoogere waarde, als echte relikwieën der familie. Maar toen ook was de huiskamer het ware middelpunt van elks bestaan, waartoe ieder zich haastte terug te keeren, zoodra de dagtaak in werkplaats, winkel of kantoor was afgeloopen, en zoo vaak niet de plichten jegens stad of kerk of polder naar elders riepen. Onze uithuizigheid, ons leven op publieke plaatsen, ons rusteloos jagen naar allerlei soort van genot, dat ons vreemden maakt in eigen woning, was onzen vaderen geheel en al onbekend; en bij al hun vlijt en onvermoeide arbeidzaamheid was hun evenzeer onbekend die koortsige opgewondenheid, die hartstochtelijke drift, die overprikkelende, bedwelmende roes, die ons geslacht heeft bevangen, die wervelende maalstroom waarin wij leven en die ons, ook als de uiterlijke arbeid stil staat, toch innerlijk geene ruste meer gunt. Ons huis is voor steeds meerderen onzer eene tent, een logement geworden, waarin wij niet langer toeven dan strikt noodig is; hoe zouden wij bijzondere waarde hechten aan onze omgeving, of behoefte gevoelen aan een zekeren persoonlijken band tusschen ons en de voorwerpen, die wij heden in den eersten den besten winkel koopen, en morgen, als de gril der mode wisselt, naar een boelhuis zenden en door andere vervangen? Met een geheel ander oog bezag de Zaanlander zijne omgeving, als hij in zijne huiskamer, nevens de schouw, op de van ouds voor den heer des huizes bestemde plaats gezeten, met de voeten op het kurkenblad en met de onmisbare pijp in den mond, zijne blikken door het welbekende vertrek liet dwalen. Hij kent ze allen van kindsbeen af, die kasten en kastjes; hij weet wat ze bevatten; hij kent de rijmpjes op huisraad en tafelgereedschap van buiten en weet u de daarbij passende geschiedenis te verhalen; hij zou, in den donker, zonder aarzelen, den handmangel, de knipplank, de boodschapmand, den fraaien borstel met het geborduurde handvatsel, van den wand kunnen nemen. En wanneer gindsche staande klok, in haar sierlijk gesneden kast van notenhout, het uur slaat, dan herinnert hij het zich nog wel, mijmerende in het stille schemeruur, voor den breeden schoorsteen, eer de koperen luchter wordt aangestoken, die met zijn sober licht de rondom de schouw vergaderde huisgenooten beschijnt, maar het overige van het vertrek in geheimzinnige schaduw laat; dan herinnert hij het zich nog wel, hoe hij als kind, in stille verbazing en verrukking, naar die klok placht op te zien, wanneer, zoo vaak het vroolijk speelwerk zich hooren liet, er leven en beweging kwam in het arkadisch landschap boven de wijzerplaat. Hoe vaak gierde hij het dan uit van pret, als de haan begon te kraaien en te klapwieken met de vleugels, als de kippen gingen pikken naar haar voeder, als de koe begon te grazen, als de zwanen haar lange halzen uitrekten, als de molen begon [243] te draaien, de boerendeern te melken, en de hengelaar een vischje ophaalde uit het water. De vreugde duurde maar kort, want had de klok geslagen, dan keerde alles weer tot de gewone rust en onbewegelijkheid terug, doch de verrassing was telkens nieuw; en in ieder geval, de oude klok, die niet alleen het uur, maar ook de maand en den dag van het jaar aanwees, deed haar best om het wel wat eentonige leven in de stille huiskamer op te vroolijken. Daarvoor was hij haar dankbaar: daarom voelde hij zich aan haar gehecht, aan haar en aan alle voorwerpen, die haar sinds jaren in de huiskamer omgaven, en die elk hunne eigene geschiedenis hadden. Uit dien folio Bijbel, met koperen beslag en fraaie platen, die daar, aan de andere zijde van den schoorsteen, nevens eenige andere boeken, tegenover hem ligt, leerde hij als kind, aan moeders knieën, die wonderheerlijke verhalen, waarvan de heugenis nooit werd uitgewischt; in gindsche hooge bedstede met haar groene gordijnen, waarvoor het sierlijk besneden en met eene stichtelijke spreuk versierde bankje met gedraaide pooten staat, blies zijn vader, die nog in zijne jeugd naar Groenland had gevaren, den laatsten adem uit. Nog heugt het hem hoe hij, als knaap, den dierbaren doode daar had zien liggen, gekleed in het fijn linnen doodshemd met zwarte strikken en randen, dat elke jonge man en elke jonge dochter bij het uitzet medekreeg. Nog ziet hij de zware eikenhouten kist, met het zwarte kleed overspreid, waarvan de plooien het aantal levensjaren van den overledene aanwijzen, midden in de pronkkamer staan, omringd door de vrouwelijke leden der familie, terwijl de mannen in het rond langs de wanden zijn neergezeten. Nog ziet hij zich zelven daar staan, aan het hoofdeneinde der kist, met de sidderende hand in de hand zijner schreiende moeder, in rouwgewaad gekleed; nog hoort hij de plechtig eentonige stem van den schoolmeester, die een paar hoofdstukken uit den Bijbel voorleest. Hij ziet weder de steeds gesloten voordeur opengaan, de kist op de baar plaatsen en door de gehuwde buren optillen en naar de kerk dragen. Hij volgde, aan de hand zijner moeder, met alle andere bloedverwanten en vrienden, mannen en vrouwen, en zag de kist nederdalen in den geopenden grafkuil. Toen wierpen de naasten in den bloede er eenige scheppen aarde op—en daarmede was de plechtigheid afgeloopen. Immers, de familie behoort tot de Hervormde kerk, tot de strenge richting; en gebeden of toespraken of andere plechtigheden bij het graf, zouden haar, als “paapsche stouticheden”, een gruwel zijn geweest. Wel werd, na de terugkomst, in het sterfhuis door den predikant eene toespraak gehouden,—zoo zeer gevoelde men het, in spijt van het koude starre dogma, dat bij eene gelegenheid als deze de wijding en de troost der godsdienst niet ontbreken mag,—maar op het graf zelf mocht niets aan de vrome, aandoenlijk schoone en hart verheffende gebruiken en ceremoniën der oude Kerk herinneren. En toen werd er thee gedronken, en daarna koffie met krentenbrood en koek gebruikt, en werden, door den schoolmeester en nog een paar anderen, lijkdichten ter eere van den doode voorgelezen; en daarna werd het stil in huis, stiller dan het ooit geweest was.... En sedert was het leven zijn gewonen gang gegaan; hij was van knaap tot jongeling en man geworden, wiens kinderen en kleinkinderen het voorvaderlijk huis met telkens nieuwe lentevreugde vervulden, en wier kleine handjes hem, al lachende, voortduwden op den weg naar het graf. Wel, hij had zijn werk getrouw volbracht en God had zijn arbeid gezegend; hij had daarbuiten veel zien veranderen en een nieuwen tijd zien aanlichten, die ook voor zijn eigen omgeving, sinds eeuwen schier dezelfde gebleven, menige verandering brengen zou; die—zij het hier ook langzamer dan elders—het oude zou ondermijnen en sloopen en verdwijnen doen, om plaats te maken voor hetgeen nog de duistere toekomst in haar schoot verborgen houdt.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings