De Waarheid over Esperanto en Ido.
Reading edition
I.
Eene der voornaamste redenen, die mij deden besluiten deze bladzijden te schrijven is, dat ik persoonlijk betrokken ben geweest bij de heftige besprekingen, welke het vraagstuk eener wederlandsche hulptaal heeft opgeleverd. Met de meeste belangstelling heb ik alles nagegaan, wat over dit belangrijk onderwerp is geschreven en de ontwikkeling gevolgd van de gedachte eener wereldtaal. Ik was ten prooi aan al de angsten van den twijfel en leefde in eene afwisseling van hoop en moedeloosheid. Het is dus een ooggetuige, die voor u zijne verklaring komt afleggen, en die daarbij even onpartijdig als oprecht zal te werk gaan.
Toen ik in 1890 voor het eerst van eene wederlandsche hulptaal hoorde spreken, haastte ik mij te beantwoorden aan den tot mij gerichten oproep en trachtte ik, voor zoover mijne middelen het toelieten, die uitvinding te bevorderen.
Nochtans kon die wederlandsche hulptaal—het Volapük—mij niet geheel voldoen, hoofdzakelijk wegens de moeilijkheid harer uitspraak. Derhalve zette ik mij aan het werk, om zelf eene kunstmatige taal te vervaardigen.
Deze onderneming, waarop ik al mijne hoop stelde, eischte van mij oneindig veel opzoekingen en aanzienlijke uitgaven, doch vooral eene lange en moeilijke studie. Ik getroostte mij dat alles echter gemakkelijk, bij de gedachte, welke overgroote voordeelen het bestaan eener eenvoudige, doch volledige wereldtaal aan het menschdom zou verschaffen. Ook was ik eenvoudig genoeg om te meenen, dat die voordeelen voor eenieder zoo duidelijk waren, dat alle beschaafde volkeren in korten tijd eene dergelijke taal zouden aanleeren.
Doch opeens, te midden van mijnen arbeid, vernam ik, bij toeval, het bestaan van het Esperanto. Door nieuwsgierigheid gedreven, maakte ik er aanstonds kennis mee en bestudeerde de nieuwe taal. Weldra kwam ik tot het besluit, dat het Esperanto inderdaad eene wonderbare schepping mocht heeten. Ik staakte mijne opzoekingen, daar mijn werk geene reden van bestaan meer had. En reeds zag ik in mijne verbeelding de wonderen gewrocht door de nieuwe wederlandsche hulptaal, zoo eenvoudig, zoo buigzaam,
De studie van het Esperanto voortzettende, stuitte ik nu en dan wel op iets, dat ik misschien anders zou ingekleed hebben, doch, aangenomen zelfs, dat mijne veranderingen ook werkelijk verbeteringen waren geweest, waartoe zou het dienen wijzigingen aan te brengen daar, waar het niet volstrekt noodzakelijk is? Zou men, om eene kleinigheid zich in gevaar willen stellen, den vooruitgang tegen te houden?
Ik geloofde in mijnen eenvoud, dat iedereen er zoo over zou denken, doch helaas! al ras moest ik mij zelven bekennen, dat ik geene rekening had gehouden met eene min edele neiging der menschelijke natuur.
Ik heb inderdaad sedert dien verscheidene stelsels van wereldtalen in ’t licht zien geven, doch het waren slechts namaaksels van Esperanto, en deze ontdekking alleen mag beschouwd worden als een schitterend bewijs van de onschatbare waarde van het grootsche werk van Zamenhof.
Vele dier talen bevatten de willekeurigste wijzigingen; men zou waarlijk zeggen, dat de schrijvers ervan geene voldoende taalkennis bezitten, of wel dat het baatzuchtigen zijn, die de hoop koesteren zich beroemd te maken en de bewondering der menschen af te dwingen en zoo hunnen naam onder de nakomelingschap te doen voortleven.
Vergeten we niet, dat het betere vaak de vijand is van het goede. Onder de voorgestelde wijzigingen zijn er die met veel toegevendheid als verbeteringen zouden mogen aangemerkt worden, maar ze zijn op verre na niet belangrijk genoeg, om oneenigheid te veroorzaken en de esperantische beweging tegen te houden.
Ten andere betwisten de hervormers elkander de eer van het aanbrengen van wijzigingen. Zoo zagen wij achtereenvolgens de
In 1907 had ik de groote eer (?!) vier maatschappijen te vertegenwoordigen bij de «Delegatie voor de keus eener wederlandsche hulptaal.» Dat was eene taak van het allergrootste belang, waarvoor men ongetwijfeld buitengewone bekwaamheden moet bezitten, eene taak die een zwaren en langdurigen arbeid eischt, zoo zou men ten minste geneigd zijn te denken... Maar, och arme, dan heeft men het ver mis!
Ik had niets te doen dan mijnen naam op te geven en mijne bijdragen te betalen; mijnen naam om mij te verbinden, blindelings mijne eigene meeningen op te offeren, mijn geld ter ondersteuning van de bedrijvers van—eene onnoembare daad.
Hoe onwaarschijnlijk het moge schijnen, toch hebben vijf personen (waaronder de bewerkers van Ido) het durven bestaan met veel drukte te verklaren, dat de «Delegatie» Ido had aangenomen als wereldtaal. (Tot de Delegatie behoorden de schrijver dezer regelen alsmede vele anderen, die zij met zorg vermeden hebben over dat punt te raadplegen).
Afschuwelijk!... Een der bewerkers van Ido had zorgvuldig zijn plan voor de leiders van het Esperanto verborgen gehouden en terzelfder tijd zooveel ijver aan den dag gelegd voor hunne zaak dat Dr Zamenhof, de schepper van het Esperanto, hem aanstelde, om zijne taal te verdedigen (men kan wel gissen, op welke wijze hij zich van die taak kweet) vóór de vergadering der «Delegatie».
Is dat trouweloosheid, ja of neen?...
Ziedaar de handelingen van die beruchte «Delegatie»! Welk gewicht kan men hechten aan hare beraadslagingen, welke achting is men schuldig aan hen, die ze leidden?
Daar ik vóór alles bezield ben met het vurig verlangen de wereld met eene wederlandsche hulptaal begiftigd te zien, zou ik niet aarzelen mij bij de Idisten aan te sluiten en Esperanto te verlaten, zooals ik vroeger Volapük verlaten heb, indien ik redenen vond even gewichtig als die, welke mij deden besluiten van de laatste taal af te zien. En daarom ook heb ik, niettegenstaande de treurige omstandigheden, welke het ontstaan van Ido omringden, de ontwikkeling dezer taal van nabij gevolgd. Welnu, nog steeds wacht ik te
«Laat ons eenen zin kiezen en wij zullen u doen veroordeelen.» Ziedaar de tactiek, welke in ’t algemeen de voorstanders van Ido volgen, wanneer zij Esperanto willen tegenwerken. Ze stellen heel gebrekkige esperantische zinnen samen, meestal vol fouten,—we hebben er te Antwerpen een staaltje van gezien—en daarop beroepen zij zich, om eenen schijn van waarheid te geven aan hunne dwaze beweringen en verkeerde oordeelvellingen. Daar zij meestal zelve de taal niet kennen, welke zij beknibbelen, zijn ze maar weinig kieskeurig bij het zoeken naar bewijzen, en zoo slagen zij er soms in, personen, die niet voldoende op de hoogte zijn, tot hun inzicht over te halen.
Voor geene trouwelooze middelen terugschrikkende en alleen met het doel het Esperanto te vernederen en in waarde te doen dalen, verkondigen sommige Idisten met groot lawaai, dat er zijn, die de propaganda voor Esperanto steunen, om er profijt uit te trekken, en ze durven er zelfs bijvoegen, dat winstbejag de oorzaak is geweest van eene zekere tweedracht tusschen voorname Esperantisten.
Aangenomen zelfs, dat die beweringen eenige waarheid zouden bevatten, ware dit dan een bewijs, dat hunne taal beter is? Is dat niet zijne toevlucht nemen tot kleingeestige middelen, die eenieders oogen moeten openen voor de uiterste zwakheid van hunne taalkundige bewijzen?
Dit alles belet echter niet, dat er wel Idisten kunnen zijn, die geheel te goeder trouw handelen bij het verspreiden hunner taal, doch hebben zij de bewijsstukken, welke men hun heeft voorgelegd wel grondig onderzocht, en zijn ze niet misleid geworden door het marktgeschreeuw van hen, die ze aanboden? Allen, die verlangen met kennis van zaken een oordeel te kunnen vellen over Esperanto en Ido, raden wij aan de volgende werken te doorbladeren, welke hen volkomen op de hoogte der zaak zullen brengen:
Autour de l’Esperanto, par Camille Aymonier;—édit.: Office Central Espérantiste, 51, rue de Clichy, Paris.—Fr. 0,50.
Réponses à quelques objections, par Rollet de l’Isle;—édit.: 51, rue de Clichy, Paris.—Fr. 0,25.
Le Problème de la Langue Internationale, par Boirac;—édit.: 51, rue de Clichy, Paris.—Fr. 0,25.
Pourquoi je suis devenu espérantiste, par Archdeacon;—édit.: Arthème Fayard, Paris, 18 et 20, Rue du St. Gothard.—Fr. 2,00.
La question de la Langue auxiliaire Internationale, par Gautherot;—édit.: Hachette, Boulevard St. Germain, 79, Paris.—Fr. 3,50.
Faut-il réformer l’Espéranto? par Kolowrat;—édit.: Presa Esperantista Societo, Paris, Rue Lacépède, 33.—Fr. 0,25.
L’Esperanto—Réponse à des critiques, par C. Aymonier;—édit.: Editions de la Revue du mois, Paris, 2, Boulevard Arago.—Fr. 0.25.
La Langue Internationale auxillaire Esperanto, par le Général Sebert, membre de l’Institut de France;—édit.: Paris, 51, rue de Clichy.
Une Langue auxiliaire scientifique, par Carlo Bourlet, Professeur au Conservatoire National des Arts et Métiers à Paris;—édit.: Internacia Scienca Asocio Esperantista, 50, Rue Gauthier de Chatillon, Lille.—Fr. 0,30.
Voor hen, wien de tijd ontbreekt, om de zaak van nabij te onderzoeken, zullen we ons vergenoegen met hier het verschil tusschen den meervoudsvorm in Esperanto en dien in Ido te doen uitkomen. Wij kiezen dat punt, omdat de bewerkers van Ido het Esperanto laken vooral om het gebruik der uitgangen oj, aj, uj, voorkomende in den meervoudsvorm, en wijl ze het raadzaam gevonden hebben den eenvoudigen meervoudsvorm van Esperanto teenemaal omver te werpen ten einde die klanken te vermijden.
Esperanto.—Meervoudsvorm.—Eenige regel zonder uitzondering: Men vormt het meervoud der naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden door den half-klinker j bij het enkelvoud te voegen.
Voorbeelden: Bela urbo (schoone stad); meerv., Belaj urboj, Mia fingro; meerv., miaj fingroj.
Bemerking.—De letter j word altijd[1] uitgesproken als j in Jan en vormt in de meervoudige woorden ééne enkele lettergreep met den voorafgaanden klinker. Deze letter j doet dus niets anders dan den slotklank van het woord verlengen zonder er den klemtoon van te verplaatsen, die in het Esperanto altijd[2] op de voorlaatste lettergreep valt.
De uitgangen oj, aj, uj, vormen, wat men ook moge beweren, eene aangename verbinding met het woord, dat er op volgt, en geven aan de taal eene welluidendheid gelijk aan die, welke in de Grieksche taal zoo hoog geroemd wordt[3].
Ido.—Meervoudsvorm.
1o Voor de naamwoorden wordt de uitgang o vervangen door i homo (mensch); meerv., homi.
Bemerking: De naamwoorden, die op io eindigen, veranderen i in y, alvorens den meervoudsvorm aan te nemen; studio (studie) meerv., studyi.
2o Wanneer het bijvoegelijkbona (goed), meerv., bonai.
3o De bezittelijke voornaamwoorden volgen den regel der naamwoorden; la nia (de onze) meerv., la nii.
Uitzondering.—De voornaamwoorden, die eindigen op u, veranderen u in i; omnu (al, elk), meerv., omni.
Bemerking.—Men mag het bijvoegelijk naamwoord onveranderd laten en den meervoudsvorm geven aan het lidwoord[4].
La nia (de onze) meerv., la nii of wel le nia.
Volgens het voorgaande zou men meenen, dat de woorden boai en kakai meervoudsvormen zijn van bijvoegelijke naamw; toch is dat zoo niet. Zie maar; boao (boa), meerv., boai (naamword); kakao (cacao), meerv.,
Men zal bekennen, dat dit er alles behalve eenvoudiger uitziet dan de eenige meervoudsvorm, zonder uitzonderingen, van het Esperanto.
Wat de zaak nog veel ingewikkelder maakt, is dat de leerling in de gewone «volledige» (?) handboekjes van Ido, al die grilligheden niet aantreft en met behulp van zulk een handboekje zou het hem onmogelijk zijn het werkje «Historio de nia Linguo» van Dr Jespersen te vertalen.
Doch het wordt tijd tot een besluit te komen. Niet alleen op grond van eigen onderzoek maar ook om de overtuigende bewijzen van talrijke geleerden heb ik de voorkeur gegeven aan Esperanto boven Ido.—Ziedaar, waarom ik ook niet aarzel hier mijne meening neer te schrijven:
Het Esperanto is eene eenvoudige en welluidende
A. J. WITTERYCK. Voorzitter van den Belgischen Esperantischen Bond.
Januari 1913.
II.
De 10 Opwerpingen van Ido tegen het Esperanto weerlegd.
Wij geven hieronder de vertaling van een rondschrijven, door duitsche esperantisten onlangs uitgegeven, in antwoord op de beweringen van een ander rondschrijven, door de duitsche idisten verspreid.
1. Alphabet.—«Ido gebruikt het gewoon internationaal alphabet, en heeft dus geene beteekende letters.»
In het Esperanto-alphabet zijn de regels der phonetiek, welke anderszins door de theoretiekers van Ido vereischt worden, ten strengste nageleefd. Alleen in Esperanto, niet in Ido, komt aan iederen klank een teeken toe en beduidt elk teeken maar éénen klank. Verder is het Esperanto-alphabet meer geschikt tot het vertalen van eigennamen, en bijzonder van geographische namen. Het is ook praktischer en korter, ŝ en ĉ te schrijven dan sh en ch waarvan het laatste in de verschillende nationale talen op verschillende wijze wordt uitgesproken. De Esperantische ŝ, ĉ, enz., kunnen evenmin als een terugstap tegenover sh en ch aangezienjenante, injeniero, jeneroza, enz. De geringe nadeelen, welke de boventeekens voor het drukken kunnen teweegbrengen, kunnen, zooals de Ido-Boekdrukkerij het wel weet, vermeden worden en verdwijnen meer en meer door de steeds aangroeiende uitbreiding van Esperanto.
2. Klemtoon.—«Ido heeft eenen natuurlijken klemtoon (filio), niet eenen stijven, onnatuurlijken zooals Esperanto (filio).»
Die zoogezegde natuurlijke klemtoon legt aan hem, die Ido leert, een aantal regels en uitzonderingen over den nadruk en de uitspraak op, terwijl Esperanto éenen enkelen nadruksregel zonder uitzonderingen heeft.em», het Engelsch «system»;ont», het Engelsch «horizon»; het Duitsch «Komödie»,ie») en wordt zoodra verworpen dat er, al ware het maar éene vormingslettergreep aan het woord wordt toegevoegd. Een nadruksregel welke zonder uitzonderingen kan toegepast worden is dus het eenvoudigste en natuurlijkste vooral voor personen die maar eene taal machtig zijn, en zich niet verstaan aan zulke spraakkundige «fijnheden». De nadruk op de voorlaatste lettergreep van ieder woord geeft aan Esperanto eenen gemakkelijken, natuurlijk vloeienden rythmus welke aan Ido meestendeels ontbreekt.
3. Meervoud.—«Ido heeft den Italiaanschen, schoonen meervoudsvorm i,niet de zware, onschoone vormen oj, aj, uj.»
Doch Esperanto heeft de «schoone Italiaansche i» als uitgang der werkwoorden. Overigens die kwestie van smaak is zeer betwistbaar. De filologen der oude talen roemen algemeen de schoonheid der Grieksche taal, juist om haren rijkdom aan de volle klanken ai en ei. Van groot belang zijn deze Esperanto uitgangen voor de goed afgeteekende scheiding der woorden en voor het klare opvatten en onderscheiden van den gesproken tekst. De dienstigheid eener hulptaal ook vooral voor het mondeling gebruik schijnt voor de Idisten slechts bijzaak te zijn.
4. Hoedanigheidswoord.—«Ido heeft de»
Deze grootere eenvoudigheid is zoowel een nadeel als een voordeel. Want het spreekt van zelf, dat het hoedanigheidswoord, dat in getal en naamval met het hoofdwoord overeenkomt veel duidelijker zijn logisch verband te kennen geeft dan het onveranderlijke hoedanigheidswoord, en dat daardoor de inhoud van den zin gemakkelijker en vlugger begrepen, en eene grootere vrijheid in de volgorde der woorden verkregen wordt. Overigens in Ido is het hoedanigheidswoord niet altijd onveranderlijk, zooals men het beweert; in menig geval moet het de teekens van het meervoud en den accusatief aan nemen.
5. Werkwoord.—«Ido geeft den internationalen uitgang r in plaats van den willekeurigen vorm i van Esperanto. Ido kan daarbij de noemvormen in overeenstemming brengen met de tijdvormen.»
Deze zoogezegde internationale r wordt slechts bij Spaansche werkwoorden algemeen als uitgang uitgesproken, bij de meesteare, ire, ere; zij bevatten dus wel is waar eene r, maar niet als uitgang. Is het nu hoogst wetenschappelijk
Onder dat opzicht is de invoering van den uitgang ar in Ido eene der grootste misgrepen geweest. Het voorwendsel, dat hij ook in ’t Spaansch bestaat, houdt geen stand, want voor eene natuurlijke taal komt het er veel minder op aan, of zulke uitgang duidelijk onderscheidbaar is of niet, dan wel voor eene kunstmatige taal. Weldra hebben dan de ontwerpers van Ido bemerkt, dat eene r als eindletter bij het sprekenar wordt de aandacht bij het hooren afgewend van de hoofdzaak, den stam des woords, naar de nevenzaak, de vormingslettergreep. Men vergelijke:
Ido:tradukar,Esperanto:traduki.
»obediar,»obei.
»punisar,»puni.
»rapecar,»fliki.
Een ander onaangenaam gevolg is de storing in de zinsbetoning, storing welke zich voordoet telkens dat na een infinitief een tweelettergrepig woord komt. B. v.: Me volas skribar karto, tegenover het vloeiende Esperanto: Mi volas skribi karton.
Laten wij daarom aan ido, zonder het te benijden, zijne internationale r en behouden wij onze «willekeurige i»!
Eene tweede fout onder opzicht van klank is de uitgang ez voor de gebiedende wijze. Ook deze eindmedeklinker wordt slechts hoorbaar, wanneer men hem luid sist; ez is licht te verwarren met is. Men vergelijke daarmede den vollen krachtigen uitgang u van het Esperanto: lernu tegenover lernez. De nationale talen hebben de zachte, uitgesproken s meest in het midden of in ’t begin der woorden, en zelden op ’t einde. De opmerking, dat de gebiedende wijze in ’t Fransch ook op ez eindigt, is dwaas, daar onze z toonloos is.
6. Verbuiging.—«Ido heeft geenen verplichtenden accusatief, maar gebruikt dien slechts in de noodzakelijkste gevallen bij de woordomzetting.»
.... «Om hem dan ten slotte in de noodzakelijkste gevallen te vergeten, zooals het voorbeeld toont van den «vere idana leono» (zoo noemd «Idano» den heer Peus).[5] Want elk willekeurig gebruik van eenen grammatischen vorm eischt weder eenen bijzonderen regel om te bepalen wanneer, al of niet, die regel moet gebruikt worden. En wat weegt nu bij Ido tegen dit «voordeel» op? In de plaats van den verplichtenden accusatief heeft het de verplichtende woordorde, waarbij elke zin moet gebouwd worden volgens het schema «Onderwerp,
7. Woordenlijst.—A. «Ido gebruikt geene kunstmatige woorden zooals Esperanto.»
Doch het gebruikt daarvoor woorden uit eene doode taal, het Latijn; en men moet daarom in Ido 24 verschillende elementen leeren, waar in Esperanto 14 voldoende zijn. Buitendien, de zoogenaamde tabellenwoorden zijn in Esperanto niet geheel conventioneel: al de woorden met eenen onbepaalden zin beginnen met i, wat men in het Duitsch irgend terugvindt; de aanwijzende woorden met ti, wat in ’t Duitsch d, in ’t Engelsch th is; de ontkennende woorden hebben de n, die aan alle talen gemeen is; de vragende woorden beginnen met k (Fransche ki, Duitsche altijd w, Engelsche wh).
B. «De woordenstammen in Ido zijn niet willekeurig uitgezocht, zooals in Esperanto; zij zijn gekozen volgens het princiep der grootste internationaliteit.—B. v.: Uit het Duitsche Kavallerie, het Engelsch cavalry, het Fransch cavallerie, het Italiaansch cavallo, het Spaansch caballo, het Russisch kabaleria, kiest Ido voor het woord «paard» het eenige internationale woord kavalo; Esperanto heeft het misvormde Fransche woord ĉevalo.»
Inderdaad, Ido heeft het princiep der grootste internationaliteit, dat overigens in Esperanto ook overweegt, met meer nauwkeurigheid, maar ook met waanswijsheid doorgedreven. De Ido-geleerden hebben het princiep te veel naar den vorm behandeld; zij aanzien het als eene zuivere getalkwestie, en voor hentago, fremda, dika, veti, enz., uit Ido verbannen werden. Esperanto kent met recht aan het germaansch element wat meer invloed in de woordenlijst toe. Wanneer in bovenvermeld voorbeeld het Duitsche kavallerie ten gunste van kavalo (paard) word aangehaald, zoo kan men ook het Duitsche «Chevauxlegers» en «chevaleresk», en het Engelsch «chivalrous», ten voordeele van ĉevalo, inbrengen, welke vorm, zoo daaruit blijkt, niet alleen aan de Franschen bekend is. En zoo ĉevalo, een vervormd Fransch woord is, dan zijn de Ido woorden tuchar, chasar, chapelo, charniro, chanjar, enz., eveneens verminkte Fransche uitdrukkingen.
8. Woordafleiding.—«Ido»—Als voorbeeld volgt de vertaling van den zin: Een visscher kan visschen zonder visschen te vangen. Esperanto: Fiŝkaptisto povas fiŝkapti sen kapti fiŝojn (of beter): ne kaptante fiŝojn. Ido: Peskero povas peskar sen kaptar fishi.
Wat ontbreekt er aan de Esperanto vertaling? Het woordenspel en de lichte ironie, die in ’t Nederlandsch, of in ’t Duitsch, tusschen voor en nazin bestaat, wordt, door Esperanto, veel juister weergegeven dan door Ido, waar zij verloren gaan door het bijzondere woord peskar voor visschen. Of verwijt men den vorm fiŝkapti voor visschen? Dan beschouwe men eerst de Idowoorden tronsidar (op eenen troon zitten) voor tronen, en seglirar (zegel gaan) voor zegelen. (Men bemerkte ook weder, wanneer men den Ido zin leest, den storenden zinrythmus: kaptar fishi). Daarbij kan men in Esperanto voor fiŝkapti nog fiŝreti of fiŝhoki zeggen.
Komen wij nu tot de algemeenheden. De woordafleiding in Ido zou moeten klaar, logisch en regelmatig zijn voor het princiep der reversibiliteit (weerkeerbaarheid), een princiep dat voor den eenvoudigen mensch moeilijk te verstaan, en nog moeilijker om aan te wenden is, vooralnoodwendigheid en der toereikendheid, door de Saussure voor Esperanto vastgesteld, zijn dan minstens even zoo logisch, en buitendien veel eenvoudiger, daar zij de
Als voorbeeld van het voorgewende onlogische van Esperanto volgen de werkwoorden kroni, plumi, brosi, remi.
Zeggen wij vooreerst dat plumi verkeerdelijk wordt aangehaald:plumi in Esperanto, maar senplumigi.
Esperanto leidt de woorden kroni en brosi rechtstreeks van het hoofdwoord af, zooals in alle nationale talen: Duitsch krone - krönen, Fransch couronne - couronner, Italiaansch corona - coronare, Spaansch corona - coronar, Engelsch crown - to crown; eveneens bürste - bürsten, brosse -, spazzola - spazzolare, cepilo - cepilar, brush - to brush.
En met trots beroemt de opsteller zich verder over de onvoorwaardelijke regelmatigheid der woordafleiding:
«Ido daarentegen onderscheidt met juistheid....brosar per brosilo, remar per remilo.»
Indien men zich op die regelmatige woordafleiding van Ido vertrouwen wilde, zou men spoedig zijn eigen voordeel met het Ido-woordenboek in strijd zien komen. Zoo mag men niet zeggen:
hameren met eenen hamer,doormartelar per martelilo,
vijlen met eene vijl,»limar per limilo,
ziften met eene zift,»kriblar per kriblilo,
remmen met eene rem,»frenar per frenilo,
maar men moet zeggen:
martelagar per martelo,
limagar per limo,
frenagar per freno, enz.
En nochtans is het logisch verband tusschen al deze woordenparen hetzelfde als tusschen (riemen en riem) het Duitsch rudern en ruder; en het Fransch ramer en rame. Dat toont ons de «klare, logische en regelmatige woordafleiding» van Ido.
9. Ontwikkeling.—«Ido kan zich regelmatig en op betrouwbare wijze verder ontwikkelen, want de Ido Akademie, samengesteld uit bevoegde personen van verschillende taalgebieden, heeft tot last de taalkwesties te onderzoeken en volgens nauwkeurig bepaalde grondbeginsels op te lossen; in Esperanto daarentegen kan ieder, zelfs de meest onbekwame, volgens goeddunken nieuwe woorden invoeren en de taal voor vreemden onverstaanbaar maken.»
Ido is zeker niet meer bestand dan Esperanto tegen de mogelijkheid dat zijne aanhangers in hunne teksten verkeerde nieuwe woorden gebruiken. Maar dat zulke woorden als officieele woorden aanzien woorden, daarvoor is Esperanto zooveel als Ido gevrijwaard door zijne taal-Akademie. En dat nu de Ido-Akademie in tegenstelling
Dat ook de Esperanto-Akademie nauwkeurige grondbeginsels heeft vastgesteld, volgens dewelke de verdere ontwikkeling der taal zich regelen moet, dat zou de opsteller van vermeld schrijven eigenlijk moeten weten. Doch wat zou het baten? De «bevoegde personen» bevinden zich volgens hem in de Ido-Akademie.
10. Standvastigheid en vooruitgang.—«Ido is de ware internationale taal, want Ido vereenigt in zich de praktische standvastigheid en den wetenschappelijken vooruitgang, terwijl Esperanto alle fouten en onvolmaaktheden behouden moet, daar op het eerste kongres geheel onbevoegde, niet gevolmachtigde en toevallige deelnemers een boek als een ontastbaar fondament verklaard hebben dat tot in zijne klaarblijkelijkste fouten, ja zelfs drukfouten, onveranderlijk blijven moet.»
Wanneer men in den eersten zin het woord «Ido» door «Esperanto» vervangt, dan wint hij veel meer aan waarheid, want de praktische standvastigheid van Ido, die eerst in den loop van dit jaar werd ingevoerd, duurt slechts zoolang dat de «bevoegde personen» der Ido-Akademie die recht houden. (En het is bekend dat deze invoering der standvastigheid in het Idistisch kamp zelf vele tegenstanders gevonden heeft). Wanneer nu deze personen, zooals het reeds gebeurde, hunne wetenschappelijke meening verder wijzigen, of wanneer nieuwe arbeidslustige personen de Akademie binnentreden, dan kan die standvastigheid der taal weer licht aan ’t wankelen gaan. Want op taalgebied kan men betrekkelijk licht bijna geheel tegenovergestelde theoriën «wetenschappelijk» verdedigen.
Zeggen dat Esperanto alle fouten en onvolmaaktheden behouden moet, is niets dan eene der onrechtzinnige beweringen, welke de Idisten voortdurend aangaande Esperanto verspreiden, en welke door de gansche ontwikkeling van Esperanto werden tegengesproken. Overigens de beoordeelaar moet verder zelfs bekennen, dat zulke «heilige onaantastbaarheid» van het Fondament niet bestaat, en dat de erkende feilen er werden uitgeschrabt. Van de praktische
En hij besluit zijne «10 voordeelen» met de woorden
«Het onaantastbare fondament van Ido is 1o de eenvoudigheid der spraakleer, 2o de juistheid der woordafleiding, 3o de internationaliteit derbetrekkelijke begrippen zijn en verschillen volgens het beroep, de nationaliteit en de verstandsontwikkeling der personen die ze te bewaren hebben. Ido heeft dus eene wankelbare, Esperanto eene vaste bazis.
Tegenover deze 10 zoogezegde voordelen van Ido staat éen voordeel van Esperanto, dat tegen die 10 grootelijks kan opwegen, namelijk de toepassing van Esperanto op alle gebieden, in handel en nijverheid, kunst en wetenschap, bij het reizen, zoowel voor het schriftelijk als mondeling gebruik, en niet alleen in de betrekkingen tusschen wetenschappelijk ontwikkelde personen, maar ook tusschen die welke slechts een zeer eenvoudig onderricht genoten hebben. Eene uitgebreide toepassing is dan ook de ware proefsteen, voor eene zoo bij uitstek praktische zaak als eene hulptaal.
VOETNOTEN
Prix: Dix centimes.