Front matter
Reading edition


DE VUURVOGEL EN DE GRIJZE WOLF
GEÏLLUSTREERD
DE VUURVOGEL EN DE GRIJZE WOLF
Lange, lange jaren geleden, leefde in een groot rijk een machtig vorst, die drie zonen had. De jongste van hen heette Iwan Zarewitsch.
De vorst bezat een tuin zoo schoon, dat geen enkele stad ter wereld kon bogen op het eigendom van een dergelijken tuin. Bloemen en boomen van de zeldzaamste soorten groeiden er, terwijl de vreemdste vogels zongen en zich wiegden op de takken.
Niemand kon zeggen wat er het schoonste was. En daar vond de vorst na de warme dagen koelte en rust.
Er bevond zich echter een appelboom, waar de heerscher het meest van hield, want hij droeg gouden appels.
Eens bemerkte hij, dat met den dag de kostbare vruchten in aantal verminderden. Dat verdroot den vorst zeer, zoo erg zelfs, dat hij wijn noch drank gebruikte en door het groote verdriet zelfs niet slapen kon.
Eindelijk riep hij zijn drie zonen tot zich en sprak:
—Mijn lieve kinderen, jullie ziet, welk zwaar leed aan mijn hart knaagt; jullie moet weten, dat iederen nacht een dief in mijn tuin komt, die de gouden appels steelt, zoodat ik hun aantal met elken dag zie slinken. Hij, die den dief vangt, schenk ik de helft van mijn rijk en als ik sterf zal ook de andere helft hem toebehooren.
Toen spraken de zonen:
—Vader, wij zullen alles doen om den dief te snappen!
Daarna bespraken zij met elkaar wat zij zouden doen. Ten slotte werden zij het eens: ieder van hen zou ’s nachts in den tuin waken.
Den eersten nacht waakte de oudste.
Hij ging onder den boom zitten, en zat er wel een half uur. Hij kreeg pijn in al zijn ledematen en meende, dat het beter was, indien hij zich op het zachte gras ging uitstrekken.
Zoo gezegd, zoo gedaan! En terwijl hij er lag en overdacht hoeveel beter hij nu de zeldzame vruchten kon bewaken, sliep hij door al dat nadenken in, en ontwaakte pas, toen de helle, lichte zon hem in het gelaat lachte.
Verwonderd wreef hij zich de oogen, geeuwde herhaaldelijk en stond eindelijk traag op. Tot zijn vader, den vorst, zeide hij:
—Vannacht is de dief niet gekomen.
Gedurende den volgenden nacht waakte de tweede. Hij ging onder den boom zitten en wachtte wel een uur. Toen meende hij, dat het beter zou zijn, indien hij zich in het groene gras neervlijde.
Hij strekte zijn ledematen uit en sliep in. Toen hij weer ontwaakte, was het reeds lang dag.
Hij rekte zich uit, gaapte herhaaldelijk en deelde den vorst mee:
—Vannacht is de dief niet gekomen.
In den derden nacht waakte Iwan Zarewitsch. Hij ging onder den boom zitten en verroerde zich niet. Een uur snelde voorbij, en nog een, en nog een. Maar hij hield de oogen open en werd niet slaperig.
Opeens, het was tegen middernacht, vloog dwars door den donkeren hemel, vanuit het Oosten, een vlammende ster. Snel als de bliksem schoot zij op den boom neer, waar prins Iwan onder zat.
De geheele tuin werd verlicht, alsof hij door duizend lichtjes werd beschenen. Nu zag de prins in den boom een vogel zitten, die gouden veeren en oogen had. Dicht tegen den stam aangeleund stond Iwan. Zijn wangen gloeiden, nauwelijks waagde hij het te ademen. De vogel sprong van tak tot tak, en plukte de gouden appels.
Zacht kroop Iwan nader en greep den dief bij den vleugel. Maar door den schrik liet deze snel de vruchten vallen, steeg omhoog en vloog door de lucht weg.

Vanuit het Oosten vloog een vlammende ster (blz. 4)
Slechts een veer bleef in Iwan’s handen. Maar uit deze veer stroomde een licht, waardoor de geheele tuin in vlam scheen te staan.
’s Morgens ging Iwan naar zijn vader, en bracht hem de veer van den vogel. En toen hij zijn vader de veer overhandigde, verlichtte deze op zulk een wonderlijke wijze de omgeving, dat het scheen alsof er lichten in hem waren aangebracht.
Dat verbaasde den vorst niet weinig. Hij sprak:
—Mijn beste zoon, welk zeldzaam ding heb je daar bij je?
Iwan antwoordde:
—Vader, dat is de veer, die de dief als boete moest achterlaten. Want u moet weten, dat de vuurvogel uit het verre Oosten de dief is, die uw gouden appels steelt.
En hij vertelde ook hoe alles verliep. Toen omarmde hem zijn vader en kuste hem innig op het voorhoofd.
Van dezen tijd af kwam de vuurvogel niet terug, zoodat er geen gouden appels meer werden gestolen. Daardoor kreeg de vorst meer levenslust; hij vergat de ernstige dagen.
Nogmaals liet hij zijn zonen voor zich verschijnen, en sprak tot hen:
—De tijd is nu aangebroken, dat jullie de wijde wereld in moet trekken, om jullie geluk te beproeven. Ik geef je mijn zegen en beveel jullie te vertrekken. Zoekt wat je wilt: roem, eer, avonturen, maar tracht voor alles den vuurvogel te vinden. Wie hem mij levend brengt, dien schenk ik, wat ik heb beloofd, de helft van mijn rijk en als ik sterf zal ook de andere helft voor hem zijn.
Nu koesterden de beide oudste prinsen een diepen haat tegen hun broeder, omdat het hem was gelukt den vuurvogel een veer te ontrukken. Om nu te verhinderen, dat Iwan hen voor zou zijn, vertrokken zij in allerhaast.
Thans trad de jongste voor zijn vader en sprak:
—Vader, geef mij den zegen, opdat ik het voorbeeld mijner broeders volg. Ik zou ook gaarne mijn geluk beproeven … Het zou mij bovendien verheugen, indien ik u den vuurvogel mocht brengen.
Maar de koning sprak:
—Mijn innig geliefde zoon! Jij bent nog jong en de tijd, dien je noodig hebt, is lang. Ik echter snel het einde mijner dagen tegemoet. Ik weet niet wanneer ik sterven zal. Als jij me ook verlaten hebt, terwijl ik afscheid van het leven neem, wie zal dan het volk regeeren en het over mogelijke tweedracht heen helpen?
Maar het gelukte hem niet zijn jongsten zoon van z’n voornemen af te brengen. Daarom schonk hij hem tenslotte zijn zegen, en beval hem te vertrekken.
Zonder te vragen of het dichtbij of ver af was, hij vervolgde recht aan recht toe zijn weg. Tot hij in een breed, groen dal kwam, waar middenin een wegwijzer stond, die drie armen had.
Op den eersten stond vermeld:
«Hij, die dezen weg betreedt, zal verhongeren en bevriezen.»
Op den rechter arm stond te lezen:
«Hij, die dezen weg betreedt, zal blijven leven, maar zijn paard is ten doode opgeschreven.»
Den linker arm verkondigde:
«Hij, die dezen weg betreedt, is ten doode opgeschreven; maar zijn paard zal blijven leven.»
Prins Iwan bedacht zich een poosje. Hij nam den rechter weg, na de overweging, dat weliswaar zijn paard sterven moest, maar dat hijzelf in leven bleef. Later zou hij zich wel een ander paard kunnen aanschaffen.
Na een tocht van drie dagen kwam hij in een groot, ondoordringbaar woud. Maar uit het woud kwam hem een reusachtig groote grijze wolf tegemoet.
Deze sprak tot prins Iwan:
—Prins Iwan, waarom bereedt gij dezen weg? Want nu moet uw paard sterven!
En nog voordat de prins zijn zwaard kon trekken, was zijn paard verscheurd.

In vliegende vaart trokken zij verder (blz. 9)
Bedroefd trok prins Iwan te voet verder. Hij liep den geheelen dag aan een stuk door. Toen hij zich tenslotte doodelijk vermoeid neerzette, om wat uit te rusten, stond nogmaals de grijze wolf voor hem.
Deze sprak:
—Het spijt me erg voor u, prins Iwan, dat ik uw braaf paard heb verscheurd. Maar het moest! Of hebt gij niet gelezen, wat er achter u stond geschreven? Vergeet nu echter uw leed; want voortaan zal ik u dienen. Vooruit! Ga op mijn rug zitten! Ik zal u brengen, waarheen ge wilt!
Toen vertelde prins Iwan, waarom hij vertrokken was, zoodat hij wel zou moeten reizen tot aan het einde der wereld. Daarna ging hij op den grijzen wolf zitten. In vliegende vaart, vlugger dan een vogel, trokken zij verder. Tot zij tegen middernacht voor een hoogen muur stil hielden.
Toen zei de grijze wolf:
—Wij zijn er. Achter dezen muur is een tuin, en in den tuin staat een kooi, waarin de vuurvogel zit. Neem hem nu, maar wees voorzichtig en raak de gouden kooi niet aan! Als ge deze meeneemt, kunt ge er niet meer vandaan, en zal men u gevangen nemen.
Prins Iwan klom over den steenen muur in den tuin. Deze was zoo helder beschenen, alsof de zon haar stralen er in wierp. Dit licht kwam van den vuurvogel, die in een gouden kooi zat, welke midden in den tuin stond.
Van verbazing bleef Iwan een oogenblik staan. Zoodra hij tot zichzelf kwam, loerde hij naar alle kanten, sloop naderbij en nam dan den vogel uit de kooi.
Maar toen hij overwoog, waar hij den vogel kon bewaren, vergat hij de vermaning van den grijzen wolf, en nam hij ook de gouden kooi mee.
Opeens weerklonk luid belgerinkel door den geheelen tuin, want van de kooi uit liepen zilveren draden naar alle kanten. Nu ontwaakten de bewakers, grepen Iwan met den vuurvogel en brachten den jongen prins voor koning Dalmat.
Deze was vreeselijk boos en schreeuwde Iwan met vertoornde stem toe:
—Wie ben jij, schurk in ridderkleedij. Waar gelden zulke gebruiken?
Prins Iwan antwoordde:
—Ik ben van koninklijken bloede zooals U, en de zoon van een machtig vorst. Deze vogel is de dief, die iederen nacht de gouden appels uit mijn vaders tuin steelt.
Waarop de koning antwoordde:
—Een prins zijt ge? Maar dan haalt ge geen edele daden uit! Als u mij er om had verzocht, dan had ik u den vuurvogel vrijwillig gegeven. Nu verdient ge, dat ik u door het geheele land stuur en bekend maak, hoe schandelijk gij mij hebt behandeld.
—Luister echter. Als u door driemaal negen landen naar het drie maal tiende koninkrijk trekt, bij koning Alfons, en ge brengt mij nu het paard met de gouden manen, zal ik uw wandaad vergeven en u met eerbewijzen den vuurvogel overhandigen.
Prins Iwan sloeg beschaamd de oogen neer en beloofde het paard met de gouden manen te zullen brengen.
Diep bedroefd keerde hij naar den Grijzen Wolf terug.
—O, domme jongen, riep deze hem van verre al tegemoet. Waarom heb je niet naar me geluisterd en toch de gouden kooi aangeraakt?
—Ik ben door jou schuldig, antwoordde prins Iwan, en jij alleen kan het weer goedmaken! Breng mij naar koning Alfons, bij wien ik het paard met de gouden manen moet halen.
—Het zij zoo, bromde de wolf, ga op me zitten! Ik zal je brengen waar je heen wil.
Toen ging prins Iwan weer boven op den Grijzen Wolf zitten, en als een pijl uit een boog schoten zij vooruit.
Diep in den nacht kwamen zij voor het slot van koning Alfons.
De Grijze Wolf sprak nu tot den prins:
—Ga in den marmeren stal. De knechten slapen nu, zoodat het je niet moeilijk zal vallen het paard met de gouden manen uit den stal te brengen. Maar aan den muur hangt een gouden tuig; denk er vooral om dat niet aan te raken! Wanneer je dit tuig neemt, kan je niet meer weg en wordt je gevangen genomen.
Iwan ging in den marmeren stal en vond, zooals de Grijze Wolf had gezegd, de wachters in slaap en het paard met de gouden manen los op z’n plaats.
Toen hij het echter naar buiten wilde brengen, ontwaarde hij aan den muur het gouden tuig. Het schitterde zoo mooi, dat hij de waarschuwing van den Grijzen Wolf vergat en ook het tuig meenam. Maar nauwelijks had zijn hand het tuig aangeraakt, of door al de stallen weerklonk klokgelui. Want van het tuig gingen zilverdraden uit naar alle kanten.
De paarden begonnen te trappelen; de wachters werden wakker, grepen den dief en brachten hem voor koning Alfons.
Deze was vreeselijk boos en schreeuwde Iwan met vertoornde stem toe:
—Wie ben jij, schurk in ridderkleedij? Waar gelden zulke gebruiken?
Prins Iwan antwoordde:
—Ik ben van koninklijken bloede zooals U, en de zoon van een machtig vorst.
—Als ge als prins tot mij waart gekomen, dan had ik u het paard met de gouden manen als eerbewijs ten geschenke gegeven! Nu verdient ge, dat ik door het geheele land bekend maak, hoe schandelijk gij mij hebt behandeld!
Prins Iwan sloeg beschaamd de oogen neer. Maar de koning begon opnieuw:
—Luister, prins! Als gij door driemaal negen landen trekt, naar het drie maal tiende koninkrijk, en mij den dienst bewijst de schoone Helena te halen, dan zal ik u uw wandaad vergeven, en u het paard met de gouden manen en ook het gouden tuig schenken.
Prins Iwan beloofde de schoone prinses te zullen brengen, waarna hij in de grootste droefheid naar den Grijzen Wolf terugkeerde.
—O, domme jongen, riep deze hem van verre al tegemoet. Waarom heb je niet naar me geluisterd, en nam je het gouden tuig?
—Ach, ik deed er verkeerd aan. Ik moet zonder vrede blijven als jij me niet helpt!
—Kom, ga op me zitten, vervolgde de Grijze Wolf, dan zal ik je brengen, waarheen je wilt. Maar nu is het mijn beurt!
Het duurde niet lang of zij waren drie maal negen landen doorgetrokken, en bevonden zich in het drie maal tiende rijk. Toen kwamen zij in een breed dal. In het midden daarvan stond een groene eik.
—Stijg af, prins Iwan, sprak de Grijze Wolf, en wacht hier onder dezen eik op mij!
De prins deed, wat hem was bevolen. Maar de Grijze Wolf liep door tot hij voor een gouden hek kwam, waarachter zich de tuin bevond der schoone prinses. De Grijze Wolf sprong over de omheining en verstopte zich achter kreupelhout.
Tegen den avond, toen de zon reeds in het Westen wegzonk en koele windjes in den tuin waaiden, begaf de koningsdochter zich met haar kamermeisjes naar den tuin, waar zij babbelend en schertsend heen en weer wandelden.
Toen zij echter de plek naderden, waar de Grijze Wolf verscholen zat, sprong deze plotseling van achter het kreupelhout te voorschijn. Hij greep de schoone koningsdochter vast en ontvluchtte over het hek heen.
Haar bewaaksters en kamermeisjes, die met haar in den tuin waren, weenden en snelden naar het paleis terug.
Het geheele hof liep te hoop. De koning zond hardloopers en jagers er op uit om den Grijzen Wolf in te halen. Maar hoe hard zij ook liepen, zij konden hem niet inhalen. Zij keerden onverrichterzake tot hun heer en meester terug.
Intusschen nam Iwan de schoone koningsdochter van den Grijzen Wolf over en legde haar voorzichtig op het gras. Zij lag er bleek en stil, alsof zij dood was, zoo hevig had de Grijze Wolf haar doen schrikken.
Spoedig opende zij de mooie oogen, zag den jeugdigen prins en bloosde diep, wat haar nog schooner maakte dan zij gewoonlijk was. De prins nam haar vóór zich op den rug van den Grijzen Wolf, die weer als een pijl uit den boog voortvloog, naar het land van koning Alfons. Maar toen zij voor diens paleis aankwamen, wilde de prins en de prinses niet meer van elkaar scheiden. De schoone koningsdochter weende bitter en Iwan was diep bedroefd.
Nu vroeg de Grijze Wolf:
—Waarom ben je zoo bedroefd, Iwan?
En de prins antwoordde:
—Ik moet wel weenen en treurig zijn! Ik kan onmogelijk van de prinses scheiden en geef haar niet in ruil voor het paard met de gouden manen. Maar als ik het niet doe, ben ik voor de geheele wereld onteerd!
—Ik heb je tot nu toe gediend, antwoordde de Grijze Wolf, ik zal je ook nu dienen.
—Luister, Iwan! Ik zal me omtooveren in een prinses, en als twee droppels gelijken op de schoone Helena. Jij moet mij naar koning Alfons brengen, zoodat je dan het paard met de gouden manen in ruil ontvangt. Heb geen zorg voor mij! Zoodra je aan mij denkt, ben ik weer bij je.
Toen wierp de Grijze Wolf zich op den grond, en opeens stond voor prins Iwan een prinses, die zoo sprekend op de schoone Helena geleek, dat hij niet kon onderscheiden wie de echte of de valsche was.

Opeens stond voor prins Iwan een prinses (blz. 14)
Nu verlangde de prinses geworden Wolf, dat de prins hem zou volgen. Maar de schoone Helena gebood hij in het woud te wachten.
Toen prins Iwan met de zoogenaamde prinses bij koning Alfons kwam, was deze zeer verheugd. Hij schonk dus Iwan het paard met de gouden manen. Iwan wachtte niet lang, sprong op het paard en snelde weg.
Spoedig werden voorbereidselen getroffen voor de bruiloft. Koning Alfons wilde zijn bruid naar de tafel geleiden. Maar toen hij haar hand wilde vatten, voelde hij in de zijne een ruigen zwaren poot. En tot hevigen schrik van al de aanwezige gasten ontwaarden zij, in plaats van een schoone bruid, een reusachtig grooten grijzen wolf naast den koning. Maar voordat zij goed en wel beseften wat er juist gebeurde, was de wolf al de deur uit en verdwenen.
Intusschen reed prins Iwan met de echte prinses steeds verder. Zij hadden zooveel met elkaar gesproken, dat zij den Grijzen Wolf geheel vergaten. Maar toen Iwan eens aan hem dacht en sprak:
—Ach, waar is mijn Grijze Wolf? stond de Grijze Wolf al voor hem, en zei:
—Ga op mijn rug zitten, Iwan, en laat de schoone bruid op het paard met de gouden manen rijden.
Toen sprong prins Iwan van het paard en nam weer plaats op den rug van den Grijzen Wolf. En zoo trokken zij naar het rijk van koning Dalmat. Maar toen het oogenblik was aangebroken, dat hij het paard met de gouden manen aan koning Dalmat moest overgeven, overviel hem nogmaals een groote droefheid. Nu vroeg de Grijze Wolf weer:
—Waarom ben je zoo bedroefd, Iwan?
—Ach, antwoordde deze, ik moet wel treurig zijn, want ik moet immers het paard met de gouden manen afstaan, dat mij zoo trouw heeft gediend. Maar als ik het niet doe, wordt ik voor de geheele wereld onteerd.
—Hoe dikwijls heb ik je niet tot nog toe gediend!… Ook nu zal ik je dezen dienst bewijzen, en me omtooveren in het paard met de gouden manen.
Toen wierp de Grijze Wolf zich op de aarde, en spoedig stond voor prins Iwan een paard met golvende, gouden manen. Het geleek zooveel op het andere, dat men niet kon zeggen, welke van beiden het echte was.
Nu sprak de Wolf, die in een paard was veranderd:
—Breng mij naar koning Dalmat, waarna je den vuurvogel zal ontvangen. En wanneer je maar aan mij denkt, zal ik weer bij je zijn.
Aan de schoone Helena gebood hij voor de stad te wachten.
Toen prins Iwan voor het paleis van koning Dalmat kwam, en deze het paard met de gouden manen zag, verheugde hij zich er zoozeer over dat hij zijn vertrekken verliet en zijn gast tegemoet snelde. Hij nam den prins bij de hand, en bracht hem naar de marmeren zaal. Daar overhandigde hij hem den vuurvogel met de gouden kooi.
Iwan weifelde niet lang, nam vogel en kooi, en verliet de stad.
Op zekeren dag had koning Dalmat lust op het paard met de gouden manen ter jacht te gaan. Hij beval het te zadelen en trok met de geheele hofhouding naar het woud. Er waren geen woorden genoeg om het heerlijke paard te loven.
Opeens schoot vanonder den koning een grijze wolf weg.
—Houdt hem! Er achterna! riepen allen. Maar niemand was hierop voorbereid.
Prins Iwan was intusschen met zijn schoone prinses ver op weg naar zijn vaderland. En toen hij opeens dacht:
—Ach, waar is mijn Grijze Wolf? stond deze reeds voor hem en sprak:
—Ga op mijn rug zitten, Iwan, en laat de schoone bruid echter op het paard met de gouden manen rijden!
Nu nam Iwan plaats op den Grijzen Wolf, en zoo trokken zij weer verder.
Toen zij op de plek kwamen, waar de Grijze Wolf het paard van den prins had verscheurd, bleven zij staan. En de Grijze Wolf sprak:
—Welnu, prins Iwan, ga van mijn rug. Ik kan je voortaan niet meer dienen. En in ’t vervolg moet je jezelf helpen. Maar wees voorzichtig, en stel geen vertrouwen in je broeders!
Bij deze woorden verdween hij in het woud.
Iwan wachtte nog een lange poos, in de hoop, dat de Grijze Wolf zou terugkeeren. Toen hij echter bemerkte, dat hij tevergeefs wachtte, zette hij treurig gestemd met de schoone prinses, het paard met de gouden manen en den vuurvogel zijn reis voort.
Hij had nog een twintig mijlen af te leggen. In de verte ontwaarde hij in het groene veld een tent, welke hij tegen den avond bereikte. Wie beschrijft zijn vreugde, toen hij zijn broeders uit de tent zag komen!
Zij hadden evenals hij de verst verwijderde koninkrijken doortrokken, maar den vuurvogel hadden zij niet gevonden, en juist terzelfdertijd keerden zij met leege handen naar hun vaderland terug.
Toen zij nu het paard met de gouden manen zagen en de schoone koningsdochter er boven op, en den vuurvogel in de gouden kooi, brak hun haast het hart van naijver. Maar zij veinsden de vreugde van hun broeder te deelen.
Met vriendelijke woorden noodigden zij hem en de prinses in de tent, en zetten hen spijzen en drank in overvloed voor.
Iwan, die door den sterken drank verhit en beneveld was, vergat de waarschuwing van den Grijzen Wolf, en vertelde wat er was gebeurd. In zijn vreugde bemerkte Iwan niet hoe zijn broeders steeds van gelaatskleur wisselden.
Het duurde niet lang of Iwan en de prinses, vermoeid door de lange reis, vielen in diepen slaap. Toen lachte de oudste spottend. Hij trok zijn zwaard en stak zijn broeder midden in het hart.
Daarna wekten zij de schoone koningsdochter en zeiden haar, dat zij haar nu naar hun vader zouden brengen met den vuurvogel en het paard met de gouden manen. Maar toen de prinses zag, dat Iwan was vermoord, brak zij in bitter geweeklaag uit en klaagde onder tranen:
—Jullie booswichten, wat hebben jullie daarmee gewonnen? Is een slapend mensch niet als een doode?
Nu zette de oudste, die reeds den broer had overmand, ook haar het zwaard op het hart en sprak:
—Luister, schoone koningsdochter, je bent in onze macht, en nu moet je onzen vader zeggen, dat wij je veroverd hebben, en ook den vuurvogel en het paard met de gouden manen. Maar als jij dit niet wilt zeggen, zal ik je onmiddellijk om hals brengen!
In haar angst, dat zij sterven moest, beloofde Helena alles te zeggen wat haar zou worden bevolen.
De beide broeders begonnen nu te loten wie de schoone prinses en wie het paard met de gouden manen zou krijgen. Den tweede wees het lot de bruid aan, de oudste bekwam echter het paard met de gouden manen.
De laatste sprong weer op zijn paard en voerde dat met de gouden manen aan de teugels mee, terwijl de andere broeder de schoone koningsdochter bij zich hield. Zoo trokken zij naar hun vader, om hem den vuurvogel te brengen.
Intusschen lag Iwan al drie dagen dood op het veld. Het toeval wilde, dat de Grijze Wolf in de buurt rondzwierf, en den verslagen jongeling vond. Hij wilde hem helpen, maar wist niet hoe.
Radeloos sloop hij her en der tot de dag voorbij ging en de zon daalde. Omstreeks dezen tijd bemerkte hij opeens een raaf met twee jongen, die boven het lijk heen en weer vlogen, en er op wilden neerstrijken, om zich aan het vleesch te goed te doen.

Iwan lag al drie dagen dood op het veld (blz. 18)
Toen verschool de Grijze Wolf zich achter struikgewas, want hij wilde een raaf vangen. Op het oogenblik, dat de jonge vogels vraatzuchtig neerstreken, sprong hij te voorschijn, snapte er een en wilde de raaf verscheuren. Maar de oude raaf riep hem angstig toe:
—Ach, Grijze Wolf, doe mijn jong kind geen pijn, het heeft je toch geen kwaad gedaan!
De Wolf antwoordde:
—Luister, Raaf, je moet over driemaal negen landen en drie maal tien koninkrijken vliegen, en mij het water des levens en het water des doods brengen. Dan eerst zal je kind ongedeerd blijven.
En de raaf antwoordde:
—Ach, Grijze Wolf, ik zal het gaarne halen, maar deer mijn kind niet!
En toen de vogel deze woorden had gesproken, vloog hij weg en verdween spoedig in de lucht.
Drie dagen later keerde hij weer met twee fleschjes, waarin het water des levens en het water des doods was.
De Grijze Wolf nam de fleschjes, en toen hij ze had, verscheurde hij de jonge raaf in tweeën.
Daarna besproeide hij den deerlijk gehavenden vogel met het water des doods. De raaf groeide weer aan elkaar! Dan nam hij het water des levens; de kleine raaf richtte zich op en vloog weg.
Nu besproeide de Grijze Wolf den verslagen prins met het water des doods. Diens lichaam groeide weer aaneen. Toen de Grijze Wolf hem met het water des levens besprenkelde, stond Iwan op en sprak:
—Ach, waarom heb ik zoolang geslapen?
—Je zou eeuwig hebben geslapen, antwoordde de Grijze Wolf, als ik je niet hier gevonden had. Want je broeder heeft je neergeveld; de ander heeft je bruid genomen en zal vandaag met de schoone Helena trouwen.
Als een waanzinnige keek prins Iwan den Grijzen Wolf aan, en dacht slechts:
—Droom ik, of waak ik?
Maar deze sprak:
—Snel, Iwan, ga op mij zitten, opdat ik je naar je vader zal brengen. Anders zie je de schoone prinses niet terug!
Nu begreep prins Iwan eerst wat er in dien tusschentijd was gebeurd. Hij nam op den rug van den Grijzen Wolf plaats, en bevond zich spoedig voor de stad zijns vaders. Hier nam hij afscheid van den Grijzen Wolf, waarna hij de stad inging.
Toen hij het kasteel binnentrad, waren er reeds vele gasten verzameld. Boven aan tafel zaten aan den maaltijd de schoone Helena en zijn broeders, een aan haar rechter zij en een aan haar linker kant.
Maar toen de bruid, wier gelaat zeer bleek zag, den vreemden gast ontwaarde, sprong zij op en riep luid:
—Daar is mijn echte bruidegom; deze hier, die met mij aan tafel zat, is een booswicht!
Zij snelde naar Iwan toe en sloeg haar armen om zijn hals.
Nu verhief de koning zich van zijn zetel en vroeg, geheel in de war van verbazing, wat dat had te beteekenen. De schoone koningsdochter vertelde alles: hoe Iwan haar verkreeg; dat het paard met de gouden manen en den vuurvogel hem toebehoorden; hoe de broeders hem in den slaap vermoord hadden, en haar dwongen geen woord van het gebeurde te vertellen.
En Iwan vertelde verder: dat de Grijze Wolf hem tenslotte had gevonden, hem weer levend had gemaakt en hem hierheen had gebracht, zoodat alles nog op het laatste oogenblik opgehelderd kon worden.
De koning was nu vreeselijk vertoornd. Hij beval, dat de beide broeders onmiddellijk in de ketens geklonken moesten worden en in den kerker geworpen.
Prins Iwan plaatste de koning nog in hetzelfde uur aan het hoofd van het geheele rijk. En de schoone Helena werd tot koningin uitgeroepen en leefde in eendracht en liefde naast haar Iwan, die tenslotte verkreeg, wat hij met zooveel moeite en strijd verworven had.
EINDE