DE EEND MET DE GOUDEN EIEREN
Reading edition
Er was eens een arme boer, die met zijn vrouw en zoon nauwelijks genoeg had om er van te kunnen leven. Hoezeer zij zich ook inspanden, toch waren hun inkomsten ontoereikend.
Op zekeren avond was het met ’t gezin zoo erg, dat moeder de vrouw de haren niet meer kon voorzetten dan een harden korst.
Maar op het oogenblik, dat zij het stuk brood wilde verdeelen, sloop van achter den oven een heks te voorschijn, rukte den korst uit de handen der arme vrouw en snelde naar haar schuilhoek terug.
De boer smeekte de heks, dat zij hen toch vooral niet het laatste hapje voor den mond weg zou rukken. Hij had tranen in de oogen. Geen kruimeltje was er meer in huis voor hem, zijn vrouw en zijn zoon.
Biddend om haar te vermurwen viel hij voor de heks op de knieën.
Maar het oudje antwoordde, dat zij niet meer teruggeven kon wat zij eenmaal afgenomen had. Zij wilde hem evenwel ter vergoeding een eend geven, die eiken dag een gouden ei zou leggen.
—Maar zeg mij, waar ik de eend vinden kan, antwoordde de boer ongeloovig, dan zullen wij gaarne honger willen lijden tot morgen ochtend.
De oude heks gaf nu tot bescheid:
—Ga morgen, voordat de zon boven de bergen stijgt naar de stad. Daar zal je op den vijver, de eend zien zwemmen!
Zoodra zij deze woorden had gesproken, was zij verdwenen. Maar vrouw en zoon wachtten nog een poos, want zij hoopten, dat het oudje zou terugkomen; zij kwam echter niet weer.
De vrouw zuchtte en de zoon jammerde luid; troosteloos wierpen zij zich op bed.

Hij viel voor de heks op de knieën (blz. 23)
De boer kon den geheelen nacht geen oog dichtdoen. Den volgenden morgen stond hij vroeg op en ging naar de stad. Daar zag hij werkelijk op den vijver de eend zwemmen.
Hij bedacht zich niet lang, lokte de eend, die onmiddellijk naar den oever kwam. Snel pakte hij haar en bracht den vogel naar zijn vrouw.
Deze betastte de eend en zei, dat zij een ei had. Hoe verheugd waren de drie boerenmenschen. De vrouw zette de eend in een groote kooi en bedekte haar met een zeef.
Een uur later stelden zij een onderzoek in en bevonden, dat de eend het ei had gelegd. Nu lieten zij de eend wat rondloopen op den deel, namen het ei, betastten en bekeken het aan alle kanten, wikten het op de hand, drukten het aan hart en lippen, streelden het de een na de ander en gedroegen zich dwaas van vreugde.
Want het was werkelijk en waarlijk een goed, geel-gouden ei. Toen zij het ten slotte genoeg hadden bewonderd, nam de boer het ei en bracht het naar de stad, om het te verkoopen. Daar gaf de goudsmid hem een groote som geld.
Natuurlijk ging de boer nu naar de markt, kocht er brood, vleesch en allerlei groenten, zooveel hij maar kon dragen en keerde met rijken buit naar huis terug.
Den volgenden dag legde de eend weer een ei, dat de boer voor den zelfden prijs aan den goudsmid verkocht.
Zoo ging het iederen dag en niet lang duurde het of de boer werd erg, erg rijk.
Nu bouwde hij zich een huis, kocht allerlei koopwaren en begon erin te handelen.
Toen hij eens erop uit getrokken was om nieuwe waren te koopen, kwam er een vreemde man in zijn huis. Deze ontwaarde de eend, maar wist niet, dat zij gouden eieren legde. Hij verbaasde zich daarom er niet weinig over, dat het dier in de kamer verbleef en onder een zeef geborgen was, terwijl toch andere eenden op den vijver snaterend ronddreven.
Hij vermoedde nu, dat daar een geheim achter schuilen moest. Hij ging dichterbij en bekeek den vogel nauwkeuriger. Nu ontdekte hij, dat met gouden letters onder de vleugels stond geschreven:
«Hij, die de eend opeet, zal koning worden.»
Maar van deze ontdekking sprak hij geen woord, verzocht echter de boerin, dat zij de eend voor hem zou braden. Toen zij het niet wilde doen, probeerde hij het met vriendelijkheid, smeekte, dreigde en drong zoo indrukwekkend aan, dat zij bijna aan zijn verlangen voldeed. Maar zij waagde het niet uit vrees voor haar man.
De onbekende vroeg haar nu, waarom zij zoo’n groot belang had bij het behoud van die eend. Waarop de boerin antwoordde, dat haar geluk van de eend afhing, zoodat zij den vogel niet kon of durfde braden.
Maar de jonge man smeekte haar nog inniger en bepraatte haar zoo vriendelijk, dat de domme vrouw ten slotte de eend slachtte en in den oven zette.
De onbekende dacht bij zichzelf:
—Als de eend maar alvast is geslacht, dan ligt ze reeds half in mijn maag.
En hij ging weg, daar hij niet langer blijven kon, maar beloofde tegen den middag terug te komen.
De vrouw ging evenwel ook naar de stad.
Even later ging de zoon, die zich in den winkel bevond, naar achter. Hij had grooten honger. De jongen zocht naar wat voedsel om zijn honger te stillen. Opeens drong vanuit den oven een heerlijke lucht tot hem door.
Hij vond de gebraden eend, haalde ze voor den dag. De geur was zoo heerlijk, het vleesch zoo malsch, zijn honger zoo knagend, dat hij de eend zonder erover na te denken, heelemaal verslond. Hij liet alleen de beentjes over. En daarna ging hij weer in den winkel.
Niet veel later kwam de onbekende man terug. Hij was niet weinig verbaasd, dat hij de boerin niet thuis trof. Hij wachtte echter, hoewel met ongeduld, tot zij weerom kwam.
De man verzocht haar de gebraden eend op te dienen. Hoe groot was de ontsteltenis, toen de boerin ontdekte, dat de eend er niet meer was!
De vreemdeling werd boos en zeide:
—Je hebt zeker zelf de eend opgegeten?
Slecht geluimd ging hij weer heen.
’s Avonds kwam de boer en met hem ook de zoon thuis. De vader bemerkte dadelijk, dat de eend er niet meer was. Hij vroeg nu zijn vrouw, waar de vogel was gebleven. Zij antwoordde hem, dat zij er niet meer van wist dan hij, daar zij in de stad was geweest.
Nu vertelde de zoon aan zijn vader, dat hij ’s middags, toen zijn moeder niet thuis was, in den oven een gebraden eend vond, die hij tot op de beenderen opgegeten had. Maar hij wist niet of het de eend met de gouden eieren of een andere was geweest.
Toen de vader dat hoorde, werd hij woedend op zijn vrouw en joeg zijn zoon de deur uit.
De zoon ging heen, zonder te weten of te vragen waar naar toe. Nadat hij tien dagen en tien nachten had geloopen, kwam hij in een groot, vreemd land.
Het volk daar was in diepe rouw gedompeld. Want zijn koning was gestorven; het wist niet wien het op den troon zou roepen.
De wijzen uit het volk beraadslaagden en kwamen tot het volgende besluit:
«Hij, die den dag na deze vergadering het eerst door de stadspoort kwam, zou tot koning worden gekroond.»
Juist tegen dien tijd kwam de boerenzoon in de stad. Nu schreeuwde het geheele volk:
—Hier komt onze koning aan!
De ouderen en wijzen pakten hem bij de armen, brachten hem in de koninklijke vertrekken, staken hem in kostbare gewaden, zetten hem de kroon op het hoofd, knielden voor hem en verlangden onderdanig, dat hij zijn bevelen bekend maakte.
Onze koopmanszoon vertrouwde zijn eigen oogen niet. Hij dacht, dat hij droomde. Toen zij hem echter verzekerden, dat zij hem werkelijk tot hun koning hadden gekozen, verheugde hij zich werkelijk.
De boerenzoon werd een wijs en barmhartig heerscher. Zijn volk beminde hem zeer.
Toen hij eenigen tijd geregeerd had, liet hij zijn ouders komen, die hij vergaf en die hun ouden dag rustig en vreedzaam sleten.
EINDE