← Table of contents
De Reis naar de Maan in 28 dagen en 12 uren

Michel Ardan.

Evangeline translation

Indien dit bericht eenvoudig in een brief met de post ware aangekomen, zou er niets van zijn uitgelekt. Maar nu was het door de handen gegaan van Fransche, Iersche, Newfoundlandsche, Amerikaansche telegraafbeambten. Barbicane kon dus een tijding, die als een bliksemstraal uitschoot, onmogelijk verborgen houden. De voorzitter zou dit wel hebben gewenscht, want wat beduidde het? Het telegram kwam van een Franschman—misschien mystificatie? Had het schijn van waarheid, dat iemand op de wereld zoo roekeloos zou zijn om zelfs het denkbeeld van zulk eene reis in het hoofd te krijgen? En gesteld dat zoo iemand bestond, moest men hem dan niet eer in een gekkenhuis sluiten dan in een projectiel?

»er was een kruisvuur van toosten.” (Bladz. 59.)
»er was een kruisvuur van toosten.” (Bladz. 59.)

»er was een kruisvuur van toosten.” (Bladz. 59.)

»’t Kan niet!—Ongeloofbaar!—Spotternij!—Ongerijmd!—Belachelijk!” Al die uitroepingen en nog vele anderen moesten dienen om den indruk te kennen te geven, dien dit telegram maakte, zoodra het, eenmaal door de gedienstigheid van verbaasde telegrafisten »in vertrouwen” verhaald, zich als loopend vuurtje, inderdaad, »als een bliksemstraal” verspreid had.

Maston alleen zei: »Een diepe gedachte!”

»Zoo diep,” merkte de majoor aan, »dat men er zelfs niet aan denken kan haar voor den dag te halen.”

»En waarom niet?” vroeg de secretaris der Gun-club levendig en strijdvaardig. Maar hij vond geen partij.

De naam van Michel Ardan lag vooral te Tampa-Town op aller lippen. Men vroeg elkander: »Wie is die man? Bestaat hij?”

Toen Barbicane het denkbeeld opperde om een projectiel naar de maan te zenden, vond ieder die onderneming natuurlijk, uitvoerbaar, een zuivere zaak van artillerie. Maar dat een redelijk wezen in dat projectiel plaats wilde nemen en die onwaarschijnlijke reis beproeven,—dat was een dwaze inval, juist wat de Franschen zoo gaarne aangaande de Amerikanen zeggen: »een humbug.”

Hoe meer men er over dacht en praatte, des te meer kwam men er toe den geheelen Ardan en het geheele bericht uit te lachen. Doch daar waren er ook, die de zaak anders inzagen. Noemde men het een dwaasheid—hoe menigmaal was het niet gebeurd, dat heden waarheid bleek wat gisteren dolheid heette! Waarom zou die reis te avond of morgen niet eens kunnen gedaan worden?

Een andere vraag: Bestond die Michel Ardan inderdaad? Gewis, en zelfs was zijn naam in Amerika niet gansch onbekend. Michel Ardan, zoo heette een Europeaan, befaamd wegens zijn krasse ondernemingen. En dan nog: een telegram, de naam van het schip.... neen! dat alles kon geen verzinsel zijn.

Maar men wilde meer dan gissing en redeneering—men wilde zekerheid hebben. Dus, naar de woning van Barbicane; den voorzitter der onderneming!

Deze had zich over het telegram volstrekt niet uitgelaten. Hij wilde afwachten. Maar nu was er een oploop onder zijn ramen. Niet waar? Op hem rustten al de plichten van een hooggeplaatst persoon, en dus ook die om zich den volke te vertoonen.

Hij vertoonde zich. Een uit de menigte vroeg met ronde woorden: »Is de zich noemende Michel Ardan op reis naar Amerika, of niet?”

»Mijne heeren,” antwoordde Barbicane, »ik weet er niet meer van dan gij.”

»Gij moet het weten,” klonk het ongeduldig.

»De tijd zal het leeren,” sprak de voorzitter koeltjes.

»De tijd heeft het recht niet om een geheel land in het onzekere te houden,” antwoordde de spreker uit den hoop. »Hebt gij het plan van het projectiel veranderd naar het telegram?”

»Nog niet, mijne heeren; maar ge hebt gelijk, men moet weten waaraan zich te houden; de telegraaf, die deze geheele opschudding verwekt heeft, zal ons wel verder helpen.”

»Naar het telegraafkantoor!” riep de menigte.

Barbicane ging derwaarts vooruit en eenige minuten later was een telegram afgezonden aan den deken der makelaars te Liverpool, met verzoek om antwoord op deze vragen: »Is er een schip Atlanta? Wanneer heeft het Europa verlaten? Heeft het een Franschman Michel Ardan aan boord?”

Twee uren later ontving Barbicane een antwoord, dat niet den minsten twijfel overliet:

»Stoomschip Atlanta van Liverpool vertrokken 2 October naar Tampa-Town. Persoon met den naam Michel Ardan aan boord als passagier.”

De oogen van den voorzitter schitterden. Men hoorde hem mompelen: »Toch waar! En over veertien dagen is hij hier. Maar ’t is een gek, een waanzinnige. Ik zal nimmer toestaan....”

En toch schreef hij dienzelfden avond aan het huis Breadwill en Comp. om met het projectiel alles te staken tot nader order.

Den 20sten October, ’s morgens te 9 uur, zag men op de lichttorens van het Bahama-kanaal een dikken rook aan den horizon. Twee uren later wisselde een stoomjacht herkenningsteekenen en werd de naam der Atlanta naar Tampa-Town geseind. Te 4 uur was het stoomschip voor Espirito-Santo; te 5 liep het langs de reede van Hillisboro met vollen stoom; te 6 ankerde het voor Tampa-Town. Nauwelijks had het anker gevat of een sloep lag aan de Atlanta; Barbicane sprong aan boord en riep overluid: »Michel Ardan!”

»Present!” antwoordde iemand die aan de verschansing stond.

Met gekruiste armen, vragend oog en gesloten mond, keek Barbicane den passagier aan.

Het was een man van 42 jaar, lang, maar een weinig voorovergebogen, zooals de kariatiden die balken op het hoofd dragen. Zijn hoofd, bedekt met zwaar, borstelig haar, teekende vastheid van geest. Zijn gelaat was breed; onder den haviksneus prijkte een knevel, die wel iets had van dien eener kat; de mond was fijnbesneden. Voorts teekende zijn geheele persoonlijkheid kracht en vastheid, »eer gesmeed dan gegoten,” om een zijner technische uitdrukkingen over te nemen.

Wat Lavater in dat gelaat zou hebben gelezen, moeten wij in het midden laten. Een gewoon mensch zag Michel Ardan in den eersten opslag aan voor iemand die durfde, maar ook welwillend was. Wat hem vooral kenmerkte was iets onrustigs, iets beweeglijks, zoodat hij ook aan boord van de Atlanta nu hier stond, dan daar zat en nooit op zijn plaats bleef. In éen woord, Michel Ardan was een dier zonderlingen, zooals de Schepper ze wel eens uit grilligheid voortbrengt, maar waarvan hij den gietvorm terstond verbrijzelt.

Inderdaad, de inwendige persoonlijkheid van Michel Ardan leverde een ruim veld aan den menschenkenner. Die opmerkelijke man had een voortdurende neiging tot het overdrevene, lang voordat hij, om taalkundig te spreken, den overtreffende trap had bereikt; ieder voorwerp teekende zich op het netvlies van zijn oog in bepaalde vormen af. Vandaar een stapel reusachtige denkbeelden; hij zag alles in het groot, derhalve de moeilijkheden en de menschen.

Overigens was hij een echte waterrot. Van aanleg een man der kunst, naar den geest iemand, die het niet met groote woorden afdeed, maar spijkers met koppen sloeg. In een twistgesprek liet hij zich noch aan logica, noch aan kunst van sluitredenen gelegen liggen; hij zou die nooit uitgevonden hebben, en toch was de slag steeds aan hem. Het was zijn lust, iedereen te overbluffen en met een sabelhouw zijn partij armen en beenen stuk te slaan.

Tot zijn liefhebberij behoorde ook dat hij zich een »heerlijke weetniet” noemde, evenals Shakespeare. Voor al wat »wetenschap” heet koesterde hij diepe verachting; »die lui”, zeide hij, »doen niets dan punten aanteekenen, terwijl wij zitten te spelen.” In ’t kort, hij was een Zigeuner uit het land van bergen en wonderen; avontuurlijk, maar geen avonturier; een koorddanser wien de meest halsbrekende toeren de liefste waren; een Phaëton die de kar der zon mende, een Icarus met waarlooze vleugels. Met opgeheven hoofd stortte hij zich in de dolste ondernemigen; hij schroomde niet zijn schepen achter zich te verbranden, en welke bokkesprongen hij ook maakte, altijd kwam hij, als de beste kat, op de pooten terecht.

»Onmogelijk,” was voor hem een onzinnig woord. Zonder aarzelen zette hij den kop tegen een muur. »Die waagt wint,” was zijn lijfspreuk.

Om geld bekommerde Michel Ardan zich volstrekt niet; op dat punt was hij een Danaïden-vat. Op belang zag hij nimmer; beschaving was beneden hem. Hij zou in staat geweest zijn zich zelven voor slaaf te verkoopen en het geld te besteden tot losprijs van een neger.

In Frankrijk, ja door geheel Europa was Michel Ardan bekend als de bonte hond. En kon het ook anders, waar hij de honderdtongige faam zoo in zijn dienst had? Hij leefde immers in een glazen huis en maakte immers het geheele menschdom tot zijn vertrouwde? Maar hij bezat ook een rijke verzameling vijanden, en daaronder nog al eenigen die hij had gewond, geranseld, zonder genade doodgeslagen, terwijl hij zonder blikken of blozen zich met zijn ellebogen ruim baan maakte door de menigte.

»die aan de verschansing stond.” Bladz. 63.
»die aan de verschansing stond.” Bladz. 63.

»die aan de verschansing stond.” Bladz. 63.

Toch was hij gansch niet onbemind, en als hij bij een zijner salti mortali den nek scheen te moeten breken, keek iedereen zijn bewegingen met angst na. Men wist immers wat waaghals hij was! Als iemand hem wilde tegenhouden en hem een ongeluk voorspelde, luidde zijn gewoon antwoord: »men wordt slechts door zijn eigen vlooien”—eigenlijk noemde hij een ander diertje—»gebeten.”

Zulk een man was de passagier op de Atlanta, altijd opgewonden, altijd opborrelend als het water in een ketel boven ’t vuur, altijd in spanning, niet over ’t geen hij in Amerika kwam doen—daar dacht hij niet eens aan—maar tengevolge van zijn koortsachtig gestel. Indien er ooit twee menschen van tegenovergestelde natuur bijeen zijn geweest, dan waren het de Franschman Michel Ardan en de Yankee Barbicane; en toch kwamen zij daarin overeen, dat beiden ondernemend, volhardend, stoutmoedig waren, elk op zijne wijs.

De voorzitter van de Gun-club kon zich niet lang verdiepen in het beschouwen van den man die hem naar den achtergrond kwam schuiven; want de menigte hief een levendig gejuich aan. Deze kreten van hoezee! en leve! werden zelfs zoo uitgelaten en de geestdrift uitte zich zoo op den man af, dat Michel Ardan, na een duizendtal handen te hebben gedrukt, op ’t gevaar af van zijn tien vingers te verspelen, genoodzaakt was de wijk te nemen naar zijn hut.

Barbicane volgde hem zonder een woord te spreken.

»Gij zijt Barbicane?” vroeg hem Michel Ardan, zoodra zij alleen waren, en op een toon alsof hij hem twintig jaar gekend had.

»Ja,” antwoordde de voorzitter der Gun-club.

»Welnu, goeden dag, Barbicane. Hoe maak je ’t? Goed? Zooveel te beter!”

»Gij zijt dus,” sprak Barbicane zonder eenige andere inleiding, »besloten om te gaan?”

»Bepaald.”

»Houdt niets u terug?”

»Niets. Hebt gij het projectiel laten maken volgens mijn telegram?”

»Ik wachtte op uw komst. Maar,” vroeg Barbicane andermaal, nu met aandrang, »hebt gij u wel bedacht?”

»Bedacht! Heb ik tijd tot bedenken? Ik vind gelegenheid om een reisje naar de maan te doen, ik maak daar gebruik van—dat is alles. Ik vind niet dat daarover zooveel te bedenken valt.”

Met verbazing staarde Barbicane den man aan, die over zijn reisplan zoo losjes sprak als over een watertochtje op de rivier.

»Maar gij zult toch wel een reisplan hebben en middelen ter uitvoering?”

»Opperbest, mijn waarde Barbicane. Maar mag ik zoo vrij zijn u iets te doen opmerken. Ik verlang al mijn geschiedenis op een goeden dag aan heel de wereld te vertellen. Om nu herhalingen te voorkomen, moest gij intusschen uw vrienden, ook uw medeleden, de geheele stad, geheel Florida, geheel Amerika als gij wilt, bijeenroepen, en morgen zal ik bereid zijn mijn middelen te ontvouwen en te antwoorden op tegenwerpingen, welke ook.”

»Wees bedaard, ik zal ze gerust afwachten. Vindt ge dat goed?”

»Mij wel,” antwoordde Michel Ardan.

Daarop verliet de voorzitter de hut en deelde aan de volksmenigte het voorstel van den Franschman mede. Zijn woorden vonden levendige toejuiching.

Zoo werd ineens alle moeilijkheid afgesneden. Den volgenden dag kon iedereen op zijn gemak den Europeeschen held beschouwen. Toch wilden eenigen van de grootste heethoofden de Atlanta niet verlaten: zij bleven den nacht over aan boord. Maston had zijn haak zoo vast in den rand van den koekoek geslagen, dat bijna een kaapstander noodig was om er hem uit te trekken.

»’t Is een held! een held!” schreeuwde hij uit al zijn macht, »en wij zijn slechts oude wijven bij dien Europeaan!”

Nadat de voorzitter de bezoekers had verzocht zich te verwijderen, keerde hij naar de hut van den passagier terug en bleef er totdat het aan boord kwartier voor twaalf had geslagen. Toen scheidden de beide groote mannen met een handdruk en Barbicane zocht zijn legerstede op.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings