TWEE BRIEVEN, OVER HET LEVEN IN DE GEVANGENIS, AAN DE "DAILY CHRONICLE."
P. C. Boutens translation · Edition 2
I
HET ONTSLAG VAN DEN GEVANGENBEWAARDER MARTIN
D. C. van 28 Mei 1897.
WelEdelgeboren Heer,
Met groot leedwezen lees ik in Uw blad dat de gevangenbewaarder Martin van de gevangenis te Reading ontslagen is door de Commissie van Toezicht omdat hij aan een klein kind dat honger had, enkele koekjes heeft gegeven. Op den Maandag voorafgaande aan mijn ontslag zag ik zelf de drie bedoelde kinderen. Zij waren juist gevonnist en stonden in de groote hal op een rij in hun gevangeniskleêren met hun beddelakens onder hun arm op het punt om weggebracht te worden naar de voor hen bestemde cellen. Op dat oogenblik kwam ik door een der zijgangen op weg naar de ontvangkamer om daar een onderhoud met een vriend te hebben. Het waren heel kleine kinderen, de jongste—aan wien de gevangenbewaarder de koekjes gafwas een tenger kereltje waarvoor men klaarblijkelijk geen kleêren had kunnen vinden klein genoeg om te passen. Ik had natuurlijk veel kinderen in de gevangenis gezien in de twee jaar dat ik zelf opgesloten was. Vooral de gevangenis te Wandsworth bevatte steeds een groot aantal kinderen. Maar het kind dat ik in den namiddag van Maandag 17 dezer te Reading zag, was kleiner en tengerder dan een van hen. Ik behoef U niet te zeggen hoezeer ontdaan ik was over het zien dezer kinderen daar; want ik wist welke behandeling hen wachtte. De wreedheid waarmede dag en nacht kinderen in Engelsche gevangenissen worden behandeld, is ongeloofelijk behalve voor hen die haar hebben bijgewoond en de onmenschelijkheid van het stelsel beseffen.
De menschen van tegenwoordig begrijpen niet wat wreedheid is. Zij beschouwen haar als een soort schrikkelijken middeleeuwschen hartstocht, en denken haar verbonden met mannen als Eccelino da Romano en zijnsgelijken, wien het doordacht pijnigen van anderen een feilen roes van genot gaf. Maar menschen van het allooi van Eccelino zijn enkel abnormale typen van een verdorven individualisme. De alledaagsche wreedheid is eenvoudig stompzinnigheid. Het is volslagen gebrek aan verbeelding. Zij is in onze dagen het gevolg van vastgelegde stelselen, van hartvochtig-onwrikbare regelen, en van stompzinnigheid. Overal waar centralisatie is, is stompzinnigheid. Het onmenschelijke in het moderne leven is de ambtelijkheid. Gezag is even afbrekend voor hen die het uitoefenen, als voor hen over wie het wordt uitgeoefend. Van het gevangenisbestuur en van het stelsel dat het toepast, gaat in de eerste plaats de wreedheid uit, waarmeê een kind in de gevangenis behandeld wordt. De menschen die het stelsel handhaven, hebben uitmuntende bedoelingen. Zij die het toepassen zijn eveneens menschlievend in bedoeling. De verantwoordelijkheid wordt geschoven op de verordeningen van tucht. Men gaat van de veronderstelling uit dat een ding dat eenmaal voorschrift is, daarom rechtvaardig is.
De huidige behandeling der kinderen is verschrikkelijk, voornamelijk van de zijde van menschen die de bijzondere zielkunde van de kindernatuur niet verstaan. Een kind kan een straf begrijpen, die hem opgelegd wordt door een persoon, bijvoorbeeld een ouder of voogd, en haar met een zekere berusting dragen. Wat het niet kan begrijpen, is een straf opgelegd door de maatschappij. Het kan niet beseffen wat de maatschappij is. Bij volwassenen is het natuurlijk juist andersom. Diegenen van ons, die in de gevangenis zijn of geweest zijn, kunnen begrijpen, en doen dat inderdaad, wat die collectieve macht die men maatschappij noemt, beduidt; en wat wij ook denken over haar wijze van doen en haar eischen, wij kunnen ons er toe brengen haar te aanvaarden. Straf, aan den anderen kant, die ons opgelegd wordt door een persoon, is iets dat geen volwassene verdraagt of verwacht wordt te verdragen.
Dientengevolge wordt het kind dat van zijn ouders wordt weggenomen door menschen die het nooit gezien heeft en van wie het niets afweet, en dat te zitten komt in een eenzame onbekende cel, bewaakt door vreemde gezichten, onder voordurende bevelen en bestraffingen van de vertegenwoordigers van een stelsel dat het niet kan begrijpen, een onmiddellijke prooi van de eerste en meest voor de hand liggende aandoening die het moderne gevangenisleven veroorzaakt: angst. De angst van een kind in de gevangenis is volkomen mateloos. Ik herinner mij hoe ik eens te Reading, op weg naar buiten ter dagelijksche oefening, in de schemerlichte cel vlak tegenover mijn eigene een kleinen jongen zag. Twee bewaarders—geen onwelwillende menschen—spraken met hem, klaarblijkelijk eenigszins streng, of misschien ook gaven zij hem een of andere nuttige vermaning omtrent zijn gedrag. De éene was bij hem in de cel, de ander stond buiten. Het gezicht van het kind was zoo wit als een doek van louter angst. In zijn oogen was de angst van een gejaagd dier. Den volgenden ochtend hoorde ik onder het morgeneten hem huilen en roepen om naar buiten gelaten te worden. Hij riep om zijn ouders. Van tijd tot tijd hoorde ik de zware stem van den bewaarder die dienst had, hem zeggen dat hij zich stil moest houden. Toch was hij zelfs nog niet gevonnist voor het kleine misdrijf, wat het ook geweest moge zijn, dat men hem ten laste had gelegd. Hij was eenvoudig in arrest. Dat wist ik, omdat hij zijn eigen kleêren droeg, die er vrij netjes uitzagen. Toch droeg hij gevangenissokken en -schoenen. Hieruit bleek dat hij een heel arme jongen was, wiens eigen schoenen, als hij er had, in slechten staat waren. Rechters en overheden, door de bank een volslagen onwetende classe, geven kinderen vaak een week arrest, en schelden hun dan mogelijk een of ander vonnis kwijt, dat zij recht hebben over hen te spreken. Zij noemen dat "een kind niet naar de gevangenis sturen". Het is natuurlijk een domme kijk op de zaak. De fijne onderscheiding in maatschappelijke positie, of hij in de gevangenis is in arrest of gevonnist, kan een klein kind niet vatten. Enkel daar te zijn is voor hem een afgrijselijk ding. Enkel dat hij daar is, behoort een afgrijselijk ding te zijn in de oogen der menschelijkheid.
Deze angst die het kind, evengoed als den volwassene, aangrijpt en beheerscht, wordt natuurlijk nog op onbeschrijfelijke wijze versterkt door het systeem der afzonderlijke cellen in onze gevangenissen. Een kind gedurende drie-en-twintig van de vier-en-twintig uren op te sluiten in een schemerlichte cel is een voorbeeld van de wreedheid der stompzinnigheid. Als een gewoon mensch, een ouder of een voogd, dit met een kind deed, zoû hij streng gestraft worden. Het Genootschap ter voorkoming van mishandeling van kinderen zoû de zaak terstond ter hand nemen. Van alle kanten zoû de grootste afschuw blijken voor iemand die zich aan zulk een wreedheid had schuldig gemaakt. Een zware straf zoû ongetwijfeld volgen op de gebleken schuld. Maar onze huidige maatschappij doet zelf erger, en voor een kind is het veel erger zoo behandeld te worden door een vreemde onpersoonlijke macht, van wier eischen het geen begrip heeft, dan het zoû wezen om dezelfde behandeling te ondergaan van zijn vader of moeder of iemand dien het kende. De onmenschelijke behandeling van een kind is altijd onmenschelijk, wie haar ook aandoet. Maar onmenschelijke behandeling door de maatschappij is voor een kind des te schrikkelijker omdat geen beroep mogelijk is. Een ouder of voogd kunnen vermurwd worden om het kind uit de donkere eenzame kamer te laten, waarin het opgesloten zit. Maar een bewaarder kan dat niet. De meeste bewaarders houden veel van kinderen. Maar het stelsel verhindert hen het kind eenigen bijstand te geven. Als zij het zouden doen, getuige Martin, worden zij ontslagen.
Een tweede ding waarvan een kind in de gevangenis te lijden heeft, is honger. Het voedsel dat het krijgt, bestaat uit een stuk gemeenlijk slecht gebakken gevangenisbrood en een kroes water als ontbijt om half acht. Om twaalf uur krijgt het middageten in den vorm van een portie grove maïsbrij; en om half zes krijgt het een stuk droog brood met een kroes water voor avondeten. Deze dagkost is bij een krachtig man altijd aanleiding tot een of andere ongesteldheid, voornamelijk, als in de rede ligt, buikloop met zijn verzwakkende gevolgen. In een groote gevangenis worden dan ook door de bewaarders geregeld stopmiddelen uitgereikt als iets dat van zelf spreekt. Maar een kind is in den regel onbekwaam om het voedsel ook maar te eten. Elk die iets van kinderen afweet, weet hoe licht de spijsvertering van een kind gestoord wordt door een huilbui, door alle soort verdriet en geestelijk lijden. Een kind dat den geheelen dag en misschien den halven nacht in een eenzame schemerlichte cel heeft gehuild en vervolgd wordt door angst, kan zulk grof afschuwelijk voedsel eenvoudig niet eten. Zoo huilde het kleine kind waaraan de bewaarder Martin de koekjes gaf, op Dinsdagmorgen van honger, en was volkomen onmachtig het brood en water dat het voor ontbijt gekregen had, te nuttigen. Nadat het ontbijt was uitgereikt, ging Martin uit en kocht de enkele koekjes voor het kind liever dan het te zien honger lijden. Het was een edele daad van hem, en werd als zoodanig erkend door het kind, dat, volkomen onbekend met de voorschriften van het gevangenisbestuur, een der oudere bewaarders vertelde hoe lief deze jongere bewaarder voor hem geweest was. Het gevolg was natuurlijk een rapport en ontslag.
Ik ken Martin buitengewoon goed en stond onder zijn toezicht gedurende de laatste zeven weken van mijn gevangenschap. Bij zijn aanstelling te Reading kreeg hij het toezicht over de zijgang C waarin ik opgesloten zat, en dus zag ik hem voortdurend. Ik werd getroffen door de uitzonderlijke vriendelijkheid en goedhartigheid in zijn wijze van spreken tot mij en de overige gevangenen. Vriendelijke woorden beduiden veel in de gevangenis, en met een aangenaam "goedenmorgen" of "goedenavond" maakt men iemand zoo gelukkig als hij dat in de gevangenis wezen kan. Hij was altijd toeschietelijk en welwillend. Ik weet bij toeval van een ander geval af, waarin hij zich zeer vriendelijk betoonde tegenover een der gevangenen, en ik aarzel niet het te vermelden. Een der meest afgrijselijke dingen in de gevangenis is de slechte inrichting op sanitaire gebied. Geen gevangene mag, onder welke omstandigheden ook, zijn cel verlaten na half zes in den namiddag. Indien hij derhalve aan buikloop lijdt, moet hij zijn cel gebruiken als privaat en den nacht doorbrengen in de meest vunze en ongezonde atmosfeer. Enkele dagen vóor mijn ontslag deed Martin met een der oudere bewaarders de ronde met het doel om het uitgeplozen touw en de gereedschappen der gevangenen in te zamelen. Een man die pas gevangen zat, en tengevolge van het voedsel, zooals steeds het geval is, aan hevigen buikloop leed, vroeg den ouderen bewaarder vergunning zijn vuilnisvat te mogen leêgmaken wegens den afgrijselijken stank der cel en de mogelijkheid van een nieuwen aanval in den nacht. De oudere bewaarder weigerde onverbiddelijk; het was tegen de voorschriften. De man zoû den nacht hebben moeten doorbrengen in dezen vreeselijken toestand. Martin echter kon dezen ongelukkige niet in zulk een walgelijken staat zien en zeide dat hij zelf het voor hem zoû doen en deed naar zijn woorden. Dat een bewaarder het vuilnisvat van een gevangene leêgmaakt, is natuurlijk in strijd met de voorschriften, maar Martin bewees deze daad van welwillendheid aan den man uit eenvoudige natuurlijke goedhartigheid, en de man, als van zelf spreekt, was hem er zeer dankbaar voor.
Met betrekking tot kinderen is er in den laatsten tijd heel wat gepraat en geschreven over den bezoedelenden invloed van de gevangenis op jonge kinderen. Wat men beweert, is volkomen waar. Een kind wordt op de ergste wijze bezoedeld door het leven in de gevangenis. Maar de bezoedelende invloed gaat niet uit van de gevangenen. Hij gaat uit van het gevangenisstelsel in zijn geheel: den directeur, den geestelijke, de bewaarders, de eenzame cel, de afzondering, het weêrzinwekkend voedsel, de voorschriften van de commissie van toezicht, de tuchtmatigheid, zooals men den term ijkt, van het leven. Geen voorzorg laat men achterwege om een kind af te zonderen zelfs van het gezicht van alle gevangenen boven de zestien. De kinderen zitten achter een gordijn in de kerk, en worden ter openluchtoefening gestuurd naar nauwe zonlooze binnenplaatsen—soms naar een steenen binnenplaats, soms naar een binnenplaats achter de molens—om te beletten dat zij de andere gevangenen in oefening zouden zien. Maar de eenige werkelijk vermenschelijkende invloed in de gevangenis is die der gevangenen. Hun blijmoedigheid in vreeselijke omstandigheden, hun onderling medegevoel, hun deemoed, hun zachtzinnigheid, de gulle glimlach waarmede zij elkaêr begroeten, hun volkomen berusting in hun straf zijn zonder uitzondering bewonderenswaardig, en ik zelf heb menige deugdelijke les van hen geleerd. Ik bedoel niet voor te stellen dat de kinderen niet achter een gordijn moeten zitten in de kerk, of dat zij lichaamsbeweging behooren te nemen in een hoek van de gemeene binnenplaats. Ik wil er enkel op wijzen dat de slechte invloed op kinderen niet is en nimmer zoû kunnen wezen die der gevangenen, maar is en altijd blijven zal die van het gevangenisstelsel zelf. Daar is geen enkel man in de gevangenis te Reading, die niet met vreugde den straftijd der drie kinderen voor hen zoû hebben uitgezeten. Den laatsten keer dat ik hen zag, was op Dinsdag na hun opneming. Ik was met misschien een dozijn anderen met de openluchtoefening bezig om half twaalf, toen de drie kinderen onder toezicht van een bewaarder vlak langs ons kwamen van de vochtige sombere steenen binnenplaats waar zij oefening hadden gehad. Ik zag het groote medelijden en medegevoel in de oogen mijner gezellen terwijl ze naar de kinderen keken. Gevangenen zijn als stand uiterst vriendelijk en medegevoelig voor elkander. Lijden en de gemeenschappelijkheid van lijden maakt de menschen vriendelijkgezind, en dag aan dag placht ik, terwijl ik de binnenplaats op en neêr stapte, met vreugde en vertroosting te gevoelen wat Carlyle ergens noemt "de stilzwijgende rhythmische bekoring van menschelijke kameraadschap". In dit punt zoo goed als in alle andere zijn philanthropen en menschen van dat slag in den dool. Niet de gevangenen hebben verbetering noodig, maar de gevangenissen.
Natuurlijk behoort geen kind onder de veertien ook maar thuis in de gevangenis. Een kind daarheen sturen is een ongerijmdheid en, evenals zoovele ongerijmdheden, volstrekt rampzalig in zijn gevolgen. Als zij toch naar de gevangenis moeten, behoorden zij overdag in een werkplaats of in een schoollokaal met een bewaarder. 's Nachts behoorden zij te slapen in een slaapzaal met een nachtbewaarder om op hen te passen. Lichaamsbeweging behooren zij minstens drie uur per dag te krijgen. De donkere, slecht geluchte, kwalijk riekende gevangeniscellen zijn verschrikkelijk voor een kind, eigenlijk voor iedereen. Men ademt altijd bedorven lucht in de gevangenis. Het voedsel voor kinderen moest bestaan in thee met boterhammen en soep. De gevangenissoep is zeer smakelijk en gezond. Een besluit van het Lagerhuis kon de behandeling der kinderen in een half uur regelen. Ik hoop dat U Uw invloed daartoe zult aanwenden. De huidige behandeling van kinderen is werkelijk een schimp voor menschelijkheid en gezond verstand. Zij komt voort uit stompzinnigheid.
Laat mij nu nog Uw aandacht mogen vestigen op een ander vreeselijk ding dat voorkomt in Engelsche gevangenissen of liever in de gevangenissen over de geheele wereld, waar het stelsel van stilzwijgendheid en cellulaire opsluiting wordt toegepast. Ik bedoel het groot aantal menschen die krankzinnig of zwakhoofdig worden in de gevangenis. In strafgevangenissen is dit natuurlijk heel gewoon, maar in gewone gevangenissen, als waarin ik opgesloten zat, komt het eveneens voor.
Ongeveer drie maanden geleden merkte ik onder de gevangenen die met mij lichaamsbeweging namen, een jongman op, die mij onnoozel of onwijs leek. Elke gevangenis natuurlijk heeft haar halfwijze patiënten, die telkens terugkomen en van wie men zeggen kan dat zij in de gevangenis wonen. Maar het trof mij dat deze jonge man erger onwijs leek dan gewoonlijk het geval is, als bleek uit zijn onnoozele grijns en zijn idiote manier van in zichzelf te lachen en de in 't oog vallende rusteloosheid van zijn eeuwig knijpwringende handen. Al de andere gevangenen merkten de vreemdheid van zijn gedrag op. Van tijd tot tijd verscheen hij niet op de oefening, waaruit ik begreep dat hij straf had en in zijn cel moest blijven. Ten slotte merkte ik dat hij onder voortdurend toezicht stond, en dag en nacht door bewaarders werd bewaakt. Als hij wel op de oefening verscheen, leek hij steeds een zenuwaanval te hebben, en liep geregeld te huilen en te lachen. In de kerk moest hij zitten onder onmiddellijk toezicht van twee bewaarders, die hem den geheelen tijd nauwlettend in 't oog hielden. Soms liet hij telkens het hoofd zakken in zijn open handen, een overtreding van de voorschriften in de kerk, en telkens werd zijn hoofd oogenblikkelijk omhoog geduwd door een der bewaarders, zoodat hij gedwongen werd zijn oogen onafgebroken gericht te houden op de avondmaalstafel. Een anderen keer zat hij te huilen—zonder de minste stoornis te veroorzaken—met de tranen stroomend langs zijn gezicht en een zenuwachtig snikken in zijn keel. Dan weêr grijnsde hij voor zichzelf als een idioot en trok gezichten. Meer dan eens werd hij de kerk uitgestuurd naar zijn cel, en natuurlijk kreeg hij voortdurend straf. Daar de bank waar ik gewoonlijk zat in de kerk, vlak achter de bank was, aan het eind waarvan deze ongelukkige zijn plaats had, had ik ruim gelegenheid hem gade te slaan. Ik zag hem vanzelf ook aanhoudend bij de oefening, en ik zag dat hij bezig was krankzinnig te worden, terwijl men hem behandelde alsof hij zich aanstelde.
Zaterdag vóor een week was ik omtrent éen uur in mijn cel bezig het tingerei dat ik voor mijn middageten gebruikt had, te reinigen en te poetsen. Plotseling werd ik opgeschrikt doordat de stilte van de gevangenis verbroken werd door het meest afgrijselijke en weêrzinwekkende gegil, of liever gehuil; want eerst dacht ik dat men bezig was een of ander dier, een stier of een koe, op onbedreven wijze te slachten buiten de gevangenismuren. Weldra echter bleek het mij dat het gehuil beneden uit de gevangenis kwam, en ik begreep dat men bezig was een of anderen ongelukkige af te ranselen. Ik behoef niet te zeggen hoe gruwelijk en schrikkelijk het mij aandeed, tot ik mij begon af te vragen wie het kon zijn, dien men op zoo weêrzinwekkende wijze afstrafte. Plotseling ging mij een licht op, dat zij waarschijnlijk dezen ongelukkigen waanzinnige aan 't ranselen waren. Mijn gevoelens dienomtrent behoef ik niet te boeken; zij hebben niets te maken met de zaak.
Den volgenden dag, Zondag den 16den, zag ik den armen vent bij de oefening; zijn ziekelijk, leelijk ellende-gezicht was bijna niet te herkennen, opgezwollen als het was van tranen en zenuwlijden. Hij liep in den binnensten kring met de oude mannen, de bedelaars en de kreupelen, zoodat ik hem den geheelen tijd kon waarnemen. Het was mijn laatste Zondag in de gevangenis, volmaakt heerlijk weder, het mooiste weêr van het gansche jaar, en daar in het schoone zonnelicht liep dit arme schepsel, eenmaal gemaakt naar het beeld van God, te grijnzen als een aap en met zijn handen de meest fantastische gebaren te maken alsof hij in de lucht een onzichtbaar snareninstrument bespeelde of bezig was fiches te schikken en uit te deelen in een of ander zeldzaam spel. Onderhand liepen in gore stralen de zenuwlijderstranen waarzonder niemand van ons hem ooit zag, voortdurend over zijn wit gezwollen gezicht. De afzichtelijke en bedachtzame manierlijkheid van zijn gebaren maakte hem gelijk aan een hansworst. Hij was een levend grotesk. Al de andere gevangenen keken naar hem, en niet éen van hen glimlachte. Ieder begreep wat hem overkomen was, en dat men bezig was hem krankzinnig te maken,—dat hij reeds krankzinnig was. Na een half uur werd hij door den bewaarder naar binnen geleid en denkelijk gestraft. Hij was tenminste Maandag niet op de oefening, hoewel ik meen hem even gezien te hebben in den hoek van de steenen binnenplaats onder toezicht van een bewaarder.
Dinsdag daarop, mijn laatsten dag in de gevangenis, zag ik hem bij de oefening. Hij was nog erger dan den vorigen keer, en werd weêr naar binnen gestuurd. Sindsdien weet ik niets van hem, maar van een der gevangenen, die op de oefening vlak bij mij liep, kwam ik te weten dat hij Zaterdagmiddag in het kookhuis vier-en-twintig slagen gekregen had op bevel van de rechters op bezoek en na rapport van den dokter. Het gehuil dat ons allen verschrikt had, was van hem geweest. Deze man is ongetwijfeld op weg krankzinnig te worden. De gevangenisdokters hebben geen verstand van eenige ziekte van den geest. Zij zijn in hun soort onwetende lieden. De pathologie van den geest is hun onbekend. Als iemand krankzinnig wordt, behandelen zij hem alsof hij zich aanstelde. Zij laten hem telkens weêr straffen. Natuurlijk wordt de man hoe langer hoe erger. Wanneer de gewone straffen zijn uitgeput, brengt de dokter rapport uit van het geval aan de rechters. Het gevolg is afranselen. Natuurlijk doet men dat niet met een karwats. Het is wat men "berken" noemt. Het werktuig is een berkeroede. Maar de uitwerking op den rampzaligen halfwijze kan men zich verbeelden.
Zijn nummer is, of was in elk geval, A.2.11. Het gelukte mij ook zijn naam uit te vinden. Hij heet Prince. Daar moet terstond iets voor hem gedaan worden. Hij is soldaat en veroordeeld door den krijgsraad. Zijn straftijd is zes maanden. Hij heeft nog drie maanden voor den boeg.
Mag ik U verzoeken Uw invloed te gebruiken om dit geval te doen onderzoeken en maatregelen te doen nemen dat de waanzinnige gevangene behoorlijk behandeld wordt?
Een rapport van de Medische Commissie baat niets. Men kan het niet vertrouwen. De mannen van het medisch toezicht schijnen het verschil niet te begrijpen tusschen idiootheid en waanzin, tusschen de volkomen afwezigheid van een functie of een orgaan en de ziekte van een functie of een orgaan. Deze man A.2.11 zal ongetwijfeld instaat zijn zijn naam op te geven, den aard van zijn misdrijf, den dag der maand, den datum van aanvang en einde van zijn straftijd, en zal antwoord kunnen geven op iedere gewone eenvoudige vraag. Maar dat zijn geest ziek is, lijdt geen twijfel. Op het oogenblik is een vreeselijk duel aan den gang tusschen hem en den dokter. De dokter vecht voor een theorie. De man vecht voor zijn leven. Ik zoû graag zien dat de man het won. Maar laat het geheele geval onderzocht worden door zaakkundigen die van hersenziekten verstand hebben, en door menschen van menschlievende gevoelens, die nog wat gezond verstand en wat medelijden hebben. Er bestaat geen reden de tusschenkomst in te roepen van de sentimenteelen. Zij schaden altijd.
Het geval is een bijzonder voorbeeld van de wreedheid die onafscheidelijk is van een stompzinnig stelsel; want de tegenwoordige directeur van Reading is een man van een zachtaardig en menschlievend karakter, en die bij al de gevangenen grootelijks bemind en geacht is. Hij werd verleden Juli aangesteld, en hoewel hij de voorschriften van het gevangenisstelsel niet kan wijzigen, heeft hij den geest gewijzigd, waarin zij onder zijn voorganger werden toegepast. Hij is zeer geliefd onder de gevangenen en onder de bewaarders. Hij heeft inderdaad den geheelen toon van het gevangenisleven veranderd. Aan den anderen kant ligt het systeem natuurlijk buiten zijn bereik, wat aangaat het wijzigen der voorschriften. Ik twijfel niet of hij moet dagelijks veel zien wat hij voor onrechtvaardig, stompzinnig en wreed houdt. Maar zijn handen zijn gebonden. Vanzelf weet ik niets af van zijn eigenlijken kijk op het geval van A.2.11, evenmin als van zijn opvattingen over ons tegenwoordig stelsel. Ik beoordeel hem enkel naar de volslagen verandering die hij te weeg bracht in de gevangenis te Reading. Onder zijn voorganger werd het stelsel toegepast met de grootste hardvochtigheid en stompzinnigheid.
Uw dienstwillige,
OSCAR WILDE.
27 Mei 1897.
II
VERBETERINGEN INZAKE DE GEVANGENIS
("Lees dit niet, als gij vandaag gelukkig wilt zijn.")
D.C. van 24 Maart 1898.
WelEdelgeboren Heer,
Ik verneem dat het wetsvoorstel van den minister van binnenlandsche zaken tot verbeteringen inzake de gevangenis deze week in eerste en tweede lezing gaat, en daar Uw dagblad het eenige blad in Engeland geweest is, dat van een werkelijke en levenskrachtige belangstelling in deze gewichtige zaak heeft blijk gegeven, hoop ik dat Gij mij, als iemand die een lange persoonlijke ervaring heeft opgedaan van het leven in een Engelsche gevangenis, vergunnen zult uiteen te zetten welke verbeteringen in ons tegenwoordig stompzinnig en barbaarsch stelsel dringend noodzakelijk zijn.
In een hoofdartikel dat ongeveer een week geleden in Uwe kolommen verscheen, lees ik dat de voornaamste verbetering die voorgesteld wordt, een vermeerdering bedoelt van het aantal toezieners en officiëele bezoekers die toegang zullen hebben tot onze Engelsche gevangenissen.
Zulk een hervorming is volkomen nutteloos. De reden is uiterst eenvoudig. De toezieners en vrederechters die de gevangenis bezoeken, komen daar met de bedoeling om na te gaan of de gevangenisvoorschriften behoorlijk worden uitgevoerd. Zij komen voor geen ander doel en hebben, zelfs als zij het zouden begeeren, volstrekt geen macht om éen enkele bepaling in de voorschriften te wijzigen. Geen gevangene heeft ooit de minste verlichting, of oplettendheid, of zorg van eenigen officiëelen bezoeker ondervonden. De bezoekers komen niet om de gevangenen te helpen, maar om na te gaan of de voorschriften worden uitgevoerd. Het doel van hun komst is de bevestiging te verzekeren van een dwaas en onmenschelijk wetsgeheel. En daar zij toch iets te doen moeten hebben, besteden zij daar zeer goede zorg aan. Een gevangene wien de geringste bevoorrechting is toegestaan, vreest de komst der toezieners. En zoovaak er een inspectie plaats heeft, zijn de beambten ruwer dan gewoonlijk voor de gevangenen. Hun bedoeling is natuurlijk te toonen welk een schitterende tucht zij handhaven.
De noodzakelijke hervormingen zijn zeer eenvoudig. Zij betreffen de lichamelijke en de geestelijke behoeften van iederen ongelukkigen gevangene afzonderlijk.
Wat de eerste aangaat, daar zijn in de Engelsche gevangenissen drie bestendige straffen, door de wet bekrachtigd:
1° honger,
2° slapeloosheid,
3° ziekte.
Het voedsel dat aan de gevangenen wordt verstrekt, is geheel en al onvoldoende. Het grootste deel ervan is van weêrzinwekkende hoedanigheid. Het geheel is ontoereikend. Elke gevangene lijdt dag en nacht aan honger. Een bepaalde hoeveelheid voedsel wordt zorgvuldig bij onsen afgewogen voor iederen gevangene. Het is juist genoeg, om niet bepaald het leven, maar het voortbestaan in stand te houden. Men wordt voortdurend gefolterd door het knagen en de weeheid van den honger.
Het gevolg van het voedsel—dat in de meeste gevallen bestaat uit slappe gruttenpap, varkensreuzel en water—is ongesteldheid in den vorm van onafgebroken buikloop. Deze ziekte die ten slotte bij de meeste gevangenen een chronische kwaal wordt, is een erkende instelling in iedere gevangenis. In de gevangenis te Wandsworth bijvoorbeeld—waar ik twee maanden zat opgesloten tot ik naar het hospitaal moest overgebracht worden, waar ik nog twee maanden verbleef—gaan de bewaarders twee- of driemaal daags rond met stopmiddelen die zij aan de gevangenen uitreiken als een ding dat vanzelf spreekt. Het is onnoodig te zeggen dat na een dusdanige behandeling van een week of zoo het geneesmiddel volstrekt geen uitwerking meer heeft. De rampzalige gevangene wordt dan ten prooi gelaten aan de meest verzwakkende, nederdrukkende en vernederende ziekte die men bedenken kan; en als hij, zooals vaak gebeurt, uit lichamelijke zwakte tekort schiet in het volbrengen van zijn voorgeschreven omwentelingen aan de kruk of den molen, wordt van hem rapport gemaakt als lui en wordt hij met de grootste strengheid en ruwheid gestraft. En dat is nog niet alles.
Niets is in zoo slechten toestand als de sanitaire inrichtingen in een Engelsche gevangenis. In vroeger dagen was iedere cel voorzien van een soort privaat. Deze privaten zijn nu afgeschaft. Zij komen nergens meer voor. Een klein tinnen vat wordt in plaats daarvan aan elken gevangene verstrekt. Drie keer daags mag de gevangene zijn vuil verwijderen. Maar de toegang tot de gevangenisprivaten wordt hem enkel toegestaan gedurende het éene uur der openluchtoefening En na vijf uur 's namiddags mag hij zijn cel onder geen enkel voorwendsel en om geen enkele reden verlaten. Dientengevolge bevindt zich iemand die aan buikloop lijdt, in een zoo walgelijken toestand dat het onnoodig is, of liever dat het onwelvoegelijk zoû zijn er bij stil te staan. De ellende en kwellingen die de gevangenen doormaken ten gevolge van de weêrzinwekkende inrichtingen op sanitaire gebied zijn volkomen onbeschrijfelijk. En de bedorven lucht in de gevangeniscellen, die nog verergerd wordt door een volslagen uitwerkingloos ventilatiesysteem, is zoo wee en ongezond, dat het geregeld voorkomt dat bewaarders, als zij 's morgens uit de frissche lucht komen en elke cel openen en inspecteeren, hevig onpasselijk worden. Ik zelf heb dit minstens drie maal bijgewoond, en verscheidene bewaarders hebben er mij over gesproken als een der vele tegenzinwekkende duigen die hun ambt meêbrengt.
Het voedsel dat den gevangenen verstrekt wordt, behoorde in allen deele voldoende en gezond te zijn. Het behoort niet van zulk een hoedanigheid te wezen, dat het voortdurenden buikloop ten gevolge heeft, die, eerst een ziekte, allengs een chronische kwaal wordt.
De inrichtingen op sanitaire gebied in de Engelsche gevangenissen behooren in den grond gewijzigd te worden. Elke gevangene moet toegang hebben tot de privaten zoovaak dat noodig is, en moet even vaak zijn vuil kunnen verwijderen. Het tegenwoordige ventilatiesysteem in elke cel afzonderlijk is geheel en al nutteloos. De versche lucht komt door dichtgesperd rasterwerk en dan door een kleinen ventilator in het smalle getraliede venster, die veel te klein is en te slecht geconstrueerd om eenige voldoende hoeveelheid versche lucht binnen te laten. Iemand wordt enkel gedurende éen uur van de vier-en-twintig die den langen dag uitmaken, uit zijn cel gelaten, en hij ademt dus gedurende drie-en-twintig uren de meest bedorven lucht in.
Slapeloosheid als straf bestaat slechts in Chineesche en in Engelsche gevangenissen. In China wordt zij toegepast doordat men den gevangene plaatst in een enge bamboekooi, in Engeland door middel van de houten brits. Het doel van de houten brits is het veroorzaken van slapeloosheid. Zij heeft geen enkel ander doel, en het doel dat zij heeft, wordt zonder uitzondering bereikt. En zelfs wanneer men naderhand een harde matras krijgt, zooals het gaat in den loop der gevangenschap, lijdt men nog steeds aan slapeloosheid. Want slaap is, evenals alle gezonde dingen, een gewoonte. Elke gevangene die een tijd lang op een houten brits heeft gelegen, lijdt aan slapeloosheid. Het is een weêrzinwekkende en domme straf.
Nu zoû ik gaarne wat in 't midden brengen over de geestelijke behoeften van den gevangene.
Het tegenwoordige gevangenisstelsel lijkt bijna als doel te hebben het te gronde richten en vernietigen der verstandelijke vermogens. Of indien het veroorzaken van krankzinnigheid hier niet het doel is, het is zeker het gevolg. Dat is een welbewezen feit. De oorzaken liggen voor de hand. Verstoken van boeken, van alle menschelijke omgeving, afgezonderd van elken menschelijken en vermenschelijkenden invloed, veroordeeld tot eeuwigdurend stilzwijgen, beroofd van alle verkeer met de buitenwereld, behandeld als een verstandeloos dier, verredeloosd onder het peil van welk redeloos schepsel ook, kan de ongelukkige die opgesloten zit in een Engelsche gevangenis, nauwelijks aan krankzinnigheid ontkomen. Het is mijn wensch niet lang bij deze afgrijselijkheden stil te staan, nog veel minder eenige voorbijgaande sentimenteele belangstelling er voor te wekken. Dus zal ik enkel, met Uw goedvinden, aangeven wat men behoorde te doen.
Elke gevangene behoort een voldoende hoeveelheid boeken tot zijn beschikking te hebben. Op het oogenblik krijgt men in de eerste drie weken van zijn gevangenschap volstrekt geen boeken behalve een bijbel, een gebeden- en een gezangboek. Daarna krijgt men éen boek per week. Dat is niet alleen onvoldoende, maar de boeken die een gewone gevangenisbibliotheek vormen, zijn volmaakt nutteloos. Zij bestaan hoofdzakelijk uit derderangsche, slecht geschreven, zoo-genaamd godsdienstige boeken, klaarblijkelijk geschreven voor kinderen en volkomen ongeschikt voor kinderen of voor iemand anders. De gevangenen behoorden aangemoedigd te worden tot lezen, en alle boeken te krijgen die zij noodig hebben, en de boeken behoorden goed gekozen te zijn. Thans geschiedt de keuze der boeken door den aan de gevangenis verbonden geestelijke.
Onder het huidige stelsel staat men een gevangene toe zijn vrienden slechts vier keer in 't jaar te zien, telkens gedurende twintig minuten. Dit is geheel verkeerd. Een gevangene behoort zijn vrienden eens per maand te zien en gedurenden een redelijken tijd. In de thans gebruikelijke wijze van een gevangene voor zijn vrienden ten toon te stellen behoort verandering gebracht te worden. Onder het tegenwoordige stelsel wordt de gevangene opgesloten hetzij in een groote ijzeren kooi of in een groote houten kast met een kleine opening, bedekt met ijzergaas, waardoor men hem toestaat te gluren. Zijn vrienden worden in een gelijke kooi gezet op een afstand van drie of vier voet, en twee bewaarders staan in de tusschenruimte om toe te luisteren en, als het hun goeddunkt, het gesprek te doen ophouden of afbreken, naar het uitkomt. De nu gebruikelijke regeling is onuitsprekelijk weêrzinwekkend en kwellend. Een bezoek van zijn verwanten of vrienden beduidt voor elken gevangene dieper vernedering, feller geestelijke ellende. Vele gevangenen willen hun vrienden volstrekt niet ontvangen, liever dan zulk een kruisgang te doorstaan. En dit verwondert mij niet. Wanneer iemand bezoek krijgt van zijn advocaat, spreekt men hem in een kamer met een glazen deur, aan de andere zijde waarvan de bewaarder staat. Wanneer iemand bezoek krijgt van zijn vrouw en kinderen, of zijn ouders of zijn vrienden, behoort hem hetzelfde voorrecht te worden toegestaan. Om als een aap in een kooi tentoongesteld te worden voor menschen die van ons houden en van wie wij houden, is een noodelooze en afgrijselijke vernedering. Iedere gevangene behoorde tenminste eens in de maand te mogen schrijven en een brief ontvangen. Op 't oogenblik mag men maar vier maal in 't jaar schrijven. Dit is geheel onvoldoende. Éen van de rampen van het leven in de gevangenis is dat het iemands hart versteent. De gevoelens der natuurlijke genegenheid hebben evenals andere gevoelens behoefte aan voeding. Zij sterven licht aan gebrek. Een korte brief vier keer in 't jaar is niet voldoende om de meer zachtzinnige en menschelijke genegenheden in 't leven te bewaren, die ten slotte onze natuur gevoelig houden voor goede en schoone invloeden, het eenige dat een verbrijzeld en gebroken leven kan heelen.
Aan de gewoonte om de brieven der gevangenen te verminken en te besnoeien behoort een eind te worden gemaakt. Wanneer tegenwoordig een gevangene in een brief eenige klacht uit tegen het gevangenisstelsel, wordt dat gedeelte van zijn brief met een schaar uitgeknipt. Als hij, aan den anderen kant, eenige klacht uit bij het spreken met zijn vrienden door de traliën der kooi of de opening in de houten kast, wordt hij op ruwe wijze tot de orde geroepen door de bewaarders en krijgt rapport en straf die wekelijks terugkeert totdat hij weêr een volgenden keer bezoek mag ontvangen, in welken tusschentijd men verwacht dat hij niet verstandig, maar listig zal zijn geworden; en listigheid leert iemand altijd. Het is een van de weinige dingen die men in de gevangenis leert. Gelukkig zijn in een enkel geval die andere weinige dingen van hooger waarde.
Mag ik nog een oogenblik van Uw geduld gebruik maken voor het volgende? In Uw hoofdartikel deedt Gij het denkbeeld aan de hand dat geen aan de gevangenis verbonden geestelijke tegelijk eenige bemoeiïng of bezigheid zoû mogen hebben buiten de gevangenis zelf. Maar dit is een zaak van geen gewicht. Die geestelijken hebben volstrekt geen nut. Zij zijn in hun soort welmeenende, maar dwaze, ja onnoozele menschen. Geen enkele gevangene ondervindt van hen eenige hulp. Eens in de zes weken of zoo gaat de sleutel in het slot van iemands celdeur over, en de geestelijke komt binnen. De gevangene gaat natuurlijk in de houding staan. De geestelijke vraagt hem of hij in zijn bijbel gelezen heeft. Hij antwoordt "ja" of "neen", naar het geval is. De geestelijke haalt een paar bijbelteksten aan en gaat weg en sluit de deur. Van tijd tot tijd laat hij een traktaatje achter.
De beambten die geen betrekking buiten de gevangenis behoorden te mogen aanhouden, en geen burgerpraktijk te hebben, zijn de gevangenisdokters. Thans hebben de gevangenisdokters, zoo al niet altijd, toch geregeld een uitgebreide burgerpraktijk en zijn tegelijk aangesteld in andere inrichtingen. Het gevolg is dat de gezondheidstoestand der gevangenen geheel verwaarloosd wordt, en de sanitaire staat der gevangenis volkomen onverzorgd gelaten. In zijn soort beschouw ik—en ik heb dat altijd gedaan van kindsbeen af—het beroep van dokter als het meest menschelijke beroep in de gemeenschap. Maar gevangenisdoktoren moet ik uitzonderen. Voorzoover ik hen ontmoet heb en naar wat ik in het hospitaal en elders van hen zag, zijn zij ruw in hun optreden, van grove ongevoeligheid en volslagen onverschillig voor de gezondheid der gevangenen en hun goede verpleging. Indien den gevangenisdokters burgerpraktijk verboden was, zouden zij genoodzaakt worden eenige belangstelling te hebben in den gezondheidstoestand en de sanitaire omstandigheden van de menschen die onder hun behandeling zijn.
Ik heb in dit schrijven getracht enkele der hervormingen aan te wijzen, die in ons Engelsch gevangenisstelsel noodzakelijk zijn. Zij zijn eenvoudig, praktisch en menschelijk. Natuurlijk zijn zij maar een begin. Maar het wordt tijd dat er een begin gemaakt wordt, en hiertoe kan alleen de stoot gegeven worden door den sterken druk der openbare meening, verwoord in en aangekweekt door Uw machtig blad.
Maar om te maken dat zelfs deze hervormingen iets uitwerken, moet eerst heel wat gedaan worden. En de eerste en misschien moeilijkste taak is van de directeurs beter menschen, van de bewaarders beschaafde lieden en van de geestelijken beter Christenen te maken.
Uw dienstwillige dienaar,
de schrijver van "The Ballad of Reading Gaol".
23 Maart 1898.