← Table of contents
De Profundis

BIJLAGEN

P. C. Boutens translation · Edition 2

VIER BRIEVEN UIT DE GEVANGENIS TE READING AAN ROBERT ROSS

I

10 Maart 1896.

Mijn waarde Robbie,

Ik zag gaarne dat Gij dadelijk aan den advocaat den Heer—per brief liet weten dat, aangezien mijne vrouw beloofd heeft, bij geval van vroeger overlijden, mij een derde deel van haar vermogen na te laten, ik niet het minste bezwaar heb tegen haar wensch om mijn recht op het vruchtgebruik af te koopen. Ik gevoel dat ik zulk een leed over haar gebracht heb, en zulk een ongeluk over mijne kinderen, dat ik geen recht heb haar wenschen in eenig ding tegen te gaan. Zij was minzaam en goed jegens mij, toen zij mij hier bezocht. Ik vertrouw haar tenvolle. Wilt Gij hier dadelijk voor zorgen, en ook aan mijne vrienden mijn dank overbrengen voor hun goedheid? Voor mijn gevoel handel ik naar plicht, wanneer ik dit aan mijn vrouw overlaat.

Schrijf ook, als Gij wilt, aan Stuart Merrill te Parijs of aan Robert Sherard om hun te zeggen hoe gelukkig ik was met de vertooning van mijn stuk, en breng mijn dank over aan Lugne-Poë[1]. Het is een heel ding dat ik in een tijd van smaad en schande nog als kunstenaar beschouwd word. Ik zoû wel willen dat het mij meer vreugde gaf, maar ik schijn dood voor alle aandoening behalve die van hartzeer en wanhoop. Wees toch zoo goed aan Lugne-Poë te laten weten dat ik gevoelig ben voor de eer die hij mij heeft aangedaan. Hij is zelf dichter. Ik vrees dat het U moeilijk zal vallen dezen te lezen, maar daar men mij geen schrijfgereedschap veroorlooft, schijn ik het schrijven te hebben verleerd. In elk geval neem het niet kwalijk. Bedank More voor de moeite die hij genomen heeft met de boeken. Ongelukkig krijg ik hoofdpijn als ik mijn Grieksche en Romeinsche dichters lees. Ik heb er dus niet veel aan gehad. Maar het was buitengewoon vriendelijk van hem de boeken voor mij aan te schaffen. Vraag hem mijn dankbaarheid te uiten aan de dame die te Wimbledon woont. Wacht niet te lang met een antwoord, en vertel mij wat van de literatuur, van nieuwe boeken, enz.—ook van het stuk van Jones en van Forbes-Robertson als tooneeldirecteur—en van elke nieuwe strooming in het tooneelleven te Parijs of te Londen. Beproef ook onder oogen te krijgen wat Lemaître, Bauer en Sarcey gezegd hebben over Salomé, en geef er mij een kort overzicht van; schrijf aan Henri Bauer dat ik getroffen ben door zijn vriendelijk opstel; Robert Sherard kent hem persoonlijk. Het was lief van U mij op te zoeken. Gij moet den volgenden keer weêr komen. Ik heb hier de verschrikking om mij van den dood, waarbij de nog grooter verschrikking komt van te leven, en in stilzwijgen en ellende....[2]

...Ik denk altijd aan U met diepe genegenheid. Ik zag graag dat Ernest in Oakley Street mijn handkoffer haalde, mijn pels, mijn kleêren en de exemplaren van mijn eigen werken, die ik aan mijn lieve moeder schonk. Informeer bij Leverson, op wiens naam mijn moeders graf genomen werd.

Steeds Uw vriend,

Oscar Wilde.

Noten:

II

Zonder datum. Geschreven na September 1896.

...De laatste punten die uitsluitend zaken betreffen, zal More Adey wel zoo vriendelijk zijn te beantwoorden. Men zal geen bezwaar maken dat ik zijn brief ontvang, als die enkel over zaken loopt. Zijn schrijven, bedoel ik, zal Uw letterkundigen brief niet in den weg staan, waarvan de directeur mij zooeven Uwe vriendelijke aankondiging heeft voorgelezen.

Over mijzelf, mijn waarde Robbie, heb ik weinig wat U aangenaam kan zijn, mede te deelen. De weigering om mijn straftijd te verkorten was mij als een loodzware sabelhouw. Een dof gevoel van smart versuft mij. Ik had geteerd op hoop, en nu teert het ziele wee na zijn lang vasten tot verzadiging toe op mij, alsof zijn eigen honger het had uitgemergeld. Toch zijn er vriendelijker elementen werkzaam in deze bedorven gevangenislucht dan vroeger: menigmaal is mij medegevoel betoond, en ik gevoel mij niet langer volslagen verstoken van menschelijke invloeden, wat voordien een bron van verschrikking en kwelling voor mij was. En ik lees Dante, en maak uittreksels en aanteekeningen om het loutere genot van met pen en inkt bezig te zijn. En het lijkt mij dat het mij in vele opzichten beter gaat, en ik ben van plan hier Duitsch te gaan studeeren. Inderdaad schijnt de gevangenis mij de aangewezen plaats voor zulk een studie. Toch heb ik een doorn in mijn vleesch—even pijnlijk, schoon van een andere soort, als die waarvan Paulus spreekt—een doorn dien ik nog in dezen brief moet uittrekken. Hij is het gevolg van een bericht dat Gij mij op een stuk papier geschreven hebt toegezonden. Ik gevoel dat, als ik hem verheimlijkte, hij in mijn geest groeien zoû (zoo als vergiftige dingen groeien in het donker) en met éen vermeerderen de andere schrikkelijke gedachten die aan mij knagen. Want voor hen die eenzaam en zwijgend in banden zitten, is de gedachte niet, zooals Platoon het voorstelt, een "gevleugeld levend wezen", maar een dood ding dat afgrijzen teelt, evenals een poel die gedrochten toont aan de maan.

Ik doel natuurlijk op Uwe woorden, dat de sympathie der anderen van mij vervreemdde of dreigde te vervreemden om de diepe verbittering mijner gevoelens, en ik geloof dat mijn brief werd uitgeleend en getoond aan derden.... Welnu, ik houd er niet van, dat mijn brieven te kijk gegeven worden als curiositeiten: dat is bijzonder grievend voor mij. Ik schrijf U open en eerlijk als aan een der bemindste vrienden die ik heb en ooit gehad heb, en, op een enkele uitzondering na, raakt de sympathie en vooral het verlies der sympathie van anderen mij zeer weinig. Geen man van mijn positie kan in levens slijk vallen zonder zich heel wat medelijden te berokkenen van zijn minderen; ook weet ik dat, wanneer een tooneelspel te lang duurt, de toeschouwers moede worden. Mijn tragedie heeft veel te lang geduurd, haar hoogtepunt is voorbij, de afloop is alledaagsch; en ik ben volkomen overtuigd dat, als het einde komt, ik wederkeeren zal als een onwelkom bezoeker voor een wereld die mij niet gebruiken kan, un revenant zooals de Franschen zeggen, een spook wiens gelaat vergrauwd is van lange gevangenschap en verwrongen van lijden. Schrikkelijk zijn de dooden wanneer zij rijzen uit hun graven, maar de levenden die uit hun graven komen, zijn nog schrikkelijker. Van dit alles ben ik mij maar al te zeer bewust. Wanneer iemand achttien vreeselijke maanden lang in een gevangeniscel geweest is, ziet hij de dingen en de menschen zooals zij werkelijk zijn. Dat gezicht verkeert iemand in steen.

Denk niet dat ik wien ook verwijt zoû willen maken van mijne ondeugden. Mijn vrienden hadden daarmeê even weinig te maken als ik met de hunne. De natuur was in dit opzicht ons aller stiefmoeder. Wat ik hun wel verwijt, is dat zij den mensch dien zij te gronde richtten, niet waardeerden. Wat kon het hun schelen zoolang mijn tafel rood was van wijn en rozen? Mijn genie, mijn leven als kunstenaar, mijn werk en de rust die ik daarvoor noodig had, golden hun niets. Ik geef toe dat ik mijn hoofd kwijt raakte. Ik was buiten zinnen, onmachtig tot oordeel. Ik deed den éenen noodlottigen stap. En nu zit ik hier op een houten bank in een gevangeniscel. In alle treurspelen is een belachelijk element. Gij kent het in het mijne. Denk niet dat ik mijzelf geen verwijt maak. Ik vervloek mijzelf dag en nacht om de dwaasheid dat ik iets buiten mij mijn leven liet beheerschen. Als er een echo was in deze muren, zoû zij voor eeuwig het woord "dwaas" herhalen. Ik schaam mij uitermate over mijn vriendschappen.... Want naar hun vrienden kan men de menschen beoordeelen. Het is de toets voor iedereen. En ik onderga als een grievende verlaging de schaamte over mijne vriendschappen waarvan gij een volledig verslag kunt lezen in mijn proces. Het is voor mij een dagelijksche bron van geestelijke vernedering. Aan sommige van haar denk ik nooit. Zij vallen mij niet lastig. Maar wat doet het er toe?.... Om de waarheid te zeggen, lijkt mijn geheele tragedie mij belachelijk en niets meer. Want doordat ik mij liet lokken in een val ... in den vuilsten modder van Malebolge, zit ik nu tusschen Gilles de Retz en den markies de Sade. Er zijn plaatsen waar het niemand geoorloofd is te lachen behalve werkelijk krankzinnigen, en zelfs in hun geval is het nog een inbreuk op het voorgeschreven gedraganders geloof ik dat ik er om zou kunnen lachen.

.... Laat overigens niemand veronderstellen, dat ik anderen onwaardige beweegredenen toeschrijf. In waarheid waren zij in het leven beweegredenen rijk. Beweegredenen zijn intellectueele dingen. Zij hadden enkel hartstochten, en dergelijke hartstochten zijn valsche goden die slachtoffers eischen tot elken prijs, en in dit geval een slachtoffer hebben gehad, bekranst met laurier.

Nu heb ik den doorn uitgetrokken. Die weinige neêrgekrabbelde woorden van U woekerden vreeselijk. Nu denk ik enkel aan Uw ophanden herstel en hoe gij mij eindelijk het wonderbaarlijke verhaal van.... schrijven zult.

Breng mijne dankbare groeten over aan Uw lieve moeder en ook aan Aleck. De "Vergulde Sphinx"[3] is, denk ik, even bewonderenswaardig als ooit. En zend uit mijn naam al wat er goeds is in mijn gedachten en gevoelens en alle herdenken en vereering die zij wil aannemen, aan de dame te Wimbledon, wier ziel een heiligdom is voor de gewonden en een huis van toevlucht voor de lijdenden. Laat dezen brief niet zien aan anderen, en kom in Uw antwoord niet weêr terug op wat ik geschreven heb. Vertel mij van die wereld van schimmen, waar ik zooveel van gehouden heb. En ook van het leven en van de ziel. Ik ben benieuwd naar de angels die mij hebben, en in mijn smart is medelijden.

De Uwe,

Oscar.

Noten:

III

1 April 1897.

Mijn waarde Robbie,

Tegelijk met dezen zend ik U afzonderlijk een handschrift waarvan ik hoop dat het U behouden zal bereiken. Ik zag graag dat Gij, zoodra Gij het gelezen hebt, het zorgvuldig liet copiëeren. Om verschillende redenen wensch ik dit. Het zal voldoende zijn er éene aan te geven. Mijn verlangen is dat Gij, voor het geval dat ik kom te sterven, mijn letterkundige boedelredder zijt en volledig toezicht uitoefent over mijn tooneelstukken, boeken en geschriften. Zoodra ik wettelijk het recht zal hebben een testament te maken, zal ik dat doen. Mijn vrouw begrijpt mijn kunst niet, en men kan van haar geen belangstelling daarvoor verwachten, en Cyril is nog een kind. Daarom wend ik mij natuurlijk tot U, zooals ik om de waarheid te zeggen in alle dingen doe, en ik zoû gaarne hebben dat Gij al mijn werken onder U hadt. Het tekort dat hun verkoop oplevert, kan op rekening van Cyril en Vivian geplaatst worden. Welnu, als Gij mijn letterkundige boedelredder zijt, moet Gij in bezit zijn van het eenige document dat eenige verklaring geeft van mijn buitensporig gedrag.... Wanneer Gij den brief gelezen hebt, zult Gij de psychologische verklaring inzien van een gedragslijn die van buiten af een verbinding van volstrekte zwakhoofdigheid en gemeenen bluf lijkt. Eéns moet de waarheid bekend worden—niet noodzakelijk bij mijn leven. Maar het is mijn bedoeling niet om voor altijd aan den bespottelijken schandpaal te staan, waar men mij stelde, om de eenvoudige reden dat ik van mijn vader en moeder een naam van hooge onderscheiding in letterkunde en kunst geërfd heb, en ik kan niet gedoogen dat die naam voor de eeuwigheid zoû zijn omlaaggehaald. Ik verdedig mijn gedrag niet. Ik verklaar het. Ook zijn er in mijn brief enkele passages die loopen over mijn geestelijke ontwikkeling in de gevangenis en de onvermijdelijke evolutie die plaats gehad heeft in mijn karakter en mijn intellectueele houding tegenover het leven. Ik wensch dat Gij en anderen die mij trouw gebleven zijt en Uw genegenheid voor mij hebt bewaard, nauwkeurig weet in wat geest en wijze ik de wereld hoop tegemoet te treden. Van den éenen kant gezien, weet ik natuurlijk dat ik op den dag van mijn ontslag enkel van de éene gevangenis in de andere zal overgaan, en daar zijn oogenblikken dat de geheele wereld mij niet ruimer voorkomt dan mijn cel en even vol verschrikking voor mij. Toch geloof ik dat God in den beginne een wereld schiep voor ieder afzonderlijk mensch, en in die wereld die binnen in ons is, moeten wij trachten te leven. In elk geval zult Gij die gedeelten van mijn brief met minder leed lezen dan de andere. Natuurlijk behoef ik U niet te herinneren welk een onvast ding bij mij, en bij ons allen, de gedachte is, en van welk een vluchtige stof onze aandoeningen zijn gemaakt. Toch zie ik een soort van mogelijk doel waarop ik langs den weg der kunst zoû kunnen afgaan. Het is niet onwaarschijnlijk dat Gij mij daarbij zult kunnen helpen.

Wat de wijze van copiëeren aangaat: de brief is natuurlijk te lang om hem door een of anderen klerk te laten overschrijven, en Uw eigen schrift, waarde Robbie, in uw laatsten brief schijnt bij voorkeur aangewezen om mij te waarschuwen dat de taak niet aan U mag worden opgedragen. Het eenige wat overblijft, lijkt mij, is door en door modern te werk te gaan en de copie te laten maken op de schrijfmachine. Natuurlijk moet het handschrift onder Uw toezicht blijven, maar zoudt Gij Mevrouw Marshall niet kunnen bewegen een harer meisjes-typisten—op vrouwen kan men het meest aan, daar zij geen geheugen hebben voor wat belangrijk is—naar Hornton Street of Phillimore Gardens te sturen om het onder Uw leiding te doen? Ik kan U verzekeren dat de schrijfmachine wanneer zij met gevoel wordt bespeeld, niet onaangenamer is dan het pianospel van een zuster of een naverwante. Ja zelfs geven velen onder hen die dwepen met het familieleven, aan haar de voorkeur. Ik zoû de copie willen hebben niet op satijnpapier, maar op kloek papier zooals gebruikt wordt voor de rollen van tooneelstukken, met een breeden roodafgezetten rand voor verbeteringen.... Indien de copie in Hornton Street gemaakt wordt, zou men de typiste eten kunnen geven door een schuif in de deur, zooals de Cardinalen het krijgen, wanneer zij bezig zijn een Paus te kiezen, tot zij op het balkon zoû kunnen verschijnen om de wereld te verkondigen: "Habet Mundus Epistolam"; want de brief is inderdaad een Encycliek, en evenals de bullen van den Heiligen Vader genoemd worden naar haar beginwoorden, zou men er van kunnen spreken als: "Epistola in Carcere et Vinculis"....

Het is maar al te waar, Robbie, het leven in de gevangenis doet ons de menschen en de dingen zien zooals zij in werkelijkheid zijn. Daarom verandert het iemand in steen. De menschen buiten worden misleid door de schijnverbeeldingen van een leven in voortdurende beweging. Zij draaien mede met het leven en dragen bij tot zijn onwerkelijkheid. Wij die onbewegelijk zijn, zien en weten. Laat de brief deugen of niet voor enge naturen en koortsige hersenen, mij heeft hij deugd gedaan. Ik heb "mijn borst verlucht van veel gevaarlijk tuig" om een zegswijze te borgen bij den dichter dien Gij en ik indertijd wilden redden uit de handen der Philistijnen. Ik behoef U niet te herinneren dat uiting op zichzelf voor een kunstnaar de opperste en eenige wijze van leven is. Van uiting leven wij. Onder de oneindig vele dingen waarvoor ik den Directeur te danken heb, is er geen waarvoor ik dankbaarder ben dan voor zijn verlof om naar hartelust te schrijven en zoo lang als ik wensch. Gedurende bijna twee jaar droeg ik binnen in mij een toenemenden last van bitterheid waarvan ik mij nu grootendeels heb verlicht. Aan den anderen kant van den gevangenismuur staan een paar arme zwarte roetberookte boomen die op het oogenblik uitloopen in knoppen van bijna schel groen. Ik weet heel goed wat zij ondergaan. Zij vinden hun uiting.

Steeds de Uwe,

Oscar.

IV

6 April 1897.

Overweeg thans, mijn waarde Robbie, mijn voorstel. Ik denk dat mijn vrouw die in geldzaken zeer eergevoelig en hooghartig is, de £75, gestort voor mijn aandeel, zal terugbetalen. Zij zal het ongetwijfeld doen. Maar ik vind dat het van mijne zijde behoort te worden aangeboden, en dat ik niets bij wijze van inkomen van haar mag aannemen. Ik kan aannemen wat in liefde en genegenheid voor mij gegeven wordt, maar ik zoû niet kunnen aannemen wat mij met tegenzin of met voorwaarden wordt uitgekeerd. Eer zoû ik mijn vrouw haar volkomen vrijheid geven. Zij kan dan hertrouwen. In elk geval vertrouw ik dat zij, als zij vrij was, mij vergunnen zoû van tijd tot tijd mijn kinderen te zien. Daar heb ik behoefte aan. Maar eerst moet ik haar haar vrijheid geven, en het is het beste, dit als een man van eer te doen door met gebogen hoofd in alles te berusten. Overweeg de zaak nog eens in haar geheel; want door U en Uw slecht overlegd optreden is de moeilijkheid ontstaan. En laat mij weten hoe Gij en anderen er over denkt. Natuurlijk hebt Gij uit bestwil gehandeld. Maar Uw kijk op de zaak was verkeerd. Ik kan in alle oprechtheid zeggen dat ik geleidelijk kom tot den geestesstand van te denken dat al wat gebeurt, om bestwil gebeurt. Mogelijk is het wijsgeerig inzicht of een gebroken hart of godsdienst of de stompe gevoelloosheid van de wanhoop. Maar, wat er de oorsprong van zij, dit gevoel is machtig in mij. Mijn vrouw aan mij te binden tegen haar wil zoû verkeerd zijn. Zij heeft volkomen recht op haar vrijheid. En dan zoû het mij een genoegen zijn, niet door haar ondersteund te worden. Door haar onderhouden te worden is vernederend. Bespreek deze zaak met More Adey. Verzoek hem U den brief te laten zien, dien ik hem geschreven heb. Vraag uw broeder Aleck mij zijn raad te willen geven. Hij heeft een uitnemend oordeel.

Maar nu wat anders. Ik heb nooit gelegenheid gevonden U te bedanken voor de boeken. Zij waren allerwelkomst. Dat men mij de tijdschriften niet toestond, was een slag voor mij, maar Meredith's roman was verrukkelijk. Welk een gezonde kunstenaarsnatuur! Hij heeft volkomen gelijk met zijn betoog dat het gezonde het meest wezenlijke bestanddeel in de romankunst is. Toch heeft tot op dezen dag alleen het abnormale uitdrukking gevonden in het leven en de litteratuur. Rossetti's brieven zijn afgrijselijk, in-'t-oog-loopend vervalscht door zijn broeder. Toch wekte het mijn belangstelling te zien hoe mijn oudooms Melmoth en mijn moeders Sidonia twee van de boeken waren, die zijn jeugd boeiden. Wat de samenzwering tegen hem betreft in later jaren, ik geloof dat die werkelijk bestond, en dat de fondsen verschaft werden door Hake's Bank.[4] Het gedrag van een merel in Cheyne Walk lijkt mij zeer verdacht, al zegt William Rossetti: "Ik kon niets buitengewoons in het zingen van den merel ontdekken." Stevensons brieven zijn ook een groote teleurstelling. Ik zie dat een romantische omgeving de slechtst mogelijke omgeving is voor een romantisch schrijver. In Gower Street had Stevenson een nieuwen Trois Mousquetaires kunnen schrijven. Op Samoa schreef hij brieven aan de Times over de Duitschers. Ik zie ook de sporen van een vreeselijke inspanning om een natuurlijk leven te leiden. Om hout te hakken tot eenig nut voor zichzelf of voordeel voor anderen, moet men niet instaat zijn te beschrijven hoe men het doet. Feitelijk is het natuurlijke leven het onbewuste leven. Stevenson verruimde enkel den kring van het kunstmatige leven door zich aan het delven te zetten. Uit het geheele onverkwikkelijke boek heb ik éen les gehaald. Als ik mijn toekomstig leven doorbreng met Baudelaire te lezen in een koffiehuis, zal ik een natuurlijker leven leiden dan wanneer ik heggen zoû gaan knippen of cacao planten in slijkpoelen. En Route wordt erg overschat.

Het is simpel journalisme. Het doet iemand nooit éen noot hooren van de muziek die het beschrijft. Het onderwerp is natuurlijk kostelijk, maar de stijl is waardeloos, slofferig, slap. Het is slechter Fransch dan dat van Ohnet. Ohnet wil afgezaagd zijn en het gelukt hem. Huysmans wil het niet zijn en is het toch. Hardy's roman is een aangenaam boek, en de stijl volmaakt, en die van Harold Frederic is zeer belangwekkend om zijn inhoud. Daar er zoo goed als geen romans in de gevangenisbibliotheek zijn voor de arme opgesloten kerels met wie ik leef, denk ik later eens de bibliotheek te beschenken met bijvoorbeeld een dozijn goede romans: die van Stevenson (geen aanwezig dan The Black Arrow), enkele van Thackeray (geen aanwezig), van Jane Austen (geen aanwezig), en enkele goede boeken in den trant van Dumas père, door Stanley Weyman bijvoorbeeld of eenig ander modern jong schrijver. Gij noemdet een protégé van Henley[5], nietwaar? Ook den beschermeling van Anthony Hope zouden wij kunnen nemen. Na Paschen zoudt Gij een lijst van zoowat veertien boeken kunnen opmaken en aanvragen ze mij te mogen zenden. Zij zouden goed bevallen aan de enkelen die niet geven om het Journal des Goncourt.[6] Denk er aan dat ik ze zelf wil betalen. Ik zelf vind het afschuwelijk om in de wereld terug te komen zonder een enkel boek in mijn bezit. Zouden er niet onder mijn vrienden zijn, als Cosmo Lennox, Reggie Turner, Gilbert Burgers, Max en anderen, die mij enkele boeken zouden willen geven? Gij weet wat soort boeken ik wensch: Flaubert, Stevenson, Baudelaire, Maeterlinck, Dumas père, Keats, Marlowe, Chatterton, Coleridge, Anatole France, Gautier, Dante en de geheele Dante-literatuur, Goethe en de Goethe-literatuur, enzoovoort. Ik zoû het als een bijzondere vriendelijkheid waardeeren als boeken mij wachtten, en daar zijn misschien wel onder mijn vrienden enkele die het op prijs stellen iets voor mij te doen. Ik ben werkelijk heel dankbaar, al vrees ik dat het dikwijls lijkt van niet. Maar bedenk dat ik naast het gevangenisleven nog onophoudelijke kwellingen heb gehad.

In antwoord op dezen moogt Gij mij een langen brief schrijven enkel over tooneelstukken en boeken. Uw schrift, in Uw laatsten, was zoo verfoeilijk slecht dat het leek of Gij een roman in drie deelen aan 't schrijven waart over de vreeswekkende uitbreiding der communistische denkbeelden onder den gegoeden stand, of U op eenige andere wijze bezig hieldt met het verkwisten van een jeugd die altijd rijk aan beloften is geweest en blijven zal. Als ik U grief door het aan zulk een oorzaak toe te schrijven, stel het op rekening van de overprikkeldheid eener lange gevangenis. Maar schrijf werkelijk duidelijk. Anders lijkt het alsof Gij iets te verbergen hadt.

Daar staat heel wat afschuwelijks in dezen brief, geloof ik. Maar ik moest mij over U beklagen bij Uzelf en niet bij anderen. Lees mijn brief aan More voor. Harris komt mij aanstaanden Zaterdag bezoeken, hoop ik. Groet Arthur Clifton van mij, en zijn vrouw die, vind ik, zoo zeer lijkt op Rossetti's vrouw—hetzelfde prachtige haar—maar natuurlijk een liever natuur is, hoewel Miss Siddal bekorend is en haar gedicht prima.

Steeds de Uwe,

Oscar.

Noten:

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings