AFGEZAKT.
Reading edition
I.
Stil stond de kamer.
Een vijandige stemming hing er dik en maakte alles grauw.
Baller, klein zwart mannetje, om ’t geel en tanig gezichtsvel een verwaarloosd, vlokkig baardkransje, de oogen verzwakt, de knokig-harde handen in stugge stutting onder het landerige, kleine hoofd, blikte sufferig en moe rond.
Ingehouden nijdigjes bestaarde hij zijn vrouw, die zonder eenige notitie van hem te nemen, haar gewone werk afdeed van alle zaterdagavonden. Buiten schreeuwden en relden al de venters. Hun schor-schrille, doordringende geluiden snerpten fel uit boven het gegons en gegrom, boven het ratelend kargerol der straat, verweekten of krompen in, warrelden en woelden ermee samen soms, sloegen dan weer fel ôp en werden één enkele stormende vlaging die opklom tegen de hooge huizen, voortrakkelde langs de hoorige ruiten. De aanprijzingen wisselden elkaar gestadig af, volgden elkaar op, klauwden ineen en spatterden weg tot in de dwarsstraten, om opnieuw weer aan te vlagen, overjagend heel de wijk met drukte en geweld. De verkoopkreten en gillen werden al snerpender, laaiden wilder uit, joelden al hooger op, drongen tot twee, drie hoog, bereikten zelfs de achtervertrekken.
Baller in zijn kleine spitsigheid nam willig op al dat straatgewoel. ’t Vroor zeker hard, want hij hoorde bar al dat geschreeuw. ’t Leek wel of al ’t gewoel, het gemonkel en gesjacher, het bieden en opdringen rond de wagens, de zwaaiende armen van de straatventers, of de plakkerdrukte der winkels hier vlak naast hem stond, of ’t bij hem op de kamer zelf gebeurde en hij zich midden op straat bevond, zoo hoorde en zag hij alles duidelijk. O, hij begreep het, ’t kwam door dat vriesweer, dat alles zoo opklonk. En datzelfde vriesweer hield hem ook zonder werk. Hoewel als de wind draaide ’t best zou kunnen gaan dooien!
Heel de morgen en heel de middag had hij thuisgezeten, hij verlangde weg te komen, wist toch niet hoe dat aan te leggen, want als je niks aanbrengt heb je ook weinig in te brengen, dit stond zoo vast als een huis. In elkaar gekrompen begluurde hij vaag de bewegingen van zijn vrouw, die niet vriendelijk gehumeurd van ’t eene eind der kamer naar ’t andere sjokte. Haar mager, uitgezakt lichaam stootte ze in moeielijke dracht door ’t klein vertrek, dat schraal verlicht, aan kant gemaakt en toch overhoop lag door haar gewerk. Op alle stoelen stapelde zich het wit en bont waschgoed en naast de tafel lag een mand vol, dat nog door haar vingers moest, ’t zou zeker in ’t eerste uur niet gedaan zijn!
Vrouw Baller streek nu op de tafel aan, overspande die met een ouwe, wollen deken en begon zonder nadere uitleg aan haar wasch. Met haar harde werkvingers rekte ze het goed, griste de zoompjes eruit, streek het dan met de vlakke hand zoowat glad, vouwde en rolde het saam, om te laten mangelen. IJverig werkte ze door, nu en dan opkijkend naar de kachel of die wel goed brandde, anders werd haar ijzer niet warm en ze moest strijken.
Van buiten sloegen weer op de schrille galmstemmen. Kreten van haring, volle haring... puike aerpels... mooie kool, fijne vaste kool, zoo hard als ’n bikkel om ’n gat mee in de kop te gooie en andijvie, lekkere malsche andijvie, ze schalden in ruwe roering dooreen, relden en jelden dan weer ieder afzonderlijk uit, heel klaar en duidelijk.
Baller zuchtte. Hij merkte het best, die zaterdagavonddrukte maakte z’n wijf tureluurs evenals hem zelf. Zaterdagavond en geen geld, goed om ’n vrouw helsch te maken. Had ze al ingekocht voor morgen, natuurlijk dan van haar eigen zuur verdiende geld? Hij wist het niet en durfde ’t ook niet vragen, verdiepte zich weer in zijn krant, die hij daarstraks zelf aan de kiosk haalde. Hij had zich toen ook een borrel gekocht... als ze nou maar niet te dicht onder zijn adem kwam, dan rook ze ’t en dan werd het bepaald ruzie, ze kon de drank niet uitstaan. Zeker, ’t zaakje hing niet in de haak, dat hij zoo nu en dan er eentje stiekem pakte. De verdiensten kwamen van haar, ze hield de boel bijeen, maar hij kon er niet buiten, zonder een opkikkertje zakte hij heelemaal in elkaar. Eén enkele borrel, die hield hem op de been, anders ging alle moed d’eruit. Totnutoe bezat-ie nog ’n snabbeltje apart, kon-ie wat achterbaks houden, nou raakte dat gedaan, ’t was op en nou moest-ie afwachten dat zij hem iets gaf. Dat vond-ie wel erg. Kon-ie in ’s hemelsnaam iets vinden al was ’t als loopknecht, maar och niks stond er weer in de krant.
Moedeloos pakte hij het vettig-bedrukte, dun-klaterend dagblad op en neusde alle advertentiën door. Maar daar schoof ze met haar lang, houterig lichaam voor hem heen, zoodat hij geen lettertje kon zien; zijn oogen staarden blind tegen haar strak-harde rug als tegen een muur. Dat maakte hem nog kribbiger. Gewoon niet om te doen, meende hij. Z’n plaatsje zocht hij juist hier tusschen het raam en ’t zeskante potkacheltje om uit de verdrukking te wezen en haar niet in de weg te zitten. ’t Was er ook warm en niet te ver van de lamp die als altijd slecht brandde. En telkens, alsof zij ’t erom deed, dwarrelde ze voor zijn oogen als ze de strijkbout tegen de kachel ging zetten, waarvoor ze niet wou omloopen. Dan moest-ie grommen en brommen, al hield hij zich nog zoo in omdat klagen toch niet hielp. Daar, dáár had je ’t weer. Diep zuchtte hij ervan.
Ze hoorde nu zijn gezucht. Smalend zei ze:
—Ga dan uit de weg, je ziet da’k mot strijke... plaa’s genoch...
—Nee, d’er is geen plaa’s... ’t lig’ overal vol!
—Zoo, wat je zegt!
Ze keek eens rond, zonder op te houden, onder ’t werken door, en snerpte opnieuw:
—Da’r gin’s staat toch ’n stoel...
—Kun-jij da’r soms zien... in stikka donker, nou ik niet. ’k Zie hier best, as jij me ma’r niet in ’t licht staat te draaie!
—’k Kan er niks an doen, bitste ze voort, ’k ploeter me uit de naad voor ’n paar cente, ma’r me eige boel kan nie blijve legge!
Baller zei niets terug, zweeg in hopeloos dof staren, terwijl ze voortging met voor hem heen te schuiven. Zeker, ze had gelijk, haar eigen wasch moest ook worden gedaan. Als zij uit werken ging, als ze de gansche dag voor ’n ander streek, was het al mooi, dat ze het zaterdagsavonds nog voor haar zelf wou doen, dàt gaf-ie grif toe. Alléén, waarom wou ze niet aan d’andere kant staan, waarom kwam ze hem telkens voor de oogen dweilen? Ze kon ’t niet hebben, dat hij hier lekker in ’t hoekje zat en zij nog voortmoest. Enkel pesten, judassen van haar, anders niet, èn hij moest het maar verdragen. Zeker, ’t bleef godgeklaagd, dat zij zich als vrouw moest afbeulen en hijzelf geen sners verdiende, maar was het zijn schuld, wilde-ie soms niet werken? Al over de vier maanden zat-ie zonder, van de week nog al nieuwjaar geweest, geen cent in huis, tot over de ooren in de schuld, met recht een prettig vooruitzicht! Waar moest dat naartoe, ’t werd in de behangerij met de dag slapper, en als ’t nou bleef vriezen kwam er ook geen schot, moest-ie heelemaal van haar afhangen. ’t Was om met je kop tegen de muur te loopen, wist-ie maar wat anders op te denken dan in dat lamme behangerswerk, daarvoor zocht-ie toch juist in de krant.
Baller probeerde zijn oogen te verscherpen en de kleine, kriewelige lettertjes te ontcijferen, maar nu schoof ze weer om hem heen en het uitgevouwen blad kronkende en ontglipte aan zijn hand. Grissend greep hij naar ’t papier, maar haar zwaaiende rok sloeg het al neer en nu lag het op de grond als een vod; ze liep er bijna overheen. Hij meende ruw uittevallen, bedwong zich toch, wetend dat zij niet op haar mondje gevallen, hem niet minder van woord zou dienen, en hij wilde graag goede vrienden blijven, omdat hij straks nog ’s er op uit dacht te trekken.
Moedwillig bleef ze voor hem langs draaien en vol ergernis keek hij tegen haar star-bewegende rug. Enkel zag hij het fletsig haar, dat boven haar stakelijf uitvaalde.
—Verdikkeme, verdikkeme! mompelde hij en zweeg dan weer.
Maar zij had zijn gemopper best gehoord, en dat prikkelde haar. Zonder zich om te keeren snauwde ze kortaf:
—Kijk ma’r ’es liever na’r de kachel.... dan doe je teminste wat voor de kost...
Zonder een verder woord van tegenspraak stond Baller op, pookte van onder in ’t rooster, stootte de kacheldeur open. Een rosse flakkergloed laaide uit, begloeide de grond. Drie, vier scheppen kokes smeet hij op ’t vuur, dat knetterde en sintelde, en opnieuw stompte hij de schepper in de bak, om nog een smijt toe te geven, toen zijn vrouw zich driftig omkeerde, schor-schreeuwend:
—Welzeker... welzeker, waarom niet... kan ’t niet op... kost de brand soms geen geld... ’t is ’t laa’st wâ we hebbe...
Voor een oogenblik stond Baller paf. Dan kwakte hij de gevulde schepper in de bak terug, gromde:
—Dàt had je wel eerder kunne zegge!
—Nou nog snauwe d’erbij... geen cent inbrenge en allemanspraat!
Baller zweeg maar weer. Ze was al in een heele slechte bui en dan viel niet met haar te mallen. Nog een gesmoorde grom en hij duwde de kacheldeur toe, rekte zich eens uit. Zijn afbeelding schaduwde gedrochtelijk op ’t vaag-witte gordijn. Even keek hij er na, liet zich dan op zijn stoel terugzakken, greep botweg de krant, om die verder door te lezen. Maar bij de lichtzwakke lamp wiebelend in de warmte van ’t vertrek en door de bewegingen van ’t strijken, in dat vlekschuivend licht, waarbij zijn vrouw nog telkens voor hem heenschoof, zagen zijn schemerende oogen maar moeielijk de kleine, vettig-gedrukte lettertjes op ’t dun flodderpapier. Zijn blikken reikten niet veel verder dan tot de aankondiging: Vraag en aanbod. Te vergeefs dwong hij zijn afgeleefde oogen om die door elkaar krioelende regeltjes nauwgezet te verkennen. Veel zaaks stond er niet, dat speurde hij al in één vlucht, maar toch, je kon nooit weten, allicht sla-je eens wat over. Hij wou wat vinden, een reden hebben om er tusschenuit te kunnen trekken.
Hoe hij zich ook inspande, ’t lezen en nakijken van de advertentiën ging hem maar moeilijk af. De hitte van de nu-sterker-aansnorrende kachel, de strijklucht en ook ’t witte geglemer van ’t goed maakten hem stomp en wee. Zijn oogen werden waterig, alsof ze dreven. Dof en suf in zijn hoofd, liet hij de krant maar glijden, staarde verwezen voor zich uit, zich pijnigend met het zoeken van een leugen om hier weg te kunnen komen. Maar hij kon niets verzinnen. ’t Leek of haar aanwezigheid zijn denkkracht tot onmacht sloeg, of ze hem dwong tot berustend blijven. Zij stond daar, het sjofele stakelijf tegen de rand der tafel geduwd om meer macht te kunnen zetten, en hij wist als-ie maar een woord over uitgaan kikte, zij zich dadelijk zou omkeeren hem de wind van voren geven.
Lijdzaam keek hij toe, begluurde hoe ze ’t gewasschen goed rekte, de naden uithaalde, het streek, opnieuw vouwde tot het werden gelijkmatig vierkante vormen, elk stuk stapelend soort bij soort, sloopen bij sloopen, hemden, handdoeken, klein goed en groote stukken, rokken en lakens, naar dezelfde maat.
Ze werkte voort. De tafel, waarvan ze de bijbladen had uitgetrokken om meer ruimte te hebben, wiegelde op de wrakke pooten bij al ’t stroef gewerk, schokte mee op de zet en terughaal van haar strijk,—en onder het pootig drukken, omdat de ijzers dadelijk koud werden, knerste de tafella over de looprichels, en dan kraakte het dunne, versleten katoen onder haar grif-tastende vingers, al ging ze nog zoo voorzichtig ermee om. Bij elke krak zuchtte ze zwaar. Hij wist wat dat zeggen wou, vrouwen hangen aan ’t linnengoed, meer als aan haar leven. Zonder dat-ie haar gezicht kon zien wist hij toch hoe zwart-nijdig haar trekken werden als haar vingers ’t verteerde goed aan flarden haalden. Dan viel er met haar niet te mallen!
Gedachtenloos aaiden zijn handen de witte poes, die snorde, de rug hoog opzette onder zijn strijkingen, hem telkens kopjes gaf en spinnend tegen zijn beenen stond aan te wrijven. Hij vergat zijn krant te lezen.... raakte weer aan het peinzen.
Ze merkte het, liet haar ijzer rusten, zag hem een oogenblik scherp aan, en zei dan schimpend:
—Je hebt het ma’r makkelik, dàt mô ’k zegge.... je denkt an niks! Is er de huur al bij mekaar?
Baller schouderschokte, knipte van onmacht de oogen. Dat ze nu weer vroeg.... ze wist toch wel, dat-ie niet had.
—De huisvent is van morge d’er geweest.... as-ie maandag nie’ krijgt, gaat-ie z’n gang! zei ze opnieuw.
Baller bleef zwijgen. Wat moest-ie zeggen?
—Hij wil niet wachte, versta-je, schreeuwde ze nu feller. Je zit da’r ma’r of je van Lotje bent getikt.
—Maar wat wil-je dan toch mensch? stoof Baller nu op, terwijl zijn oogen vurig werden en zijn klein hoofd zich tot haar oprichtte.
—Wat ik wil... wat ik wil? ik wil niks... ik zeg alleen ma’r, dat-ie niet langer wil wachte... is dat soms niet klaar genoch voor meheer... laat dat nog aan duidelikheid te wensche over?
Zij zette de handen in de zij, keek hem smalend met een hoonlach aan, herhaalde:
—Hij wil niet wachte... geen dag meer!
—Zoo? wil-ie niet wachte? nou dan mot-ie ’t ma’r zien van m’n rug te snije! stootte Baller er eindelijk noodgedwongen uit. Al zijn benauwdheid, het zich klein voelen onder haar aanval, viel ineens van hem weg. De enkele borrel, die hij vanavond pakte, gifte in hem op. Hij begreep, dat-ie zich te weer moest stellen, en zich niet alles kon laten gezeggen, want dan ging ze langer hoe verder. Fel, met woedend-gemeene blikken, valschte hij naar haar òp, om haar op die manier wat af te schrikken.
Zij liet zich niet daarmee van streek brengen, zei treiterend-zeker:
—Hij smijt ons d’eruit, dan stane we op straat.
—D’er is nog al veel om op straat te zette, schetterde hij terug.
—Veel of niet veel, je legt onder de bloote hemel... en waar vin-je zoo gauw wat anders?
—Hij doet ’et niet, wat ik je smoes... hij maakt je maar bang, vergoelijkte Baller weer.
—Bang... bang? Het-ie soms geen recht... is ’t nog niet lang genoch... ellef weke?
—Ja, zuchtte Baller, weet jij d’er raad op? Ik niet!
—Dat is wel makkelik je zóó d’eraf te make!
—Weet jij dan ’n middel?
—D’er ben je man voor, ellef weke niet betaald, ’t is maar niks... noem je dat soms kattedrek?
Baller mompelde een “stik” tusschen zijn tanden, draaide haar de rug toe. Dat wekte eerst recht haar toorn op, ze smeet de ijzers terzij, liep handen-wringend overentweer, jammerde het vertrek vol met haar snerpende klachten.
Baller kreeg het te benauwd. Van angst en wrevel sprong hij op, hakkelsnauwde:
—Hou toch ’es op... met je herrie... ’t is nog zoo ver niet... wat bliksem is dat?
—Zoo ver niet, zóó ver niet? Me dunkt ’êt...! dat ’t ver genoch is! Hoonend bleef ze voor hem staan, zei dreigend, klagend:
—M’n god, wat zal er van ons komme!
—Kan ’k ’t helpe... mot ik soms gaan stele?
Minachtend keek ze hem aan, en die blik zei: daar ben je veel te laf voor. Dan hoonde ze voort:
—Zuipe, dàt kan je wel... je stinkt weer naar jenever!
Baller werd weer bang.
—Zanik niet, ontweek hij. Je hebt altijd wat!
—’t Is toch zoo. Denk je dat ik niet ruiken kan.
—Een glaasie noem je dàt zuipe?
—Hier een glaasie en daar één, zoo gaat het geld weg... alles door ’t keelgat. Ze geve het je niet voor niks, dàt maak je mij niet wijs!
—’k Mot toch op werk loope!... hier of daar hoore... ’t komp niet van zellef.
—Och wat, uitvluchten van jan kalabas... je vindt geen werk... ik als vrouw draai er ma’r voor op.
—’k Kan toch niet bij de pakke blijve zitte, is wel?
—’t Zou wat! zei ze minachtend.—Dàn pakte ze het ijzer van ’t kacheltje, vingertipte langs de plaat om de warmte te toetsen, begon weer te strijken. Gelijk keerde zij zich nog eens om, zei dreigend:
—Je mot ’t zellef wete, ma’r dàt zeg ik je, as we op straat komme te staan, trek ik ertusschen uit.
Ik haal mijn kossie wel!
Baller zakte in zijn hoek terug. Al zijn moed verschrompelde en gleed weg; hij voelde zich als geranseld met een zweep. De hitte van ’t gesprek en de duffe, bedwelmende strijkwarmte maakten zijn lippen rimpel-droog en toch durfde hij niets zeggen. Die geschiedenis met de huishuur bleef leelijk. Ze waren wel eens meer achter geweest, maar zooveel als nou nee, elf weken, kwam nog niet voor. Sakkerjen, ’t zou zoo’n wonder niet zijn als het misliep!
De poes wipte op zijn knie, zette haar rug hoog op, vleide zich neer, de kop tusschen het lenig vel gravend.
Baller liet het beest begaan, keek suf voor zich uit. Konden ze maar een of twee weekjes afdokken, of had-ie teminste werk in ’t zicht, om de huisbaas te paaien, maar geen cent in de mars en niks in ’t verschiet, dat was om de dood niet plezierig. Te verkoopen of naar de lommerd te brengen viel er niet. Wat hier nog stond, die nakende stoelen, de tafel, het kacheltje, dàt hadden ze alles hard noodig. Zijn zondagsche spullen waren nog over, om ze voor een daggie te verzetten, maar als het daartoe kwam kon-ie niet meer in ’t licht verschijnen. Zijn vrouw had ook niet te veel, geen fatsoenlijk stuk aan d’er lijf! Wel waren ze afgezakt, zaten totaal vast, de eenige uitkomst werk te krijgen, maar hoe en waar...
Moedeloos nam hij de krant weer op, doorzocht de heele lijst van kleine advertentiën, al wist-ie dat er niets voor hem instond. Hij wou wat vinden, om uit de kamerbenauwdheid weg te kunnen. Met zijn nagel krabde hij hier en daar wat aan, doch hij dorst er nog niet mee voor de dag te komen. Dan vroeg hij om te polsen of haar stemming beterde:
—Heb je niks te drinke? heb je al koffie?
—Ja strakkies... as ik klaar ben ga ik koffie zette!
’t Was nog niet in orde, dat merkte hij best. Daarom vroeg hij, terwijl hij meteen bereidwillig opstond:
—Wil ’k soms wat op de kachel gooie?
—Welzeker, ’t kan niet op! Ze zei het bits, zonder op te kijken.
Baller vroeg niet meer, ging weer zitten, tuurde in zijn krant, stootte nu en dan een “ha” eruit, alsof hij iets van belang vond, las hard op een advertentie, die hij maar verzon.
Nu hoorde hij weer de avondventers, en hun schorre, schrille geluiden, die naar de derde verdieping òprelden, leken hem sarrende kreten, fel treiterend omdat hij hier als zat vastgebonden. De dorst werd al erger, schroefde hem de keel toe, en toch opstappen durfde hij niet. ’t Was zijn eigen bedrijf, zijn eigen schuld dat-ie zoo in de klem raakte. Hij moest vroeger beter op zijn boeltje hebben gepast, maar o, de kolder stak hem in de kop, hij voelde zich te hoog, te veel meneer om aan te pakken, schaamde zich om met de stijfselpan te loopen, nou ja, hij was ook een bazenzoontje! Zijn vader waarschuwde hem tijdig toen hij met haar begon en zijn moeder drong altijd aan, dat-ie een vrouw met geld zou zoeken, maar hij luisterde er niet naar. Nou zag-ie eerst zijn stommiteit. Een vrouw enkel om haar mooi gezichie nemen was de grootste ezelstreek, die een man kon uithalen. Een mooi gezichie? Godbetert als-ie haar nou aankeek, een uitgeholde raap op een strijkplank leek ze! Ze was wel veranderd.
Nijdig blikte hij naar haar, nam haar eens nauwkeurig op. Het vale, dor-blonde haar lag slordig om ’t door zorg en ellende verwaarloosd bleek gezicht, waaruit de jukbeenderen grof staken, terzij van de vastgenepen mond groefden zich harde trekken en haar neus spitste scherp, als de ram van een schip, heel haar wezen een brok harde narigheid.—Behalve een slap uitzet bracht ze niks mee, geen rooie cent, en eenmaal getrouwd, kreeg ze evenveel bereddering als de fijnste madam. Hoe anders zou ’t zijn geloopen indien hij er eentje met de noodige grijpstuivers had gezocht; in zijn tijd kon-ie er genoeg krijgen, hij had z’n vingers maar even hoeven uit te steken; de meisjes met centen waren er toch om te worden gevraagd. Maar hij liet zich door haar aardig bekkie inpalmen, en nou moest-ie de gevolgen dragen, daaraan viel niet te veranderen. En ’t ergste nog: ze wou niet begrijpen dat ze verschillend waren; ze schold en schimpte, nam niet in aanmerking, dat zijn handen voor ’t werken verkeerd stonden.
Maar ondanks haar venijnigheid deed ze haar best, veel meer dan hij zelf, al werd ze dan ook voor ’t werken opgebracht, terwijl hij nooit wat leerde in z’n jonge jaren, zelfs geen vinger behoefde uit te steken.
Het ongeluk vervolgde hem wel, van alle kanten. Dadelijk na het trouwen al ’t faljiet van Tobiassen, voor wie hij twaalf nieuwe huizen plakte en waarvan hij geen dubbeltje kreeg. Toen die mijnheer Diemert, aan wie hij zooveel te kort kwam, ’t liefst maar drie duizend gulden aan kleeden. Dan dàt keertje brand, te laag geassureerd, zoodat ze hem een schijntje uitkeerden. Zes kinderen geboren en gestorven, komen en gaan kost geld, ’t kwam allemaal bij mekaar, tot-ie voor ’t fatsoen van de familie de winkel likwideerde en op bonnefooi naar Amsterdam trok. Dàt had-ie nooit moeten doen. In een kleine stad kun je ’t mager hebben en vol zorgen zitten, maar je komt er door. Hier, in Groot-mokum, geeft geen mensch om je. En natuurlijk, daar ginds waren ze blij, dat ze hem kwijt raakten; nu keken ze niet naar hem om, lieten hem aan zijn lot over. Zijn bloedeigen broer scheepte hem af met tien gulden, en op al zijn brandbrieven kreeg hij nou zelfs geen boe of ba. Dat hadden ze hem niet kunnen leveren als-ie daar was gebleven. Waarom was hij toch gegaan? Wel, omdat je in je eigen plaats je zoo moeielijk kunt verminderen, er nooit weer boven-op werken, maar een stommiteit bleef het toch. Van God en alle menschen zat hij hier verlaten! Zijn heele leven eigenlijk een enkele misgreep. In plaats hem zijn vak deugdelijk te laten leeren, stuurde zijn vader hem in de winkel om te verkoopen. Wat wist-ie nou van ’t werken af, van gordijnen en drapeeringen? Niks. Als hij zijn handen kon roeren, hoefde-ie nou niet op schobberdebonk te loopen en revolutiewerk voor ’n krats te maken, had-ie allicht een vaste plaats als meesterknecht gevonden. Maar wie dacht daar in zijn jeugd bij hem thuis aan? Hij was bazenzoontje, mocht dus de kantjes afslijpen. Nou zag hij eerst de gevolgen en z’n vrouw begreep maar niet, dat hij daarover zat te piekeren!
Tusschen deze overpeinzingen door namen zijn ooren op de zaterdagavonddrukte, zagen weer zijn oogen haar stuursch gezicht, voelde hij ook de dorst in zijn keel branden. Hij moest eruit. Als hij hier bleef hangen kreeg hij vast geen werk; een loopende hond valt allicht wat in de mond was toch het spreekwoord. Maar ze zou hem niet laten gaan. Hoe dat aan te leggen? Een paar keer dacht hij, dat zijn vrouw zelf zou beginnen. Ze opende half de mond, dan kneep ze de lippen weer toe, zonder eenig geluid te geven. ’t Gaf zeker dolle ruzie indien hij ermee aankwam. En toch ’t moest, als hij langer wachtte, ging ’t heelemaal niet meer. Diep ineengedrongen, de magere handen onder ’t vlokkig-behaarde hoofd, zat hij te overleggen. De straatgeluiden scherpten hem al meer op, brachten hem tot opwinding. Elk oogenblik verwachtte hij, dat zijn vrouw zich zou omkeeren, hem een standje schoppen door geld te vragen voor de inkoopen. Dan zou hij de gelegenheid gebruiken om de spat te zetten. Ja, dat zou-ie doen! Maar zij zei niets, streek en vouwde onafgebroken door, zonder ’t hoofd op te heffen. Hij moest nu wel zelf beginnen, anders werd het te laat. Daar bleef niet anders over.
De poes tilde hij van zijn knie, zette haar op de grond, de poes die gestoord in haar makkelijk liggen, nu de rug hoog-op kromde, tegen zijn beenen bleef spinnen. Meteen richtte hij zich al geeuwend op, rekte zich uit en zijn smal, klein gezicht in een plooi trekkend alsof hij ’t zelf lam vond, smeet hij onverschilligjes d’eruit:
—Ik zal d’er verdorie nog op uit motte!
Die woorden vielen als een enkele plof in de kamer.
Dadelijk liet ze ’t strijkijzer rusten, keerde zich om, keek hem scherp aan, vroeg:
—Wat zei-je?
—Dat ’k nog effe d’eruit zal motte...
—Je zal ’t wel uit je herses late!
—Ze hebbe d’r iemand noodig... op de Haarlemmerdijk... bij van Wieren!
—Zoo-o!
—’t Staat d’ar in de krant.
—Wèl toevallig!
—Lees het dan zellef!
Ze grinnikte van nijd, keerde zich verachtend om, duwde haar strakke rug langs hem heen, streek opnieuw voort, schimpte dan weer:
—Op Zaterdagavond? Nee man... ik ken die foefies... geen denken an!
—Foefies?... wat foefies?
—Daar hei je zeker twee uur voor noodig, om die affertensie op te scharrele... of ik dat niet ken... van zes uur zit-d-ie d’er al... hà, hà, hà, treiterlachte ze.
—Ik zie ’t net... da’s te zegge... ik zag ’t wel eerder. Niet veel bizonders... je zoekt en je zoekt honderd uit.
—In elk geval, ’t is nou te laat. Ga morgen!
—Dan is ’t zondag! kan ik toch niet gaan!
Ze zweeg, door zijn antwoord vastgezet, doch ze wou geen kamp geven, omdat ze z’n streken te goed kende.
Strak stond de stilte tusschen beiden in, fel vijandig. Dan zei ze scherp:
—As-je morge in de vroegte gaat, ben je frisch.
—Och mensch, lâ na’r je kijke... ze zulle me zien ankomme, op zondag!
—Ma’r ’t is nou nacht.
—Nacht, nacht? wat jij nacht noemt, pas half nege!
—Nee, ’t is zeker vroeg, gotallemachtig...!
—Dàt niet, ma’r... as je het nou niet eerder ziet. Wat verlet ik ermee? Niks... hebbe we ’t zoo goed... kunne we wachte! is m’n gang soms ’n doktersgang?
Zij haalde de schouders minachtend op, streek door, hoorde het aan zonder hem verder te antwoorden hoe hij in een stortvloed van hakkelende, stotterende woorden, woorden zonder zin, die zich herhaalden, waarmee hij zich telkens weersprak, aanhield, zeggend, dat hij most, dat al gaf ’t niks, hij ’t niet mocht laten ontglippen!
Zij zweeg, streek door; en aan haar harde rug zag hij best hoe ze er over dacht. ’t Prikkelde zijn verzet op. Hij moest nou doorhakken, anders kwam ’t er niet van. Met een schonkig gebaar schoof hij naar de kast, om zijn jas te pakken. Maar ze was vlugger dan hij, stond oogdreigend voor hem:
—Je gaat niet, ik zèg je, je gaat níét!
Hij liet zijn jas los, die op de stoel gleed, schreeuwde dan ineens gedurfd:
—Zoo en waarom niet... ben jij soms de baas?, denk jij me te drille?
—Ik zweer je, as je gaat, gaan ik ook! Wie je terugziet, maar mijn niet, versta-je!!
—Wel-wel, wàt je meent, treiterde hij weerom, nog zoo slecht niet bedacht, denk je me daarmee te pesten, dan heb-je ’t mis, glad mis! De deur staat wagewijd voor je ope, as je soms weg wilt, vergis je toch niet.
—Natuurlik, jij geeft er niet om, maar ik zweer je, dat ik ’t doe.... as je ’t hart hebt om uit te gaan zie je mij niet werom!
In driftige hijgadem raffelde ze door, smeet in woede de woorden hem om de ooren. Hij, in zijn kleinheid strakstijf met norsch, zwart gezicht van onwilligheid, sprak geen woord. En dat maakte haar razend. Ze smeekte, bad om te blijven, dreigde dan weer, verweet hem zijn luieren, zijn zuipen, zijn slecht behandelen, en huilsmeekte vannieuws.
Maar hij wou doorzetten, hield zich ongevoelig, zooveel voor ’t een als voor ’t ander. Brutaal snerpte hij:
—’t is hier geen kwestie van goed of slecht behandele, het is kwestie om werk te krijge, èn of ’t nou half nege of half tien is, dat duvelt niks.... as je zonder zit, kan-je hier niet blijve hokke.... ’t werk komp niet van zelf.... heb je ooit van je leve.... nou wat zeg je me daarvan?
Zoo bar mogelijk zei hij het, op ieder woord drukkend, om haar te overbluffen. Maar hoe nijdig hij zich ook hield, ze verzette geen voet, ze gaf niet toe. Hij wist, dat ze hem doorzag, voelde zich half geneigd toch weer de minste te wezen. Wat vroegen ze op de Haarlemmerdijk eigenlijk? Een aankomende bediende in een kruidenierswinkel, een halfwas, voor een vette drie gulden per week misschien.
Nu begon ze opnieuw te kijven en te smalen, haar handen melodramatisch samenwringend.
—Blijf nou thuis, dreig-smeekte ze. Late we overlegge hoe dat an moet met de huur.... late we zien ’n andere woning te krijge.
Hij schokte de schouders, onwilligde terug:
—Daar hebbe we morge alle tijd voor, nou kan ik nog probeere voor werrek, zal ook ’es naar Bouwlust gaan.
Vlijm-scherp zag ze zijn doel: het café waar de bouwers samenkwamen en ze wist al vooruit waarop dat ging uitdraaien; ’t werd natuurlijk weer zwetsen en drinken! Om hem van dit plan af te houden werd ze toeschietelijker, vroeg ze bijna gedienstig:
—Wil ik koffie zette?
Baller weifelde.
De gillen en kreten der zaterdagavondventers rilden in zijn ooren, dansten er rond, lokten hem naar die drukte,—en toch, hij durfde niet best, bang voor haar groote mond. D’er zou wat zwaaien! Maar, als-ie nou niet doorzette, kreeg-ie de heele avond geen kans meer, zat-ie bakker-an. Het zichzelf opgesloten zien zitten en dan niet weg te kunnen doemde ineens voor hem op. Zijn dorstige keel schroeide saam bij de gedachte geen jenever te krijgen, en de koffie, waarnaar hij straks zelfs vroeg, proef-smakte in gedachten nu op zijn tong bitterdrabbig. Hu, net cichoreiwater! Een benauwing sloeg in hem op, doorgloeide zijn keel, steeg naar zijn klein, verweerd, zwartbaardig hoofd, dat hij opgeblazen-heet voelde worden, terwijl een koude kriebel langs zijn rug kroop.
—Nee, stootte hij uit, nee, voor mij hoef-je niet te zette... ik mot toch d’erop uit.... voor die advertentie.
Zij schokte uit haar gebogen houding op, liet het dekselplaatje van de kachel dat ze oplichtte voor de waterketel, met een klaterende rinkel terugvallen, keek hem star-stijf aan, ermee zeggend: dat gaat zóó niet mannetje!
—Ja zeker, weerbarstigde Baller. Ik mot ook zien Peters te treffe!
—Peters? smaalde ze, in haar heftigheid geen woorden vindend om op hem los te branden.
—Ja zeker Peters! bevestigde hij. Die hêt-me beloofd as de verdiepinge zoo ver benne...
—Wat verdiepinge... ’t vriest toch veel te hard om te kunne plakke... ja, maak mijn dat wijs!!
—Zoo?
—’t Werk ligt stil, dat hè-je toch zellef gezeid.
—In elk geval, driftigde Baller nu, in elk geval ’k mot eruit. Denk je soms, dat ze ’t op de trap komme legge?
—Zie je wel.... zie je wel.... Hij wil d’eruit.... hij wil d’eruit... naar de kroeg! Heb ’k ’t niet gedacht... wist ik ’t niet... geen cent thuis en toch zuipe!!
Op die smalende woorden schoot Baller ineens op, vinnig-fel, alsof-ie haar te lijf wou. Haar vellig-magere handen klauwden zich tot verweer, de deur moest ze afsluiten, zoodat-ie niet wegkon. Maar ze was bang, dat-ie haar dan van achteren zou aanpakken, dat leverde-ie meer! Haar vingers kromden zich om te nijpen en te krabben.
Baller zag haar steelsche blik naar de deur en kreeg een inval. Ja, dat kon! Met kattige drift van kleine man, die niet op kan tegen zijn grootere vrouw, stormde hij op haar toe, vooruitstootend zijn eene arm, alsof hij haar te lijf ging. Maar in plaats van dat te doen, greep hij in snelle vaart naar jas, naar hoed, rukte de deur open,—en voor ze nog eraan dacht, was hij al buiten, op ’t portaal, holde de trap af, de kamerdeur met dreunend geweld vlak voor haar gezicht toeslaand.
Zij riep nog: Jan! Jan!
Hij holde door, was de onderste trap al af, buiten haar bereik. Ze stond verbluft, sprakeloos van machtelooze woede.
II.
Het felle toesmakken der deur relde en rammelde nog na door ’t heele vertrek, trilde langs de kale behangselmuren, beflapperde ’t wiebelend lamplicht, woedde in de potkachel, die ineens weer harder snorde. ’t Scheen alle voorwerpen te omstrijken, te beroeren, omgolfde, omvatte haar zelf, als in een huig van kilheid en vrees.
De armen vielen vrouw Baller slap langs ’t lijf. Ze voelde zich geslagen, al raakte hij haar met geen vinger aan. Veel streken haalde-ie uit, maar zoo brutaal als nu nog niet, dát liep er over heen!
Een krampige verontwaardiging doorschokte haar, maakte haar star en stijf. ’t Was of alles door dat toeslaan der deur in onrust schommelde en bleef schommelen; ze keek ernaar met blinde oogen. Maar na een poosje haalde ze de harde schouders op, perste de lippen nog meer samen, mompelde tusschen de gesloten tanden:
—Welja, welja.... ga je gang maar... d’er kan nog meer bij; waarom niet?
Ze aanvaardde maar moeilijk ’t geval, schoof met haar slofvoeten naar de kachel, zette de waterketel terzij, nam de strijkbout om met haar wasch voort te gaan. En toch, de verwarring, de ontstemming weken hiermee niet; ze kon haar aandacht niet bij ’t strijken houden.
Haar vingers beefden, heel haar lichaam beefde. ’t Was ook te erg! Zonder acht te geven op wat ze deed, verstapelden haar handen de hoopjes, tastte ze het goed te hoog op elkaar. Het tuimelde om, viel van de tafel. Nu moest ze het weer oprapen. Slap liet ze het koud-geworden ijzer over ’t goed gaan en de handen vielen weer langs haar heen. Alles rondom bleef in beweging. ’t Licht wiebelde en wipte, vlekte schaduwen op ’t behang, zwartte grimmige kringels over ’t plafond, beglimpte de vaasjes en gipsbeeldjes op de schoorsteenmantel, maakte ze tuiterig en scheef. Het klokje uit de guldensbazar hoorde ze onregelmatig tikken, de slinger ging slikker-de-slik, slingerde zoo vreemd, alsof ’t ding eruit zou vallen. Zelfs de ruiten maakten geweld, alles leek in opstand. Natuurlijk onzin, verbeelding, dàt wist ze opperbest! Het bracht haar tóch van streek. In haar ooren bleef doordaveren ’t toeslaan van de deur, zijn trapafhollen. Schrijnend voelde ze haar onmacht, de onmacht van vrouw, die voor de boel blijft zitten, en de getrapte is, ook als de man niet trapt, enkel maar wegloopt.
Zij pakte het ijzer weer aan, om door werken haar gedachten te verzetten, haar woede te temperen, maar ’t lukte niet half. De punt van ’t ijzer stootte door ’t versleten goed heen, ze vergat de strijkzool aan te voelen, of een lap op te leggen en verschroeide een van de weinige lijfjes die ze nog bezat. Ze streek, perste, vouwde voort, en zuchtte er tusschendoor. Haar hè-hè’s sneden vinnig door ’t vertrek, en de tafel schokte en knerste mee in haar heftig gewerk. Ze moest zich intoomen, dàt voelde ze, ze zou maar liever de naden uithalen en gaan verstellen. Dat vlotte ook al niet best. Haar vingers glipten door ’t dunne goed heen, stuk voor stuk moest ze terzij leggen, ’t was of de gaten ermaar zoo invielen, geen bijhouden aan. Och ja, ’t ging ook al lang genoeg mee... elf jaar... geen kleinigheid... ’t beste slijt, en geweest is geweest! Wat kocht ze in al die tijd bij, een bedroefd drupje, ’t meeste voor hèm. Ze deed ’t nog met dezelfde hemden, dezelfde rokken van haar trouwdag af.
Haar vingers gristen weer door ’n sloop heen.
Zie in gosheerenaam toch ’es an, drifte ze, daar is geen verstellen meer an... kan je niet eens meer uitstukken, zelfs niet meer bijhalen, de voddenjood geeft geen drie kwartjes voor al wat hier ligt! Thuis hadden ze ’t niet breed, maar de kast zag er toch behoorlijk uit. Hij moest noodig zeggen, dat hij haar uit een sjofele boel haalde! O! O!!
De kwaadheid, zoo lang bedwongen, ziedde, brak uit naar alle kanten. Lammeling, labberkak, die je bent, schimpte ze. Zoo’n gluiperd, zoo’n rakker, geen cent brengt-ie in en toch mot-ie naar de kroeg!... Hij werk-zoeken? Ja, dat kun-je begrijpe, veel te graag lust-ie een spatje, daar was ’et hem om te doen, of ik ’t niet snapte! je zwijgt en zwijgt, doet of je ’t niet merkt, om de vree te bewaren. ’t Loopt toch op niks uit, een vrouw moet het altijd misgelden, maar pas op, pas op mannetje, aan alles komt ’n eind!!
Voor haar van kwaadheid vlammende oogen zag ze klaar hoe-ie daar straks zat geschonkt tegen ’t gordijn, tusschen raam en kachel, alsof ’t gordijn niet gauwgenoeg vuil wordt, ook zonder dat je er tegen leunt. Ze rook weer zijn adem, de dwalm van jenever, die goor-zure stinklucht, alsof je boven ’n goot lei, en ze zag vlijm hoe stommelig-onnoozel, hoe miezig hij in die krant ploeteroogde. Ze kende dat bedrijf, de krant had ze uit zijn handen moeten slaan. Ja, dat had ze moeten doen en de deur afsluiten, veel te goed was ze voor hem. Ze schold en schimpte voort, schimpte zoo heftig dat de eigen woorden haar om de ooren ketsten. Door die opdrifting aangevuurd, balde ze de vuisten, alsof-ie daar nog in ’t hoekje zat en ze hem daarmee klein kon krijgen. Het strijkgoed smeet ze ruw neer, en dat viel op de grond; nu moest ze ’t weer opnemen. Onmachtig zakte ze op een stoel, berstte in zenuwend huilen uit.
Een heele tijd zat ze zoo. Eerst langzaam-aan bedaarde ze, beseffend, dat ze zich van streek maakte voor niets. Wezenloos staarde ze haar vertrek in ’t rond, de handen in de schoot,—en nu ineens leek ’t haar zoo stil, de bewegelijkheid van straks ongemerkt vergleden. Niets bewoog zich, zelfs geen schaduw aan de wand. De lamp krinkelde rustig zijn ringen op ’t plafond en van de straatventers drong geen gerucht meer door.
—Is ’t dan al zoo laat? vroeg ze zich.
Ze keek naar ’t klokje. Dat stond op kwart over negen. ’t Tikte niet. Zeker afgeloopen, ’t moest toch later zijn!
Ze draaide het kreupelpootig uurwerkje op en nu de tik weer door ’t vertrek liep, verbrak dit wat de eenzaamheid, voelde ze minder de strakke, gelaten eenzelvigheid van wat rondom stond. ’t Witte strijkgoed, de stapeltjes vierkant-gevouwen lakens, handdoeken, sloopen, ze grijnsden bleek op in het traag-gele lamplicht en opnieuw sufte de kamer van de stilte.
Maar nu kwam er ineens gerucht, de kat joeg met lenig-wilde sprongen door ’t vertrek, dolde heen en weer in hoepelvluchten.
—Die hét ook de kolder in de kop, zeide ze, na haar heftigheid verwonderd over eigen berusting.
De kat bleef jagen.
Plots rammelden de ruiten. Een windstoot flapperde langs ’t raam.
—O, is ’t in die tijd... is het dat? sprak ze halfluid. Ze wist het nu. ’t Werd slecht weer!
De eene vlaag na de andere joeg bollend aan, wervelde stootend uit, zwiepte weer voort. De ramen klepperden hier en daar en overal. Langs de huizen, langs goten, en hijschblokken schuurde piepknersend de wind, die een wild dier gelijk beneden door de straten ging gieren.
Onwillekeurig luisterde ze er naar. Het maakte haar bevangen-stil. Na een poosje scherpte ze zich zelf op, zei vermanend:
—Kom vooruit! wat geeft dat nou? Gauw de boel aan kant maken.... ’t duurt al lang genoeg!
Ze had nog maar ’t restje bonte goed na te zien, uitgestukte boezels en enkele wollen lappen, die eerst als luiers dienden; en ze pakte flink aan, om er af te komen. Maar ’t zien van die vaal-roode oude luiers, stemde haar weemoedig. Ach, ach, wat maakte een vrouw niet mee, wat kreeg ze al niet te doorstaan? De kinderen, dood! Misschien maar gelukkig ook! Ze waren in de hemel beter af dan zij hier, wat moest er van zulke bloeien zijn geworden....
Al haar kwaadheid verzonk in deze overweging. ’t Maakte haar tam, eenzaam-en-alleen-te-moede. Ze zag vóór zich de kinderkens, zooals ze werden geboren, zooals ze lagen in de wieg, en zooals ze de geest gaven, de oudste aan hersenziekte, de tweede aan stuipen, de derde aan de ingewanden, en nogal meer. Op één na ’t jongste, een blond-bleek meisje, dat, naar ze zeien, op haar zóó leek, herzag ze ’t scherpst.
Er welde een traan naar haar oog, en die drupte op haar verharde handen. Ze veegde met de handrug af, verzette zich tegen die gevoeligheid, en zei strak:
—Gekheid, wat geeft het, je moet berusten. God heeft gegeven en God heeft genomen.
Maar ze vergat te zeggen: Zijn naam zij gezegend of Zijn wil geschiede.—Ze slikte dàt in, liet erop volgen in schaamte over dit verbergen: Hij zal wel weten wat goed is voor ons, arme stervelingen!
De smart omving haar geheel: ze voelde zich klein, erg klein, en zuchtend tobde ze voort. Haar handen gingen draderig; wel tien keer streek ze ’t zelfde vouwtje uit, en haar oogen staarden blind; ze vorderde weinig.
De wind schuurde nu nog ruwer langs ’t raam, dat in de voegen rammel-trilde, en de windstooten deden ’t gordijn bollen. Wezenloos blikte ze ’t vertrek rond en zoo stond ze een poos gedachtenloos tot ze haar aandacht weer vestigde op ’t rammelend raam; ze zou een spijker of ’n stukje hout als wig tusschen de sponningen duwen. Dat lawaai werd niet uit te hoûen, en het tochtte ook!
Ze rommelde in ’t spijkerbusje, nam een paar vierkante nagels, dik van roest, morrelde die tusschen ’t raam en de lat. Nu eerst zag ze, terwijl ze met de eene hand ’t gordijn afhield, dat het behalve stormen ook nog sneeuwde.
In wilde, stuivende vluchten joegen de dunne witte vlokken schuin-zwijgend door de stratenlengte, flapperden week tegen de ruiten, smolten, dreven weg.
Ze gluurde vaag in die witte warrel naar beneden, zag eenzaam-leeg de straat, waar de venters zooeven nog opgehoopt stonden.
De ijle dwarrelsneeuw zweefde neer, kleefde, bedekte het plaveisel met een dunne drijvende laag, waarin waterig-groot de voetstappen der menschen en wagens gingen plekken, als onregelmatige slingers in elkaar geweekt.
De voldoening van rustig binnen te zitten borrelde in haar op. Hm, hm!! Lekker voor hèm, ziezoo, nou kreeg-ie ook zijn portie. Maar ineens bedacht ze met ’n schrikje, dat ze vergat in te koopen,—en voor morgen had ze niets in huis! Misschien stond er nog een vent met ’n kar, anders moest ze naar de groentewinkel, èn dat werd duur!
Met een zucht liet ze ’t gordijn tegen het raam terugvallen, strikte de boezel los, nam een wollen kaper, knoopte die om de ooren. Nou moest ze d’er toch nog uit. Niet plezierig! ’t Groentebakje onder de arm, zakte ze gerept de trappen af, en ’t schoot haar te binnen, nu ze in ’t stroeve trapdonker de treden onder haar hoorde kraken, dat hij een uurtje geleden nekbrekends er af hotste. Ze grinnikte, hij verdiende niet beter als hem wat overkwam, ze gunde hem haast een ongeluk, en toch, haar wrevel, haar grootste kwaadheid was geweken.
Ze stond nu buiten. De sneeuwwind joeg in nattige striemende vlagen en zwiepte haar venijnig in ’t gezicht. Ze keerde haar hoofd om, doch ze moest, de andere kant uit, tegen de wind in. Ze strompelde voort, de handen vol omdat ze de rok moest ophouden.
Om de hoek stond nog een wagen. Zij sjokte er naar toe. ’t Viel mee, een honderdste tref in zulk hondeweer! Als hij nou maar had wat haar leek! Witte kool? dat ging, en een maat aardappelen! Ze dong af óp de prijs, niet te veel. De man overvroeg niet te bar in ’t striemend weer, hij wilde gauw loskomen; en ze werden ’t dadelijk eens: acht cent voor de witte kool, elf cent voor de aardappels.
Haar handen dreven van de kleverige sneeuw, ze moest nog een cent van haar twee dubbeltjes terughebben, en nu ze die eindelijk had sjokte ze naar de overkant om een onsje spek en een pannebrood.
Een oogenblik dacht ze, dat Baller er aan kwam, maar ze zag verkeerd. Nee, zoo gauw verwachtte ze hem ook niet, hij zat natuurlijk in de kroeg!
Ze kledderde weer de trappen òp, de voeten nat van ’t drabbig vocht,—en blij op haar kamer terug te wezen, voelde ze de huiselijkheid haar opnieuw omsluiten. Br! wat ’n weer, hij moest ’t zelf weten als-ie zich een ziekte op de hals haalde! Haar bakje met inkoopen zette ze neer, droogde haar handen, die nog klef waren van de natte sneeuw. De kat streel-rugde tegen haar aan, spon om haar voeten heen,—en ze merkte danig de floeperigheid van haar natte rokken. Fluks schoof ze de bovenste uit, hing die op aan ’n spijker, en streek met haar nog aldoor klamme handen de verwaaide fletse haren uit het norsch gezicht.
Wat zou ze doen? De kool schoonmaken of koffie zetten? Nee, daar lei de waschboel nog, dat moest eerst gebeuren! Verdorie, daar kwam van avond geen einde aan. Alles door die lamme kerel!!
Zij nam hoopje voor hoopje, bergde het goed weg in de muurkast op schoone, propere kranten. Zóó opgestapeld, de gave, dikke kanten voor, toonde haar waschje nog heel wat. ’t Bracht haar in betere stemming. ’n Poosje bleef ze welbehagelijk ernaar turen, maar de berg verstelgoed, die daar nog lag, maakte haar vanzelf weer korzelig. Dan schoof ze de tafelbladen in, zette zich niet te ver van ’t licht, met de bak op haar schoot, en begon aan de kool.
Rondom stond het vertrek nu ganschelijk stil. Alles leek zoo strak en onbewogen als in diepe nacht. En toch was ’t pas elf uur! De lamp brandde traag en wiebelde niet; geen lichtverglijdingen glipten uit, geen schaduwingen gleden langs de wand. Alles bevond zich konstant in licht en donker. De stoelen met de wit-geboende matjeszittingen reiden dáár als blanke plekken langs het schemer van de vale behangselwand; ze stonden koel-enkel op ’t kale, rafelige groen- en zwartgestreept vloerkleed, dat in een zwarte grom scheen uit te vloeien. Geen gerucht sloeg meer óp van de straat, geen gil van een avondventer, geen kargeratel, zelfs geen voetgestap. ’t Sneeuwig weer dempte alles. Nu en dan vlaagde nog alleen de wind met zwakke stooten, als heel van verre, wat de wakke kamerstemming nog meer verzwaarde. Alles zweeg.
De poes zocht haar plaatsje bij de kachel alweer op, lag als een glanzend kluwen in elkaar, onbewogen. In het aankante vertrek zag zij zich zelf zitten vereenzaamd, alleen. Alles zoo stil, zoo stil!
Zonder er naar te zien sneed ze de kool, en haar gedachten dwaalden overal heen. Telkens lagen haar handen in de schoot; als ze dit merkte, schokte ze weer op, werkte voort, in trage wil van arbeidsdrens.
Een harde deurdreun schrikte haar op. Zou hij ’t wezen!?
Ze luisterde scherp-oorig, adem-ingehouden van vaag verlangen. Als hij ’t was, zou ze geen ruzie maken, maar koffie zetten. Voetgestommel klom op, verdofte. Een sleutel knarste ergens in een slot, ’n deur knierde open, klapte toe. Nee hij was ’t niet. Een van benejen!
De stilte omspon haar weer; ze sneed voort haar kool. De glad-harde schilverlingen ritsten onder ’t kervend mes langs haar handen, hoopten zich saam in de bak, blank-gele bladweefsels vochtig-vast. Een wrange wasem, de geur van ’t groeisel steeg er uit op, kneep vast in d’r neus. Haar oogen gingen lichtelijk wateren; telkens moest ze zich met de handpalm afvegen. Nee, nou werd ze nog melankoliek ook!
De dreunslag van iemand die thuiskwam herhaalde zich, en nog vele keeren. Ze twijfelde, hoopte dat hij ’t mocht wezen, al bestond daarvoor weinig kans. Zoo onzeker voelde zij zich, dat zij niet de moeite nam koffiewater op te zetten. Vroeg zat als hij d’er was! En toch luisterde zij bij elk gerucht op de trap. Dood-moe van ’n heele dag hard werken, gestriemd door de ruzie en zijn vlucht, liet ze ’t hoofd erbij hangen, peinsde ze er weer over na. Het klokketikje doorrikte de kamerruimte regelmatig, een tikkeling die zich aan niets stoort! Het leven ging door, dat voelde ze sterk, en niets komt terug. Ze meende het goed met hem, daarom haalde ze nog wel in ’t fleschje, maar ze vergat hem dàt te zeggen. Een hekel had ze aan de drank. Gewoon vergift! De jenever maakte hem zoo slap en slecht. Maar als ze nu toch voor hem haalde, waarom ’t hem dan niet dadelijk gezegd? Misschien was-ie dan gebleven; met ’n neutje, met ’n dubbel maatje dee je zoo veel, had ze hem gemakkelijk thuis gehouden.
De laatavondwakte van ’t sneeuwig weer voelde ze door haar geprikkeldheid heen, en haar eigen verlatenheid werkte op haar in als een vreemde macht, die haar tot doordenken drong, aldoor. Haar gedachten kwamen en gingen, keerden terug naar ’t zelfde punt. Ze vond hem lorrig, zichzelf niet zonder schuld, een schuld, die ze zich toch niet wilde bekennen.
Ze moest lieviger, aanhaliger tegen hem zijn, èn dàt kon ze niet, de afkeer was sterker dan haar beste wil. Goed wou ze voor hem zijn, behoorlijk-goed zonder omslag, en niet meer! Zijn grimassen, als-ie half-snik, zoo lief en lekker tegen haar deed, kon ze niet uitstaan, hij leek dan meer op ’n aap als op ’n mensch,—en alles draaide daarbij in haar om. Zonde dat ze ’t zei, toch ’t was zoo! Ze griezelde van hem. Die afkeer was al gekomen bij ’t sterven van ’t eerste kind, mogelijk nog vroeger, maar toen werd ze ’t gewaar. Al haar kinderen waren zwak en sukkelend geweest; niet één bleef in ’t leven en dat lag, meende ze, aan hèm. Zij zelf was flink en gezond, maar hij stak in geen zuiver vel, had te veel gesjouwd voor zijn trouwen. Geen wonder, zijn vader deugde al niet, ’t zat in de familie, de Ballers waren allemaal uitgaanders. Wat gaf nou die betere kom-af waarop hij zoo stofte, met een gewoon werkman, die zijn handen wist te roeren, zou ze beter zijn af geweest.... Nou bleef ze met hem opgescheept. Och ja, toen keek ze toch òp naar het bazenzoontje met z’n mooie handen, zij ’n gewoon meisje, haar vader meesterknecht. En toch... kon hij ’t maar zoover brengen als haar vader. ’t Zou wat, een landlooper werd-ie, geschikt voor de schans. Anders niks!
Het bitste en beet al feller in haar op. Al de ellende, de onmacht der vrouw, die van haar man niets terecht kan brengen, woelde naar boven. Hij moest noodig op haar afkomst schimpen, alsof hij zelf niet minder eraan toe was. Affijn, dat schelden deed hij ook niet meer. Maar vroeger, vroeger dan toch! Zij herinnerde zich al te best zijn hooghartig praten, zijn kleineerend zwijgen als ’t haar stand betrof,—en nu hij verarmd, ook moest aanpakken, stonden zijn handen glad verkeerd.
In de wrange kamerstilte, waar het klokke-tikje rammelend de tijd aangaf en haar alléén-zijn verscherpte, verdubbelde, zag ze opnieuw zijn sloome doen van zooeven, zijn laffe vlucht, ’t kwansuis op haar aanstormen, ’t scharmaaien met zijn armen, ’t grijpen naar zijn jas, ’t bijna omvergooien van de stoel om z’n kale hoed te pakken, èn dan dat dichtsmakken van de deur. Al dat lawaai relde nog in haar ooren; ze hoorde, herzag het aldoor, hoe kon-je van zoo’n man hoûen? Gloeiend onmogelijk was dat; voor haar part brachten ze hem dood thuis; zij zou zich wel redden!
Zij schrikte van haar eigen verwensching. Als God eens strafte en ’t liet gebeuren? Nee, dat wou ze niet op haar geweten hebben.
—Heere, leid ons niet in verzoeking, prevelde ze al. ’t Was satan die haar bezocht en haar ziel wou bezitten. Ze wou niemands dood, ook niet van hèm!
Verward en gejaagd nam zij ’t mes, sneed grof de kool verder, vergaarde de uiteengesprongen snijdsels in haar schoot, stond gerept op, om die booze, leelijke gedachten niet toe te laten; ze zou ze verdrijven en nog ’n half uurtje aan ’t verstellen gaan.
Maar ’t eene stuk na ’t andere gleed door haar vingers, zonder dat ze de schaar erin ging zetten. ’t Meeste was ’t lappen niet waard, met een grove steek haalde ze de scheuren wat bij.
Wat nou nog te doen? vroeg ze zich, stug door de stilvreemde kamer loopend, als met haar zelf verlegen. O ja, de verschooning klaar leggen. Ook voor hèm. En dan een paar kousen stoppen voor haar zelf!
’t Schoone goed lei gauw gereed, maar aan de kousen kon ze niet beginnen, dood-moe als ze zich voelde. Zou ze op hem blijven wachten, of naar bed gaan?
Ze meende op de trap weer gerucht te hooren. Dat kon-ie zijn, lam, dat ze nog niet in bed lag! Maar nee, gelukkig, hij was ’t niet, ’t ging voorbij! Hoe laat zou ’t wezen? Zoo, al half één! Dat wist ze niet!
In eens kreeg ze ’t koud met rillingen langs de rug. Och ja, geen vonk vuur meer in de kachel! Nee, die kousen moesten blijven liggen. Het bed stapte ze in!
III.
In ’t lamplicht, bijna neergedraaid tot schemerschijn, lag de kamer nu rustig,—en zijzelf keek met strak-open oogen in afwachtend berusten.
Buiten vlaagden nog na de sneeuwige winden, die niet meer zoo fel als in de vooravond, nu en dan raaklings langs de vensters streken, er aan jokkerend rukten als in even herinneren. De poes, uitgekolderd, zocht een plaatsje op de in-d’r-haast neergekwakte rokken, die in een zwarte vracht de stoelzitting overbolden.
De stramme moeheid van haar lichaam voelde ze nu eerst goed, haar beenen zoo stijf als houten stelten, haar rug als gebroken,—en ’t kwaad, broeiig hoofd, zwaar als lood, deed pijn van alle kanten. Ze wilde slapen, goed uitrusten, ze groef daarom dat hoofd diep in ’t kussen, trok de dekens over de ooren. Maar de gedachten joegen, warrelden van zelf weer op. Al ’t voorgevallene rammelde als een draaiend rad aldoor voor haar oogen. Nu de kamer daar zoo vredig lag, hinderde en ergerde haar de eigen opgewondenheid. De vaalbeschenen bedsteeruimte leek haar een donker gat,—en als ze de oogen sloot, zag ze weer de herrie van straks, de mizerie van zooveel jaren die nijpender werd door zijn gedurig zonder werk zijn, zijn rondslenteren. Ze moest wel zelf haar handen uitsteken, dagelijks uitwasschen-gaan, nee, ze schonken ’t haar niet, de heele dag over die heete tobbe te staan en dan ’s avonds haar eigen boeltje nog doen, daar viel niet mee te grappen! En van dat alles zou ze niets zeggen, als hij niet zoo ’n beroerling was, met wie ze niet eens medelijden kon hebben, omdat hij zijn onmacht, ’t niet kunnen aanpakken, achter allerlei uitvluchten wegstak, nog deed alsof de schuld niet aan hem lag, maar aan het toeval, aan de omstandigheden. Hij wrokte op zijn familie, op z’n broer die niet wou helpen, alsof dat mokken en schimpen wat gaf. Als hij ronduit zei: Ik kan niet vrouw.... werk voor mij... ik ben te lam, te beroerd, dan zou ze hem de huid vol schelden, en eindigen met hem toe te geven, voor hem te zorgen, zooals je ook zorgt voor een kind, voor een hond of een kat.
Maar nou hij bij alles nog een snugger gezicht zette van wèl te kunnen, alle anderen te glad-af te wezen, de tegenspoeden als ongeluk liet doorgaan om haar de mond te snoeren, en haar verweet dat ze niet lief tegen hem deed, nee, dat liep erover heen! Zeker, als je getrouwd bent, moet je mekaar bijstaan, maar wie niet inbrengt heeft zich een beetje te schikken, hoeft niet de baas te spelen. Dat had-ie vroeger meer dan zat gedaan! Als ze in ’t begin de duim wat steviger op de zak had kunnen houden, zoûen ze niet zoo zijn afgezakt. In zooverre droeg ze schuld mee. Maar ach-ach, wat kon ze in die tijd d’er an doen? Wat wist zij van z’n zaken af? Geen woord repte hij ervan, hij hield haar van alles onkundig tot ze voor ’t faljiet stonden.
Een rauwe vlijme smart, de hooploosheid van nooit ’t verlorene te kunnen terugwinnen, en ’t besef van op straat te worden gezet, somberden in haar op, omklemden haar als met worgende handen. Ze stikte bijna in eigen radeloosheid. Er moest iets gebeuren, maar wat?.... ja wat? Haar behuilde oogen staarden wanhopig door de schemertreure kamer naar ’t erbarmelijk overschot van haar eerst zoo mooie inboedeltje; dat beetje zou ook gauw versnipperd worden, als ze de woning werden uitgezet, waar dan naar toe? ’t Boeltje in weer en wind op de publieke straat, misschien hier of daar in een hok, in een slop, of ergens op een zolder, als ze dat dan nog konden vinden.
Een verzet steeg in haar op. Nee-nee, dat niet, liever maakte zij zich van kant, liever de gracht in dan die schande! En o,.... als het morgen niet gebeurde, eens kwam het zeker zoover. Ze zag ’t zoo vast voor haar als daar dat licht! Al kreeg-ie ook morgen werk, na korter of langer tijd liep ’t weer mis. Op den duur viel er geen land met hem te bezeilen; hij deugde voor niks. En ’t ergste bleef zijn aldoor-in-de-kroeg-zitten, zoogenaamd om werk op te schooieren.
Nee-nee, dat leven kon zoo niet voortgaan! Hij liet haar tobben, trok ertusschen uit. Ze moest van hem af! Een man die de kost niet verdient is geen man, is een slampamper. Voor zichzelf haalde ze haar broodje gemakkelijker dan met hèm erbij, al veel eerder had ze dat moeten bedenken!
Haar oogen staarden strak naar de neergedraaide lamp, waarvan ’t licht nog zwak òplichtte, de melkige kap, in de stroeve kamerruimte zwevend als een halve, witte bol. De wind scheen te zijn gaan liggen, ’t gerucht was gering; ze meende te kunnen hooren de zachtheid van de sneeuwval.
’t Was werkelijk rondom stil.
De gedachte van weggaan, onmerkbaar als een zucht opgestegen, liet haar niet zoo grif los. Aldoor welden nieuwe overwegingen op; ook de bezwaren drongen zich daartusschen. Weggaan? Goed en wel, maar waar ga je dadelijk naar toe, waar kom je zoo ineens onder dak, als je geen rooie cent bezit?
Vooraf moest ze overleggen wat ze ging doen. In betrekking had-je ’t wel goed. Op tijd je eten en drinken, behoorlijke ligging en verzorging, na drie maanden nog je loon erbij. Geen moeite had-je en geen krimp, maar je moest voort van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Al diende ze nooit, ze kon dat werk wel af,—en haar handen wist ze te gebruiken. Als kind ging ze op een ateljee, deed later ’t huishouden van moe voor ze trouwde, dus dat zou wel kunnen. Het uit wasschen en uit strijken gaan wat ze nu moest doen had ze ook niet geleerd. Als ze eens ’n strijkerijtje opzette? voor haar zelf begon? In dat geval moest ze de meubeltjes hoûen, de kachel en de strijkbouten vooral!
Ze keek weer rond door ’t zwakverlichte, schemervale vertrek, en ’t omringende werd haar ineens dierbaar. ’t Meeste had ze zelf gekocht. Ach, van de vroegere overdaad moest ze al zooveel van de hand doen. Maar hoe ook, ’t hoorde hun beiden en niet haar alléén. Om te verkoopen of naar de lommerd te brengen, daar was-ie voor te vinden, maar om het aan haar af te staan, hoe kwam ze eraan? Ja, als ze het wist op te koopen?
Misschien als ’t boeltje op straat werd gezet...? Dan kon-ie weinig rechten laten gelden. Maar daarmee had zij ’t zelf nog niet in handen, eerder haalde-ie een sjacherjood erbij, dat liet zich denken, dan kon-ie de centen ervan opsteken. Ja, als ze wat achteraf had, om als ’t zoover kwam ’t hem af te koopen. Of die jood erop afsturen, kwansuis natuurlijk! Maar die sjachels kun-je niet vertrouwen!
Haar geest werd vindingrijk, maakte buitelingen, sluwe plannen en berekeningen, die bij nader inzien onuitvoerbaar bleken. Wat ze ook bedacht en hoe ze ’t ook wou overleggen, bij alles diende ze geld te hebben. Zonder dàt dee-je gewoon niks!!
Ze moest dus eerst sparen. Maar ze kwamen al voor de huur te kort, hoe kon ze dan wegleggen? Dat was toch al gos-onmogelijk! En gesteld, dat ze elke dag wat achterhield, zou ze dat kunnen volhouden.... schraperig wegstoppen als ze honger had? Nee, dat ging niet, toch zou ’t moeten....
Ze voelde haar hoofd sufzwaar worden van al dat moeizaam overleggen. Zeker? ze wou van hem af, alleen ze wist niet op welke wijze. Die huisheer bleef ’t ergst, en niet gemakkelijk uitgevallen, een echte uitknijper, die op een cent dood blijft. Was ze nu maar een mooie vrouw dan kon ze hem paaien, eens lief aankijken. Daar deed-die vent veel voor, zeien ze. Maar daarvoor deugde ze heelemaal niet. Die Greet lapte ’t goed, kreeg alles met een lachie en een fijn smoezie gedaan, maar zij verstond dat kunstje niet, zei alles gewoon-weg en recht-uit. Ze kon ’n kerel niet aanhalen, niet flikflooien, haar eigen man niet en een ander nog minder, je moet ervoor geboren zijn...
Haar gedachten gingen zich leggen, ongemerkt,—en haar oogen, zwaar van slaap, kon ze niet meer openhouden. Ze voelde zich indommelen. Misschien maar ’t beste, morgen komt er weer ’n dag! zei ze berustend.
Het klokje sloeg. Ze schrikte op, luisterde. Eén uur.
Hij was er nog niet.... als-ie eens... als-ie eens wegbleef, niet terugkwam? Ze durfde haar gedachte bijna niet uitspreken. Een vreemde, vage jubel drong in haar op, overmeesterde haar. Niet terugkomen... wie weet?
Ze raakte ineens weer klaar wakker, zei: Nou niet slapen, opletten! Al wat ze daarnet overpeinsde gebeurde wie weet vanzelf, ze was dan vrij... om te handelen. Maar nee, er bleven bezwaren. De huisheer kwam dan bij haar, en waarvan moest ze hem betalen? Misschien gaf-ie toch uitstel, als d’er man haar liet zitten. Mogelijk, maar óók niet! Van zoo’n steggel, zoo’n penningfokker had ze niet veel te verwachten.
Haar gedachten vertroebelden weer, werden loomer, zwaarder. Ze verzette zich ertegen, wou niet aan de slaapdrang toegeven, wou wakker blijven. Maar ’t ging niet; ze dommelde, dutte in.
Telkens schrikte ze even op, meende gerucht te hooren, en als ze keek zag ze ’t bed nog leeg, en in ’t vertrek niemand. De kansen vermeerderden, en dadelijk dacht ze weer aan wat nu ’t eerste ging dringen: de huishuur. Toch maar makkelijk voor zoo’n vent om huisjes te hebben en daar geld van te kunnen trekken; dan anderen uitschelden, op straat zetten... en zelf al slapende je kostje halen! En gelijk dacht ze weer aan die elf weken ten achter. Die haalde ze nooit in... ze moest dus toch de straat-op, uit dienen... of nee, een klein hokkie huren en dan de strijkkachel mee! Haar gedachten dwarrelden weer door elkaar. Ze zou wel zien... morgen... morgen... ze kon nu niet denken... was-ie daar?
Met schrik hief ze zich op, keek met slaapoogen rond. Nee, nog altijd niet. Gelukkig!
Haar oogen sloten zich weer, ze trachtte ze nog open te knipperen, maar ze bleven toe. Die huisheer... die huisheer!
’t Werd al vager en verwarder wat ze dacht en wat ze overlegde. Ze poogde nog eens de oogen te openen, dan sliep ze in, zwaar, onrustig, overzenuwd door de vermoeidheid, de afmatting na de vele opwinding.
Ze droomde gruwelijke dingen... van moorden en vervolgingen en van diep vallen in een water. Even werd ze weer wakker, schudde de nachtmerrie van zich af, maar de dwanggedachte dat ze zich moest verzetten en handelend optreden liet haar niet los. Slaap en droom verwikkelden zich, dwarrelden dooréén, werden één enkele benauwing.
Over tweeën sukkelde Baller naar huis.
Tot het sluiten toe was hij in het koffiehuis blijven plakken, meedrinkend op de reutel als er werd getrakteerd door de eigenbouwers. Hij had, wat hij noemde een snee in de neus en hij wist dat z’n vrouw dan van hem walgde en gruwde. Ze kon niet velen dat hij aan haar lijf kwam, of haar maar even aanhaalde. Hi-hi-hi, hitste hij zichzelf op, bij mij is ’t net anders om, als er een glaasje inzit ben ik leutig en dan hoû ik weer van ’n vrouw.
’t Was hem vanavond nog al meegeloopen. Wat zei-ie? meegeloopen... gewoon prachtig gelaveerd, werkelijk geboft! Vier revolutie-panden in het grond-papier zetten, als het teminste dooiend weer bleef, want met vriezen gaat alles stuk, ’t gaf eenige weken spek in de pan, ook al moest-je-je uit de naad schrooien. Plakken, plakken, dat je gek werd van al dat gestrijk en zelf een bonk stijfsel werd! Als-ie aan ’t werk dacht werd-ie alweer klein en voelde zichzelf al mierig, een echte naar beneden gezakte. Verdorie, daarmee hadden ze vroeger eens bij hem motte ankomme!... Naar de mookerhei met dat revolutiewerk, de een deed ’t al minder dan de ander, enkel om aan de gang te blijven en je verdiende niet veel meer dan een schanslooper.
Maar allé, hij kon zijn vrouw toch toonen dat-ie wou en dat het niet zoo stom is in de kroeg te zitten. Als de berg niet tot je kwam, most-je wel tot de berg gaan! O zoo! Lekker zou-ie haar nou ’es troeven, nou had ze net niks te zeggen! Leutig werd-ie weer terwijl hij dat overdacht en onder het sukkel-zware loopen zijn vroolijkheid van halfdronken man weer steeg. ’t Was koud en rillig, blij zou-ie wezen als-ie bij zijn vrouw onder de dekens lei.
Zou ze nog òp wezen? Liever had-ie dat niet. Al moeite genoeg zou-ie hebben zich naar boven te hijschen op die vervloekte steile trap. In ’t volle licht kreeg ze ’t ook al gauw in de raamstraten dat-ie een knap stuk in had, en dan gaf ze zoo op hem af.
Een huiver van genot liep hem door de leden. Hij moest juist een tikkie òp hebben, om je weet wel in de rechte stemming te wezen. De heele week heb je al mizerie genoeg, zaterdagsavond wil-je wel ’es van je vrouw profiteeren! Je bent toch niet voor niemendal getrouwd, al lijkt het er veel op!
Zich met moeite door de soppige sneeuw heen baggerend, stijf van leden, dofzwoel en toch zoo prikkelend-fel van hoofd door de vele borrels en het sukses van z’n werkoploopen, raakte hij eindelijk aan de deur en kon hij de vele treeën opklauteren. Gelukkig! net zooals hij dacht, ze lag al te bed! Had-ie wel goedgekeken, het lampje was toch neergedraaid? Mal, dat je soms aan je eigen oogen twijfelde. Geen wonder ook, want d’er zat vanavond genoeg in!
’t Viel hem al moeilijker zijn evenwicht te bewaren en meermalen moest hij zich vastgrijpen aan het traptouw om niet naar beneden te tuimelen. Verdraaid, hij was verder onder zeil dan hij meende. Nou goed, lollig voelde hij zich toch, ja juist omdat-ie had gedronken, en ook dat-ie weer troeven kon met ’t werk!
Eindelijk stond-ie nu boven, opende behoedzaam de deur en sloop binnen. In ’t vale schijnsel van ’t half neergedraaide lampje ontkleedde hij zich bedachtelijk, telkens inzichzelf grinnikend en ophikkend en toch zich weer inhoudend. Zoo stil mogelijk, hoewel niet geheel zonder stommelen, werkte hij zich in bed. En nu, na eerst even te hebben gerust, herkreeg hij de volle moed en meende zich te kunnen laten gelden. Opgehitst door de drank kwamen zijn zinnen fel in beroering, en eerst nog aarzelend, dan al gedurfder en brutaler, ging hij haar aanstooten, probeerde haar wakker te maken, gesmoord, hitsig roepend haar bij de naam.
Maar haar slaapzucht werkte al te zwaar door, zoodat ze het niet merkte en na elke vage opschrikking nog dieper indommelde. Haar nu gloeiend-warm lichaam verroerde zich niet onder zijn duwen en zijn tastelijkheden, ’t lag er onbewogen onder alwat hij begeerde. Even kreunde ze ’t onbewust uit als hij al te erg werd en sliep weer door, al voelde ze vaag dat er wat met haar gebeurde en waartegen ze zich moest verzetten: hij vervolgde haar, wou haar tot zijn wil hebben. Maar ’t bleef alles voor haar onwezenlijk als in een droom, een zware beklemming met allerlei verschrikkingen die ze dacht te ontvluchten en waarbij ze dan stortte in een groote diepte. Tot eindelijk hij afliet en ze van niets meer wist.
Uitgeput van zijn getob, viel ook hij in slaap en snurkte zonder droomen.
IV.
Vrouw Baller, gewoon vroeg op te staan, werd ook nu tijdig wakker, suf-zwaar in haar hoofd.
De winterdag grauwde maar zwakjes door ’t vertrek en in ’t zwakaansluipende licht kon ze nog niet veel onderscheiden, maar een zwaar ronken steeg naast haar op en dat zei genoeg; ze rook zijn drankadem, de bedorven lucht. Was hij er dan toch weer? was hij teruggekomen zonder dat ze ’t merkte of wist?—Ze begreep zoo weinig ervan, dat haar gedachten niet klaar wilden worden en ze met strakke, starre oogen zat te kijken alsof het niet waar kon wezen en ze weer droomde. ’t Leek haar zoo iets onmogelijks, dat de gedachten niet werkten en ze onbewegelijk bleef zitten alsof hij werkelijk dood was.
Het zwart-baardige kleine hoofd half-weg gefrommeld in z’n armen, zoo lag hij daar als een saamgekrompen, vergoord vod, maar een dwalm van jenever steeg bij elke ademhaling uit hem op en dat herinnerde haar dat ze zich vergiste.
Walg en twijfel grepen haar aan, al haar mooie verzinsels van gisteravond, al haar verwachtingen grijnsden nu tegen haar op; ze kreeg het benard alsof ze nog onder een zware benauwing zat. Ze kon zichzelf niet gelooven, twijfelde aan haar eigen oogen. Ze moest iets doen om zich te overtuigen, haar handen uitsteken om haar geschokte zenuwen lucht te geven. Pof viel ze op hem neer, schudde hem heftig door-elkaar en schreeuwde zonder dat ze eigenlijk wist wat ze zei:
—Hè, wor ’es wakker!!!
Voor die eigen rauwe woorden schrikte ze, want ze wou hem niet wakker hebben; ze wou enkel maar weten of-ie leefde. En hij leefde! De nare dwalm sloeg weer tegen haar op. Zichzelf zag ze nu zitten recht-op in ’t bed met starre oogen. Opeens kreeg ze angst, een afschuw-angst om hier naast hem te wezen in ’t zelfde bed. Dat inelkaargekrompene van hem leek haar misdadig en griezelig, en dat moest ze ontloopen.
In hevige ontsteltenis en nu vol afschuw liet ze zich uit de bedstee glijden en stond op de kille kamervloer, rillend. Had ze dat vannacht dan alles maar gedroomd? Hoe zat dat, hij was toch dood... of weg, en zij vrij....? Haar oogen stijf van schrik voelde ze als bevroren; ze zou willen huilen, maar ze kon niet, ze wilde vluchten, haar voeten weigerden,—en haar gedachten stokten opnieuw. De nagels kneep ze in ’t vleesch om zichzelf pijn te doen, ze durfde de handen bijna niet samenwringen, want ze moest denken, denken.
En langzamerhand werd ’t haar klaar. Al wat ze eerst als zekerheid meende, en waarvoor ze nu zoo doodelijk schrikte, omdat ’t anders bleek, was niet meer geweest dan een plan in de wind, een ijdele verwachting. Ze had gehoopt, gedacht, zoo sterk gewenscht, dat het haar werkelijkheid leek. Afschuwelijk.... afschuwelijk, zei ze, zichzelf voor ’t magere hoofd slaande. Ze huiverde en het zweet brak haar uit naar alle kanten. Haar gezicht bedekte ze met de handen, om maar niet te zien, en staarde dan weer strak voor zich uit, vol ontzetting. Zij schold hem woedend uit zonder haar stijve lippen te bewegen.
Opeens zag ze hem moeite doen, om zich op te richten. Ze schreeuwde het uit. Maar hij plonsde weer neer, verschoof alléén, sliep nog eens in. Hij leek haar een vies beest, dat haar bed besmette, en zichzelf ondermijnde. Stil-zijn, hem laten slapen! vermaande ze zich schuw.
Sterk onderging ze de gewaarwording van afschuw, ze zou hem niet wakker kunnen zien, niet met hem kijven, zoo’n smeerpoets... zoo’n dronkelap! Hoe laat mocht-ie wel thuis zijn gekomme? Ze wist het niet. ’t Zou niet vroeg zijn geweest. En opeens drong iets ontzettends tot haar door, ze zag in flauw herinneren wat er vannacht met haar gebeurde, of leek haar dat maar zoo? Haalde hij haar aan?... Had-ie niet...?
Een vermoeden van vuilheid golfde in haar op, maakte haar dol. Razernij pakte haar aan; ze wou hem op zijn magere zwarte hoofd timmeren, hem wurgen, maar nu ze bij ’t bed kwam voelde ze weer trillende angst: hij mocht eens wakker worden. Nee, ze wou hem niet zien. Weg moest ze. Weg! zoo gauw mogelijk hier vandaan!
In walg duwde ze de bedsteedeuren toe om hem niet voor oogen te hebben. Huiverhaastig wreef ze zich met een natte handdoek over ’t gezicht, kleedde zich in allerijl aan. De kousen waren stuk, ze had vergeten ze te stoppen, d’r kon ze niks aan doen. ’t Moest maar zóó... ze moest weg.
In een oogwenk stond ze in de kleeren.
Zou ze koffie zetten?... De tong kleefde aan haar verhemelte, ze had rauwe dorst, maar nee, hij mocht eens wakker worden!
Ze sloeg een doek om...’t vodje van een hoedje had ze ook al op, moest ze nog wat anders meenemen...? Een stuk brood brokte ze onder de hand naar binnen. Ze nam een grauwe zak, stopte de kleeren en wat ondergoed erin, stopte nog wat bij, de zak nu stevig vol en bollend. Met een eindje touw bond ze toe, keek nog eens in ’t rond.
De waanzinnige angst van weg te komen viel weer van haar af. Gotallemachtig, wat was ’t koud. Zou ze toch nog eerst koffie zetten? Welja, ’t goed stond gepakt, als-ie z’n doppen opendeed, kon ze gauw genoeg er tusschen uit. Ze zou ’t hem dan ook geducht inwrijven. Waarvoor maakte zij zich bang? Bang voor hem, voor die aap? Hoe kwam ze d’eran? Nee, nee, eerst een bakkie zette....
Bedaard stak ze het petroolstel aan, zette òp de ketel waarin nog water zat van gisteren, haalde een kopje, ’t builtje met koffie uit de kast, begluurde de melk, of die niet zuurde. Nee, dat ging! Ze sneed zich nog een homp brood af en kreeg ineens pret in haar vlucht. Wel mocht het hem bekomme... als-ie wakker werd.
Het drupje water, voor een paar kopjes, zong al ruisend in de ketel, en nu bedacht ze ineens, dat hij door dit gestoom wakker zou kunnen worden. De angst grijnsde haar al weer aan. Een paar tellen later schonk ze op, ging gehaast slubberen aan ’t zwarte vocht. ’t Maakte haar kloeker, sterker. Klaar voelde ze nu, dat ze wist wat ze deed. Nee, nee, ’t was zoo goed, hij moest het maar ondervinden! Morgen of overmorgen zou ze terugkomen om de kachel van hem los te wurmen.
Een gerucht in de bedstee deed haar weer inkrimpen; ze hield haar adem in om te luisteren. De heete koffiegeur kriebelde haar op in de neus, maar ze dorst ternauwernood de lippen aan de kop zetten. Nu gooide hij zich in zijn slaap om, snurkte weer in. Ze vond zichzelf laf, lebberde zacht aan haar koffie voort. Opnieuw kreeg ze lust de bedsteedeuren open te rukken, en ’t hem regelrecht toe te schreeuwen. Maar ze bedwong zich. Hij zou de helft niet verstaan van al wat ze zei, beter bleef het stil er-tusschen-uit te schuiven.
Op de trap bedacht ze zich, keerde nog even terug. Een paar woorden zou ze voor hem op papier zetten. Waar lag dat papier ook weer? O ja, in ’t laadje van de tafel?
Met de koude, kromme vingers kreeg ze ’t maar moeielijk gedaan. Ze moest er bij gaan zitten en telkens de punt van ’t potlood vochtig maken. In groote, en haastig gekrabbelde letters, hier en daar uitgeslift, als geheel toch duidelijk, schreef ze kort-af: Jan ik gaan weg, kom niet weerom, uwes moet uw maar zelf redden! Dan schreef ze er nog bij over z’n verschooning!
Ze las de woorden twee maal over, lei het blad papier vooraan op de tafel, aan de kant van de bedstee, zoodat hij ’t dadelijk moest zien als hij d’eruit stapte, overkeek nogeens ’t vertrek in ’n gevoel dat zij te haastig deed en dingen vergat, ging dan stil de deur uit, tilde de zak op, vooraf al door haar in ’t portaal gelegd, en zakte dan voetslippend, aarzel-langzaam de trap af, die kraakloos-hard niet toegaf onder haar treden.
V.
Nu stond ze buiten en herademde...
En dadelijk zonder zich verder te bezinnen ging ze op weg, verluchtigd als ze zich voelde door de daad na al het getwijfel. Hij verdiende het te volle dat ze hem liet zitten!
Door de leege straten woei een scherpe wind, die langs neus en ooren schrijnde, en het snelle voortgaan belemmerde.
’t Vroor en ’t dooide tegelijk. Dik lag de sneeuw op de wegen, op de daken, op de drumpels, de richels, de ramen. De venijnige wind stoof er gruizels af en de dooi plokte heele kwakken van de daklijsten.
’t Was Zondag, dat zag ze, voelde ze aan alles. Er reden geen karren, geen wagens,—en er waren weinig menschen op de been en de straten leken van ’n eindelooze lengte, leeg-wit door de egaalheid van de sneeuw.
De lucht droop zwaar erop neer, of ’t opnieuw zou gaan sneeuwen. In de grachten sobberde op vliesje ijs een dikke, vooze laag, al aan ’t vergrauwen.
Gejacht liep ze de straat ten einde, zonder te beseffen waarheen.
De verlatenheid van de besneeuwde stad dreef ontmoedigend op haar in. Haar voeten vertraagden, haar gang minderde. Ze voelde alweer een vage spijt aan haar opwelling te hebben toegegeven. Wegloopen ging gemakkelijk, maar wat nou? Waar moest ze naar toe? In de barre wind, die om haar rokken joeg, voelde ze zich armelijk, als gestriemd op ’t naakte lijf. Ze bleef staan om erover na te denken. Teruggaan? nee, dat niet, al kon ’t best, hij sliep nog, hoefde niets van haar wegsluipen te weten.
Een huiver van kou en killigheid omving haar, drong door alles heen.
Waar ze stond smolt de sneeuw weg onder haar voeten en de vochtigheid om-stijfde haar, kroop langs haar beenen òp. Met die zak kon ze toch niet de heele dag rondsjouwen, waar moest ze hem laten?
Een gierwind kwam aangestreken, sneed haar rauw in ’t gezicht. Om die te ontgaan, schoof ze de hoek om, maar daar bleek het ook al niet warm, al stond ze er meer beschut. Ze moest besluiten. In elk geval eerst die zak ergens neerzetten en dan verder zien! Maar bij wie? Bij de melkboer? Dan moest ze een eind in de straat terug, en allicht kwam d’er man dan achter dat adres. Zoo dicht in de buurt, nee nee! Liever naar de turfman, dat leek haar sekuurder!
Zij pakte haar zak op, scharrelde moeizaam tegen de wind op de andere straat in, naar de brandstoffenschuur, maar die vond ze gesloten. O, ja, Zondag, nou dan naar de melkboer!
De man maakte geen bezwaar, riep haar toe:
—Zet maar neer!
’t Lag op haar lippen te zeggen, dat hij de zak niet aan haar man mocht afgeven, maar ze bedacht zich. Wat had zoo’n melkboer met haar kwesties te maken!
Nu de handen vrij, voelde zij zich verlicht, liep zenuwdriftig voort, te vlug van tred om veel te kunnen denken.
En ze wou overleggen;... ze liep almaar door, zonder eenig plan of doel. Langzamerhand vertraagde haar gang, en alles woelde weer in haar op, de jonge jeugd, haar kennismaken met hem, de trouwdag, de kinderen, het trekken naar Amsterdam, de geleidelijke overgang van welstand naar armoede, en nu het tobben en zwoegen zonder eind. ’t Genot was treurig-weinig en de bitterheid des te meer. Waarvoor leefde een mensch toch eigenlijk?
De eene straat uit, de andere in, sjokte ze voort, de halve stad in het rond. Haar rokken dreven van de dooi, en ze merkte dat ze telkens op dezelfde plek terugkeerde. ’t Gaf haar een gevoel van benauwdheid en van gerustigheid tevens. Maar dat kon zoo niet langer duren, ze moest tot een doel komen!
De witte verlatenheid der stad, de eindelooze sneeuwlaag, ’t maakte haar oogen blind, haar gedachten dof en stomp. Opnieuw vroeg ze zich: waar naartoe?
Naar huis, naar haar ouwe lui kon ze niet gaan, die waren te oud en hadden zelf ternauwernood,—en ze wíst al van tevoren wat ze zoûen zeggen: een vrouw hoort bij haar man, en niet bij haar ouwers. Dat haar vader zoo praatte, nou ja, een man blijft ’n man, maar voor haar moeder leek dat naar niks. Alsof die niet beter wist! Vader was zeker niet de kwaadste, en toch goed en lief zijn voor eigen vrouw stond niet vooròp. Als moeder ook zoo sprak, kwam het eerder uit angst, dat ze haar weer op ’t dak kregen dan uit werkelijk meenens. Zoo gaat ’t altijd in de wereld: ze geven je raad om vrij te zijn van de daad. Nee, de ouwe menschen zou ze niet lastig vallen!—En dan, ze woonden in Gouda, dan moest ze met de trein en ze had geen geld. Liever bij Greet aanloopen! Maar o, o! op Zondag zat de heele rompslomp thuis en zoo vroeg leien ze nog in bed, voor tekst en uitlegging geven voelde ze weinig lust. Nee, geen geschikte dag daarvoor, ze moest wat anders verzinnen. Maar wat, daarop kwam ’t aan. Ongemerkt liep ze weer harder, draafde de week-besneeuwde straten af.
De vroege zondagmorgenstilte begon toch gaandeweg zich op te heffen, verloor haar starre leegte. Melkboeren, brievenbestellers, kerkgangers doken op, sopten door de vochtig-rulle sneeuw. Rijtuigen kwamen bel-tinkelend aangereden, en de snelle raderen maakten diepe smerige geulen, die bruin-glad opblonken.
De zon glimpte door het wolken-net, overstraalde blank de besneeuwde stad, die in klare schitter ineens ervan opleefde. Maar lang duurde dat niet, de wolkenvracht schoof zich weer saam, verdrong de zonneflits, die hoe kort ook van brand, de blanke laag tot een goor sopje maakte. De wind, eveneens gekeerd, hielp ’t griffe dooien mee.
Aldoor moest ze haar rokken hooger tillen. De sneeuw werd al weeker en drabbiger, versmolt tot moerassige plassen. Vaak wist ze niet welke kant uit te gaan, om haar schoenen en kleeren te sparen.
Het vocht zoog op haar aan, doorrilde haar. De vingers, knoke-stram van ’t gedwongen rokvasthouden, deden bijtende pijn. Nog stakeriger en bonkeriger zag zij zich voortschuiven door de morsig vieze straten. Van de daken glipten ook al meer plokken nattigheid en ’t dooivocht siepelde van goten en lijsten. Onder de boomen kon ze niet loopen door de natte smakken die er neerklakten, van alle kanten spatte en droop het op haar aan.
Straatjongens kwamen van de trappen, maakten sneeuwballen, gingen elkaar gooien. De natte kletsen vlogen ook haar om de ooren, raakten soms even, snorden haar voorbij. Ze wist zich niet te bergen, al meer natte ballen ploften om haar neer. Eén kreeg ze vlak in de hals, haar adem stokte ervan, zóó schrikte ze door die plotse natte kwak, ’n volgende gooi kwam op haar hoed terecht, en weer een andere smakte tegen haar oor aan, maakte haar doof.
De bengels schaterden het uit èn voorbijgangers lachten mee, maar zij kon wel huilen van ellende. Haar stramme vingers gristen de natte sneeuw van haar hals weg, terwijl nieuwe ballen op haar neersmakkelden. Het water droop haar langs gezicht en ooren, sieperde in haar kraag, geulde door tot op haar rillig lijf. Ze moest zich reppen, om als mikpunt te ontkomen, trapte in haar haast door plassen water, zoodat het drab tot aan haar hoed spatte. Van vochte sneeuw, zakkend uit de boomen, van de daken, kreeg ze ook nog kluiten mee, die haar nog meer bemorsten.
Eindelijk raakte ze om de hoek, een dwarsstraat in, nu gelukkig uit ’t gezicht der bende. Ze herademde, doch de schuwe vrees voor andere jongens zat er in, joeg haar angstigend voort. De rokken, die ze had laten slepen, om gauwer uit de voeten te komen, waren slobbernat, de stootkant van modder korsterig en doorweekt. Een verlangen weer binnenshuis te zijn, ergens onder dak, doorknaagde haar. Maar nee, dàt niet. Liever verdronk ze zich dan nu armzalig terug te keeren! Haar kinderen waren dood, èn hij kon haar gestolen worden!
Toch, de eenzaamheid, het zich alleen op de wereld voelen, drong op haar in, riep òp de zucht om een eind eraan te maken. Maar ze zette die gedachten van haar af. Hoe kwam ze daar toe, zichzelf te kort doen, waarom, waarvoor? Ze kon werken, had nog handen aan haar lijf. Als ze aan zulke inblazingen van de Booze toegaf, moest ze ver zijn afgedwaald.
Beangst voor haar zelf zette ze de vaart erin, begon weer hard te loopen, sjokte gehaast de stad dieper in, zocht de drukke straten op, om ver van eenzaamheid en ’t grachtenwater te komen. Een nieuwe angst, voor ongelukken, voor een pan of steen, of om onder een rijtuig te geraken, overweldigde haar nu. Ze verbeeldde zich dat haar wat moest treffen, en in die vrees liep ze almaar voort door de straten, die drukker en ook drekkiger werden.
Zonder het recht te weten stond ze voor de Oude kerk. Zware orgelklanken dreunden op haar aan. Was dit een teeken? Deemoedig sukkelde ze binnen, keek naar een plaats, liet zich neerzakken, begon God te bidden, te danken voor haar redding. Maar de woorden welden traag, ze kon ze bijna niet vinden. Wat ze ’t sterkst voelde waren haar lamme leden, haar vochtige kleeren, haar natte voeten.
De orgelklanken omstroomden haar weldadig en ’t deed goed er naar te luisteren, ’t ontspande haar, bracht haar in een stemming om zachtjes, zalig, haar tranen te laten komen, haar onrust weg te schreien en geleidelijk-aan zich weer op te heffen.
De preek begon.
Ze dwong zich nu om goed te luisteren doch, na de eerste woorden van de tekst dwaalden haar gedachten alweer af.
Ze was zoo moe, zoo moe. Een gevoel kreeg ze alsof ze ernstig ziek zou worden en dan langzaam naar de hemel te varen, zooals ze hier nu zat. De aandacht van de menschen voelde ze als een strakke spanning, een vreemde stilte om haar heen,—en de woordgalmen van dominee streelden op haar in, evenals daarnet de orgelklanken. Telkens zette zij zich rechtop om toe te luisteren, maar ach, wat hielp het: ze wilde niet naar huis terug, en ’t leek wel of alle woorden die van de preekstoel kwamen daarop doelden. Gekheid natuurlijk, gewoon toeval, ze hield niet eens de draad vast, wist ternauwernood waar dominee het over had... Toch de woorden: plicht... zich verzaken om hoogste lof te winnen... bevrediging van ’t leven... eerlijkheid en trouw, ze kon ze allen op haar zelf toepassen. Ze zou nu toch goed op letten, doch welke moeite ze zich ook gaf, het eenige wat haar verwarde ooren vingen waren brokstukken die op haar zelf betrekking hadden, al ’t andere ging verloren.
Ze herleefde heel de bange nacht, haar droomen, haar verwachten, ze zag terug de stond van gisteravond, hervoelde opnieuw haar haat voor hem, haar minachting, haar afkeer en ze trachtte die weer te sussen. Gansch haar leven vlamde voor haar op. ’t Stond voor haar in afgedeelde vakken. Wat was ze als meisje opgeruimd, hoe gauw verkeerde dat en hoe neergedrukt zat ze nu. ’t Was haar schuld...? De stem van de dominee klonk er door heen. Haar schuld? mogelijk, ze wou zich niet vrijpleiten... Maar hij dan? Welnee, ze was niet schuldig, ze deed haar plicht. Met liefde en toewijding, klonk weer de stem van dominee. Ze schrikte ervan op, probeerde te luisteren, het verband te vinden, doch de woorden glipten langs haar ooren heen. Vanzelf dommelde ze weg in haar vage luisterpeinzen. De warmte der stoven, de aandacht der anderen, ’t stemde haar zachter, stilde haar oproerigheid. Ze zag de nachtscène weer anders. Zeker, hij was in ’t begin wat aardig—en hij kon ’t nog wezen... wel niet zoo als vroeger, toch ’t ging. Alleen hij was zwak... en lui... en ongedurig... eigenlijk geen man... een kind! Als-ie maar niet dronk. Waarom liet hij dat niet? Ze vroeg het hem ieder keer opnieuw en dan zat-ie met de mond vol tanden of zei dat ’t door haar kwam. Door haar? Hoe vond-ie ’t uit? Elke dag, die de lieve, goeie God gaf, zei ze toch: Jan, nou niet drinke! En toch liet hij ’t niet. Gemakkelijk genoeg op haar de schuld te schuiven... Zoo’n laffe vent, nooit had ze met hem moeten trouwen!
Maar de hoogmoed stak haar in de kop, ze wou hooger òp... en nou zat ze er voor. Haar zusters, affijn, die hadden ’t niet beter, die moesten ook vooruit, ’t was kind op kind en de mannen vaak zonder werk. En zoo ging ’t met allen die ze kende. Waarom bleef je als vrouw niet liever alleen? Ja waarom? Wie kan dat zeggen, ’t gaat van zelf... bijna als geboren-worden. Je ziet een man en ’t komt ervan, zonder dat je ’t zelf beseft. Je verbeeld-je al dadelijk, dat hij de rechte is, dat je zonder hem niet kunt leven; maar als ’t afgaat blijf je toch leven en na een tijd krijg je weer kennis en beeld-je ’t weer in of maak-je zelf wat anders wijs. Zoo gaat het verscheiden malen en je weet later niets meer ervan als dat je eens verliefd was. Als liefde zoo makkelijk komt, wanneer is het dan echt en waarom kijkt een mensch niet beter uit de oogen, zoodat men de goede krijgt? Ook zij meende zoo goed te hebben uitgezocht, ... was er toch zoo iets van bestemming? ’t Moest haast wel....
De stem van de dominee klonk forscher òp, overvulde haar ooren. Ze trachtte weer te luisteren. Jawel, daar had-je ’t al, de dominee sprak ook van de menschelijke bestemming... Een schande, dat zij zich niet meer moeite gaf de preek te volgen.
Zij strekte haar lange rug nog wat rechter, strekte zich op, om zich zelf tot meer aandacht te dwingen. Haar scherpe neus hoekte boven haar dunne, spitse lippen uit en bij de zachte kerkeschemer zag ze zich zelf in die spitsheid zitten, strak en stijf van gedwongenheid om geen woord te laten ontglippen. En nu kon ze ook haar aandacht op de preek gevestigd houden, hoorde ze dominee’s woorden op haar neerruischen, de woordjes, die als kralen aan een snoer geregen, uit zijn mond weggleden. ’t Begon haar te stichten, tot plots de preek bleek gedaan! Het speet haar zeer! Zij trachtte te bidden, maar onder ’t leege lipgemurmel dreven vanzelf haar gedachten terug en de aandacht ging opnieuw verloren.
De kerkdienst was geëindigd.
Met de anderen liep ze mee, alsof ze ging in een zwaar gareel en werd voortgestuwd.
Haar moeiheid en zwaarheid in ’t hoofd was wat over gegaan, maar haar beenen voelden stram en stijf aan. In een soezel dreef ze mee, de kerkdeur uit.
De mannen sloegen de broekspijpen om, de vrouwen namen haar rokkenvracht hooger op, en ze deed dit ook. ’t Bracht haar ineens tot de werkelijkheid terug van op straat te zijn.
Er glimpte een straaltje zon, en dat maakte haar duizelig, ze moest zich aan de kerkdeur vasthouden om niet te vallen. Een oogenblik maar, ’t kwam zeker door de warmte en haar lange suffen. Zie zoo, ’t ging al weer over!
Voor haar lag ’t stukje plein, en ze zag de Oude-kerksteeg vol sneeuwig drab, grauw doorsiepeld en bruin van ’t kledderloopen. Ze moest er wel doorheen, daar viel niets aan te doen. Ze ontkwam dat niet, evenmin als de anderen.
Rijtuigen reden aan, portieren klepten open, menschen stapten in, portieren flapten toe, ’t paard trok, de wagen rolde al voort en weer anderen volgden. Dit was alles voor de rijken, niet voor haar. Ze voelde dit minder dan ze ’t zag, ’t gaf haar alleen een angst voor gevaar van onder de wagens te kunnen raken, ’t maakte haar weer wankel en duizelig ook. Maar de koetsiers weken behoorlijk uit en stuurden allen naar een zelfde kant, zoodat zij niets hoefde te vreezen, en terwijl ze zoo voortging wou ze wel lachen om haar eigen bangheid, zij, die voor een paar uur zich van kant wou maken. Wat was een mensch toch een wonderlijk mengsel en van waar kwam die angst om niet uit ’t leven te durven scheiden?
Zij stapte nu flink aan, maar in ’t sneeuwdrab van de straat moest ’t vanzelf weer sjokken worden. Haar gedachten namen dezelfde maat als haar voeten, ’t ging op en neer, aldoor van voren af aan. Een mensch maakt zichzelf het leven lastig, waarom dan toch? Eerst doe je moeite elkaar te vinden en dan om van elkander af te komen; je draait als een tol in ’n kringetje rond. Die dominee... wat zei dominee ook weer? Ze wist het niet. Een schande, ze had er niets van gehoord. Als ze naar hem toeging om raad te vragen, ja, maar dan moest ze een enkel woordje kunnen zeggen over z’n mooie preek. Nee, naar hem ging ze niet... ze had niets er van vastgehouden, ze zou gaan naar een ander, naar haar eigen dominee... ’t Was een idee,... die kon haar redden... misschien kon het aan vaste werkhuizen helpen. In elk geval moest ze iets doen, het rondslenteren in de natte sneeuw maakte haar al te lamlendig.
De zon was opnieuw achter de wolken weggedoken en een schriele wind joeg door de straten, die nu na kerktijd over-vol raakten. De leegte van vanmorgen leek met een vlaag omgezet in grauwe rumoerigheid. ’t Jachtte en stootte en ’t trapte haar alles voorbij, ze dorst niet op te kijken, de drukte maakte haar niet opgeruimder. ’t Was, of ze zichzelf schaamde met haar ellende voor al die anderen, die luide spraken, hoog-op lachten en gelukkig deden. Zij joeg zich voort om gauw bij dominee te komen. In één zenuwtrek liep ze door.
VI.
Nu voor het huis, aarzelde ze opeens. Terwijl ze aan de schelleknop rukte, kreeg ze klaar ’t besef dat ze overijld handelde. Ze wist toch ternauwernood wat ze dominee moest vertellen, ze schrikte ervan en keek of ze nog niet weg zou kunnen sluipen, doch de deur ging al open, er bleef nu niets anders meer over als te blijven. Ze hoopte nu maar, dat dominee niet thuis mocht wezen. En gelukkig, de meid zei, dat ze ’t niet wist en in de studeerkamer zou gaan kijken. Of ze dan even wilde binnenkomen?
Op de mat, achter de deur, nu ze de meid naar achter zag sjokken, voelde ze zich beschroomd, verlegen. Als hij nu wel eens thuis was... Ze werd erg onrustig, maar haar oogen en haar gedachten werden al gevangen door de blankheid van de marmergang, de hagelwitte muren, de lange looper en de kleedjes zoo netjes voor elke deur, en terwijl ze dit alles nauwkeurig bekeek, kwam de meid al terug, opende de deur van de spreekkamer, zei gewoonte-effen:
—Dominee komt derèk bij u...
’t Ontstelde haar. Nu moest ze praten, hem alles behoorlijk voorleggen. Hoe zou ze dat kunnen inkleeden? Ja net... natuurlijk zeggen dat haar man zoo’n beest voor haar was, dat ze van hem af wou. De stoel, waar ze met de rokken zwaar op zat, gloeide onder haar. Nu kierde de deur open en dominee trad binnen, de lange pijp in de mond. Ze stond dadelijk op, stamelde verward uit verlegenheid.
Maar dominee wenkte dat ze zou blijven zitten. Hij nam ook een stoel, en tusschen de smakhalen door aan zijn lange pijp vroeg hij zalvend-kalm waarmee hij haar van dienst kon wezen.
Ze bedaarde al weer. In ’t begin nog wat hakkelend, dan langzaam-aan toch vaster, begon ze haar relaas: dat ze onmogelijk bij hem kon blijven, omdat hij dronk, haar slecht behandelde, en de vraag wat dominee daarvan dacht. ’t Was zoo geen leven, ze moest eigenlijk de kost verdienen voor hem erbij.
Dominee liet haar uitspreken, liet zelfs zijn pijphaal achterwege, luisterde vol meewarigheid, zijn stijf-geplooid hoofd in zachte knikjes meedeinend, als aanmoediging om voort te gaan bij ’t uitstorten van haar tot snikkends-toeë overkroptheid. Hij dacht: ga je gang kind als je dat kan verlichten; hij smookte ook weer aan zijn pijp.
Zij vertelde en ratelde door, maar dominee, die het toch wat lang begon te duren, keek haar af en toe eens strakjes aan, en dat maakte haar van de wijs, zoodat ze plotseling zweeg.