← Table of contents
De ontredderden. Eerste bundel. I en II

AFGEZAKT. (continued 2)

Reading edition

Dominee scheen evenmin al gereed te zijn met zijn woorden, en dat oogenblik van dubbel zwijgen pijnde haar ’t meest. Ze begon er aan te twijfelen of ze wel had overtuigd en wilde weer beginnen, doch dominee voorkwam haar met een beweging van zijn blanke hand en zei:

—En hebt-ge samen aleens overlegd, al ’t mogelijke beproefd?

—Overlegd? vroeg ze verwonderd.

—Ja, ’t is geen kleinigheid als men eerst elkaar houw en trouw heeft beloofd, dan van elkaar te scheiden... zeker ’t leven is moeilijk... heel moeilijk soms... en God bezoekt de zijnen... doch daarom mag men ook tot zoo iets niet in overijling overgaan.

Ze raakte nog meer in de war, wist niet wat te antwoorden,—en dominee praatte maar door, allemaal met zulke mooie woorden, dat ze er bijna van aan ’t snikken raakte, hem niet dorst aan te kijken.

—En hebt-ge kindertjes, moeder... hebt ge daar wel aangedacht?

—Dood! zei ze somber.

—Zoo, dat is wel hard... dat kan ik me begrijpen... al maakt dit aan de andere kant ’t ook weer gemakkelijk... ge kunt u dan geheel aan uw man wijden, hem van dat slechte leven, van de drank afhouden...

—Als ’k dat maar kòn, snikte ze uit, als ’k dat maar kon... ’k heb alles geprobeerd.

—Kom moedertje, moed. Een boom valt niet in één slag... de drank is een leelijke duivel, die laat niet ineens los;... doch een liefhebbende vrouw vermag veel?

Hij zweeg even om de woorden in haar te laten doordringen, vervolgde dan:

—U moet de moed niet zoo gauw opgeven, u moet uw man maar eens bij me sturen... dan zal ik hem onder handen nemen. Hoe is uw naam?

—Baller, dominee!

—Baller, juist... laten we de handen ineenslaan, en trachten met Gods hulp hem op een beter pad te brengen.

Dominee stond op, en ze rees schuchter mee, voelend zich klein, alsof ze zacht-aan in elkaar was getrapt. Van dominee’s tijd en welwillendheid mocht ze niet meer vorderen, dit begreep ze wel zoowat. De tranen glinsterden haar in de oogen nu ze opkeek naar zijn lange, statige gestalte, zoo net gekleed, zoo vlekken-loos in ’t zwart, en ze onderging een beving over haar eigen simpelheid.

—Kom moedertje, moed! zei weer de dominee, die de deur opendeed. Stuur hem maar eens bij me, tusschen twaalf en twee ben ik altijd thuis... en anders ’s avonds ook.

Zij schreed de kamer al uit, de gang in over de marmersteenen, naar de deur toe, waar ’t gepoetste koper van deurknop en ketting haar goudig tegenfonkelden. Ze hoorde dominee nog aldoor spreken, in al opwekkender bewoordingen, en ze wist niet te antwoorden; ze knikte enkel toestemmend met haar zware hoofd.

De meid schoot toe om de deur te openen, doch dominee wenkte afwerend, zei:

—Laat het maar Antje...

Onder ’t praten door, drukte dominee haar flink de hand, sprak haar nogeens moed in, herhaalde, dat ze h’r man moest sturen, en nu stond vrouw Baller weer buiten.

Bedremmeld liep ze een eindje door, niet wetend hoe ze ’t zelf-had. Maar de schriele wind en ’t soppige weer maakten ’t haar wel duidelijk, O, daar had ze zich toch in de luren laten leggen, mooie praatjes genoeg, alsof ze daar van eten kon!

Waarom had ze niet liever om ’n drie gulden gevraagd... dan kon ze teminste uit de voeten... D’r man op een betere weg brengen, och lievehemel, hoe liet ze zich daarmee afscheepen...? De geurige dwalm van koffie en de lucht van vleesch dat gebraden werd, meegenomen uit ’t warme huis van dominee ze proefde nog op haar tong. Zoo neergeslagen was ze toch niet, of ’t streelde haar gehemelte... wat deed ze bij dominee, als ze vergat onderstand te vragen. Geld om zich de eerste dagen te redden bleef het eerste en ’t eenige wat haar kwelde. Met haar twaalf, dertien stuivers, die ze nog op zak had richtte ze niet veel uit, ze moest hebben om hier of daar te huren en vooral om van-nacht onder dak te komen. Waarom hing ze geen tafereel op, dat ze haar huis werd uitgezet, of dat hij was weggeloopen, maar ook in dit geval bleek ’t nog onzeker of ze wat had gekregen. Waarschijnlijk zou dominee haar naar ’t armbestuur hebben gezonden... misschien. Wie weet, nog beter zoo, al gaf het niet dadelijk, later bracht het wel in. Ze kon nu toch aankloppen, zeggen dat hij niet wou. Toch verwonderde ’t haar, dat ze toen ze er voor zat, aan vragen heelemaal niet dacht. Ze voelde zich te vol. ’t Kwam door de kerk. Als ze daar niet naar toe was gegaan, zou ze helderder van hoofd zijn geweest, beter geweten hebben wat ze deed.

De gedachte aan de koffie, aan ’t gebraden vleesch maakte haar ineens hongerig. Geen wonder, sedert van morgen liep ze rond, bijna nuchter. Een broodje kon ze natuurlijk koopen bij de bakker, maar ze kreeg behoefte aan wat warms.

Ze voelde zich huiverig van de koû. ’t Was ineens weer gaan vriezen. Waar kon ze als vrouw naartoe, schaftkelders waren er genoeg, maar daar zat het natuurlijk vol van de kerels. In de Volksbond was ’t niet beter, daar kon je als vrouw ook niet komen. Van de gaarkeuken had ze weleens hooren spreken, ja, dat leek een idee! wist ze nu maar waar die gaarkeukens uithingen? Vaag herinnerde ze zich van de Pijlsteeg, wist het niet zeker, daar kon ze eens gaan kijken, daar verloor ze niets mee.

Ze butterde weer voort in de drabbige sneeuw, die door de vrieskoû tot morsìg ijs ging stijven. Gladde, diepe voren lagen overal gekerfd door de wagenraderen; ze hadden ruwe kanten, waaronder nog ’t dooiwater sieperde. ’t Leek wel of ze op glas trapte, zoo scherp waren de pasbevroren dooi-ríchels.

In de Pijlsteeg zag ze ’t groote bord van de gaarkeuken, wel drie keer liep ze voorbij en weer terug, ze durfde niet binnen te gaan, uit schroom en verlegenheid. Een vrouw alleen is toch maar een arme stumper.

Eindelijk beet ze flink door en stapte op de deur aan, en merkte dat het gebouw was gesloten. Ze begreep ’t eerst niet, bleef aan de deur rammelen in schuw gemaakt-ernstig rondkijken. Een voorbijganger zei:

—Zondags is ’t maar tot één uur open!

Daar stond ze nu. Haar tijd verbabbelde ze bij dominee en de kerk maakte haar week en lammenadig; ze voelde zich geheel verslagen. Waar moest ze naar toe?

Voor haar twaalf stuivers kon ze vannacht wel ergens onder dak raken, maar wat volgde dan? Een heimelijke angst beving haar, dat het met ’t logies-zoeken evenzoo zou vergaan als nu met de gaarkeuken. Voor dat leven moest-je zijn geboren. Op straat zwerven? nee dat ging niet! Ze griezelde ervoor.

De kou werd nijpend, schrijnde vel en ooren. ’t Bracht haar in gedachten de avond van gisteren toen het ook vroor en ’t daarna sneeuwde. De kamer kreeg nu weer voor haar de oude bekoring. ’t Was wel niet veel wat er stond, maar ze zat toch beschut—en met een beetje kokes kan je ’t warm stoken.

Ze kocht bij een bakker een broodje, slokte het gulzig naar binnen in een weinig-begaan steegje, zich voelend als een diefegge, als een die loopt op verkeerde wegen en dingen doet, die ’t daglicht niet kunnen velen. ’t Broodje naar binnen geduwd, verzadigde haar niet. Zij moest er nog een koopen, peuzelde dat ongezien onder ’t loopen op, maar de maag scheen niet minder leeg te blijven. ’t Feit verwonderde haar, in haar gewone doen had ze bijna geen behoefte aan eten, affijn brood bleef dan ook maar brood, ze moest wat warmte hebben.

De huiselijke woning trok haar zoo aan, èn ze wou er toch niet heen. Nee, ze moest het volhouden, zoolang mogelijk, dan kon ze nog altijd zien wat ze deed.

Ze sjokte en stapte weer stevig door, maar ’t verhielp niet, dat ze zich hoe langer hoe moeër voelde worden. De eenzaamheid tusschen al die menschen op hun best greep haar al sterker aan, en de kou sneed door haar kleeren heen, vlijmde straf, tot op ’t lijf. Ze dacht eraan op een stoep wat uit te rusten, maar daarvoor was ’t nog te veel dag. Ze schold zich zelf weer uit dat ze dom was geweest om de dominee niet om geld te vragen. Ze kon ’t nog doen, ze zou hem niet loslaten. Nee, dat zou ze zeker niet, morgen, overmorgen ging ze naar hem toe.

Maar als ze dat deed, zoo schoot het ineens door haar heen, dan moest ze nu toch naar huis. Nee-nee, dat niet, hoewel, als-ie veel drukte en herrie maakte gaf het een reden om flink bij dominee in beklag te komen. Of ’t veel zou helpen, daaraan twijfelde ze, toch, het plan mocht ze niet loslaten.

Misschien was-ie niet eens thuis; misschien ook zelf weggeloopen... ’t kon allemaal. De gedachte vervulde haar met nieuwe hoop. Als hij eens de woning alléén liet, dan had ze wat ze zocht en verlangde. Was ’t kristelijk wat ze daar dacht, nee, zeker niet, maar wat beteekende dat...? Toch niet prettig! Ze schreef op haar briefje dat hij haar niet weerom zou zien en nu kwam ze toch, o, hij zou haar bespotten, maar ze kon zeggen dat dominee haar had weerom gezonden.

Heel sterk trok haar nu de kamer, waarin ze dadelijk vuur zou aanleggen, ze ging enkel naar huis terug, om op hulp van dominee te kunnen rekenen, al begreep ze zelf niet best, waarom ze ineens daarop steunde. Dat kwam omdat ze vanmorgen in de kerk was geweest, zeker, er klonk iets in haar ooren dat God haar zou bijstaan. Ze was op de verkeerde weg geweest om moedwillig het huis te verlaten. Als Jan haar in de steek liet, ja dan werd ’t wat anders!...

VII.

Ze liep nu langzaam de kant op naar huis. Het wankelde en twijfelde nog aldoor in haar, al besloot ze om terug te keeren. ’t Zou zoo heerlijk zijn geweest als ze teminste een nacht had kunnen wegblijven. Dàt zou hem koest maken, hèm leeren niet op haar gedweeheid te vertrouwen. Maar nu, juist op zondag, leek haar ergens onder-dak-geraken dubbel moeilijk.

Dicht bij huis kwam het bij haar op bij Greet Hesselaar aan te loopen, ’t werd dan meteen wat donkerder; om bij licht aan te komen stond haar maar matig aan.

Ze strompelschokte tegen de trap op. God-in-de-hemel, nu voelde ze eerst recht haar moeheid! Blij zou ze zijn, als ze eens even kon uitrusten. Drie-hoog, een heele rek!!

Ze klopte aan, draaide de deurknop om, bleef weifelend in de opening staan.

—Kom binnen... waar heb-jij de heele dag gezete? klonk haar al tegen.

Ze trok met zware handen de deur achter zich toe, nog te veel buiten adem om dadelijk te kunnen antwoorden.

De familie, man, vrouw en vier kinderen zaten om de tafel, Hesselaar zelf lag hoofd op zijn armen, ingeslapen. De kinderen staakten hun eten, hielden de vork omhoog in de handen en keken nieuwsgierig.

In ’t vertrek was geen stoel vrij. Alle bezet. Ze hadden er zes en een fauteuil, maar een er van stond in de hoek met gebroken achterpoot, en om te voorkomen dat iemand erop plaats nam, werd die stoel voor bergplaats gebruikt. Nu lagen de jasjes er op van de kinderen.

Moeder Hesselaar gaf aan een der kleuters een teeken om op te staan, zijn stoel aan haar te geven. De jongen deed het met weerzin, maar hij deed het toch, hangleunde nu tusschen broertje en zusje in, gaapte haar aan met onvriendelijk-nieuwsgierige oogen.

—Waar heb je de heele dag gezeten? zei nu weer Greet. Je man is hier wel drie keer geweest... hij zat erg ermee in!

Ze gaf geen antwoord, haalde de schouders op, waarmee ze zei: wat kan mij dat schelen! De ruwe gemakkelijkheid waarmee Greet sprak in tegenwoordigheid van de kinderen, hinderde haar, maar de moeheid dwong haar tot zwijgen. ’t Was of ze ineens inzakte; ze kon niet spreken.

Greet herhaalde nogeens, dat Baller d’er was geweest, dan vroeg ze hartelijk:

—Wil je niet een happie ete?

Vrouw Baller schudde het vaal-blonde hoofd. Met de beste wil zou ze geen brok erin kunnen krijgen, het warme eten, waarnaar ze straks zoo verlangde, leek haar wee. De lucht alleen walgde haar tegen. O, O, wat was ze moe!

—Sjeneer je niet Sjenetje, drong Greet weer aan, die al een bord leeg schraapte, wat groente en aardappelen opschepte.

Vrouw Baller wenkte opnieuw afwerend.

Greet schudde het rood-gezonde hoofd, bleef haar met open mond aankijken, wachtend tot ze wat zou zeggen.

Ze begreep, dat ze niet sprakeloos kon blijven zitten, al voelde ze zich te veel ontdaan, om maar dadelijk erop los te praten. Heel langzaam begon de kamerwarmte haar te ontdooien, weldadig te doordringen, en de gezelligheid, de vele gezichten om de tafel die haar aankeken, ontspanden haar strakke trekken.

—Wat is er gebeurd, herhaalde Greet, om haar tong wat los te krijgen.

—Och niks, stootte ze eindelijk eruit, gisteren ruzie gehad, en vannacht is-ie dronken thuis gekomme!

Greet zuchtte eens. En die zucht zei meer dan honderd woorden.

—Hij schijnt ook niet erg frisch te wezen, kwam ze nu zelf los, op Hesselaar wijzend.

—Nee, hij hêt gisteravond ’n raap in gehad, en vanmiddag, nou ja, dàt wete we... ik laat hem maar uitslape en dan komp alles terecht.

—Waarom die kerels toch altijd zoo zuipe, schimpte vrouw Baller erover heen.

—Ja mensch, dat schijnt erbij te hoore... een man die geen borrel pakt is ’n witte raaf... dat kan je aan de balk schrijven... maar de mijne is anders niet kwaad... alleen je mot hem goed late... as-ie nou wat uitgeslapen is gane we naar Stoel en Spree... Zal ik nou herrie make... da’r wor’ ik toch niet beter op.

Zij zette ’t bord voor haar neer, zei aanmoedigend:

—Toe, eet maar een stukje... dán kom je wat bij... geve en neme, zoo is het overal in ’t leve... je mot wete te schikke... de manne benne allemaal ’t zelfde. Hee, ouwe, sta ’es op!

Ze klapte Hesselaar op de ingedoken schouders, schudde hem stevig door elkaar.

—Je mot denke, zei ze vergoelijkend, de heele week is ’t hard aanpakke... van ’s morge’s vor dag en dauw tot ’s aven’s toe... en dan nog standjes en komplimente afwachte van de baze, ik ben al blij, dat-ie maar werk houdt... de rest komp vanzelf.

—Dat is ’t hem net, maar de mijne is aldoor zonder, en ik draai er dan voor op. Dat maak-je duvels...

—Ja-ja, zuchtte Greet, már je bent ók már alleen... hebt geen kinders.

—Ik woû da’k ze nog had, huilsnikte ze bijna.

—Dat zou je niet zegge as je zooveel monde had open te houwe... En slijte dat ze doene... geen draad blijft er haast heel... maar goddank, ze benne gezond, dàt niet... ze vrete me de oore van de kop.

Lach-tevreden keek ze haar kinderrij rond, schudde Hesselaar weer door elkaar, schreeuwde:

—Wor’ toch wakker, d’er is vrouw Baller!

Geeuwend richtte hij zich nu ook op, wreef de slaapoogen uit, —en de kinderen lachten luid om de vreemde gezichten, die vader trok.

—Hè-hè, flauwde hij, ik was pas in de dut, ho-ho!!!

Hij keek nog slaapgeeuwerig rond, merkte haar nu op.

—Zit jij hier... je man is op de zoek!

—Zoo, hêt-ie angst?

—Angst... angst? Dat weet ’k zoo net niet... hij was hier... ga maar gauw naar honk!

—’t Is nogal ’n lieverd!

—Ja, hoor’es, scherpte nu Hesselaar die zich in z’n heele lengte opstrakte, hoor ès daarmee kan ik me niet bemoeien. Ik zeg alleen wat ik weet, dat hij hier is geweest en je zoekt!

—Kom, eet eerst een stukkie, hap toe, en ga dan maar naar huis, vermaande nu ook Greet. Kwaad worden is gewoon-menschelijk maar kwaadblijven duvelsch... geen huis zonder kruis... overal valt wel eens wat voor, zeg nou zelf!

Gelijk schoof ze ’t bord nog wat naderbij, moedigde aan om te eten.

Meer door de vriendelijke dwang dan door eetlust pakte vrouw Baller de vork, probeerde wat er in te stoppen. Maar de stukken kool bleven haar in de keel steken, en de tranen glibberden, onder ’t moeizaam kauwen, langs de mondhoeken mee naar binnen.

Ze onderging sterk de gewaarwording, dat ’t hier een ander huishouden was dan bij haar. Greet kon opspelen, niet gemakkelijk zijn, op haar tijd wist ze toe te geven. Ze waren niet zoogenaamd van beter kom-af, zooals haar man, en zooals ze zelf altijd graag had willen zijn, maar ze bezaten wat zij juist miste, de gemoedelijkheid, het zich schikken en passen naar de omstandigheden, het nemen naar ’t uitvalt. Die Hesselaar zag er lang niet nuchter uit, had meer dan een glaasje teveel, maar zijn vrouw keek er even vroolijk om; ze gingen van avond uit, naar de komedie... en zij?

Een nieuwe verbittering wrangde òp, en ze moest die uiten, zei vinnig:

—Jullie hebbe makkelik prate, die vent van mijn is nou al vier maanden zonder... en as we maandag niet betale staan-ne-we op straat... de huisbaas wil niet wachte, èn ie-hêt g’n ongelijk.

Hesselaar en z’n vrouw zwegen, ze wisten wel waar ’t stak.

Greet zei toen medelijdend:

—Sja fafferabel is het bij je niet!

—Wat za’k je zegge, bracht Hesselaar bij, je man is niet gewoon te werreke... ie hêt ’et nie’ geleerd!

—Da’r hep je ’t net, huilde vrouw Baller.

—Als ’t nipt, kom dan ma’r hier na’rtoe, goedigde Greet, maar we hebbe zelf haas’ g’n plaa’s!

—Welnee! Da’rom doe ik ’t toch niet... ieder mot z’n eige last, z’n eige pakkie drage, anders mooi genoch angeboje, dát niet!

Ze veegde met de handpalm de vochtigheid van haar wangen, terwijl ze naar ’n zakdoek in haar rokspleet zocht. Kordaat stond ze op, zei:

—’k Zal maar gaan... wel bedankt... voor je vriendelijkheid... dág Greet... dag Hesselaar... dág kindere!!

Ze daalde de trap af nog eenzamer dan ze die was opgeklommen. Dat gepraat had haar kapot gemaakt. Al die kinderen om de zondagstafel, de gezelligheid van de volle kamer, de zoete dwalm van het tevreden samenzijn, en ’t vreemde voor haar dat de man, al was ie alles behalve nuchter, zich niet norsch of leelijk aanstelde, waarbij Greet gemoedelijk zat, Greet, die nu al vooraf genoot van ’t uitgaan ’s avonds, als ’t bijna-volwassen kind van beneden voor haar zou oppassen, dat natuurlijk-gezonde van een groot gezin werkte na, gaf haar een sterke aandoening, ’t besef, dat het leven, ook al mankeert er wat aan, niet ellendig is, als je maar niet te zwaartillend, te veeleischend bent.

Nam zij ’t leven dan te zwaar op, maakte ze van alle kleinigheden een te groote zaak, wist zij niet te plooien, niet toe te geven? ’t Kon. Hesselaar zei ’t ook nog, dat haar man niet geleerd had te werken, dat hem daarom alles tegensloeg, zoodat ze moest schipperen en wat meer door de vingers zien. Best mogelijk! Maar lag het dan aan haar, als hij dronk en niet verdiende? Ze ging uit wasschen, wou alles voor lief nemen, alléén ze kon tegen ’n man niet aardig, niet aanhalig doen, als ze ’t niet meende. Ze was nu eenmaal zóó en niet anders!

De moeheid, die ze bij de Hesselaars even vergat, zette weer op, dwong haar tot al-langzamer en tragelijker gaan. Een knagend wee, waarvoor ze geen woorden had, omgolfde haar; ze voelde zich zóó klein, zóó klein, als platgeslagen. ’t Viel haar onnoemlijk zwaar tot haar ouwe doen terug te keeren. ’t Liefst ging ze maar dadelijk dood. Waarvoor, waarom leefde ze? Haar bestaan had geen doel, geen reden!

Twijfel-traag liep ze voort tot aan de gracht, dicht bij haar straat, en ze bleef weifelen. De goed-bedoelde redeneeringen van Greet en Hesselaar hadden haar geest van verzet wel wat neergedrukt, maar haar nog niet overtuigd,—en de herinnering aan ’t zoet geteem van dominee dat haar eerst kalmeerde, ergerde haar nu, riep nieuwe wrevel op. Wat haar ’t meest huiswaarts droeg, dat waren haar moeë voeten, die vanzelf de terugweg insloegen.

De zondagstad woelde nu druk, vol uitgaande menschen, die een breede ruimte noodig hadden. ’t Vroor hard. De sneeuwvoren lagen gestold tot richels ijs, die splinterden en kraakten onder de haastig-gaande voeten. Een voorgevoel van aanstaand ongeluk doorzoog haar onbewust, ze wist zelf niet wat, maar er moest wat gebeuren. Misschien maakte haar man zich van kant, lag hij dronken thuis, of viel van de trappen. In elk geval stond haar wat te wachten. ’t Schokte haar zenuwend op, dreef haar angstig voort. De glad gevroren straten maanden haar weer aan tot voorzichtig gaan. Een paar keer slipte ze al uit, raakte bijna van de beenen, en net als een wagen aanreed. De zorg voor vallen deed haar voeten wankelen. Telkens stootte ze tegen menschen op en ’t uitwijken werd al moeielijker.

Ze was nu zoowat thuis. De zak zou ze bij de melkboer maar laten liggen, ze was te moe, om daarmee de steile trap op te klimmen. Een aarzeling overviel haar, een zucht om terug te keeren, maar ze liep toch door. Ze hoorde of zag niets meer van wat om haar heen liep, keek niet meer uit. Ze ging haar noodlot tegemoet... daarboven.

VIII.

Tegen een uur of elf was Baller uit zijn vluchtige roes wakker geworden, èn dorstig, droog in de keel, schreeuwde hij meteen om drinken, maar dadelijk herinnerde hij zich ’t voorgevallene van ’s avonds, waarvan hij de gevolgen had willen ontloopen door er ’n flinke spat op te zetten. Veel kostte ’t em niet, hij had op de klap gedronken, rondje op rondje werd er getrakteerd en met ’n aardige snee in de neus, zooals hij dat noemde, had hij ’t aangedurfd weer bij z’n lieve vrouw thuis te komen. In bed had hij ’t weer goed willen maken, maar haar harde kop bleek niet van hem gediend, daarop liet hij met geweld zijn recht van man gelden en hij wist nou niet meer of ze zich tegen hem verzette of niet; of ze sliep of zich slaperig hield, in elk geval kwam ’t vannacht niet in orde, en nou ze geen dadelijk antwoord gaf wist hij vooraf dat er geducht wat voor hem zou op zitten.

Hij besloot toen zich koest te houden, geen aanleiding te geven, zelfs geen kik te laten. Stilletjes zou hij afwachten tot zij er genoeg van kreeg en zij zelf weer vree kwam maken. Tongsmakkend van de nadorst, branderig over zijn geheele lichaam, schoof hij zich weer dieper onder de deken, probeerend opnieuw de slaap te vatten, maar zijn gedachten waren klaar en scherp, zijn ooren namen op ’t minst gerucht. ’t Verwonderde hem algauw dat hij enkel geluiden hoorde van de straat en van haar niets merkte in de kamer, ze moest bepaald uit zijn, hier of daar naartoe, om wat in huis te halen of een boodschap te doen. Een tijdje wachtte hij, en dan nieuwsgierig omdat er in de kamer zich niets verroerde, wilde hij zich overtuigen. Voorzichtig hief hij zich op, boog buiten de bedstee zijn verward hoofd, nog zwaar van de roes, en liet zijn oogen, die dof en doezelig stonden door ’t vertrek waren. Een eigenaardige kilte, een koude stramheid viel op hem neer, al gaf-ie zich nog geen rekenschap van de toestand. Hij zag haar nergens en de gordijnen hingen nog omlaag. ’t Was klam en donker in de kamer.

Zijn oogen sperden zich almeer open, terwijl langzaam aan vermoedens in hem oprezen. Wat beduidde het, dat zij zich niet liet zien, of zou het nog zoo vroeg wezen? Nee, dat begreep hij haast niet. Kon hij maar eens op het klokje kijken, maar dat ging niet, zijn hoofd was te stijf, een zagende pijn voelde hij erin.

De poes sprong van de stoel, pootelde miauwend naar hem toe, ’t zacht-aanvoelend hard kopje tegen zijn neerhangende hand aanwrijvend; ze vroeg om drinken, dàt begreep hij.

Goedmoedig praatte hij een paar woorden met het beest, dat zijn groene, glazige oogen smeekend naar hem opstreelde en de hooge rug inkromp om een sprong te kunnen doen.

—Nee, nee poes, dàt niet, zei hij, met z’n hand ’t dier afwerend. Dat wil de vrouw niet hebben, dat weet je.

De poes miauwde weer, nu hulpbehoevender. Baller trok zijn hand terug en wilde onder de deken schuiven, maar nu zag hij een stuk papier, dat naar ’t scheen beschreven, dáár op tafel lag, en meteen schoot òp de herinnering aan de ruzie van gisteravond, wist hij weer dat ze hem dreigde om weg te loopen. Even lachte hij om die onderstelling, ja ze liep daar weg, waar moest ze naartoe? nee daarover behoefde hij zich niet bezorgd te maken! Wrevelig op zichzelf, omdat zoo iets nog in hem kon opkomen, wilde hij zich weer leggen om daarmee voorgoed die akeligheid weg te dringen, doch het stukje papier bleef zijn nieuwsgierigheid opwekken; alleen de mogelijkheid dat zijn vrouw zou binnenstappen terwijl hij net eruit wipte hield hem nog terug. Hij probeerde nu van-uit-z’n-bed te lezen; de poes miauwde weer en sprong dan op de bedplank. Hij smeet de poes daar weg en beende nu zelf d’eruit. De nieuwsgierigheid was al overgegaan in het stekelig gevoel dat er iets schortte, dat zijn vrouw toch wel een dolle streek kon hebben uitgehaald.

Zijn oogen spalkten zich al wijder open, terwijl ’t velletje papier in zijn bevende hand ritselde en knetterde; hij kon ’t haast niet gelooven wat daar geschreven stond en toch hij las het duidelijk: Jan, ik gaan weg en kom niet weerom ... je verschooning ligt op de stoel.

Die enkele kriewelige woorden gingen voor zijn oogen zich vergrooten, dansten over het papier, en nu vertroebelden weer zijn blikken, zag hij enkel de kreupele halen en een warrel van leelijke letters. Even moest hij de hand voor zijn oogen houden, liep dan naar ’t raam, trok de gordijn omhoog, om beter zich te kunnen overtuigen. Een zware zucht welde naar zijn keel en bleef daar steken; star keken zijn oogen naar buiten, terwijl zijn gedachten verzonken in het enkele besef van verlaten te zijn, een wurgend gevoel dat hem opkropte tot in de keel.

—Nou nog mooier... nou nog mooier! prevelde hij. Nee die is goed... ze hêt haar bedreiging toch uitgevoerd!

Aemechtig van de schok zakte hij op de stoel neer, de mond wagewijd open over ’t onverwacht gebeuren, dat hem sloeg met ontsteltenis en vreemde beroering. Was het dan toch zoo? De gedachte kon zich nog niet in hem wortelen, ’t leek hem zoo iets gemeens en ongehoorde, dat hij in woede uitbarstte en de geheele kamer vol vloekte. Maar tegelijk greep de treurnis over ’t feit zelf hem zoo overweldigend aan dat het zwaar in hem huilde en hij bijna stikte van de zenuwen die geen uitweg konden vinden.

Een poos bleef hij zoo zitten, zijn blikken blind naar buiten waar de sneeuw smoezel en morsig lag met de vele natplekkende voetdruksels. Vaag herinnerde hij ’t zich als iets dat al heel ver achter hem lag, dat dit was de witte sneeuw, waardoor hij zich vannacht met moeite naar huis werkte, omdat hij zóó volgeladen was van drank. Ja, dat ze wegliep was zijn eigen schuld, hij mocht zich niet beklagen, hij kreeg naar wat hij verdiende!

Moedeloos zakte hij nog meer in elkaar en probeerde ’t zelfs niet meer te denken. ’t Leek hem alles zoo vreemd, zoo oneigenlijk, alsof ze dood was en niet weggegaan. Armelijk zag hij zich zitten in het kille vertrek en een groot medelijden kreeg hij met zijn eigen ellende. ’t Was hem of ’t al stiller en stiller werd, of de eenzaamheid aangroeide. Verlaten... zij weg... en hij alléén, hij begreep ’t aldoor nog niet, ’t wilde er niet zoo grif in.

De poes, weer naar hem toegepooteld, wreef al spinnend haar hoogende rug tegen zijn strakke beenen. Dat warme, zachte gestrijk maakte hem week en hinderde hem niet minder, omdat het sterker liet gevoelen de vlucht van zijn vrouw. Drang tot zelfbeklag woelde weer in hem op, doch de woede van onmacht overdrong alles en eenigszins hardhandig, in ’t genot om ook ruw te zijn en af te stooten nam hij de kat op en smeet haar een eind van zich af.

—Ja poes, snerpte hij, je zult je weg zelf moeten zoeken evenals de baas, daaraan is niks te doen, je goeie leventje is ook uit!

’t Dier begreep het niet en kwam weer op hem toe. Hij lachte smadelijk en sloeg van kwaadheid zichzelf op de knieën. Net dacht hij beter op te passen en nou liet ze hem alléén. Besef dat hem onrecht werd aangedaan doorkroop hem nu venijnig. O, hij zou zich wel redden, hij had haar niet noodig, o nee volstrekt niet!

Maar lang hield die opgezwiepte moed niet aan. De kille kamer, zóó zonder vuur, strak en stug in de stilte van het vreemd-aandoende vroege zondagsuur, joeg hem schrik aan. Het zich alleen zien werkte vertwijfelend op hem in. Die stroeve naaktheid, de kale kamerruimte met het ééne gordijn nog altijd neergelaten, de onberoerde stoelen, de leege tafel met het bekrabbelde stuk papier, het triestig weer, alles drong sarrend op hem in, gaf hem ’t nijpend begrip van de toestand, kneep hem tam en klein. Hij zou het rommeltje kunnen gaan verkoopen aan een jood; maar wat bracht het op? Nee nee, dat niet, hij moest haar zien op te snorren, haar terughalen en zich beteren. Waar kon ze zijn? geld bezat ze niet, evenmin als hij, ze zou om een onderdak moeten bedelen, maar och, een vrouw die handen aan haar lijf heeft, weet zich wel te redden, wordt allicht opgenomen. Toch...

De gedachte aan een ongeluk, dat ze zichzelf van kant zou maken, in een dolle bui niet weten wat te doen, kreeg ineens bij hem de overhand en de angst daarvoor verving nu alle andere gewaarwordingen. Van schrik rezen zijn haren overeind, ’t was zoo erg dat hij meende eraan omhoog te worden getrokken.

Hij kalmeerde weer. Je verdoet je niet zoo gauw, zei hij nu, het water is veel te koud, vooral in de winter! Ze zou ’t ook wel hebben gezegd, geen letter stond ervan in! Toch, het schrikbeeld eenmaal voor hem opgeroepen, liet hem niet zoo gemakkelijk los, spookte aldoor vinniger voor hem op. Genoeg dreigde ze hem ermee en een wanhopig mensch is niet van zich zelf zeker. In elk geval, hij moest erop uit, ’t haar beletten, ver weg kon ze nog niet wezen.

Gehaast en vol schichtige angst, richtte hij zich op, goot water in de kom, waschte zich vluchtig, schoot zijn zondagsche goed aan en ijlde de trap af, de straat op. Dat hij nog niets had gegeten, weerhield hem niet, de angst voor een ongeluk, zat hem door alles heen, joeg hem voort. ’t Eerst liep hij naar de Hesselaars, dan overal waar zijn voeten hem maar droegen. De geheele lange namiddag rond zocht hij haar. Telkens keerde hij op zijn kamer terug in de verwachting, dat ze misschien wel uit haar zelf zou komen, maar ook telkens bleek het niet zoo te wezen; ze was weg en bleef weg, ze daagde niet op. De wanhoop greep hem aan. Wat moest er van hem terechtkomen als zij niet meer voor hem zorgde? Hol en kil, schrikwekkend leeg was de kamer en ’t leek hem of ’t weinige dat er nog stond hem verweet zijn wankelmoedigheid en zijn onhartelijk zijn, of de huiverkilte van ’t vertrek hem zelfs aanklaagde. Honderde keeren had ze gedreigd weg te loopen en vele malen beangstte ’t hem voor een oogenblik in de vrees dat ze er werkelijk eens toe mocht overgaan, maar diep-in had hij toch niet geloofd dat zij het ooit zou doen. En nu was het zoover, nu stond hij alleen, heel alléén, niemand zou meer naar hem omzien omdat hij was een onbruikbaar mensch, een vod. Dat was nu de vrouw voor wie hij zijn toekomst had verbeurd, het meisje dat hij tegen de zin van zijn familie trouwde en die de oorzaak werd van zijn afzakking. Blinde woede joeg hem op, armzalige onmacht plompte hem weer neer. Huilschokkend, het nietig hoofd weggegraven in zijn handen, bleef hij zitten en heel zijn teruggang, zijn verval, wielerde in klare beelden door zijn brein. En toch, ’t was zijn eigen schuld en van niemand anders. Hij had haar niet moeten trouwen, een meisje moeten nemen uit zijn eigen stand, één die hem begreep en met wie hij dezelfde man had kunnen blijven, doch eenmaal die afzakkende pas gezet, diende hij dubbel sterk te wezen en als twee man te werken. Dat had hij niet gedaan, niet kunnen doen en ’t einde werd, dat zij voor hem moest inspringen, zich nu ook als de meerdere liet gelden. Dat had hij niet kunnen verkroppen, daartegen verzette hij zich met alle macht en dan dronk hij maar een borrel. Zoo zakte hij al meer af, zoo zonk hij al dieper,—en nu voor ’t eerst in die wrange verlatenheid voelde hij door de woede heen zijn ongelijk. Je kon je als man alléén laten gelden als je werkelijk man bent; anders dien je te kruipen en willig te aanvaarden.

Hoonend klonken die woorden, die bittere zelfverwijten in hem op. Schampend om zichzelf te pijnigen herhaalde hij ze vele malen. Dan begreep hij weer, dat huilen en lammenteeren niets gaf, dat hij op zijn zoek moest om haar terug te halen en saam een nieuw leven te beginnen. Ja, hij zou zich beteren, hij zou niet meer drinken, haar nukken verdragen, tot hij weer geregeld werk vond en haar toonen kon dat hij, hoewel afgezakt tot gewoon werkman, toch ook een man uit één stuk kon zijn.

’t Begon nu al te donkeren. Opnieuw daalde hij de nauwe traptreden af, doorliep de straten, ging nogeens bij de Hesselaars aan.

—Welja, je vrouw is hier geweest, zei Greet lachend, ze is al naar huis toe, je mot haar zijn tege gekomme, maak maar voort! Hesselaar lachte mee.

Een zware angst viel van hem af, maar een ander gevoel van angst steeg bij hem op. Dat ze nu nog terug zou komen leek hem zoo onwerkelijk, zoo vreemd, dat hij zijn eigen ooren haast niet gelooven kon en aarzelend staan bleef in de deur.

—Vooruit, ga nou gauw en zoen het weer af, is dat een manier van doen om elkaar ’t leven zoo lastig te maken!

Baller wilde d’er wat tegen in brengen, maar Hesselaar sneed hem de woorden af, zei al weer:

—Kom, verleuter nou niet je tijd, ’t hêt al lang genog geduurd.

—Ja, antwoordde hij zuchtend. Dan stommelde hij weg, de Hesselaars nog bedankend.

Op straat moest hij acht geven en voorzichtig stappen, omdat het zoo glad was. Een kleinigheid en je lei op je achterste, een ongeluk zat in een klein hoekje. Zou ze al thuis wezen en op hem wachten, vroeg hij zich nu weer, en zou het nog eerst ruzie geven? moest hij haar de huid vol schelden of zelf soebatten? Hij begreep maar niet dat ze al boven zou zitten, en toch kon dat dubbel en dwars, ze was vóór hem bij de Hesselaars weggegaan en die zoûen hem niet bedriegen. Vreemd, telkens meende hij haar te zien, daarstraks al om de hoek en nou weer.... Ho pas op! anders tuimelde hij nog.... verduiveld, wat was ’t glad, je mocht wel sokken onder de schoenen hebben! Ieder keer als hem een vrouw voorbijging meende hij haar stem te hooren, kwam geheimzinnig gefluister alsof er om hulp werd geroepen op hem toe. Nou, hij zou blij zijn als hij boven zat en alles weer in orde was. Honger had hij voor zes.

Met maakte hij weer zoo’n valsche glipper. Verdikkeme, ze mocht ook wel oppassen, een mensch was met die gladdigheid z’n leven niet zeker, maar dat hoefde hij niet te zeggen: ze was allang uit de narigheid, al bezig om aardappelen op te zetten. Voetje voor voetje, strompelde hij door en zijn leege maag plaagde hem niet minder.

Aan de overkant van de gracht hoorde hij plots groot tumult. Misschien een ongeluk gebeurd, zou hij er langs gaan? Welnee, hij had nu geen tijd!

Toch gingen zijn voeten de brug al over, die kant uit; ’t liep ook zoo ver niet om. Langzaam-aan naderde hij, maar ’t gaf hem niet veel, het stond er zwart van de menschen, er viel weinig te zien. In ’t voorbijgaan hoorde hij het: een vrouw overreden en morsdood. Hij schudde zijn klein baardig hoofd, voelde zich verheugd in ’t besef, dat zijn eigen vrouw nu wel thuis zou wezen. Wie weet wat haar met die gladdigheid zou zijn overkomen, indien ze was blijven dwalen.

Een policieman daagde op, joeg de menschen uit elkaar. Hij hoorde nu dat de vrouw nog aldoor onder de hoeven lag, een oude vrouw naar ze zeien. God-in-de-hemel, de hoeven sloegen als een wervelwind zoo rap en ’t vuur ketste over de ijsbevroren steenen; wagen en paard radouwden en schokten door elkaar.

Baller liep door. Even had hij gedacht.... geprobeerd te onderscheiden... of ’t misschien niet zijn vrouw kon wezen, maar er viel niets te zien, ze lag onder ’t paard, welnee, ze zeien toch een oude vrouw, en nu voorzichtig om niet te struikelen en uit te wijken voor die dringende menschen ging hij voort, om nu maar gauw thuis te zijn. Op een afstand bleef hij weer staan, om nog eens uit te kijken.

De roodpuisterige koetsier, die eerst op de bok was blijven zitten om het paard op de pooten te krijgen, was er nu toch afgesprongen en trachtte zijn knol uit te halen. Hij rukte zoo fel aan de leidsels dat het paard steigerde, doch op de ijsgladde keien vonden de hoeven geen pak. ’t Beest, half overeind, spartelde en struikelde, sloeg weer neer, zichzelf rameiend, zich haast wurgend in de leidsels en ’t nauw gareel.

—Hou op, hou op! dacht Baller luid. Ook de omstanders schreeuwden:

—Je vermoordt haar, je maakt ’t arme mensch heel’maal kapot!

De koetsier liet de leidsel vallen, tierde terug:

—Verrek jullie... help ook ’n handje... weten jullie ’t soms zoo goed?

Dan stond hij zelf versuft en wist niet wat te doen. De omstanders raasden en tierden, geen had het rechte besef de ongelukkige te verlossen. Arme Baller wist ook niet te helpen, zijn handen stonden toch verkeerd, hij had zelf moeite om op zijn voetjes te blijven...

De policieman drong nu in de kring, duwde de schreeuwende menschen op zij, greep het paard bij de kop, en dadelijk hielpen tien, twaalf handen.

—Hou de bonk van achteren vast, beet hij de koetsier toe, zorg dat-ie niet opslaat!

—Een, twee, drie hallo!... één, twee, drie vast!

Met hun allen hieven ze ’t paard van voren op.

—Niet te veel, niet te veel! bevelhebberde de policieman. Zoo... trek weg ’t mensch!!

Vele handen grepen toe, en nu ’t paard wat terzij en opgeheven, ontstond er ruimte. De verongelukte konden ze naar de andere kant uithalen.

—Dood! zeien eenigen.

—Een dokter... naar de apotheek! gilden velen door elkaar.

—Een brankard! riep de policieman tegen een andere agent die net kwam toegeloopen.

Vier, vijf mannen droegen het in-elkaar-gezakte lijf, de kant uit naar de apotheker, terwijl de tweede agent zich met koetsier en paard bemoeide, om de weg weer vrij te krijgen.

—Verschrikkelijk! schandalig! murmureerden de menschen die Baller passeerden.

De koetsier stond overend, om ’t ongeluk uitéén te zetten. ’t Zweet gutste hem onder zijn lakhoed weg, siepelde over zijn gezwollen gezicht.

—’t is niet mijn schuld, verweerde hij zich fel. Als iemand zich voor de knol gooit, wie kan d’er tege?

—Je bonk hêt g’n belle! gierde luid een opgeschoten jongen.

De koetsier dreigde met de vuisten, de jongen week terug, schreeuwende:

—Maak m’ar niet zoo’n heibel... Je bent er toch nakend bij!

—Kan ik ’t helpe as de baas geen belle het... alle paarde benne uit, verweerde hij zich.

—Zoo’n schoft! schreeuwde er weer een. Dát waagt de menschen er m’ar an.... je most je schamen, moordenaar...!

De koetsier, in wilde woede, wou hem te lijf, maar z’n paard lag d’r nog, dàt moest eerst op de pooten. Policieman noteerde al zijn nummer, de stal en zijn naam.—Heel goed zoo! dacht Baller die het in de verte had aangezien en nu wilde doorgaan.

De eerste agent, weer toegeschoten, zei kortaf tegen de aapjesman:

—Je gaat mee naar ’t beroo!!

Koetsier, eindelijk ’t paard op de pooten gekregen, ’t lemoen gebroken, wou er tusschen uit, raasde en vloekte van belang:

—Je weet toch m’n nummer en m’n stal! ’t Is Zondag... ’k mot verdiene!!

—Zoo’n schoft, schreeuwden weer de menschen. Hij mot vérdiene, of hij de menschen doodrijdt raakt hèm niet, as-ie ma’r verdient!!

—Vooruit! zei barsch de agent.

Al had hij ’t nummer en de stal, er moest satisfaktie worden gegeven. Hij keek uit naar getuigen, om ’t geval te bevestigen.

In zwarte wriemel lawaaide droef de optocht de brug over naar ’t bureau.

IX.

Baller, nu straf doorgeloopen tot in de straat waar hij woonde, verwonderde zich geen licht te zien achter de ramen. Zou ze nog niet thuis zijn? hee dat bevreemde hem... òf zou ze boven in donker blijven zitten om eerst met hem af te rekenen?

Beide onderstellingen vroolijkten hem niet op, hij had zich nu al ingedacht, dat ze aan ’t koken of aan ’t koffiezetten zou wezen, zoodoende alles weer in orde. Hoe hooger hij de steile trap opklom, te minder zeker voelde hij zich zelf, och, als ’t nou maar geen tranen en lammentaties zou geven, de dag was al ellendig genoeg geweest!

Er viel iets kils over hem nu hij de deur opende, haar naam riep, haar niet zag en ook geen antwoord bekwam... De Hesselaars zoûen hem toch niet voor de mal hebben gehouden, nee-nee, dat geloofde hij niet. Onthutst liep hij een paar keer de schemerstille kamer op en neer, schoof toen het raam op om eens naar buiten te spieden of hij haar soms niet zag aankomen. Ongerust voelde hij zich worden terwijl hij staarde naar ’t wijkende licht van de vriesdag, die boven de al zwaar-donkerende straatgeul met vele schaduwvlakken in de diepte, onmachtig bleekte. En opeens, hij wist zelf niet waardoor, schoot de ontzettende gedachte in hem op, dat de vrouw daarginds overreden, waar hij naar had staan kijken, weleens zijn eigen vrouw kon zijn geweest, dat ze dood en vermorseld haar zoûen thuisbrengen. Hoorde hij daar al niets?... Hij meende werkelijk stemmen en radergewiel te vernemen, stemmen van: hier heen, hier is ’t! Nee-nee, dat zou niet mogelijk kunnen wezen, hoe kwam hij aan zoo’n veronderstelling, was hij dan krankzinnig? Vol angst over zijn eigen gedachten trok hij ’t hoofd gauw binnen, liep met een stomp hoofd de kamer een paar keer heen en weer, en wou het licht gaan opsteken, de kachel aanleggen.

Zeker, als ’t lekker warm was en ’t licht brandde, zou ze, als ze straks kwam wel bijtrekken en niet te veel lawaaien. Misschien ook beter zóó. Iets zei hem, dat ze nu wel gauw zou komen, zóó tegen donker. Maar, terwijl hij zich dit inpompte en de kachel niet wilde branden, overviel hem weer een vaag voorgevoel. Wat gaf het of hij hier al vuur aanleî, als ze toch niet opdaagde.

Stemlawaai op straat trok opnieuw zijn aandacht. Snel schoof hij ’t raam op om te kijken, maar hij zag niets: de straat met de winkels zondags-gesloten lag al geheel donker, als een zwarte, lange gleuf, waarin de menschen krioelden. De koude wind sneed venijnig hem om d’ooren.

Bij ’t binnentrekken van zijn ijl-aanvoelend hoofd meende hij vlak beneden, vóór de deur, menschen te zien staan; en zijn oor vernam gestommel op de trap. M’n God, dat zou toch voor hem niet wezen? Ontsteld trok hij zijn hoofd naar binnen, drukte het schuifraam toe, luisterde in harteklop. ’t Gestommel op de trap werd luider, kwam hooger, al hooger. Hij wou de deur opensmijten en zich overtuigen, doch hij durfde niet door zijn slecht geweten.

Het voorgevoel nam in een paar tel ’t begrip van zekerheid aan. Geen twijfel meer. Gotogot! Zijn vrouw was het die het ongeluk overkwam... nou werd ze thuis gedragen. Hij wachtte... wachtte... over al zijn leden bevend.

’t Lamplicht roodde voor zijn oogen, als huilerige vlammen. Gekheid, gekheid! mompelde hij nog, maar hij kon zich niet meer beheerschen, hij moest het weten.

Plots hoorde hij roepen.

—Baller... Baller...

Met rukte hij de deur open, keek met starre oogen naar beneden, doch in ’t donker viel niet te onderscheiden. Wel hoorde hij gepraat en gestommel. Opnieuw riepen ze hem bij z’n naam.

—Ja... wat is er? stootte hij er schor uit, bevend en bibberend, beducht om de waarheid te vernemen.

—Je vrouw... we brenge je vrouw... een ongeluk gebeurd!

Baller stortte zich al de trap af. De menschen schreeuwden hem toe:

—Blijf boven... je kunt hier niet helpen... Licht ma’r liever wat bij.

Stijf van schrik bleef hij staan, klauterde weer de trap óp, greep de peer uit de hanger, boog zich over ’t hek, òm wat licht in de donkere trapholte te laten schijnen. O God, hij keek vlak in ’t afgewasschen en toch weer bloedend gezicht van zijn vrouw, die ze met hun vieren naarboven sleepten. ’t Was of de lamp hem zou ontvallen; hij gaf een nijpende schreeuw, moest zich vasthouden om niet te tuimelen. Geen woord wist-ie eruit de brengen; hij beefde over al zijn schonken. Dan terwijl ze met het bloederige, in elkaargezakt lichaam naar boven scharrelden en het in de kamer legden, brak hij los in een huil van jammerklachten.

De mannen raakten in verwarring, wisten niet wat ze moesten zeggen. Ze keerden zich af, één nam hem bij de arm, troostte op ruwe wijze:

—Kom kerel hou-je goed.... wees een man.... daar is niks meer ’an te doen!

’t Ongeval, waaraan hij twijfelde en toch wist, dat hij vermoedde en niet wilde weten, werd nu voor Baller klaar, onafwendbaar-zeker. Hij rukte zich los, schreeuwde:

—Wat? Wàt zei-je daar?

Haar bloederig verminkt gezicht, dat hem eerst weerhield, trok hem nu onweerstaanbaar aan. Hij stortte zich op haar neer, riep hartstochtelijk haar bij de naam, klaagde zichzelf aan.

—Nee-nee, schreeuwde hij pijnlijk, je bent niet dood... je kunt niet dood zijn.... antwoord toch.... doe je oogen open.... zeg dan één woord!

Allen op de kamer zwegen, niemand dorst een woord zeggen, zelfs geen kik te geven; ’t geval was al te verschrikkelijk. Als een waanzinnige betastte hij haar harde lichaam, dat nog warm aanvoelde. En opeens kreet hij weer:

—Nee-nee, ze is niet dood! Een dokter, gauw ’n dokter.... om ’s hemelswille een dokter!

Een van de mannen sprak nu hakkelend:

—’t Zal niet meer geve.... de dokter is d’r al bij geweest.... de schedel gebroke!

—Nee-nee, ze leeft.... een dokter, een dokter!

Met een wilde zet sprong hij op, greep zijn hoed, rende de trap af, tuimelde bijna naar beneden. In zenuwende jacht holde hij de straat over, met de rapheid, die de bangheid hem gaf, door de zondagsmenschen zich banend. Hij voelde niets van de kou, zag geen gevaar, al glipte hij herhaaldelijk van de beenen. De straatsteenen glinsterden van ’t geribbelde ijs, enkel hier en daar lag zand gestrooid, of was de weg platgereden, maar daaraan stoorde hij zich niet.

De busdokter woonde ver, een vermoeden beving hem, dat hij nu op zondag en een ongelegen uur, niemand thuis zou vinden; ’t liet zich wel denken. Doch hij ijlde niet minder gejaagd voort, stond al op de stoep, zich het zweet van zijn behaarde gezicht wisschend. O, zooals hij dacht, de meid zei kalm:

—De dokter is niet thuis!

Geduldig-zeker schreef ze naam en straat op de lei. Wat nu? Hij liep weer voort, op goed geluk de huizen langs, beglurend de naamplaatjes, om bij de eerste de beste onbezwaard aan te bellen. Maar ’t scheen of wel nergens een dokter woonde, anders zag hij de namen bij de vleet en nu geen enkele. Keerde dan alles zich tegen hem?... M’n God, z’n vrouw ging sterven! Hij hield dezelfde straatkant, om niet af te dwalen, niet te ver van honk te raken,—en eindelijk zag hij ’t naamplaatje van een dokter, belde hard aan zonder bedenken. ’t Duurde een heele tijd voor de deur zich opende; de meid, knorrig, dat ze van ’t werk werd weggehaald, bitste:

—De dokter is uit en je hoeft niet zoo geweldig te luien, wij zijn niet doóf!

—Stik! zei hij woedend en liep alweer weg.

Eenige passen verder vond hij een ander, kreeg er ’t zelfde bescheid, en dit herhaalde zich op drie, vier plaatsen; nergens trof hij de dokter thuis. Dat was of ze hem zware mokerslagen toedienden, hem wurgden, zoo knauwde het hem; hij zakte haast inéén. Maar ’t besef dat hij schuld meedroeg aan z’n vrouws ongeluk zwiepte hem opnieuw voort, al begreep hij nu wel, dat ingeval er nog hoop had bestaan, die zeker zou zijn verloopen. Hij liet daarom niet los, zijn halsstarrigheid verzette zich ertegen. In starre woede belde hij aan overal waar hij maar een doktersplaatje aan de deur vermoedde; en hij schold en schimpte al te voren.

Tot hij eindelijk moe en uitgeput niet meer kon en ook ineens het onnoodige van zijn pogingen inzag. Zijn vrouw was dood, morsdood, wat hielp het, al haalde hij alle dokters van de wereld er bij? daarmee bracht hij haar niet tot het leven terug. Toch kon hij ’t ook nu nog niet aannemen dat er werkelijk geen hoop meer bestond, nee dat zou al te wreed wezen, hij moest nou naar huis terug, zeker hadden anderen al lang een dokter gevonden, terwijl hij hier als een halve gek liep te razen.

’t Leek hem zoo geloofwaardig wat hij zichzelf opdrong, dat hij in sukkel-gauwe draafpassen over de gladheid van de straten naar huis terugrende, bij elke voetstap struikelend, geheel op, bijna zonder adem, kwaad op zichzelf dat hij zoo ver uit de buurt raakte. Ja, nou zou hij ’t spoedig hooren, nou zou hij ’t weten of er nog hoop overbleef. Driest en weer vol moed schoot hij zijn straat in. De menschen stonden er te praten, hielden ineens op, spraken fluisterend terwijl hij voorbijging. En nu hij met moeite de hooge trap opklauterde, ontviel hem ineens alle hoop en vertrouwen. In een snik barstte hij uit en zoo hevig, dat hij op ’t overloop moest blijven staan en zich niet naar boven kon slepen. Dat duurde maar een korte poos die hem heel lang toescheen, dan vermande hij zich, nam alle moed te zaam en oogenschijnlijk bedaard schoof hij de kamer binnen, liet hij zich op een stoel neerzakken, stiet hijgend eruit:

—Geen dokter te vinden!

De buurvrouwen keken medelijdend en wisten niets te zeggen. Ze fronsten de wenkbrauwen, schokschouderden, en staarden elkaar aan met open oogen.

Angstverwekkend stond de stilte in ’t vertrek. Dan ging een van de vrouwen op hem toe, vroeg of hij een glas water wilde hebben, zei zacht dat hij zich nu kalm had te houden.

De andere vrouwen beraadslaagden verder, zeien onder elkaar, dat ze de doode moesten afleggen, anders werd ’t lijk te stijf.

—Wat zeg-je d’ervan Baller?

Baller, bleek en stijf, verroerde zich niet; zijn gedachten zwegen, ’t was of hij versteende.

—Wàt, wàt, schrikte hij op, wat zeg-je... kleede?

Hij zei geen woord verder, zakte in elkaar, begon te schokken van zenuwkramp.

De vrouwen moesten nu toch besluiten, ’t was zondagavond, en geen had veel lust of tijd. De mannen wachtten thuis... ’t moest dus gebeuren. Een ging naar de kast om schoone onderkleeren te krijgen, maar de planken waren leeg; alleen mansgoed lag er opgestapeld. Zij schudde Baller weer door elkaar, zei:

—Hè, geef ’es antwoord... waar is ’t goed? D’er lig niks!

—’t Goed? ’t gòèd... dat weet ’k niet!!

—Zit dan niet te suffe... kom ’es kijke!

Zonder te beseffen wat hij deed, stond hij op, wankelde naar de kast. Dan werd ’t voor hem helder; hij zag de schappen leeg. En nu weer voor hem ziende zijn eigen misdrijf, riep hij:

—Ze hèt ’et mee genomen... o God, ik weet ’et niet waar ’t is gebleve... ’t is weg!!

Dat gaf een nieuwe alteratie, de vrouwen zaten er mee in, ze hadden zich te redden, maar hoe...? Wist dan niemand waar ’t linnengoed kon wezen? Ze stonden elkaar in verwarring aan te gapen.

Baller, versuft en verslagen, zakte op de stoel terug. De buurvrouw van links, de meest kordaatste, begon aan te pakken, de doode af te wasschen, de wonden wat bij te halen. Baller zat er wezenloos naar te kijken. Het gezicht, verschrikkelijk door vele schampen en wonden, waaruit het bloed bleef vloeien, scheen hem baldadig aan te grijnzen. Schrik en moedeloosheid hadden de trekken gegrift tot een schril verwijt. Hij herkende haar haast niet, zooals ze daar lag, het gezicht krijt-wit, met groenige vegen, onder ’t vale haar, hij herzag haar ineens zooals ze gisteravond dreigend voor hem stond, toen hij ontglipte. Die dreiging vond hij nu terug in al haar trekken en dat maakte hem wild.

—Ik hoû ’t niet uit.... ik hoû ’t niet uit! gilde hij. Schuw sprong hij op, jaagde de trappen af naar beneden.

De vrouwen knikten tegen elkaar: arme man! Dan zochten ze saam wat er nog lag en gingen voort om de doode af te leggen.

X.

Baller holde voort zonder bezinning.

Straat-uit, straat-in jakkerde hij door, liep zich buiten adem. De verschrikking joeg hem al meer op. ’t Was zijn schuld... zijn schuld!! Dat ze per ongeluk onder ’t paard raakte, kon hij niet gelooven, ze had ’t zelf begaan om hem te straffen, om uit haar leven te komen, hem daarmee te vervolgen. Haar bedreiging van gisteravond zag hij schrikbarend groot. Heel zijn eigen misgegaan leven, al zijn misse daden sloegen fel voor hem op, gingen hem aanklagen.

De vrieskoû snerpte venijnig op hem in, hij voelde die koû niet, voelde niet zijn leege maag, voelde niets, hij zag enkel haar harde blikken, die in de dood nog zoo verstrakten. De schimmen van zijn kinderen rezen er bij op, en zijn verbeelding werkte, ’t werd als vuur en vlammen voor zijn oogen. M’n God, m’n God, wat had-ie dan toch gedaan om ’t zoo te moeten ontgelden!! Al feller werd zijn ontzetting, al angstiger zijn gedachten. Hij joeg zich in zweet tot hij niet meer kon.

De rille koû, die hem voortdurend in ’t gezicht sneed, brak zijn angstende opwinding, en de gladde straten dwongen hem tot omzichtiger gaan. Van lieverlee lieten de schrikbeelden wat af, kwam hij tot klaarder denken, en tot meer bezinning. Wat gaf al dat gekerm? ’t geval lag er en hij moest het aanvaarden, daar ging niets van af. Hij zou maar naar huis terug keeren; aan de buurvrouwen kon hij de bereddering toch niet alleen overlaten.

Maar o, terwijl hij dit bedacht beving hem opnieuw de schrik. ’t Was of hij haar nu nog dreigender voor zich zag—en vanzelf begon hij weer harder te loopen, alsof hij ’t daarmee kon ontgaan.

Bij de oprij van een brug glipte hij uit, viel, bonsde met een smak neer. De dreuning sloeg hem in zijn rug, door zijn hersens heen, zoodat hij even moest blijven liggen om de pijn te laten verdooven. Bij ’t opkrabbelen bezeerde hij nog zijn handen. Kreupel van de pijn liep, kon hij haast niet voort en dit dwong hem van zelf de kant op naar huis. Doch vlak bij de straat keerde hij weerom. Nee, ’t ging niet, hij durfde niet naar boven! Eerst een borrel pakken dan zou ’t gaan!

Ondanks al zijn pijn in dij en heup hinkte hij toch een paar straten terug, hier in de nabijheid van z’n huis dorst hij geen kroeg in te slippen, al klapperden hem de tanden. Hij zocht de centen vooraf bij elkaar, sloop een proeflokaaltje in alwaar hij anders nooit kwam, bestelde met hokkende stem, slikte de borrel met een enkele slok naar binnen. Hij voelde best, dat hij eigenlijk slecht deed door nu jenever te drinken, maar hij kon niet anders.

Voetje voor voetje sukkelde hij naar huis terug, en de pijn ging ook wat minderen. ’t Licht scheen boven nog te branden, de vale kringschijn van de neergedraaide lamp zag hij schemeren op ’t gordijn,—en dit stelde hem eenigermate gerust; geheel in donker zou hij niet naar boven durven!

Op handen en voeten bijna om geen gerucht te maken, kroop hij de trappen op. Zoûen de buren allen zijn weggegaan of zou iemand er nog waken? Die gedachte alleen maakte hem alweer angstig. Telkens moest hij stilstaan zoo erg voelde hij de eigen harteklop. Als een booswicht, een inbreker kwam hij in zijn eigen woning.

De deur stond op een kier.

Aarzelend duwde hij die verder open, bleef weifelend op het portaal staan. Wat had hij hier eigenlijk te verrichten? De bedstee gaapte wijd open...

Een nachtlichtje brandde op de bedsteeplank, beglemerde de doode, die onder een wit laken lag, becirkelde met een zwakke lichtglans ’t gordijn, waartegen hij gisteravond zelf had gezeten.

In ’t heele vertrek verroerde zich niets, alles leek te slapen of te zwijgen. Hij kon niet besluiten binnen te gaan, bleef tot aan de ingang treuzelen in vreemde, strakke ontroering. De vrouwen hadden haar al ontkleed, alles in orde gebracht, wat kwam hij dan nog doen...? Bidden om vergeving, bidden voor haar ziel...? Hij zou ’t willen, kon hij ’t maar! Als iemand hem hier zoo eens zag staan, wat zoûen ze van hem denken, hij had niets misdaan.... en toch!

Op zolder viel wat om. Hij schrikte, wilde de trap afijlen. Daar hoorde hij de deur beneden openslaan en iemand de trap opklotsen. De stap kwam hooger, hooger. Angst te worden betrapt van niet in zijn eigen woning te durven, dwong hem bevend de kamer binnen. Hij hijgde, luisterde vol vrees. Nee, de stap ging niet verder... een van de tweede verdieping! Nou, des te beter. Hij liet zich op een stoel neerzakken en huilde zonder tranen, een zware, scherpe snik die zaagde door zijn benauwde borst en die hij niet durfde vrije lucht te geven uit vrees voor de doode.

Alles stond nu rondom beklemmend stil. Het huis scheen weer te slapen. Van buiten drongen òp de vage geluiden, die voorbijgangers met elkander mompelend spraken; anders niets.

Langzaam-aan voelde hij zich hier rustig worden. ’t Zou toch wel gaan, dacht hij eindelijk.

Plots piepte de deur open.

Hij schrikte geweldig.

Zijn adem stokte.

Hij moest zich krachtig houden om niet van zichzelf te vallen; hij rilde over al zijn leden.

De klok was stil gaan staan, dat maakte het nog geheimzinniger en stiller.

Minstens dacht hij een geest te zien verschijnen, doch er kwam niets.

Na een oogenblik hoorde hij gekrabbel,—en nu vermoedde hij wat ’t was. ’t Kon de kat wel wezen. Waar was die gebleven? Daar zag hij de witte kop door de deurgleuf steken... hij herademde.

De poes schuchterde binnen, miauwde vragend, voorzichtig, tippelvoette kleintjes op hem toe, streek nu de hoog-opgezette rug tegen zijn knie. Hij dacht opnieuw aan gisteravond, en ’t huilen overweldigde hem, hij kon niet bedaard hier blijven zitten.

Om die huilkramp te ontgaan stond hij ijlings op, zei:

—Ja poes, ’k zal es kijke of er wat voor je is!

Een restantje melk vond hij in de kast, goot het op een schoteltje, deed wat water erbij. Hij had moeite het zonder storten op de grond te zetten, zoo snorde de kat om zijn handen en beefden zijn eigen vingers.

Het roode kattetongetje hevelde dadelijk gretig over ’t volle bordje en even pakte hem dat. Vol aandacht zat hij daarnaar te kijken.

’t Schoteltje raakte leeger, al leeger. De kat likte weg de laatste druppels, bleef vragend kijken, miauwde weer.

—Ja poes, ’k heb niet meer!

Zijn eigen stem klonk hem schril en vreemd, zoo vreemd alsof die van ver-weg kwam.

De poes liep eenige keeren rond, de kop en staart omhoog, alsof ze zocht.

Dan met een gladde wip sprong ze op de stoel... rekte de hals en sprong o gruwel op ’t bed.

Van schrik schokte Baller op, joeg de kat weg. ’t Olielichtje spetterde ervan.

Zou-ie zelf durven... nieuwsgierigheid beving hem om te zien of ze er nog zoo verschrikkelijk uitzag. Hij tipte aan de doek, die over ’t hoofd lag gespreid, maar schrikte van zijn eigen moedwil.

De poes snorde nu tegen zijn schenen aan. Hij keek langs zijn lichaam naar dat geaai, dat hem vreemd-rillig maakte. Die streeling kwam hem niet toe... was voor z’n vrouw. Nu leek ’t hem of de poes weer op ’t bed wou springen. Nee dat niet! Hardhandig nam hij haar op, bij de hoogende rug, sloot ’t beest buiten.

Twijfel woelde in hem om naar ’t bed terug te keeren, of hier op een afstand te gaan zitten. Drang om te zien dreef hem naar ’t lijk. Kom, kom, zei hij tot zichzelf, wees nou geen kind!

Voorzichtig, toch handbevend, nam hij de doek weg. ’t Viel mee.

Het gezicht had een zachtere uitdrukking aangenomen, maar de wonden teekenden zich sterker. Een oneindig medelijden omwond hem zacht, hij voelde de tranen in zijn oogen aandruppen, voelde aandrang de mond die half open lag, te kussen.

Op dat oogenblik viel er boven weer iets om, maar hij liet zich niet van streek brengen, al wankelde hij ook op zijn beenen. Diep boog hij zijn knokig hoofd om haar lippen te drukken, maar onder dit neernijgen zag hij weer iets verschrikkelijks: de oogleden gingen open trekken. ’t Ging langzaam, zóó langzaam, dat ’t bijna niet scheen te vorderen, maar ze weken toch. Star keek hij ernaar. Een glinsterende spleet werd tusschen ’t bleekweeke van de oogleden zichtbaar. ’t Leek of haar wezen, of al haar trekken zich veranderden, weer harder werden. Hij greep zich aan de bedplank vast, bleef kijken, verstijfd door die langzaam zich openende oogen, die al gebroken waren, het licht geschicht.

Zijn eerste beweging om die oogleden weer toe te drukken faalde; zijn hand weigerde en kwam niet zoo ver.

Van ontsteltenis week hij een eind terug, hij durfde nu niet te naderen.

Hij keek, hij keek. De trekken werden harder, de oogen grooter ondanks het gemis aan licht en ineens werd hij bewust, dat zij daar weer lag als vanavond, dreigend, dréígend.

De oogleden waren nu geheel open. ’t Olielicht cirkelde een vreemde schijn op ’t lijkgezicht, dat in de trilling van ’t licht ging leven.

Dan stootte hij een kreet uit van ontzetten, week terug: Erbarmen.... erbarmen!

De oogen schenen nog strakker te staren. Baller vol angst keerde zich om, maar de dreig-oogen vervolgden hem; die zag hij overal.

De benauwing brak hem uit naar alle kanten. Hij wist zich niet meer te bergen of te wenden. De werkelijkheid leek hem minder erg dan al die grijnsgezichten. Om hieraan te ontkomen keek hij weer naar ’t lijk in de bedstee, alsof dat helpen kon. De oogen staken nu strak in ’t magerharde met wonden bedekt gezicht.

Weer deinsde hij van ontzetting een pas of wat terug, dorst zich niet omkeeren uit angst, dat er wat anders zou gebeuren, dat zij hem bij de kraag zou grijpen. Met de handen, afwerend, waarop elke pees, elke ader strak stond gespannen, week hij achterwaarts uit, om maar weg te komen. Zooveel begrip had hij nog, van de deur achter zich toe te trekken, uit vrees dat de kat mocht binnensluipen, die, wie weet, het lichaam nog meer zou toetakelen.

De deur nu afgesloten gaf hem ’n weinig van zijn denkkracht terug. Stil, bang voor eigen bewegingen, sloop hij naar beneden.

Hij herademde eerst toen hij beneden stond, maar zijn tanden klapperden nog, zijn leden bibberden en beefden. God-in-d’n hemel, wat ’n gezicht.... wat ’n gezicht!!

Vol schrik keek hij nog even naar boven, alsof die wreede, verwijtend-harde oogen hem nog zouden kunnen nagluren. Maar nee, hij zag gelukkig niet anders als de kringschemer van ’t licht op ’t gordijn. Dan huiverde hij geweldig, keerde zich in afschuw om,—en van nieuw begon zijn jacht door de straten.

Hij had nu geen ander doel dan ver van huis, vér van die verschrikking te komen, en toch joeg telkens de verwarrende angst hem naar zijn woning terug. De trap durfde hij niet op, maar van straat-af kon hij teminste naar ’t venster, naar de kringschemer kijken. Hij was zeker dat er nog iets moest gebeuren.

Maar voor ’t raam bleef alles onwrikbaar ’t zelfde; er veranderde niets. Een vage spijt welde op van de kat niet te hebben binnengelaten, dan zou er in elk geval wat gebeuren.... misschien kwam er dan een buur boven om te kijken. Dat eeuwige stille schijnsel, ’t onveranderlijke van die schemerkring op ’t gordijn maakte hem razend. Hij wou weten. Die schemerschijn leek hem op ’t laatst zelf als een dreigend, ’n starend oog, en soms meende hij haar trekken erin te lezen.

Weer sloeg hij op de vlucht, keerde terug en vluchtte opnieuw. En nu moe, doodaf strompelde hij einden en einden door, zonder ware bezinning, tot hij buiten de bebouwde kom raakte en vanzelf halt bleef houden. De stilte en de eenzaamheid benauwde hem nu hier, joeg hem naar de drukte van de stad terug in alle ijl. Hoeveel maal hij al in de straat was geweest wist hij zelf niet, aldoor zag hij die schemerkrans op ’t gordijn, die bleef dáár altijd.

In arremoede sloop hij nu naar boven. Halverwege hoorde hij de kat miauwen,—en hij zag ineens weer de opspooking van zijn vrouw, die als een schim opgerezen, nog de wacht hield bij de deur, hem de toegang zou beletten.

Hals over kop keerde hij terug,—en nu dorst hij niet meer in de straat te komen, zocht de drukke, woelige gedeelten van de stad op. Hij moest menschen, veel menschen om zich hebben.

De avond bleef grimmig hard koud, al vroor het niet meer zoo sterk.

De sneeuw, overal plat getreden, lag versopt en vergoord, als gruizels grauw zout. Aan de hemel bleekten sterren, en de maan die langzaam opdreef, verlichtte vaag de bovenkant der huizen.

In de drukke straten wriemelde ’t zwart van uitgaande menschen. ’t Geleek in ’t rosse lantaarngeglemer, bij de gesloten winkels, ’t gewroet van een mierenhoop. Hiertusschen voelde hij zich wat bekomen.

Maar na een paar uur loopens, nu de straten zich wat leegden, groote plekken in vager grauw verkeerden, hinderde hem de luidruchtigheid, ’t vroolijk-zijn van al die naar-huis-gaande zondagsgangers. Zonder ’t zelf te weten dreef hij weer af, de eenzaamheid verkiezend boven al die rauwigheid, tot hij opeens zich bevond tusschen een zwarte stroom van volk, die uit een schouwburg hobbelend aan-golfde. Gewillig liet hij zich meevoeren in de voortschokkende groepen, die ’t hadden over de held op de planken. Hij herkende stemmen, zag de Hesselaars met een flinke pas hem voorbij stevenen. Hij wou ze aanspreken, schaamde zich voor zichzelf, en gelijk waren ze al een eind verder. Ze hadden elkaar onder de arm, spraken luidruchtig, stootend tegen elkaar als twee drijvende schepen. Wat schenen ze goed gemutst, die twee! En toch, die Hesselaar dronk ook z’n spatje, maar zij was dan ook een heel ander wijf!

Terwijl hij dit zei, voelde hij ook, dat Hesselaar een heel andere man was dan hij, een kerel, die wel ’es een borrel nam, toch flink wist aan te pakken. Laag, z’n dooie vrouw nou nog te bekladden! Nee, nee, ’t had meer aan hem gelegen dan aan haar. Waarom wou-ie zich toch in eigen oogen beter maken dan hij was? Hij walgde van zichzelf.

Aldoor zag hij nog de Hesselaars, die stevig-ruchtig voortstapten. Ze dachten niet aan hem en zijn verongelukte vrouw, al waren ze, in de vooravond nog zoo vol meewarigheid. Dat zag hij best, ze liepen flink voort, om in ’t Maastrichtsch bierhuis nog een glas te kunnen drinken, en hij sukkelde achterna, dacht er zelfs niet aan ze te vragen of hij bij hen vannacht kon slapen. ’t Kwam eerst later bij hem op, toen hij allang weer alleen liep rond te dwalen. Maar nee, bij de Hesselaars zou hij niet kunnen gaan, want die wisten al te goed hoe de vork in de steel zat; die wisten, dat ze weg-liep, zich dus van kant maakte om hem!

De straten leegden zich alweer, en de koû voelde feller aan. De maan steeg hooger en ook de sterren twinkelden klaarder. ’t Licht der lantaarns leek blank, vlamde ver-ver uit. ’t Was een mooie avond, doch koud, bitter koud!

De kroegen zouden gauw gaan sluiten, nu kon hij nog eentje nemen. Veel had hij niet in de zak, een stuiver of drie, maar ’n borrel gaf allicht warmte en moed om de nacht door te komen. Heiligschennis leek ’t hem, evenals vanavond, nu een kroeg in te sluipen. Toch, hij kon niet de lange nacht zóó blijven ronddwarrelen. De geheele dag had hij nog niets in zijn maag gekregen.

De kroeg was vol.

In de vensterbank van ’t kleine proeflokaal weggedoken, voelde hij eerst recht zijn moeheid. Hij kon bijna niet meer opstaan, zich niet bewegen, bleef plakken en verteerde zijn volle drie stuivers. Tot tijd van sluiten kwam en de kastelein waarschuwde. Dan sprak hij zich zelf kracht en moed in, zei: vooruit! sleepte zich naar buiten.

De nachthemel stond nu helder-strak en ’t vroor weer fijntjes. Over de eenzame, besneeuw-ijsde grachten glimmerde de maan heel bleek. De lantaarns langs de kant schenen hem zooveel oogen die toekeken, hem herinnerend aan de verwijtende blik van zijn vrouw.

Vol vertwijfeling begon hij weer te loopen. De drank verhitte zijn hoofd, en de wegen waren vervloekt-glad, zoodat hij telkens struikelde. De dij-pijn al geslonken en vergeten, schrijnde weer op. Vele straten langs liep, sjokte, sukkelde hij voort,—en een nare spijt sloop in hem van de Hesselaars niet te hebben aangesproken.

Bijna ongemerkt raakte hij in zijn buurt terug.

Een onweerstaanbare behoefte dook bij hem op om iets van ’t huis of van ’t gordijn te zien. Ook de mogelijkheid van sterk te kunnen zijn en naar de kamer terug te keeren. Maar nu hij naar boven keek, zag hij geen licht, geen schemerschijn zelfs.

’t Gordijn dofte egaal en onbewogen.

’t Licht was dus uitgegaan!

Nu hij nogeens scherp keek, zag hij zelfs, dat het raam een eindje stond opgeschoven. M’n God wat was er nou weer gebeurd!! En ’t gordijn bewoog zich ook. Nee, nee, voor geen geld van de wereld ging hij in ’t donker naar boven. In ’t donker br!! Als de dood zelf keek hem dat egaal-witte gordijn aan.

Van schrik voelde hij zich verlamd, als vastgenageld, tot hij opnieuw ’t gordijn bewegen zag. Het joeg spook-vermoedens in hem op, dat zij de trap-af, de deur-uit zou komen, hem overvallen. De ontsteltenis greep hem nogmaals aan,—en nu voorgoed ging hij aan de haal, besloot hij op straat te blijven. Kopverloren liep hij door, liep al-maar door, tot hij op ’t laatst niet meer kon; hij zocht een bank in ’t plantsoen op om op te rusten.

De boomen stonden rondom zwart, de dorre takken als veelvoudige armen opgewrongen naar de vrieslucht; een koude wind omrilde hem hier op de bank. Het schrikbeeld liet hem hier evenmin met vree. Al zei hij zich ook, dat het lichtje gewoon uitbrandde en een buurvrouw wel ’t raam zou hebben opgeschoven voor versche lucht, dat ’t bewegen van ’t gordijn door de tocht ontstond, ’t hielp niet, z’n vrouw met haar gewond, bloedbesmeurd gezicht, de oogen dreigend-strak, wou hem niet met rust laten. Hij zag die oogen overal, onmogelijk kon-ie ze ontloopen!

Hij begreep ’t klaar, heel klaar en zeker, niet zij had moeten doodgaan, maar hij. Wat had hij hier te doen, wat deed hij nog op deze wereld? Niks! En nou kwam zij om hem spoken. Al spraken de menschen van een ongeluk, hij voor zich geloofde daar niet aan! Ze had ’t zelf gedaan, had zich onder ’t paard gegooid om van haar kwelling af te wezen. En dat alles door zijn schuld, zijn schuld alleen! Nee, nee, hij moest dood, niet zij. Hoe kon hij hier nog zitten, terwijl zij daar al koud lag? Was-ie dan heelemaal een mensch zonder bloed, zonder gevoel? De wanhoop had haar aangegrepen, aangedreven—en hij zat hier ’t geval te overleggen. Hoe was ’t mogelijk? Zijn kinderen dood, zijn vrouw dood, en hij bleef over....

Heel de eenzaamheid van z’n leven viel versmorend op hem neer. Nee, hij moest loopen tot de eeuwige dag, eeuwig zwerven, om voor zijn straf eens kwijtschelding te krijgen.

Achter hem in ’t dorre hout meende hij te hooren ritselen. Sluippassen gingen over de harde bodem, ’t was of de geest der verschrikking op hem afkwam, of die hem bij de schouders greep, hem op deze bank zou knevelen, om hem dan langzaam-zeker dood te laten vriezen. Hij keek verwilderd om, lachte om zijn eigen rauwe verbeelding, schokte ontzet op, om weg te vluchten.

Opnieuw ijlde, joeg hij angstbezweet door de nachtelijke straten. Hij liep voort, zonder ophouden, tijden en tijden, zonder zich van iets rekenschap te geven. Tot de morgen vaal opspookte met een ijsende kou. Hard en hol klonken op de groote stappen van de vroegelingen, die naar hun werk toegingen. De dorre stakeboomen lekken hem nu ineens grimmig, dreigend. Een enkele kar met melk die van buiten werd aangereden, ratelde over de straf-bevroren steenen,—en ’t geluid schokkerde hem fel in de van kou-tintelende ooren.

Hij kwam weer aan het plantsoen, om daar ergens te gaan zitten, doch de angst hield hem gevangen, zweepte hem voort. De dag brak aan. Was dat om af te wachten? Hij kon toch niet blijven voortloopen. Wat voortloopen? Geen recht had hij te leven... hij dorst niet terug naar zijn woning, waarheen moest hij dan? Zij zou hem daar opwachten. Nee, nee, liever maakte hij zich van kant!

Voor hem lag de gracht grauwig-grijs, een vuile blankheid van sneeuw gesmolten en weer saamgevroren, bij gedeelten doorzichtig-glad en wrakkig-ruw. ’t Ging gemakkelijk daarop te stappen en erdoor te zakken. Hij lachte en huiverde tegelijk. Br, wat was ’t koud... om te rillen. In enkele oogenblikken zou ’t zijn gedaan, dan kon ze hem niet meer kwellen.

De grauwe dag-aanbreek schoot valer, bleeker uit, doezelde huizen, boomen star en groot, als met zwarte kool geteekend. Gereedelijk kwamen menschen op de been. Hun stroeve leden, hun groezelige gezichten, echte gedaanten uit een onderwereld. Ze schenen te grijnzen, wantrouwig naar hem te gluren,—en opeens rees weer zijn vrouw voor hem op, meende hij te zien achter een boom haar lijkgezicht, waarmee ze hem met vurige oogen bedreigde. Nee, nee, dàt hield je niet vol!!

In een oogwenk was hij van de bank op, liep in een enkele wilde zet de steile glooiing af, stortte zich zonder verder denken op ’t wrakke ijs, dat onder zijn gewicht krakte en kraakte. ’t Brak af naar alle kanten. Zijn beenen zakten weg met een knerp en een plomp, terwijl z’n uitslaande armen almeer ’t ijs afbrokkelden ’t gat grooter maakten. ’t Was gedaan.

Maar ’t schrikbeeld, de dwanggedachte, liet hem ook hier niet los. Van de overkant, al bijna vlak voor hem, verscheen ’t doodsgezicht van zijn vrouw op ’t lange stakelijf boven ’t ijs, en aan de geraamtehand hield ze de gestorven kindertjes, een heele rij.

Een enkele rauw-uitgestooten gil, die ver over de ijsgracht heensloeg en hij wentelde zich om, trachtte haar te ontkomen, weer de wal te bereiken. Onmenschelijk-fel spande hij zich in, klampte zich aan de ijsschotsen vast. ’t Gaf niet, ’t brak af en hij was al te ver van de kant, spartelde, zonder houvast in ’t aldoor meer afbrokkelend ijs. Achter hem spookte ’t lijkgezicht van zijn vrouw, en dat dreef hem tot razernij, gaf hem uiterste kracht om haar te ontvluchten. Maar o, ’t was gedaan.

’t Water kolkte in z’n mond, brokken ijs sneden hem in ’t gezicht, ritsten, kerfden tegen zijn klapperende tanden. Hij voelde dat het einde raakte, hij kon niet meer, hij moest de oogen al meer sluiten en zich laten zinken. Gewillig gaf hij zich over en opende zelfs zijn mond om spoediger er af te wezen. Maar nu hij niet meer tegenspartelde en zich zinken liet, voelde hij grond onder zijn voeten, en ineens keerde ook zijn wil, deed hij weer pogingen om uit ’t water op te krabbelen. Zeker, hij stond hier aan de wallekant, de angst belette hem dat te zien, hij moest nu enkel probeeren tegen de schuine glooiing op te kruipen. Maar dit ging niet zoo gemakkelijk, zijn krachten waren uitgeput en de grasberm lag vol met gesmolten sneeuw, die door de felle vorst tot scherpe richels gevroren waren.

Bevend, bibberend van de schrijnende kou, deed hij een laatste wanhopige poging. Met alle macht trok hij zich omhoog uit het bevriezende water en greep zich vast aan de schooiing. Dan sleepte hij zichzelf tegen de ijsgladde helling op, doch telkens glipte hij uit en schoot terug in het water. En opnieuw dreef het vizioen van zijn vrouw die achter hem jaagde hem op tot een allerlaatste inspanning, tot hij krankzinnig van angst en geheel op van de natte kou zich opwurmde en half op de kant raakte. Maar nu kon hij niet verder, hij moest zich verloren geven, ’t duizelde voor zijn oogen, hij sloot ze en wist niet meer wat er met hem gebeurde.

Een policieman kwam aangekuierd en zag hem daar liggen, al half bevroren, buiten kennis, de beenen nog in ’t water. Werklui die voorbijgingen, verleenden dadelijk hulp en op een leege groentewagen, die naar de markt moest, werd hij het ziekenhuis binnengereden.

Veel moeite, deden ze daar om hem, die arme tobber, in ’t leven te houden. Zijn ijskoude lichaam werd gebeukt, gewrongen en gewreven, het ingeloopen water lieten ze hem uitbraken—en na dit alles volgde een longontsteking, die weinig kans liet op behoud van ’t leven. Hij zelf bewusteloos, wist van niets, lag in ijlende koortsen.

XI.

In de witkalkige gasthuiszaal, eerst weken later, kwam hij tot kennis terug.

Bij ’t eerste, flauwe oogenopenen voelde hij de blanke, gedempte rust als iets koels, oneigens, een stijve strakte buiten hem om. Zijn lichaam leek niet van hem zelf te zijn, eêr een slap ding dat naast hem, ergens anders lag; in zijn hoofd, dof en zwaar, drongen niet dadelijk gedachten door. Met halfgesloten, nog verduisterde blik, staarde hij blind, zelfverloren in de witte blankte, die hem omgaf,—en langzaam-aan merkte hij eerst de omgeving, de vele andere bedden, waarop zieken, evenals hij, uitgestrekt lagen. Waar was hij toch? in deze wereld of in een andere? Wat gebeurde er met hem, wat hadden ze met hem uitgevoerd, dat hij nog leefde, dat hij weer hoorde en zag? Een poos lag hij zoo stil te kijken tot hij vaag begreep, dat hij in een ziekenhuis was.

Een zuster stevende stemmig aan. ’t Verwonderde hem aldoor, dat niemand aan zijn bed zat, dat hij niemand om hem zag, terwijl hij zich zoo geducht had moeten weren. Toch vond hij het goeddoende zoo rustig te liggen, zoo stil alleen, en nu de zuster op hem aanstreek, liet hij de half-geopende oogen zacht toeluiken, verroerde zich niet.

De zuster boog zich over hem heen; haar warme adem voelde hij op zijn kil gezicht. Strak bleef hij liggen, onbewogen, alsof hij sliep. ’t Leek hem dat hij zoolang had gesproken, gevochten en gestreden, dat hij moe en uitgeput nu rust moest hebben. Met gesloten oogen bleef hij staren in ’t vage, zich moeite gevend om na te denken.

Hoe raakte hij eigenlijk in ’t water en op welke manier, en door wíe werd hij eruit gehaald? Hij wist het niet dadelijk, doch langzamerhand werd ’t hem wat klaarder. Nee, hij wou niets meer ervan weten. ’t Was om te rillen!... Zachtjes-aan raakte hij weer buiten kennis en dommelde in.

Bij ’t opnieuw wakker-worden voelde hij zich helderder, ja minder dof en zwaar van hoofd! De strakke witheid der zaal omlichtte hem egaal koel. Hij kende het hier al, toch moest hij zich klaar herinneren, dat hij in ’t ziekenhuis lag.

Een bleek, zwart ernstig man, zag hij voor zich. Natuurlijk de dokter!

Even keek hij naar hem òp, deed weer de oogen toe, om te ontwijken. De ander vroeg hem:

—Nou, hoe is ’t d’ ermee, baasje?

—’t Gaat nogal dokter... licht in ’t hoofd, en ik heb geen beenen.

—Nou, die heb je wel, dàt verzeker ik je!

—O! ik bedoel maar zoo voor ’t gevoel...

De dokter nikte, lachte, vatte losjes de pols, nikte weer bevredigend. Baller liet z’n gedachten gaan, een inval schoot bij hem op. Nu vroeg hij, zichzelf verwonderend over de zwakheid van z’n stem:

—Ben ik erg ziek geweest?

—Nou dat gaat nog al... op ’t kantje af... aldoor veertig... maar je bent een taaie... stevige longen hoor!

Baller moest erom glimlachen, keek wat ongeloovig en glimlachte nogeens, heel pijnlijk. Dan sprak de dokter opnieuw:

—Ga nou maar slapen, morgen hoor je wel meer ervan!

De dokter tipte al weg,—en hij lag weer alleen. Zoo, zoo! Hij haalde het dus van de dood op. In dat ijskoude water en bij ’t nippertje van zinken, geen wonder, dat-ie ’n ziekte ervan opliep. Longontsteking of wat zei de dokter ook weer? Die vreeselijke droomen, dàt vechten en zich schrap zetten, zeker koorts gehad, ijlende koortsen! Vaag zag hij ’t vervaarlijk geval, dat zich als een vast schrikbeeld hem vervolgde, nu weer opdagen. Een instinkt zei hem daaraan niet toe te mogen geven. Nee-nee, hij won er niet meer over denken... liever slapen, zich koest houden en eten. Zwaar voelde hij ’t vreemde, ’t strakke van alles rondom, en dàt drong berustigend op hem in. De zorgen van de zuster deden hem goed. Die zuster zei ook, dat hij niet mocht denken, enkel maar rusten.

Een paar dagen verliepen zonder dat hij zich van iets rekenschap kon geven. Zijn lichaam sterkte aan, ’t voelde niet meer zoo vreemd, zoo ijl, en ’t werd weer meer één met ’t bed, met hem zelf. De vrees voor ijlende koortsen drong elke herinnering van feiten bij hem weg. Hij verstijfde, verstarde zichzelf, maakte zijn geest bot; van ’t verleden wou hij niets meer weten, zich niets herinneren, uit vrees dat de verschrikking terug zou kunnen komen. Alle anderen kregen bezoek, maar hij wou niemand zien.

Dan op ’n keer zei de zuster weifelend:

—Daar zijn kennissen van u, vrouw Hesselaar en h’r man... wil u die ontvangen?

Op de naam Hesselaar ontstelde hij al, schudde het zwart-behaarde bleeke hoofd krampachtig, stootte er zenuwend uit:

—Nee-nee, g’n mensch wil ik hier hebben,.... u mag niemand toelaten!

—Heel goed, heel goed! kalmeerde de zuster, ’t is ook beter van niet! Ze ijlde al weg.

—Geen mensch... geen mensch! herhaalde hij nog eens, voor zichzelf. Ik wil met niemand te doen hebben.

En zoo bleef het.

De dokter vond ’t opperbest. ’t Werkte de genezing in de hand!

De dagen streken voort. Geleidelijk-aan werd hij beter, sterker, en hij mocht al eenige uurtjes per dag opzitten, maar zijn weerzin tegen ’t verleden bleef. Zijn herinnering omkorstte hij met een starheid van niets willen herdenken.

De Hesselaars kwamen nogeens op ’n Zondag, en ook de vroegere buren, doch hij bleef hardnekkig weigeren ze te ontvangen.

Alleen de dominee durfde hij niet zoo behandelen. Die zat aan zijn bed, zonder dat hij ’t recht merkte. De zalvende woorden met wrang eronder de stichtende vermaning van zich te beteren, in ’t vervolg zijn God niet te beleedigen, niet zoo te drinken, àl dat geteem liet hij kalm langs zich heenglijden. Wat wist zoo’n man van zijn mizerie... wat begreep hij weinig, als die nog sprak, dat God z’n vrouw uit ’t leven nam, om hem wellicht te redden. Hoe ’n kreupele praat. Welnee, z’n vrouw maakte ’n eind d’eran, en daarvoor moest hij boeten, zoo zat het in elkaar! Maar hij hield z’n meening voor zich, vond het niet de moeite waard verder erover te praten.

Door ’t volhardend zwijgen, het stugge nikken, merkte de dominee ’t mindere gewenscht-zijn, vertrok al gauw, na ’n poosje van onvruchtbaar geredeneer.

’t Bezoek van dominee verstarde Baller nog meer in zijn trage denken. Toch welden vragen bij hem op over z’n vrouws dood en het treurige verloop; hij wilde weten op welke wijze zij werd begraven, en waar z’n boeltje bleef. Maar nu nog niet, dàt zou later wel blijken, dan was ’t vroeg genoeg!

Het nuchtere dagelijksche leven liet zich vanzelf weer gelden. Schuchter ondervroeg hij de zuster, die een direkt antwoord nog eerst ontweek, hem aan ’t eind niet onkundig kon laten en ’t dan maar zonder veel omwegen zei.

—Je vrouw, zei ze, is van gemeentewege gekist en begraven... en je huisraad... ja, u begrijpt! de huisbaas moest toch z’n woning terughebben, en toen is het geloof ik, op de stadstimmertuin ondergebracht...

Hij nikte. ’t Kon niet anders! Begraven op kosten van de stad?.... Als ’n kind begon hij te schreien.

De zuster troostte, zei dan flink:

—Kom, kom, ’t is heel netjes en fatsoenlijk gegaan..... een groot woord van de stad, maar eigenlijk komt het op ’t zelfde neer wie de kosten betaalt, ja zeker!

Hij zuchtte. Zijn tranen droogden op,—en hij verstrakte, verstomde weer. Op kosten van de stad, van de armen begraven? Dat was ’t lot van haar, die hij tot zijn vrouw maakte. Klaar zag hij voor zich al wat hij haar tekort had gedaan. Jammerlijk was-ie weggezakt van jaar tot jaar en trok haar mee.

’n Schrille gedachte, niet uit hem zelf, maar als van een ander viel hem te binnen. Hij herinnerde zich een vaag gesprek, een gefluister tusschen twee verpleegsters, die meenden dat hij sliep, en die ’t over hem hadden, o zeker, omdat al wat ze zeien wel op hem sloeg.

De eene zuster, een rooie, een socialiste, wilde de verpleging van gemeentewege vrijgeviger hebben. Ieder mensch, beweerde ze, had recht op ’t leven, op verzorging. De andere weerlegde fel, schamperde dat al die opvattingen maar betreklijk waren; ’t kwam erop aan wat je ’n mensch noemde. Kijk ’es naar zoo’n man, wat kost die geen geld aan verpleging, en met welk recht en met welk nut? Alleen omdat-ie geboren is, wil drinken, luieren, praatsmaken zonder te werken? Er zijn tal van dieren, die nuttiger zijn dan al die sterk-beklaagde menschen. Theorieën van geluk voor allen zijn goed, als ’t algemeen eerst wat hooger staat. Maak toch onderscheid tusschen menschen en wat er voor doorgaat!

Hij wist niet precies meer wat de andere ertegen inbracht. ’t Was iets van de omstandigheden, die de mensch zoo maken, van ’n uitzondering, waarvoor ’t geheel niet behoefde te lijden, maar hoe ook, ’t raakte hem. En ’t was waar. Wat verrichtte hij in ’t leven? Niks, enkel ongeluk bracht hij aan. Wat zou hij nou nog kunnen doen?..... niemendal! hij deugde nergens voor. Een afgezakte, een afgetrapte was-ie..... kostte geld voor niets.

Waarom hadden ze hem toch niet laten verdrinken? Dan was ’t uit geweest. Nou moest hij opnieuw aan de gang, anderen lastig vallen, en daarbij gebrek lijjen!

De dominee had hem hulp toegezegd en óók de zuster, dezelfde nog wel, die zóó hard over hem sprak. Och ja, zeker, ze wou de moed er bij hem inhoûen, zei telkens dat hij van voren-af moest beginnen.

Maar wat gaf dàt alles? Hij zag de toestand duidelijk voor zich. De kwelling, het tobben begon nu eerst goed.

XII.

Op een schrale Februari-dag, een dag van lichte vorst, felle wind en weinig zon, moest hij ’t warme ziekenhuis uit.

Veel lust en moed had hij er niet in, maar vormelijk aangezegd, dat-ie als genezene kon gaan, werd hem geen keus gelaten,—z’n bed gelijk al door ’n ander ingenomen.

Daar stond-ie nou in ’t ruwe weer, in de groote stad, op de harde keien. Hij was wel zoowat genezen, doch nog uiterst zwak, veel te zwak, te hulpbehoevend, om ’t leven aan te kunnen vatten.

Straat-gewoel en kargehos, geschreeuw en gerel, ’t daverde hem van overal in zijn ooren. Zijn beenen wankelden, zijn oogen schemerden van ’t menschgedwarrel, dat voortjachtte naar alle kanten. Veel te voorbarig hadden ze hem uit ’t ziekenhuis gedreven! Waar moest hij naar toe?

De vlijme wind joeg snijdend op hem toe, schrijnde door zijn dunne kleeren, en ’t ijle hoofd leek hem bij al het tumult weg te zijn, ergens naast zijn schouders te zweven. In die drukke straten hield hij ’t heelemaal niet vol. Zou hij naar de Hesselaars gaan? Nee, die had-ie zelf afgewezen, ze zoûen niet vriendelijk wezen, zeker over zijn vrouw spreken en daar wilde hij niets van weten.

Hij moest eens naar z’n huisboeltje kijken. Z’n huisboeltje...? Ja, daar had hij wat ’an. ’t Beste was dadelijk een jood mee te nemen! Hij bezat geen rooie cent, geen halve zelfs, had z’n laatste geld die verschrikkelijke Zondag uitgegeven. Eten moest hij hebben en voor van avond onderdak. Niets, niets stak er in z’n zak, als een mes, een paar spijkers, een paar knoopen. Dus maar naar de timmertuin, dan schoot hij op en was ’t gauw afgedaan!

De eerste rommelkoopman die hij zag klampte hij aan en nam hem mee.

’t Armelijke boeltje onder ’n afdak opgestapeld, doorvocht, verschimmeld, uitgeslagen, het ijzer roestig en vervuild, leek eêr inelkaar getrapt dan neergelegd; ’t lag er als een saamgeworpen rommel zonder eenige orde of waarde.

Met tranen in de keel liep Baller er omheen. Dan vroeg hij hoeveel hij ervoor zou kunnen krijgen.

De koopman, een gladde sjacherjood die snel takseerde, zei smalend:

—Nah... ’t is niet waard om ’t voor niks weg te hale, dat zie je me zoo!

Gelijk deed hij of-ie wegging, bleef weer aarzelen, zei dan, bij wijze van gratie:

—Weet je wat... ’k geef je drie honderd cente!

De opzichter van de stadstimmertuin die deze streken kende, joeg de rommeljood van ’t erf. Hij vond dat al te kras.

Baller ging op zoek naar een ander.

En die kwam. Door de eerste koopman er op afgestuurd, beneusde, besnuffelde, betastte hij ’t boeltje, trok een gezicht en bood nog minder. Meer dan een daalder kon hij er niet van maken!

Ook deze ging van de werf.

Een derde sjacherde aan, maar de opzichter liet hem niet toe, snauwde al van verre:

—Ruk uit, leelijke smauzen. Aasvogels benne jullie, anders niet!!

Hij wist nog wel ’n ander, stuurde een jongen op hem af,—en Baller zat nu, de handen onder ’t leeg-aanvoelend hoofd, van ellende te bibberen in de Februari-kou. Drie gulden, wat moest-ie daarmee beginnen? Hij begon de wrakke spullen uit elkaar te halen, om ’t overschot van z’n kleeren voor zich te houden.

De bestelde koopman kwam, bekeek met vies gezicht de roestige kachel, betastte de tafel, wrikte aan de stoelpooten, zei kermend:

—’t Hêt veel geleje... met recht erg gerampeneerd... ’k krijg heel wat koste. Meer dan ’n tientje kan ik onmogelik geve! Wat vraag je ervoor?

Dan wroetten z’n handen weer in ’t boeltje, terwijl hij hard-op herhaalde:

—Ik kan niet meer geve!!

Tien gulden. ’t Klonk al beter, in elk geval meer dan drie, maar ’t was toch nog niets. Baller aarzelde, vroeg toen nuchter-weg vijf-en-twintig.

De koopman keek spottend en zei:

—Nou, dan mot ik je groete...

—Maak er twintig van, kwam de opzichter tusschenbeide.

—Twintig, waar mot ik ’t uithale? ik doe tweehonderd cente erbij, dat zijn twaalf volle guldes! Ja of nee? Een ander biedt het niet!

Baller moest wel toeslaan. In vergelijking met de anderen leek ’t zelfs een kapitale som. Hij ooge-vroeg de opzichter om z’n meening, maar die keerde zich om, trok de schouders op.

—Geef op dan maar! zei hij kort ademig en hield zijn hand al op.

Twaalf blanke stukken vischte de koopman uit ’n grauw zakje, tikkelde ze één voor één in z’n hand, van koû krom en bibberend.

Zie zoo, dat was afgedaan!

Baller bood de opzichter een guldenstuk aan voor z’n moeite, doch de man weigerde, zei welwillend:

—Welnee, je kunt ze zelf beter gebruiken... geef alleen de jonge ’n dubbeltje, dan is ’t in orde!

’t Handje vol geld nu in zijn zak voelde hij zich rijk en armer dan ooit. Dat was de laatste uitzet, het laatste anker, nou stond-ie voor goed op straat, zou nooit eigen spullen meer hebben! ’t Ging scherp door hem heen, beet zich dadelijk in hem vast. Dan haalde hij de schouders op, keerde zich om en strompelde dankend en nogeens dankend, ’t erf af, de stad weer in. Waar moest hij naar toe? wat zou-ie beginnen? Zijn maag liet zich al gelden.

Hij kon ergens ’n kosthuis zoeken, maar met zijn geld rekte hij ’t dan niet lang. ’t Duurde voor twee, hoogstens drie weken en wat dan?

Tot regelmatig werk deugde hij niet. Niemand zou zoo’n uitgepieterde als hij in dienst nemen, dat kon-ie op z’n fikken natellen. Nee, hij moest met dat drupje geld een negocie beginnen en daarmee de boer op, er zou niets anders opzitten. Eerst nachtlogies zoeken, voor één nacht en daarna verder zien.

De onzekerheid van ’t bestaan, ’t zonder werk-zijn loerde op hem aan, en ’t dakloos rondzwerven, dat z’n vrouw afschrikte, haar naar huis terug joeg, zag hij voor zich heel klaar. Hij ontkwam ’t niet, moest nu van dag tot dag ’t leven bergen. Hij werd een zwerver.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings