← Table of contents
De moedige vrouw

Rust.

Philippine Wijsman translation

Het woord van Geyer over het genot, dat de herinnering aan den weg, die even buiten zijne ouderlijke woning doodliep hem schonk, wekt bij ons, menschen aan het einde eener eeuw staande, een gevoel van afgunst ten opzichte van de gelukkigen, die vroeger eeuwen mochten eindigen en voor wie het Paradijs toen nog bestond.

Want voor onze verbeelding is het Paradijs niet langer een met allerhande boomen—vooral appelboomen—beplante lusthof, omringd door een witten muur met gouden poorten. Wij vormen er ons eene voorstelling van, uit louter ontkenningen saamgesteld: de weg loopt niet verder door, dan tot aan de hekken van het Paradijs; van een telefoon heeft men er zelfs geen flauw vermoeden; de brievenpost komt er hoogstens éenmaal per week en van stoomboot of spoorweg is, mijlen ver in den omtrek, geen sprake.

Welnu, zulk een Eden heb ik gevonden. Maar ik vertel u niet waar het ligt. Dan zouden andere menschen van het moderne gedeelte der maatschappij er misschien ook den weg heen vinden en dan was—het Paradijs verloren! Want dat aan een eerste uitgaaf hiervan geen onverdeeld succès te beurt gevallen is, dit was voorzeker niet de schuld van de slang, al trachten een aantal menschen zich met die gedachte te troosten....

In mijn Eden ontbreekt niet alleen alles wat er niet behoort te wezen, maar men vindt er alles wat men er behoort en verlangt te zien. Blauwe, met sneeuwranden omzoomde rotsen en veruitgestrekte, met bosch beplante hoogten vormen in schoone lijnen een muur rondom den lusthof. Een breede, groenachtig zwarte, gedeeltelijk met wit mos bekleede bergspleet, maakt den weg door den muur vrij voor het oog en voor de verbeeldingskracht; en heldere meertjes of binnenzeeën geven aan het donkere boschrijke landschap een paar groote blinkende oogen. Glinsterende berken en bloeiende linden geuren in de zomerzon, die slechts voor enkele uren achter den horizont verdwijnt; die de koornaren als in ’t geheim laat rijpen en aan de bloemen meer geur en krachtiger tinten geeft. Boven de met mos bekleede rotsbergen glijden over dag de blauwe wolkjes, vlug als schimmen er tegen uitkomende, voorbij. Maar de avond verspreidt over bergen en rotsen de vele paarsche en violet-schakeeringen van topasen en ametisten; het lichte blauw der opalen en de diepdonkere blauwheid van de zee; de schakeering van het appelbloesem—teeder kleurtje tot het donkerrood van den wijn. Eindelijk treden de donkere, zacht verdeelde omtrekken van den rotsberg, in eigenaardig émailleblauw tegen den goudkleurigen achtergrond van de lucht afstekende, te voorschijn. Deze blijft den geheelen nacht door lichtgeel getint, tot die kleuren ongemerkt overgaan in het morgenlicht.

In deze ochtendure, waarin de natuur vol kleuren en licht, in groote lijnen en ruime vèr-gezichten tot ons spreekt, wordt het menschenhart ontroerd door het bedwelmende gevoel van eenzaamheid en stilte. Het heeft niets gemeen met de blijdschap over een eigen welgelukte schepping, maar het heeft zijne bijzondere aantrekkelijkheid, zijne eigenaardige kracht. Terwijl het van het noodlot afhangt om ons dien beker van genot al of niet aan de lippen te brengen—niet van onzen wil—hangt het alleen van onszelf af, of wij van de plechtige eenzaamheid wenschen te genieten; of wij ons hart willen laten uitrusten, onze gedachten verruimen in die groote stilte; volop genieten, in een grootsche natuur met rustige, schoone en breede lijnen.

Maar niet altijd is het hart van den mensch van heden tot rusten in staat. Het leeft in onrust—smacht naar kalmte—en schuwt de stilte als eene ziekte, nog erger dan de nevrose waarvoor zij het geneesmiddel wezen zou. De vrouw uit onze dagen vreest eigenlijk niets met een grootere vreeze, dan om alleen te worden gelaten,—alleen met hare eigene gedachten, want dit maakt haar zooals zij het noemt, droefgeestig. Eigenlijk beteekent dit eenvoudig, dat zij er in die uren bepaald toe gedwongen wordt den ernst van haar bestaan onder de oogen te zien, of ook den ernst des levens in het groot geheel te beschouwen; een gevoel waaraan haar geest zich zou kunnen verheffen. Maar juist dit wil zij niet. Met kracht onderdrukt zij den drang van haar gemoed om zich op te richten tot edeler aspiraties, door hoe langer hoe meer toe te geven aan hare behoefte aan een oppervlakkig, versplinterd, leven. Hoezeer deze behoefte voor uiterlijk vertoon in onze dagen algemeen is, dit ziet men duidelijk op het gebied, waar ook de gewone, alledaagsche vrouw voorheen, in zekeren zin, hare gedachten op éen punt trachtte te bepalen, op dat van den godsdienst. Het type der geloovige vrouw is tegenwoordig niet meer zij die “als zij bidt in hare binnenkamer gaat en de deur achter zich sluit”; maar zij heeft bazuinen en theekransjes noodig om tot het besef te komen, dat zij eene vrome vrouw is, vol van den heiligen geest des geloofs.

De ongedurige menschen van het laatst dezer eeuw genieten zelfs niet van de rust als deze hun ten deel valt. Vooral met de vrouw is het zoo gesteld; hoe meer de tijd en gelegenheid tot rusten en stille zitten haar ontbreken, des te meer verliest zij het talent om van die enkele haar geboden gelegenheid gebruik te maken. Hoe menigvuldiger zij genoodzaakt is om in het openbaar indrukken op te nemen, die zich aan haar opdringen, des te meer acht zij het noodig, dat hare polsen met eene koortsachtige snelheid blijven jagen, om er zich van te overtuigen dat zij leeft.

Dieper gevoelende naturen erkennen met leedwezen dat zij hoe langer zoo meer verloren gaan met haren rijken aanleg, in dien maalstroom des levens; in het gedrang van de uit alle oorden samenstroomende, overweldigende onderwerpen; onder den druk van de eischen onzer moderne samenleving.

Zulke karakters krijgen niet zelden hallucinaties van een stille, groene kloostergaarde; of van eene, in het dichte bosch verscholen, kluizenaarswoning; van de eenzame uren op hooge rotsbergen, of op de golven der groote, wijde zee, in éenzaamheid doorgebracht. Maar doorgaans is aan hare behoefte aan éenzaamheid reeds voldaan, door zich in deze voorstellingen te verdiepen; zij verzuimen dan ook in den regel gebruik te maken van de gelegenheid, als deze zich voordoet, om een dergelijke oase in de woestijn te scheppen; een stil plekje, afgezonderd van het rumoer der wereld. Wie inderdaad een smachtend verlangen koestert naar éenzaamheid, heeft in de meeste omstandigheden wel gelegenheid, die op de eene of andere manier te vinden.

Uit mijn kindertijd herinner ik mij dikwijls te hebben hooren vertellen van eene vrouw die door haar huwelijk haar stille ouderlijke woning in het bosch had moeten verwisselen voor de onvermijdelijke drukte van eene uitgebreide huishouding in een groote stad. Die verandering speet haar zeer, tot zij op den inval kwam om elken morgen, een half uur lang, alleen stil te gaan zitten met een groenen doek over haar hoofd. Op die wijze droomde zij, dat zij weer in de stille éenzaamheid van haar bosch zat en verzamelde zij hare gedachten genoegzaam om daarna kalm en gelijkmatig de bemoeiingen van den dag tegen te gaan.

Indien ieder van ons haar eigen groenen doek had, zouden wij niet zoo licht geprikkeld en prikkelend zijn; wij zouden dan niet de gejaagde, ongedurige, onbeduidende slaven der vormen en gebruiken wezen, die wij nu maar al te vaak zijn!

Van welken aard nu dit beschermende omhulsel werd,—dit zou voor een gedeelte door het toeval worden beslist, maar soms ook zoude juist het eigenaardige karakter blijken van ieder die zulk een haven zocht uit de keuze van dat stille plekje, en van den doek.

In roomsch-katholieke landen kan men zulk een rustig toevluchtsoord vinden onder ieder kerkgewelf. Geleund tegen de pilaren van een gothischen tempel, kan men te midden eener drukke wereldstad, droomen in een verafgelegen bosch te zijn—hoewel Nietzsche gelijk heeft als hij zegt, dat modern denkende menschen aan een geheel nieuwe architectuur, als lijst voor hunne overpeinzingen, de voorkeur zouden geven.

Voor velen schept de muziek eene verrukkelijke eenzaamheid, vooral wanneer die thuis genoten wordt en niet in het publiek, waar zoo vele verscheidene indrukken afleiding geven en waar ons gemoed nauwelijks de wanklanken uit het dagelijksch leven begint te vergeten, als dat akelige handgeklap er ons op nieuw aan komt herinneren. Want een bewijs te geven van gevoel voor het schoone, door volkomen stille zijn—dit wacht nog op een meer veredelden staat van fijne beschaving, dan waarop wij in onze eeuw bogen kunnen!

Voor anderen is misschien zulk een rustig gesprek met het eigen gemoed te vinden in een museum van kunstvoorwerpen, of onder het lezen van een uitmuntend boek, een oud boek vooral, waarover nu geen besprekingen meer de ronde doen. En in de groote steden bereiden de openlijke leesinrichtingen den boekenvrienden het vredige stille plekje, waarnaar zij tehuis dikwijls te vergeefs hadden uitgezien.

Maar de stilte die het gemakkelijkste verkregen wordt is toch die in de natuur. Nu gaan de meesten echter niet naar buiten om daar alleen te zwijgen, of om er te zwijgen met een vriend—deze grootste en fijnste toets van echte vriendschap. Integendeel, zij zoeken er eenige kennissen, met wie zij de vraagstukken van den dag kunnen bespreken; en als zij zich dan warm en moe geredeneerd hebben, keeren zij naar huis terug, niet van een stille plaats maar uit nieuwe drukte.

Och, zij hebben hunne ziel niet gemaakt tot een kalmen spiegel voor de indrukken der schoone natuur; neen, deze is op de bewogen golven blijven zweven, waar het niet mogelijk is een duidelijk en helder lichtbeeld op te nemen.

Wie inderdaad in de natuur de éenzaamheid zoekt, moet leeren om van zeer nabij die grootsche natuur gade te slaan; zich oefenen in het uit het hart verwijderen van alle onbeduidende indrukken, om hierdoor de degelijke niet te verhinderen er in door te dringen; eene kunst waarin de wijsgeerige Montaigne ons menige behartenswaardige les gegeven heeft. “Wij overvoeren ons gemoed met te veel verschillende dingen tegelijk” zeide hij, reeds voor driehonderd jaren geleden. “Wij moeten onzen geest oefenen om enkele dingen vluchtig te zien, andere beter te monsteren; maar eigenlijk in ons opnemen moeten wij alleen die woorden, voorwerpen of gedachten die met onze eigene overeenstemmen, die op denzelfden grond zijn gebouwd als deze, zoodat zij ons, als het ware, zelf raken. Want ons gemoed behoort eigenlijk alleen van eigen middelen te leven.... Nu zijn wij allen, althans de meesten van ons, rijker begaafd dan wij zelf denken; maar wij worden er bij opgevoed om van anderen te leenen, om eens anders goed liever te gebruiken dan eigen goed....” Dat wij zoo zelden tot de kennismaking met onze lang niet geringe middelen komen, is het gevolg ervan, dat wij slechts bij uitzondering, ons met hart en ziel wijden aan hetgeen wij hebben ondernomen.

“Als ik dans,” zegt Montaigne, “dan dans ik; als ik slaap dan slaap ik; als ik alleen wandel in een mooien tuin en ik betrap mijne gedachten op afwegen, dan breng ik ze dadelijk weer terug naar den tuin, tot het genot der éenzaamheid en tot mijzelf.”

Dit opzettelijk streven om aan elke daad en aan alles wat wij zijn, ons persoonlijk geheel te geven en zoodoende uit elken toestand den geheelen inhoud te persen, is in een ruimen zin belangrijk voor elke ontwikkeling; zoowel voor ons vermogen om te denken en te arbeiden, als om te genieten en te rusten.

Maar het is een eigenaardig teeken van onzen tijd steeds een nog sterker graad van zenuwspanning te verlangen om zich geheel aan het oogenblik te kunnen geven.

Daarom is ook sport de groote aantrekkingskracht geworden, die de menschen naar buiten lokt; maar niet om te rusten en kalmte te zoeken. Integendeel, de wedstrijden op elk gebied en het “africhten” daarvoor, heeft zelfs de beweging in de vrije frissche lucht tot een koorts, tot een nieuwen vorm van jagen en stormen, gemaakt. Sport kan voorzeker een middel zijn om veel van de natuur te genieten, om spoediger buiten te komen. De riemen waarmede men tusschen de begroeide oevers eener rivier voortglijdt; de sneeuwschoenen waarop men diep in de winterstilte van het bosch doordringt; het rijwiel dat zijn eigenaar vlug naar nieuwe plantsoenen, of naar landelijke eenzaamheid overbrengt; deze en nog verscheidene andere dingen die tot vermaak en nut beoefend worden, als zeilen, rijden en zwemmen, brengen inderdaad bij velen eene hartelijke vereeniging met de natuur tot stand.

Maar de roeier of de ruiter, de schaatsenrijder of de cyklist, die aan elken indruk van een schoon landschap voorbijvliegt in dolle woede om zich te bekwamen tot mededingen in den wedstrijd, komt door zijne voorliefde tot beweging in de buitenlucht hoe langer hoe verder buiten de natuur en buiten zichzelf. Dit soort van sport ontwikkelt alleen het lichaam maar niet den geest. Men zal binnen korten tijd geheel vergeten hebben, dat er een eenvoudiger manier bestaat om van de natuur te genieten: er van te genieten met lichaam en ziel, tot nut en genoegen voor beide.

Als wij de meisjestype aan het einde onzer eeuw—dat is te zeggen, eene jonge dame die geen uitstapje naar buiten maakt anders dan op haar rijwiel of schaatsen, met het tennis-racket, òf een roeispaan in de hand,—vergelijkt met het jonge meisjestype van het einde der vorige eeuw, dan valt die vergelijking niet bepaald gunstig voor onze dagen uit. Ik denk hierbij onwillekeurig aan de beminnelijke vriendin van Goethe, de jonge Bettina Brentano, die als een ree van het buitenleven genoot; die de hoogste bergen beklom om zich daar in het gouden zonnelicht te baden; die zich niet ontzag om door wind en regen te loopen, of een onweersbui te laten overtrekken, staande onder een bloeiende linde, tusschen wier bladeren zij witte bliksemstralen flikkeren zag; die aan het strand lag, door kabbelende golven omstuwd; of hoog op de takken zat van een reusachtigen kastanjeboom, te midden van groen licht en groene schaduwen; of op het grasperk van den grooten tuin, uitgestrekt, zich vergastte aan de geuren van mos, taxus en roode anjelieren, zelfs met een paar bloeiende heestertakjes in den mond, om de nijvere bij tot zich te lokken; die op avonden als de maan scheen, tusschen de hagen van den wijngaard, onder de doorschijnende, lichtgroene trossen wandelde, en soms den geheelen zomernacht buiten bleef, insluimerend onder het nachtlied van merels en nachtegalen, om niet eer dan door het morgenlicht te worden gewekt....

Behalve deze dichterlijke wijze om van het buitenleven te genieten is er ook nog de natuur-wetenschappelijke, die echter evenzoo als de eerste, tamelijk naar den achtergrond wordt gedrongen door sport. Van dit gezichtspunt beschouwd is het aangenamer knapen tegen te komen een kruiden-doos aan een band om den hals dragende, dan knapen op rijwielen.

Van welken aard de reeds vroeg ontwikkelde zucht naar kennismaking met de natuur wezen moge, altijd verschaft dit onderzoek den beoefenaar dezer wetenschap een zekere vertrouwelijkheid met de natuur, een vriendschappelijke, hartelijke genegenheid, die onmogelijk kan ontstaan tusschen de natuur en een, haar op zijne velocipède voorbijvliegend, sportliefhebber.

Wat eenigszins vergoelijkend omtrent deze type van de tegenwoordige jeugd werkt, is het feit, dat velen, die door geen ander middel naar buiten gelokt zouden worden, nu ten minste, dank zij sport, eenig vermoeden van de schoonheid der natuur ontvangen en dat die oefeningen van heden—nadat de overdrijving hare offers zal hebben ontvangen—zullen bijdragen tot de ontwikkeling van eene lichamelijk—gezonder en krachtiger generatie, die dan waarschijnlijk beter dan ons tegenwoordig geslacht, bestand wezen zal tegen vermoeienis; die op eene edeler wijze het natuurgenot zal smaken en wier kernspreuk zal zijn “sport te gebruiken als niet misbruikende.”

Het gewone dagelijksche rust-uurtje, dat de meesten van ons met een ernstigen wil kunnen vinden, vervangt intusschen niet de diepe stilte, die eene wandeling vroeg in den morgen, of het zich terugtrekken naar een verborgen plekje van de aarde,—zoo mogelijk in een vreemd land en aan de grenzen der beschaafde wereld gelegen—in staat is ons te bieden. Maar voor de meeste hoofden van huisgezinnen is het gemakkelijker gezegd dan gedaan, zulk een schuilhoekje te vinden. Zelfs de alleenstaande en hierdoor meer onafhankelijke mensch, heeft vaak een groote mate van ernst in zijne behoefte aan éenzaamheid en veel wilskracht om andere, minder noodzakelijke dingen te laten, noodig, als hij er toe komen zal een paar weken van volkomen ongestoorde rust te kunnen genieten. Daarenboven wordt het verlangen naar afzondering van een lid van het huisgezin dikwijls tegengewerkt door het vooroordeel, dat de éenzaamheid een erg soort van égoïsme vertegenwoordigt. Want de meesten die de groote winst van eene tijdelijke afzondering voor henzelve inzien,—begrijpen nog niet hoezeer hun huisgezin hierdoor tegelijkertijd wordt gebaat.

Een korte scheiding heeft namelijk een buitengewone macht om ons nadenken te wekken en hierdoor ons beter verstaan en ons gevoel van billijkheid. Wij komen er gemakkelijker toe met een helder oog de belangrijke dingen in ons op te nemen en de kleinigheden tot hare wezenlijke onbeduidendheid terug te leiden, als wij een poos van elkander af zijn. Het eenzame overleg ontwart soms met vlugge hand de meest ingewikkelde draden en het alleenzijn geeft vaak aan onze blijdschap een vroolijker, aan onze smart een minder droevige tint. Volbrengt men den een of anderen arbeid alleen zittende, dan valt die bijna altijd oneindig beter uit, dan wanneer anderen erbij tegenwoordig zijn. De boeken die men leest en overpeinst in het dichte bosch; met de eeuwigschoone sneeuw vóor zich, of op de bloeiende heide, onder het geruisch van eik en den, verschaffen den rijksten oogst aan denkbeelden; en de indrukken der natuur die men onder zulke rustpoozen in zich opneemt, zijn krachtiger en langer van duur dan andere. Want men geeft zich nimmer zoo geheel en al aan de natuur als wanneer zulke éenzame dagen een parelsnoer vormen, waarvan een dag tamelijk gelijk is aan den anderen, maar waarvan toch elke dag op zichzelf een afgerond geheel vormt, en een aangenaam geheel ook.

Zij die tegen het alleenzijn opzien omdat zij vreezen zich dan nog meer eenzaam en verlaten te gevoelen hebben in zekeren zin gelijk en ongelijk. Want juist van menschen omringd, kan het gebeuren dat men door de omstandigheden, of door zijn bijzondere stemming, mijlenver van hen verwijderd is; in de door menschen bevolkte woestijn hangt, meer dan elders, zwaarmoedigheid in de lucht. Maar tegenover de natuur en den dood—de grootste eenzaamheid en de onwrikbaarste noodzakelijkheid—worden wij gedwongen afstand te doen, niet alleen van de bezorgingen en drukten van den dag, maar ook van de bezorgdheid omtrent ons lot en leven. De grondlijnen waarop ons wezen gebouwd is worden breeder, maar de vertakkingen dier lijnen worden minder duidelijk zichtbaar, evenzoo als dit het geval is met een landschap dat men van een aanzienlijke hoogte af, in de diepte ziet liggen. Het meer of minder aan lief en leed, waarmede het leven onze dagen vult; het meer of minder belangrijke werk dat aan ons bestaan inhoud gaf—tot dit alles keeren wij van zulke eenzame overpeinzingen terug met een zachten, medelijdenden glimlach.

Het valt ons nu niet meer zoo moeilijk het doove oor te keeren naar die stemmen, welke ons trachten mede te voeren in de beslommeringen van den dag en die ons trachten wijs te maken dat wij daarbij hoognoodig zijn. Wij worden nu minder hevig ontroerd door de pijnlijke kreten uit ons eigen gemoed opgaande, dan door die van onze medemenschen. Want wij hebben het leeren inzien, dat de grootste smart niets meer is dan een druppeltje in den grooten oceaan, evenzoo als het grootste geluk slechts het vluchtig licht is, dat zulk een kleine druppel doet glinsteren.

De ziel, die in stilte en eenzaamheid den moed vond om tot zichzelf in te keeren en haar eigen kracht te meten, weet, dat er slechts éen groote en wezenlijk belangrijke taak ons leven beheerscht: grooter te worden. En dat doel kunnen wij bereiken in onze smart en onze vreugde, in onze dwaasheid en in ons verstand. Groeien kunnen wij door onze nederlagen, zoowel als door onze overwinningen; door onze rust, zoowel als door onzen arbeid.

Toch is het hem of haar die de éenzaamheid zoekt aanteraden dit te doen, zonder een bepaalden eisch aan dat “stille zijn” vooraf te laten gaan. Want het gebeurt vaak, dat die afzondering juist iets geheel anders oplevert dan men verwacht had. Hij die rust zocht, vindt allicht een nieuwen prikkel tot arbeiden; hem die hoopte troost te vinden, kan zij nieuwe wonden slaan. Hoe het zij: de éenzaamheid schenkt toch altijd moed- en krachtbesef waarvan men zich niet bewust was. Maar alleen hij kan hiervan nut trekken die weet, wat de overigens tamelijk luchthartige Romeinen reeds wisten:

Dat de Éenzaamheid eene godin is wier geheiligde bosschen geen sterveling nadert met grootspraak, maar met een nederige bede op de lippen en van wie men met rijke gaven bedeeld terugkeert, indien men de taal harer ernstige oogen heeft leeren verstaan, die ons ’t geheim van het éene noodige verraden:

“Stille zijn in eigen hart.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings