Moed.
Philippine Wijsman translation
Er zijn altijd jong blijvende woorden, woorden wier echte goudklank nooit tot een ontvankelijk oor doordringt, zonder dezelfde gewaarwordingen te voorschijn te roepen als toen zij, misschien duizend jaar geleden, voor het eerst werden uitgesproken;—toen als een nieuwe uitdrukking voor het innig besef van dien tijd.
Onder deze woorden en spreuken van een eeuwige jeugd is er een, die voor den eersten keer door den welsprekendsten mond in Hellas verkondigd werd:
“Geloof dat het geluk bestaat in vrijheid—en dat vrijheid is moed!”
De inhoud van die spreuk kon voor Pericles voorzeker niet dezelfde beteekenis hebben als voor ons.
Onder vrijheid verstond men feitelijk de onafhankelijkheid van den eenen staat tegenover den anderen; met moed werd vooral de deugd van dappere verdediging des vaderlands bedoeld.
Toch is het best mogelijk dat er bij den minnaar van Aspasia en den vriend van Socrates, een vermoeden heeft bestaan van den tijd, wanneer die schoone woorden, in dieperen zin, zouden beteekenen de onmisbare voorwaarde tot welvaart en geluk; zoowel voor het geluk van de op zichzelfstaande persoonlijkheid, als voor de vrijheid eener geheele natie.
Edele woorden groeien in dezelfde mate als de menschheid groeit. Wij begrijpen het nu, dat de enkele mensch evenmin geluk en vrijheid vinden kan als de geheele Staat, wanneer de moed hem ontbreekt. Maar hangt het dan wel van ons-zelf af moed te hebben of niet?
Zeer zeker. Moed is eene hoedanigheid die verkregen wordt door hem of haar die haar wil verkrijgen; maar men moet willen, met ernst en volharding. Er zijn menschen die met een hun aangeboren moed ter wereld komen, maar de meesten hebben, voor het grootste deel althans, hun moed zelf gekweekt.
Er is geen eigenschap die door oefening sneller toeneemt. Als men het in onze samenleving maar duidelijker begreep dat moed den grond vormt, waarop het karakter en de wilskracht gebouwd is, dan zouden bijna alle menschen tot moedige wezens kunnen worden opgevoed.
Maar in de plaats van ons reeds vroeg te leeren willen, kiezen en overwegen, leert men ons toe te geven en te buigen; het droombeeld van vrij onzen eigen weg te gaan te onderdrukken en alleen onzen boozen geest te volgen. Men maakt er ons opmerkzaam op, hoe verwaand het is, een opzichzelfstaand geheel te willen beteekenen en hoe nuttig, éen van de vele nullen te zijn die, vereenigd, eene millioen helpen vormen. Men zegt ons dat voorspoed en vooruitgang in lijnrechte tegenstelling zijn met het streven naar vrijheid; men wil ons overtuigen dat de mogelijkheid om “gelukkig te maken” onvereenigbaar is met den wensch om op onze eigene manier gelukkig te zijn. Men richt onzen blik op de hoogte der samenleving, waar de menigte haar offer aan het vooroordeel brengt en men waarschuwt ons, toch vooral ons niet te voegen bij de kleine minderheid die, met ongebogen knie en fier opgeheven hoofd, door de wereld gaat.
Men zorgt er voor het ons reeds vroeg bij te brengen hoe slecht het altijd is afgeloopen met de overmoedigen, die hunne vrijheid van denken en handelen onder den druk der partijen hadden trachten te behouden; die dwazen, die trouw te zijn jegens hun eigen persoon voor belangrijker hielden dan gelijk te staan met anderen; die hunne eigene overtuiging verdedigden en volgden; die rond voor hunne opvatting van het leven uitkwamen, in plaats van anderen na te praten; die leefden van eigene middelen, liever dan van vrienden en kennissen te leenen; die aan de opwellingen in hun eigen hart gehoor gaven en niet aan die van zekere, heerschende kringen in de maatschappij; in éen woord, hoe het die allen gegaan is, die eigen oordeel en meening verkozen te hebben en zich niet wilden tevreden stellen met “de algemeene opinie”.
Natuurlijk hebben die overmoedigen hun welverdiend loon ontvangen! Hunne vrienden beklaagden er zich over nooit te weten wat men aan hen had en haastten zich hen te verlaten, onder innig leedwezen over hunne afvalligheid. Hunne vele kennissen hadden het altijd wel geweten dat zij “onberekenbare, karakterlooze menschen waren, die men nooit volkomen vertrouwen kon.” En de aaneengeslotene, toonvoerende meerderheid heeft het klaar en duidelijk bewezen dat zij gevaarlijke menschen zijn, menschen “zonder beginselen”.
Waarlijk, om door dit oordeel te worden getroffen behoefden die menschen volstrekt niet met een nieuwen vorm van godsdienst aan te komen, of met al het bestaande omverhalende leerstellingen in de maatschappij!
Het was voldoende dat zij hunne beste krachten er aan hadden gewijd om de onderdrukking van eene partij ten opzichte der andere te verhinderen; dat zij hunne afkeuring over een onrechtvaardig oordeel te kennen gaven en over het toepassen van gewetensdwang. Of dat zij het karakter van een persoon verdedigden, hoewel zij zijne levensopvatting niet huldigden; of voor die opvatting pleitten, hoewel zij zich voor zijn karakter niet verantwoordelijk konden stellen. Ja, soms is het wel voldoende gebleken dat iemand in een kring van conservatieven durfde te beweren dat niet iedere radikaal een dubbelzinnig karakter is, of in een gezelschap van radikalen te zeggen, dat niet ieder conservatief man een domkop is, om zelf in een zeer twijfelachtig licht te worden geplaatst ten opzichte van zijne eer, van zijn naam als fatsoenlijk man en van zijn gezond verstand.
Laat men zich nu niet bijtijds door de vrienden waarschuwen, maar blijft men volharden in zijn idiosynkrasi om zijn eigen meening te zeggen, de stem van zijn geweten te volgen, te oordeelen naar de mate van ’t verstand dat hij heeft—dan hangt het van de minste of geringste toevalligheid af welk einde zoo iemand neemt: òf de langzame hongerdood, òf wel een beklagenswaardig alleen-staan in de wereld zijn lot wezen zal.
En toch—ondanks dit alles hebben er in elke generatie menschen geleefd die het durfden wagen zich zelf te zijn; die onbeschaamd genoeg waren om te denken, te handelen, te beminnen, te dichten en te scheppen, op hun eigen hand! Dit zijn de menschen die thans nog in ons midden leven; zij, wier moed door hunne tijdgenooten met driestheid of brutaliteit werd aangeduid, maar die door het nageslacht worden bezongen en gevierd als groote mannen, aangebeden als openbaringen van wijsheid en licht. Hunne bezwaren waren geheel dezelfde als de onze. De held van ieder tijdperk moet het hoofd bieden aan de verzoeking die hem nadert in den vorm van eer en een rijk bestaan; aan de meesterachtige critiek van zijn tijd; aan den druk der partijen; aan kleingeestige oudewijvenpraat—ja zelfs aan het toejuichend gekwaak der kikkers in de sloot! Maar die helden hebben toch overwonnen, dank zij hun moed. Elk tijdvak waarin nieuwe denkbeelden hun weg vonden, elk tijdvak vol licht en gloed, vanwaar scheppende of verjongende krachten uitgingen—is onbetwistbaar een tijdvak geweest dat vele moedige menschen opleverde.
In zulke dagen vereischt het geen bijzonderen moed om dapper te zijn; want moed is eene hoedanigheid die het gemakkelijkst van alle deugden op anderen overgaat—de lafheid uitgezonderd!
Alle ledige, dorre tijden, zonder glans en leven, waren laf. Wanneer de moed niet in den dampkring ligt is er meer voor noodig om dien te behouden, of te oefenen, dan in een gunstiger tijdperk.
De dagen waarin wij leven zijn er juist niet naar om den moed aan te kweeken en dezen tot zijn recht te doen komen. Want alle tijden van overgang zijn gevaarlijk voor den moed, die in buitengewone mate versterkt wordt door getrouwheid aan vaste beginselen, door de overtuiging te strijden voor zijn goed recht.
Maar, al gaat nu onder een tijd van worstelen en strijden aan den eenen kant licht de moed verloren, daartegenover staan andere, en gewichtiger redenen om te trachten dien te herwinnen, waar men zich telkens geplaatst ziet tegenover de keuze tusschen nieuwe botsingen en nieuwe inzichten. Er is moed noodig om de waarheid te zoeken, maar ook om haar des noods te kunnen missen, als zij voor ons niet duidelijk zichtbaar is; moed om werkzaam te zijn—maar ook moed om te rusten. Er wordt moed vereischt om het geluk vast te houden als het onder ons bereik is gekomen—ook om het prijs te geven, wanneer de omstandigheden er toe leiden. Soms ligt het grootste bewijs van moed in afwachten; dan weer in wagen en ondernemen. Heden kost het moed om alleen te staan—morgen om mij bij mijne geestverwanten aan te sluiten; nu eens om voor mijn goed recht op te komen—dan weer om het prijs te geven.
Zonder moed kan men niet haten en nog minder liefhebben. Zonder moed kan men niet in waarheid leven noch sterven.
Laat ons moed hebben—moed in de eerste plaats; en wij zullen tot de bemoedigende ontdekking komen dat wij meer vrijheid en meer geluk bezitten, dan wij dachten.
Wij zijn heusch niet zoo boosaardig, of zoo dom, of zoo kleinzielig en “laag bij den grond” als wij schijnen. Alleen zijn wij veel laffer dan wij zelf denken. Uit lafheid mishandelen wij elkander—vervelen,—verdrukken—verongelijken wij elkander.
Laat ons die lafhartigheid bestrijden—en het leven zal weder schoon voor ons worden met zijne vele scheppende krachten die vrij komen; door de algemeene welwillendheid die overal werkzaam is; door alle sympathie, die lust tot handelen wekt; door alle gedachten en gevoelens die hun invloed rechtstreeks op ons uitoefenen.
Nooit vermoedde eigenaardige hoedanigheden bij ons zelf en anderen, zullen een schat van afwisseling en schakeeringen te voorschijn roepen, waar men meende niets dan armoede en stilstand—dus achteruitgang—te kunnen verwachten. De som van levenslust en levenskracht zou tot in ’t oneindige vermenigvuldigd worden als wij den moed hadden om allen tezamen het groote waagstuk te ondernemen! Als wij nu eens het vertrouwen dat wij gevonden hebben openlijk bekenden; als wij eerlijk rekenschap durfden te geven van het geloof dat wij nu hebben in de plaats van het vroegere dat wij verloren? Als wij ronduit verklaarden wat onze eigen overtuiging is—niet de van anderen geleende vormen; als wij durfden te bouwen op eigen ervaringen, zelfs al werden wij hierdoor van onze geestverwanten gescheiden?
Als wij den moed hadden te blijven twijfelen, waar wij bij anderen verzekerdheid vinden en onze overtuiging te behouden, ook al ontmoetten wij twijfel daaromtrent bij anderen? Als wij eerlijk de deugden van onze tegenstanders durfden erkennen en de gebreken van onze geestverwanten? Als wij den moed hadden vrijgevig te zijn met ons vertrouwen maar zuinig met onze oordeelvellingen? Als wij in ootmoed ons hoofd durfden te buigen ten opzichte van dingen waarvan wij geen verstand hebben, maar fier opstaan, waar het geldt de zekerheid, die wij met worstelen en strijden gewonnen hebben, te verdedigen? Als wij naar onzen eigen smaak, en rekening houdende met onze middelen, durfden te leven; in bescheidenheid te genieten op onze wijze en er ons aan gewenden te zien dat anderen dit eveneens doen? Als wij ons meer oefenden in de groote kunst, de beweegredenen der daden van anderen te erkennen, ook al zijn wij genoodzaakt hen tegen te spreken, en hunne handelingen af te keuren, hoewel wij hen persoonlijk hoog achten? Als wij het er eens op waagden elke partij te laten voor wat zij is—behalve onze eigen overtuiging?
En ten laatste: als wij den moed hadden onze lafhartigheid in te zien en die bij haar waren naam te noemen in de plaats van die te verschuilen achter fraaie woorden als: eerbied, bescheidenheid, ontzag voor de meening van anderen; gematigdheid en tact? Dan zouden wij een geheel andere maatschappij zien worden!
Weldra zouden wij het gezellig verkeer de plaats der vroegere maskerades zien innemen; debatten, de twisten en het spel met ijdele woorden zien vervangen; de daad zou de vroegere spiegelbeelden vervangen; oorspronkelijke scheppingskracht, de eenvoudige herhaling van het bestaande; gedachtenwisseling over verschillende gezichtspunten, het verdacht maken van die opvatting; eigene levenservaring de eenmaal gebruikelijke holle vormen; wáár gelooven, de van buiten geleerde formules. In één woord: wij zouden van onze vrijheid genieten terwijl wij nu daarentegen aan snoeren geregen, in pakken gebonden, met étiquetten beplakt, in partijen gesorteerd, op een lijst ingeschreven, in verschillende categoriën verdeeld en in uniform gekleed worden!
“Maar zou de baatzucht niet een al te groote ruimte gaan beslaan indien de moed aan ieder persoon het recht eener plaats toekende?” vraagt misschien een altruïst.
Daarom is er in het goddelijk gebod, aan anderen te doen wat wij zouden wenschen dat anderen ons deden, niets dat strijdt tegen het betoonen van moed. In tegendeel. In dit gebod ligt—uit een ander gezichtspunt—eeuwig dezelfde schoone gedachte als in de vermaning van den Helleen:
“Geloof dat het geluk bestaat in vrijheid en dat vrijheid is: moed!”