← Table of contents
De komedianten

VII. (continued 2)

Reading edition

—O-o-o-oh!

En het bròmde....

—De beer! De beer!! riepen zij.

Het gerucht, dat de beer den misdadiger verslinden zoû aan het kruis, was overal in de cavea nu door gedrongen....

—Proces duurt in Rome làng, grinnikte Taurus tot de Alexandrijnsche. Maar een moordenaar wordt er gekruisigd binnen twee dagen....

—Maar ze zeggen, riepen de matrozen uit Ostia; dat hij niet de moordenaar is!

—Wie dan? Wie dan? werd geroepen.

—Een dief, die mèt hem was.... meende de slavenkoopman.

—De dief? Neen, deze slaaf hier!! was de voller bijna zeker.

—Neen, de dièf!!! schrilden de Gallen.

—Dus hij....? riep het uit de slagers en warmoeziers.

—.... zoû onschuldig zijn....?? klonk het overal.

—.... Sst! De verklikkers.... fluisterde het.

—De verklikkers! De verklikkers....!

Allen zwegen. Allen zagen toe.... Duidelijk bromde de beer achter de schermen, waar hij aangehitst werd door de bestiariï. Plotseling waggelde hij te voorschijn....

—A-à-ah! kreten de vrouwen....

Zij waren bang, dat de beer in de orchestra zoû springen....

Leêg was de orchestra gevloeid; ter zijde slechts, op de præcinctiones, stonden in den regen silhouetten in witte toga’s, te kijken. Voor de eerste ridderbanken stond Martialis.

De beer keek, kop schuddend, de cavea in. Hij bromde. Achter de schermen hitsten de bestiariï, die hem aan een ketting hielden, aan. Zij trokken hem dichter bij het kruis.

—O-o-oh! kreunde het door het Theater.

De beer snoof het bloed, dat tappelde van de voeten en handen van den gekruisigde. En met een razenden sprong wierp hij zich, staande plots, reusàchtig, op het slachtoffer. Zijn klauwen sloegen in de naakte borst: hij rukte en zijn muil spalkte zich over de bloedende vormenloosheid, die daar hing als een druipende, roode, lillende lap....

Cecilianus, nieuwsgierig, oogen gesperd, had zich los gemaakt uit de armen van Carpoforus, uit diens mantel. Hij was op gerezen, hij stond te kijken.... Toen sloeg hij de armen op....

—A-àh!! snerpte de radelooze gil van den knaap. Zijn armen bewogen in de lucht, en hij viel flauw.

—Mijn broêrtje!! kreet Cecilius.

Allen drongen weg, de laatsten uit de ridderbanken, het volk uit de cavea.... Ook de soldaten, de matrozen, de gladiatoren....

—Mijn broêrtje! huilde Cecilius.

Carpoforus tilde den bezwijmden knaap op; het blonde hoofd viel op den massieven schouder van den Jager.

—Zal je hem dragen, Carpoforus? snikte, smeekte Cecilius.

De Jager knikte. Allen daalden de trappen af, sprongen van omgang op omgang. Alles stroomde in den stroomenden regen het Theater uit. De Jager met zijn last—pluimelicht woog de knaap hem in zijn arm, over zijn schouder—volgde zijn makkers. Colosseros troostte Cecilius.

—Kom meê, zeide hij. Kom meê.... Niet huilen, Cecilius: Carpoforus zorgt wel voor Cecilianus....

De Jager, langzaam, daalde.... Daar ginds, vergaten, in de ontzetting, de tooneelknechten het aularium te doen rijzen....

Zichtbaar bleef, in de doorregende schemering—de beer weg getrokken door de bestiariï—de vage T van het kruis, zich af teekenen met de lillende, roode lappen van vleesch.... De Jager zag er naar om, terwijl hij daalde, het kind in de armen, trede na trede; omgang daalde hij na omgang; telkens, als kon hij zijn blik niet àf wenden, zag hij naar de verschrikkelijkheid. Gluurden zijn oogen—die van een lief, groot, sterk beest—er angstiglijk heen. Gluurde hij schuiner, angstiger.... Drukte hij dichter tegen zich het bezwijmde knapelijf en glúurde hij....

—Zoo.... dacht hij; eindig ik óok eens....

Op de laagste præcinctio, bij de poort, die hij uit zoû gaan, wierp hij zijn laatsten blik.

—Zoo, dacht hij weêr; eindig ik ook.... Morgen.... Of overmorgen....

In het geheel leêge, overregende Theater, in de stralen-doorstriemde schemering, die de tragische lucht neder sloeg, stond nòg, geheel alleen, Martialis te staren op het einde van „Laureolus”....

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings