← Table of contents
De kasteelen van Koning Lodewijk II van Beieren

III

Reading edition

Zij die per spoor de reis van Munchen naar Salzburg hebben gemaakt, herinneren zich zeker nog wel eene majestueuse witte façade, die tusschen groene bosschages en boomgroepen, aan den oever van de Chiemsee, het grootste meer van Beieren, te voorschijn treedt. Dat is het paleis van Herrenchiemsee, het duitsche Versailles.

Neu-Schwanstein.
Neu-Schwanstein.

Neu-Schwanstein.

Van Munchen uit kan men op een dag de reis heen en weer maken; twee uren na het vertrek stopt de trein te Prien, het naast bij het meer gelegen station. Een kwartier verder, te Stock, is het punt waar de stoomboot, die het meer bevaart, aanlandt.

Het voorkomen van het land is over het algemeen tamelijk vlak, en de oevers van het groote meer, dat omstreeks twintig kilometers lang en ruim tien breed is, zijn vrij eentonig en karakterloos. Alleen aan de zuidzijde verrijzen de Alpen, waarvan sommige toppen eene hoogte bereiken van tweeduizend el. In het meer liggen drie eilanden: een onbeteekenend eilandje, deels met riet en biezen begroeid, deels tot moestuin ingericht; het Fraueninsel, dat ongeveer tien hektaren groot is; en het Herreninsel of Herrenwörth, dat eene oppervlakte beslaat van ruim tweehonderd hektaren en met bosschen en weilanden is bedekt.

Deze beide eilanden, dicht bij elkander gelegen, ontleenen hun naam aan het nonnenklooster en aan de Benediktijner-abdij, die daar in vroeger eeuw werden gesticht en waaraan de eilanden behoorden. Fraueninsel vooral is zeer bekoorlijk, vooral ook om het heerlijke panorama van het meer en de Alpen. De landelijke herberg, die in den zomer druk bezocht wordt, staat vlak naast het oudere reeds in 783 gestichte klooster, dat door Koning Lodewijk I aan de Benediktijner-nonnen werd teruggegeven en thans tot pensionaat voor meisjes is ingericht. Vooral de schilders uit Munchen plegen hier dikwijls te vertoeven.

De insgelijks in de achtste eeuw gestichte abdij van Herreninsel of Herrenwörth heeft in de geschiedenis der Kerk eene belangrijke en glansrijke rol gespeeld. Het klooster werd tijdens den inval der Hunnen verwoest, en nam later eene eerste plaats in onder de godsdienstige gestichten van Beieren. In 1806 werd de eerwaardige abdij geseculariseerd; Herrenwörth werd voor een spotprijs verkocht aan partikulieren, die, zonder eenigen eerbied voor het roemvol verleden der gewijde plaats, zooveel mogelijk voordeel van hunne bezitting trachtten te trekken. De oude torens en gebouwen werden gedeeltelijk gesloopt; de kerk werd tot eene brouwerij ingericht, en men had reeds een aanvang gemaakt met het vellen der bosschen, toen Koning Lodewijk II in 1873 het domein kocht.

De kleine stoomboot, die zeker voortaan niet meer voldoende zal zijn voor het vervoer der talrijke bezoekers,—hun aantal bedraagt, naar het zeggen, gemiddeld vijf- à zeshonderd per dag;—zet u vlak bij de bijgebouwen Van het klooster aan wal. Hier is de boerderij, de brouwerij en een in der haast ingericht restaurant, waar vooral gedurende de maanden Augustus en September eene onbeschrijfelijke drukte heerscht en oceanen bier worden verzwolgen. De gebouwen van het eigenlijke klooster omgeven nog aan de vier zijden den stillen fraaien kloosterhof.—Men wijst u nog de vertrekken der voormalige abten; tijdens den bouw van het paleis werden zij bij herhaling door den Koning betrokken.

Linderhof.
Linderhof.

Linderhof.

Van den kleinen heuvel die Herrenwörth draagt, voert een weg, in tien minuten, door het bosch naar het nieuwe paleis. Uit het dennenbosch komt ge eensklaps op een plateau, waar u eene zonderlinge verrassing wacht. Daar ziet ge voor u de welbekende [186] groote façade van Versailles, maar uitkomende tegen een prachtigen achtergrond van blauwe bergen en donkere bosschen. Overigens schijnt het de bekende omgeving: het terras, de waterpartijen, de breede steenen trap, het bassin van Latone, het groote grasperk (le Tapis-vert); en aan den horizon de heldere wateren van het meer, omlijst door de prachtige lanen.

Deze eerste indruk wordt intusschen bedorven door twee pyramiden van rotsen, die uit de bovenste bassins oprijzen en allegorische groepen dragen, voorstellende de godin Fortuna en Pegasus. De grillige onregelmatige omtrekken dezer rotsen, die natuurlijk van elders zijn aangevoerd, passen niet bij de strenge harmonische lijnen der façade, waarvan zij het effect bederven. De façade is eene getrouwe navolging van die te Versailles, maar zij is de eenige, die van buiten geheel voltooid is. De lange noordelijke vleugel, die het theater en de kapel moest bevatten, staat nog in het ruw; van den zuidelijken vleugel is niets te zien dan een begin der fondamenten.

Ik weet niet, in hoeverre het inderdaad de bedoeling des Konings was, het paleis van Versailles in zijn ganschen kolossalen omvang als het ware na te bouwen. Uit het plan der deels voltooide, deels aangevangen gebouwen mag men, naar het schijnt, opmaken, dat inderdaad het voornemen bestond om eene kopie te leveren van het tegenwoordige Versailles; eene verbeterde kopie, in zoo verre alle gevels in denzelfden stijl zouden worden opgetrokken en sommige gedeelten, die in het oorspronkelijke niet meer aanwezig zijn, zouden worden hersteld. De zijvleugels, die den marmeren voorhof omgeven, dragen hetzelfde karakter als de groote façade aan de tuinzijde; de groote trap is op dezelfde plaats aangebracht als de trap, die door Louis XIV te Versailles werd gebouwd doch later verplaatst.

Is het niet ergerlijk en onvergeeflijk, dat dezen prachtigen, koninklijken gebouwen, zoo majestueus en indrukwekkend van ordonnantie en stijl, hetzelfde onhebbelijke euvel aankleeft als het kasteel van Linderhof? Zou men het kunnen gelooven, dat ook hier dezelfde slordige constructie is gevolgd? Alleen de onderbouw is van echt, degelijk graniet; al het overige, van de benedenverdieping tot de balustraden en tropeeën op de kroonlijst, is van baksteen en pleister! Zoo bouwde Lodewijk XIV toch niet; de groote Koning zou het zeer zeker beneden zijne waardigheid hebben gerekend, in een paleis te wonen, waarvan de gemeene grondstof maar noode verborgen werd door een plaksel van cement. De gevolgen van dit echt moderne knoeiwerk zijn dan ook niet uitgebleven: misschien ook door de vochtige uitwasemingen van het meer, doch stellig ten gevolge van deze onverantwoordelijke manier van bouwen, ziet men reeds op een aantal plaatsen zwarte en groenachtige vlakken en sporen van ontijdig verval.

Van binnen zijn slechts veertien vertrekken geheel voltooid; daarnaast en daaronder bevinden zich groote ledige ruimten, vol vuil en stof. En toch, hoeveel millioenen zijn voor dit paleis niet verspild! Het is wel de moeite waard, eene meer uitvoerige beschrijving van het voltooide gedeelte van het paleis te geven, vooral omdat ge hier bij iederen voetstap aanleiding vindt tot het maken van zeer interessante vergelijkingen. Voor wie Versailles kent, is een bezoek aan Herrenchiemsee eigenlijk eerst recht belangwekkend.

Het eerste wat bij het binnentreden van het paleis uwe aandacht trekt, is een reusachtige pauw, gezeten op een marmeren urn, die door een met verguld bronzen ornamenten versierden sokkel gedragen wordt. De kop, de borst en de lange uitgespreide staart van den vogel vertoonen de natuurlijke kleurenmengeling; elk oog in den prachtigen staart is van geëmailleerd zilver. Dat deze geheele groep uit Parijs afkomstig is, bemerkt ge dadelijk aan het afgewerkte en aan dat zekere cachet, hetwelk zoo moeilijk is na te bootsen. Deze pauw staat in het midden van een door zuilen gedragen vestibule, waardoor ge naar den marmeren voorhof en naar den zijgevel gaat, waarin de groote trap is aangebracht. Deze laatste, een dubbele wenteltrap, die haar licht van boven ontvangt, is tweemaal zoo breed als de tegenwoordige trap te Versailles, en verschilt bovendien daarvan ten eenemale door hare schitterende, veelkleurige dekoratie. De volgende appartementen zijn rustiger van toon.

De eerste kamer, die ge betreedt, is de zaal der koninklijke lijfwacht. Breede lijsten en pilasters van grijs, rood en wit marmer omvatten de paneelen, die met tafreelen uit den spaanschen successie-oorlog zijn beschilderd. De borstbeelden van Condé, Turenne, Vauban en Villars zijn op voetstukken langs de wanden geplaatst, en voor de ramen staan vier-en-twintig hellebaarden, met blauw fluweel omkleed.—Daarop volgt de eerste antichambre, van grijs en wit marmer, met goud ingelegd; vervolgens de zaal van het Oeil-de-Boeuf, die veel grooter is dan haar beroemde naamgenoot en voorgangster te Versailles. In het midden van dit prachtige vertrek staat een ruiter-beeld van den grooten Koning; langs de marmeren wanden ziet men portretten van Lodewijk XIV, hetzij alleen, hetzij omringd door de leden der koninklijke familie, en van den hertog van Orleans.—Deze reeks vertrekken zal zelfs indruk maken op hen, die op het stuk van vorstelijke appartementen tamelijk geblaseerd zijn: en toch zijn er enkele dingen, die u hinderen en aan het effect schaden: zoo als, bij voorbeeld, de niet goed gekozen kleuren der gordijnen en der traditioneele tabouretten (hoog violet voor de eerste antichambre, smaragdgroen voor de zaal van het Oeil-de-Boeuf), die met hun zware gouden borduursels niet in harmonie zijn met het karakter van het geheel.

Niets herinnert zoo volkomen aan Versailles als de groote galerij, de galerie des glaces, met haar salons van den oorlog en den vrede, haar met allegorische groepen en figuren beschilderde zoldering, haar lichtkleurige marmeren wanden, haar borstbeelden van romeinsche keizers. Dit is eene in vollen nadruk prachtige, echt koninklijke zaal, [187] waarvan het effect nog wordt verhoogd door de vijf-en-dertig kristallen lichtkronen en twee-en-vijftig kandelabres, die te zamen niet minder dan vijf-en-twintighonderd waskaarsen kunnen dragen. Eene van de meest geliefkoosde uitspanningen van den beklagenswaardigen Koning was het aanschouwen van deze weergalooze verlichting, die alleen voor hem ontstoken werd.

De raadzaal neemt in het paleis dezelfde plaats in als de salle du Conseil te Versailles, maar zij is tweemaal zoo groot en uitmuntend verlicht. De dekoratie is wit met goud; de gordijnen zijn blauw met gouden leliën; voor de massieve vergulde tafel, met een kleed van blauw fluweel bedekt, staat een monumentale fauteuil, versierd met de koninklijke kroon en met dooreengevlochten L’s. Ook de hooge pendule van Versailles is niet vergeten; zij staat nu stil, maar toen zij nog ging, opende zich bij het slaan van het uur, eene kleine nis, waaruit Lodewijk XIV te voorschijn trad, begroet door zijne buigende hovelingen.

Maar al wat wij tot hiertoe gezien hebben, verbleekt bij de wonderen van de dusgenaamde “paradekamer”: daar wacht ons een schouwspel, waarop niets ons had voorbereid. Hier zijn wij niet meer te Versailles; hier vergeten wij zelfs de Chiemsee; wij zijn eensklaps overgeplaatst in eene tooverwereld, in een visioen; en onwillekeurig ontsnapt ons een uitroep van verbazing, meer dan van bewondering. Verbeeld u een soort van toover-tempel, stralende in rooden lichtgloed, waar het aan alle kanten schittert van goud, dat nauwelijks ruimte overlaat voor fluweel en tapisserie. Ik zie geen kans om al de kostbaarheden te beschrijven, in overstelpenden overvloed opgehoopt in deze ruimte van veertien meters in het vierkant, die, naar men zegt, niet minder dan twee-en-een-half millioen mark heeft verslonden. Het bed alleen is op zich zelf een wonderwerk, en de borduursters van Munchen, uit wier handen dit meesterstuk kwam, hebben aan dien arbeid zeven jaar van haar leven gewijd. De gordijnen van den baldakijn zijn van tapisserie au petit point en van zwaar goud borduursel op goudbrokaat. De sprei is een meesterstuk van geduld en smaak. De hooge purperen gordijnen, welke voor de ramen hangen, zijn letterlijk overladen met gouden belegsels, die twee centimeters hoog zijn en zoo zwaar, dat het eenige moeite kost, deze massieve draperieën uit de plooi te brengen. De totaal-indruk is die van grenzenlooze verkwisting, van alle maat en perk te buiten gaande pracht: het is een visioen uit een of ander oostersch paleis, een sprookje uit de Duizend-en-een-Nacht, plotseling tot werkelijkheid geworden.

Voor den armen krankzinnigen Koning zelven was deze weergalooze paradekamer een soort van heiligdom, gewijd aan de vereering, ik mag wel zeggen aan de eeredienst van den monarch, dien hij schier als eene godheid huldigde, van den Roi-soleil, Lodewijk XIV. Hij zelf heeft dit vertrek nooit bewoond; hij had het dan ook niet voor zijn persoonlijk gebruik laten inrichten: het moest een tempel zijn, waar hij, in stille devotie en ongestoorde eenzaamheid, zijn cultus vieren kon.—Daar is in waarheid iets tragisch in die hartstochtelijke, bijna afgodische vereering van den beierschen Koning voor Lodewijk XIV. Wat hem het meest aantrok in deze inderdaad imposante figuur was zeker wel de volle ontplooiing der koninklijke waardigheid en majesteit, waarvan de Roi-soleil, niet zonder recht, als de type bij uitnemendheid gelden mag. Ook Lodewijk II van Beieren had een zeer hoog gevoel van zijne koninklijke waardigheid en een diep besef van zijne koninklijke macht; maar het ontbrak hem juist aan datgene wat Lodewijk XIV in zoo hooge mate bezat: het aangeboren talent of genie tot regeeren, de innerlijke macht om koning te zijn. Niet ieder wie maar wil kan Lodewijk XIV navolgen: daartoe is het niet genoeg, kunstliefde te bezitten als hij, dichters en kunstenaars te beschermen en aan te moedigen als hij, en als hij prachtige paleizen te bouwen; daartoe behoort ook die ernstige opvatting van zijne roeping, die persoonlijke toewijding aan zijne taak, waardoor de groote Koning zich niet minder onderscheidde dan door den glans zijner hofhouding. In de werkelijkheid was er al zeer weinig gemeen tusschen Lodewijk II van Beieren, die zich zeer luttel met de regeering bemoeide en zich aan al zijne koninklijke plichten onttrok, en zijn doorluchtig voorbeeld, wiens geheele leven in het koning-zijn opging. Voelde hij wat hem ontbrak; besefte hij dat én zijn karakter én de omstandigheden en verhoudingen, waarin hij geplaatst was, hem de verwezenlijking van zijn ideaal onmogelijk maakten, en trok hij zich daarom moedeloos in de eenzaamheid terug, wat hem nog aan krachten en vermogen restte uitputtende in doel- en vruchtelooze vereering en navolging van dien grooten koning, die zoo ver boven hem stond? Is ook Lodewijk II, met zijne onbetwistbare gaven en talenten, zijne hooge fijne natuur, het diep besef zijner waardigheid, het slachtoffer geworden van de onmogelijke, door en door valsche positie, waarin onze democratische eeuw, die liever van beneden getiranniseerd wil worden, de op den troon geboren koningen plaatst? Daar ligt een geheimzinnige sluier over dat aanvankelijk zoo veel belovende, zoo treurig en ontijdig afgesneden vorstenleven;.... dat moge zijn troost zijn geweest, dat velen hem hebben lief gehad.

De particuliere vertrekken des konings bevinden zich in den vleugel van den voorhof, tegenover de groote trap. Zij bestaan uit eene slaapkamer, een boudoir, een kabinet, een eetzaal, een grooten en een kleinen salon, eene galerij, en op de benedenverdieping uit een badkamer en een toiletkamer. Al deze vertrekken zijn geheel afgewerkt en gemeubeld; de koning heeft ze tweemalen bewoond, voor het laatst in de maand October 1885.

Hier herinnert niets meer aan Versailles en zijne statige klassieke dekoratie, in de aangrenzende staatsievertrekken zoo getrouw nagebootst; integendeel, even als te Linderhof bevinden wij ons hier te midden van het meest overladen rococo. [188] Overal zien wij portretten van Lodewijk XV en van dames en heeren van zijn hof; tafreelen uit het achttiende-eeuwsche hofleven; keurig ingelegde en beschilderde meubelen, lichtkronen en schoorsteenmantels van saksisch porselein; met goud geborduurde stoelen en gordijnen. Even als te Linderhof, is de slaapkamer blauw, het koninklijk kabinet groen, en de eetzaal karmozijnrood.

De Mariënbrücke bij Neu-Schwanstein.
De Mariënbrücke bij Neu-Schwanstein.

De Mariënbrücke bij Neu-Schwanstein.

De badkamer, waarvan de wanden met vrij gedecolleteerde voorstellingen prijken, en waarvan de kuip acht meter breed is, sluit de reeks der koninklijke vertrekken. Maar nu moet ge nog de groote zalen van de eerste verdieping bezoeken, waarvan de aan den wand gespijkerde naam-bordjes aan de salons te Versailles herinneren, maar die nog geheel onafgewerkt zijn. En dan de reeks van naakte holle ruimten, die den noordelijken vleugel uitmaken.... In waarheid, dit paleis, voor een zoo klein gedeelte met zoo groote moeite voltooid, niet meer dan een ontwerp en reeds half een ruïne, laat een treurigen indruk achter. Deze schepping ging de krachten van den schepper te boven.... Het is niet zoo gemakkelijk, Lodewijk XIV na te doen!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings