← Table of contents
De kasteelen van Koning Lodewijk II van Beieren

II

Reading edition

De meeste toeristen gaan in zes uren rechtstreeks van Hohenschwangau naar Linderhof, of omgekeerd, en volgen daarbij den rijweg over de bergen. Daar ik echter gaarne een kijkje wilde nemen in de vallei van Partenkirchen, een van de schoonste streken van Opper-Beieren, koos ik dat dorp als rustpunt, eer ik mijne reis naar Linderhof vervolgde.

Ik reed aanvankelijk door de vallei van de Lerch, tot het stedeke Reutte, waar wij eene vrij steile helling moesten bestijgen. Het landschap wordt nu schier van oogenblik tot oogenblik schooner. Aanvankelijk loopt de weg door eene diepe smalle kloof, waarvan de hellingen met prachtige wouden bekleed zijn, en waar de Steuren, een onstuimige bergstroom, een fraaien waterval vormt; dan komen wij aan de Plansee, een groot somber meer, waarvan de groenachtige wateren twee afgelegen woningen, eene aan elk uiteinde van den plas, bespoelen. Het is eene opeenvolging van woeste, romantische landschappen, waar dennen, dooreen geworpen rotsen en stroomende wateren elkander den voorrang betwisten.

Partenkirchen en het naburige dorp Garmisch liggen in eene wijde vallei, aan alle kanten door bergen ingesloten. De twee zoo nabij elkander gelegen vlekken bieden evenwel eene zeldzame tegenstelling. Terwijl Garmisch met zijne bruin geverfde of met godsdienstige muurschilderingen versierde woningen, die allen te midden van aardige tuintjes op zich zelven staan, eene groote oppervlakte beslaat, scharen de huizen van Partenkirchen zich in rij en gelid naast elkander, ter wederzijde van eene hoofdstraat. Zoowel te Partenkirchen als te Garmisch vindt men zeer geschikte logementen. De omstreken bieden veelvuldige gelegenheid aan tot de schoonste wandelingen; en de bevolking heeft nog in manieren en levenswijze die naïeve eenvoudigheid, dat hartelijke en vertrouwelijke weten te bewaren, dat de stroom van toeristen onherroepelijk wegvaagt en dat dan ook wel hier niet lang meer blijven zal. Nu wordt ge nog als vreemdeling door ieder met voorkomende, gemeenzame vriendelijkheid gegroet, en ge kunt het druk genoeg hebben met het beantwoorden van het “Grüss Gott!” dat u op uwe wandelingen van alle kanten tegenklinkt. Bijna alle knapen en de meeste mannen dragen nog het nationale kostuum der bergbewoners; en alle hoeden zijn op schilderachtige, kranige manier met veeren versierd, die uitnemend goed passen bij de bruine, flinke gezichten. De vrouwen ziet men weinig, behalve des zondags, als zij naar de kerk gaan, met hooge bonte mutsen op het hoofd en omhangen met zilveren kettinkjes, die van ouds tot haar kostuum behooren.

Het kasteel Neu-Schwanstein.
Het kasteel Neu-Schwanstein.

Het kasteel Neu-Schwanstein.

De afstand tusschen Partenkirchen en het kasteel Linderhof bedraagt met rijtuig omstreeks drie uren. Men volgt eerst den grooten weg naar Munchen; aan het dorp Oberau slaan wij links af en komen in de smalle romantische vallei van de Graswang, die ook naar het om zijn Passionsspiel maar al te goed bekende Ober-Ammergau voert. Te Oberau wordt de weg zeer steil en zeer moeielijk te bestijgen. Om deze twee mijlen lange steile helling te beklimmen, had de Koning de gewoonte, een paar stevige boerenpaarden te huren, die men mij in het voorbijrijden nog wees. Dicht bij den top ziet men, onder de beuken, een grafsteen, die sprekende getuigenis aflegt van de gevaren van den weg en van de schier onoverkomelijke moeilijkheden, die Lodewijk II moest overwinnen, [182] om op eene hoogte van achthonderd el en op een der ontoegankelijkste punten van zijn rijk, zijn van marmer en goud schitterend paleis te bouwen. Hier op deze plek kwamen twee mannen om, die mede behulpzaam waren bij het vervoer van eene monumentale beeldengroep, de Kruisiging voorstellende, een geschenk van den Koning aan het dorp Ober-Ammergau; een der beelden viel en verpletterde de beide ongelukkigen.

Boven op den top der halsbrekende helling ligt het gehucht Ettal, benevens een voormalig klooster, thans eigendom der graven van Pappenheim; van hier begint de weg te dalen en brengt u in een half uur naar de woning van den boschwachter van Linderhof, op een open plek te midden der bosschen gebouwd. Het kasteel ligt hier vlak bij, maar het is nog verborgen achter eene met prachtige dennen begroeide hoogte. Zelfs wanneer ge door het hek zijt gegaan, en links de groote woningen in zwitserschen stijl van den rentmeester en van de bedienden, door boomen omringd, uwe aandacht trekken, blijft het kasteel zelf nog onzichtbaar; eerst als ge den laatsten hoek van de oprijlaan zijt omgeslagen, ziet ge den kleinen witten gevel voor u, die wel als verloren schijnt tusschen de hooge rotswanden en den donkeren dennenheuvel.

Wie te Linderhof zou willen overnachten, rekene er op dat dit niet zoo gemakkelijk gaat; want men is hier mijlen ver verwijderd van het naaste dorp en van elke herberg hoe eenvoudig ook. Alleen in de woning van den rentmeester kan men een zeer bescheiden logies vinden, waarvoor vrij duur moet worden betaald; maar aangezien de opeenhooping van reizigers hier noodwendig veel grooter is dan te Hohenschwangau, is het genoegzaam onmogelijk een onderkomen te vinden, als men niet vooruit geschreven heeft. Bij mijne komst stond het voorplein vol rijtuigen en wagens van allerlei soort; reeds in den morgen was het laatste bed besproken geworden. Na vergeefsche pogingen bij den boschwachter, die zijn huis ook tot het ontvangen van gasten heeft ingericht, vond ik eindelijk nog een klein kamertje in een bijgebouwtje aan het andere einde van het park, bewoond door tuinlieden, gendarmen en het gezin van den machinist. Mijn logies was evenwel zoo geschikt, dat ik besloot hier drie dagen te blijven, ten einde op mijn gemak deze tweede stichting van Koning Lodewijk te bekijken.

Korten tijd na Neu-Schwanstein begonnen, was het kasteel—men zou kunnen zeggen het paviljoen—Linderhof reeds tien jaren geleden geheel voltooid. Het werd gebouwd op dezelfde plek, waar een rustiek jachthuisje van Maximiliaan II stond, dat door zijn zoon in de nabijheid in het park werd verplaatst. Linderhof was de eenige van zijne nieuwe residentiën, die de Koning heeft kunnen voltooien, en dus ook de eenige, waar hij geregeld kon wonen. Hij vertoefde er echter nooit langer dan veertien dagen achtereen: hier even als elders, op bepaalde dagen en uren verschijnende en weder vertrekkende, naar het voorbeeld van Lodewijk XIV, den monarch voor wien hij eene zoo grenzelooze bewondering en vereering koesterde.

Bij den bouw van Linderhof liet de Koning zich geheel leiden door zijn smaak voor de schitterende pracht der achttiende-eeuwsche kunst. Men heeft meermalen Linderhof met Klein-Trianon vergeleken; de vergelijking betreft echter alleen de kleine afmetingen van beide kasteelen en hunne min of meer fantastische omgeving. De gevels van Linderhof zijn ontworpen in den bloemrijken en overladen stijl van het rococogenre, en ook hier beslaan de geheel naar franschen trant geteekende vijvers, watervallen en terrassen eene aanzienlijke oppervlakte. Wij zien ons hier midden in de achttiende eeuw verplaatst.

Het kasteel is een vierkant gebouw van omstreeks twintig meter breed en dertig diep, daaronder begrepen de aan iederen gevel vooruitspringende middenvakken; het heeft slechts eene enkele verdieping, die door eene hooge benedenverdieping gedragen wordt. Voor den hoofdingang is een breed terras, versierd met een bloemperk, waar witte leliën zich op haar stengels wiegen; aan dit terras grenst een breede trap, die naar een langwerpig bassin voert, waaruit een prachtige waterstraal van vijftig el hoogte ontspringt. Aan de overzijde van dat bassin begint eene reeks van terrassen en bloemperken, die amphitheaters-gewijze omhoog stijgen naar een kleinen zuilentempel, waarin een wit marmeren Venusbeeld is geplaatst.—De zijgevels hebben het uitzicht op bloem- en grasperken, versierd met standbeelden en omgeven door geschoren hagen en prieelen; uit den achtergevel heeft men het gezicht op eene reeks van kunstmatige watervallen, die in de berghelling zijn uitgehouwen en bekroond worden door eene fraaie groep van Neptunus in zijn wagen.

Deze geheele dekoratie maakt zeker op een plaat of van verre gezien een zeer schoon verrassend effect: jammer slechts, dat gij deze fraaiigheden niet van nabij moet bekijken. Wie zou hier balustraden van kunststeen, vazen en standbeelden van zink verwachten; wie, een gebouw van baksteen en hout, uitwendig met cement en dergelijke kunstmiddeltjes bepleisterd en beplakt? Heeft de werkelijk kunstlievende Koning dit, in een oogenblik van verbijstering, inderdaad aldus gewild, of heeft men hem gewetenloos bedrogen? Hoe het zij, een aantal zuilen en beelden, festoenen en guirlandes zijn reeds gebarsten en brokkelen voortdurend af, ondanks de herhaalde reparatiën. Op deze hoogte, te midden der bergen, zou alleen het graniet aan de vernielende werking van het klimaat weerstand kunnen bieden.—Het inwendige van het kasteel, hoewel ook daar teekenen van ontijdig verval ten gevolge van slordige constructie zijn waar te nemen, is over het algemeen met meer zorg afgewerkt.

De vestibule, die met drie fraaie hekken is afgesloten, prijkt met een ruiterstandbeeld van Lodewijk XIV. In het midden van de zoldering schittert eene groote gouden zon met het beroemde devies: Nec pluribus impar. Een dubbele wenteltrap voert naar de bovenverdieping, die zes groote [183] kamers en aan de hoeken vier kleine boudoirs bevat. De zes staatsievertrekken zijn: twee salons naar de Gobelins genoemd, een kabinet, een slaapkamer, een eetzaal en de spiegelsalon. Overal ziet ge borstbeelden en portretten van Lodewijk XIV en Lodewijk XV, en geschilderde voorstellingen van het leven aan het oude fransche hof. In de boudoirs, die met geel, paars, rose en blauw zijn bekleed, vindt men eene merkwaardige verzameling van pastelteekeningen, en daaronder de portretten van madame de Pompadour, van la Dubarry, van den hertog de Choiseul-Praslin en den kanselier de Maupeou, van de hertoginnen de Grammont en de Châteauroux, benevens van andere celebriteiten van het hof van Louis XV. In de eetzaal is eene inrichting aangebracht, waardoor de tafel des Konings naar de benedenverdieping daalt en weder gedekt oprijst.—De slaapkamer, die geheel afgewerkt, beschilderd en rijk verguld was, ligt tegenwoordig weer geheel overhoop, daar de Koning—men weet niet waarom—bepaald had, dat deze kamer zou worden vergroot, door den muur aan de tuinzijde drie meter verder naar buiten te brengen. Deze verandering was van zoo ingrijpenden aard, dat daardoor zelfs eene verbouwing van de watervallen en eene verplaatsing van de groep van Neptunus noodig werd geacht!—De koninklijke vertrekken vermoeien door overlading van pracht. Al die trumeaux en corniches, al die draperieën, behangsels en meubelen, uwe oogen verblindende door de schittering van goud en bonte kleuren, getuigen zoo zeer van wansmaak en gebrek aan echten kunstzin, herinneren zoo zeer aan de achttiende eeuw met haar ijdelen tooi en valschen schijn, dat ge er al zeer spoedig genoeg van hebt.

In het park en langs den zoom van het bosch vindt ge nog een aantal merkwaardigheden van hetzelfde genre verspreid.—Ziehier vooreerst eene kleine kapel, vlak bij het kasteel, en die door haar eenvoudig uiterlijk sterk afsteekt bij de pracht van haar buurman. Voorts een majestueuse, eerwaardige linde, waaraan Linderhof vermoedelijk zijn naam heeft te danken. Hoewel deze boom de symmetrische eenvormigheid der terrassen verbreekt, heeft men toch de goede gedachte gehad, hem om zijn hoogen ouderdom te sparen. De Koning had rondom den zwaren stam en tusschen de takken trappen en rustieke zitbanken laten aanbrengen; naar men zegt, gebruikte hij daar ’s morgens zijn ontbijt, luisterende naar het gezang der vogels.—Op eenige minuten afstands van het kasteel vindt men eene oostersche kiosk en dan de beroemde blauwe grot. Deze kiosk, welke tegen eene prachtige rij beuken op een der terrassen is geplaatst, is afkomstig van ik weet niet meer welke wereldtentoonstelling. Uitwendig gelijkt zij op een muzelmansch grafteeken; het inwendige schittert van goud en sprekende kleuren. In eene soort van alkove staat een breede divan, geheel met veelkleurig borduursel bedekt, en waarboven drie pauwen zijn geplaatst, wier uitgespreide staarten, door elektrisch licht beschenen, schitteren en flonkeren als diamanten.

Maar de grootste merkwaardigheid is wel de blauwe grot, eene navolging van de beroemde grot van Capri. Zij is geheel in de berghelling uitgegraven en beslaat eene zeer aanmerkelijke oppervlakte; behalve de lange smalle gang, die tot haar voert, bestaat zij uit eene groote en eene kleine zaal, benevens een aantal nissen en donkere hoeken, waar rustbanken zijn geplaatst. Het middelste gedeelte wordt ingenomen door een meertje of vijver van vijftien meter breedte, waarin zich met groot gerucht een waterval stort. Hier is letterlijk alles namaak: de rotsen en de stalaktiten zijn van cement over een vlechtwerk van ijzerdraad; nagemaakte palmen, nagemaakte lotussen en nagemaakte bloemkransen prijken langs de wanden en langs den zoom van het water; tegen den oever ligt een bootje, waarvan de voorsteven met een amor is versierd, terwijl van achteren, op een bed van bladeren en rozen, duifjes trekkebekken. Tusschen twee vooruitspringende rotsen is een groot doek gespannen, waarop Tannhäuser is afgebeeld, slapende aan de voeten van Venus en omstuwd door bacchanten en razende faunen. Een reeks elektrische lampen, waarvan de draaiende glazen door bijzondere, zeer kostbare machines in beweging worden gezet, verspreiden over het geheel een telkens wisselend licht, dat eindelijk in al de kleuren van den regenboog straalt....!

Deze wonderlijke grot, die ons geloof aan den esthetischen smaak des Konings op eene harde proef stelt, herinnert zoozeer aan eene kermisvertooning of aan het slottableau van een ballet, dat het eene ware verkwikking is als ge, uit deze tooverwereld van twijfelachtig allooi getreden, uw hart weer moogt ophalen aan de kalme ernstige schoonheid der natuur, die geen valschen tooi behoeft. Aan alle kanten bieden zich heerlijke wandelingen aan; wilt ge een verrukkelijk schoon gezicht op de vallei hebben, begeef u dan naar den kleinen zuilentempel, dien ik reeds noemde. Van ditzelfde punt onderscheidt ge ook, in de verte, op de uiterste spitsen der tegenoverliggende rotsen, twee kleine châlets, die als uit de lucht schijnen gevallen. Ook dat zijn koninklijke verblijven, waarin Lodewijk II, die steeds bij voorkeur de hoogste en eenzaamste plekjes opzocht, nu en dan eenige dagen ging doorbrengen. Nog dieper in het gebergte had de Koning wederom andere plekken uitgekozen, om daar verschillende gebouwtjes te doen plaatsen. Dicht bij de grens, langs den partikulieren weg, die van Linderhof naar Hohenschwangau voert, heeft hij een marokkaansch paviljoen en de zoogenaamde Hundinghütte laten bouwen. Deze laatste moet eene oud-germaansche hut voorstellen, en is de getrouwe navolging van de hut van Hunding, zoo als die in de Walküre van Wagner voorkomt. In de nabijheid van de Plansee eindelijk had Lodewijk II den bouw ondernomen van een paviljoen van Sint-Hubert.

Vatten wij onze indrukken van deze koninklijke residentie samen, dan moeten wij bekennen dat het kasteel van Linderhof een juweel van kunst had kunnen worden, indien de Koning zich door een soberder en fijner smaak had laten leiden en weerstand [184] had weten te bieden aan de verlokkingen eener geblankette en opgetooide rococo-kunst, die hier allerminst op haar plaats is. Maar toch, ook zoo als het nu is, behoort dit kasteel met zijne fantastische omgeving en bijgebouwen, tot de eigenaardigste merkwaardigheden der streek; en de woest-verheven, romantische bergnatuur, die dit paviljoen à la Pompadour omringt, draagt er niet weinig toe bij om de aantrekkelijkheid en bekoring er van te Verhoogen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings