← Table of contents
De Eenzame; "Klok" "Klok"; Een lustige broeder

dr. Jaak BOONEN.

Reading edition

De dag grauwde, een oude haan op den dampenden mesthoop kraaide van dartelen overmoed, jonge haantjes kiekerkieden na, de koeien in den stal loeiden en de varkens knorden om nieuw voeder.

Het was vroeg in den ochtend op de kleine boerderij. De meid was het eerste op de been, schreeuwde twee maal op den knecht «Jan, Jan, eruit», die dit geroep met een dof «ja» beantwoordde en liep naar achter buiten den mesthof om brandhout, dat vlak bij de roodsteenenschuur met breed afhangend dak opeengetast lag. Uit een zwart-grijzen mutsaarden hoop trok zij lastig er een uit en legde hem op den houtblok.

Toen ze even kapte, hoorde ze op eens een geritsel en gezucht. Ze schrikte, zag rond maar bemerkte niets en luisterde nog eventjes. De dikste knuppels klief ze in tweeën, het lichtere hout kortte ze met de handen, het gezicht scheef trekkend en de oogen toenijpend, als het niet vlot genoeg brak. Weder hoorde zij hetzelfde gerucht. 't Leek een geronk. Zij liet hou en wapen liggen, piepte angstig rond en gluurde dan in de schuur van waar zij meende dat dit vreemd geluid komen moest.

Iets roods, iets vuurroods ontwaarde zij. Het verroerde. Mogelijk lag een man op het stroo. Zij vloog naar binnen met hoog opfladderende rokken en liep Jan bijna omver, die met zijn slaperige oogen en gapenden mond de lucht bestudeerde om te zien welk weder het vandaag geven zou.

Met hijgenden boezem en kloppend hart vertelde ze aan den knecht dat er iemand in de schuur lag te slapen. Zij had hem gehoord en gezien. Jan lachte en wilde het niet gelooven. Gedroomd had zij. Maar Trien, bleek van schrik was zeker van haar oogen. Zij had hem zien bewegen. Een rood geruiten zakdoek droeg hij om den hals. Hare verbeelding werkte nu zoo sterk, zij had den heelen mensch goed gezien. Wie mocht het zijn en wat gedaan?

Jan, die geen moedig hart onder den riem droeg, wist niet wat te doen. Zouden zij den ouden boer wekken, maar die kon ook geen vlieg meer kwaad doen.

En was het waarheid? De dienstmeid verstoutte zich. Ze zouden samen door den ouden stal gaan en van uit de achterdeur stil toezien of er werkelijk iemand lag. Jan greep een riek, Trien volgde met een gaffel. Met ingehouden adem en stille voetpasjes gingen zij op de deur aan. Den kop stak de knecht langrekkend door de deur in de richting van de schuur. Hij zag niets en schuddebolde. Trien duwde hem vooruit, wat Jan erg angstig maakte en hij wilde teruggaan. Maar Trien drong hem verder en wees met den vinger naar de roode plek.

Ja, daar zat iemand op het stroo. Snel trokken zij zich terug tot bij de huisdeur. Nu raadpleegden zij. Wat zouden ze er meedoen? Dat kon een gevaarlijk man zijn. Wellicht een landlooper, een nietsdoener, een leelijke Pruis. Hij kon gewapend zijn. Blinkende scherpe messen zagen ze kervend voor hun geesten. Revolverschoten knalden en pangden rond hun hoofden.

Alleen durfden zij het zaakje niet aanpakken. Na alles gewikt, gewogen en goed bevonden te hebben, dat ze te licht waren om dien onbekende, een reus misschien, te lijve te gaan, kwamen ze overeen dat Trien, den buurman Karel, die sterke armen had en vaar noch vrees kende, zou roepen.

Jan hield intusschen gewapend de wacht, nauw lettend op een eenigen afstand of er geen gedrocht uit de schuur te voorschijn kwam.

Het dienstmeisje ijlde met rassche schreden tot bij den kloeken boer, die op een drie minuten gaans een klein maar net huisje bewoonde.

Room-gelig kleurde zich het opbleekende Oosten. Over de landouwen welfden kleine grijslichtende wolkjes omhoog, vogeltjes kwinkeleerden, fladderden en rumoerden lawaaierig in den geurenden boomgaard en de groene hagen.

't Was een frissche aangename lentemorgen

Karel werkte in zijn hofje, toen Trien bij hem kwam aangeloopen. Hij moest medegaan. Daar zat een verdacht, een onheilbrengend man in de schuur. Zij vertelde eerst wat ze gezien had en meende te hebben ontwaard. Karel buur was niet bevreesd. Hij had in zijn leven voor andere leelijke dingen gestaan. Op kermissen had men hem willen doen loopen gaan. Maar bewust van zijn kracht, bleef hij alleen staan, als de ander laf wegbeenden en vocht als een woedene leeuw, hakte en kerfde. Liever liet hij zich kapot slaan dan zich blootweg over te geven of te vluchten. Met zoo 'n man dacht Trien zullen wij het pleit wel winnen. Haar opjagende angst stilde.

Voor twee jaar had hij in een naburig dorp waar men hem een geduchtige rammeling wilde geven, den herberg-inboedel kort en klein geslagen. Een paar maanden nog maar geleden had hij in «de Roode Ster» twee duiveljagende Pruissen erg toegetakeld.

En met dezen zou hij ook kort recht spelen.

Jan kwam hem te gemoet. Gelukkig voor hem, hij had de wapens niet moeten gebruiken. Stil fluisterde hij dat de vent er nog lag te ronken. Karel zou er hem wel uitdonderen. Het rood schemerde nog altijd boven op het stroo.

De dienstboden moesten op een tien meter afstand van de schuur gewapend post vatten en hem geweldig op zijn ribben slaan als hij er uit kwam gedromd. Door de spitsroede moest hij.

Karel zocht en vond den gewenschten knuppel en ging daarmede op de schuur aan.

Op een drie passen van de stroomijt, de oogen strak naar boven gericht, begon hij: «Vriend, ik verzoek u vriendelijk op te staan.» Geen antwoord. Harder klonken de woorden, die nu een eischend dringend bevel werden.

Lang genoeg had de man geslapen. Hier was geen logement.

Niets was er te zien. Enkel hoorde men een heel stil geronk.

't Zou wellicht een zatlap zijn, die zijn roes uitsliep en zijn liters bier uitzweette.

Heller en feller riep Karel «Kom eruit.» En anders.»

Dat geluid en dat geschreeuw moest een doode levend maken.

Mogelijk ook een vreemde, die de landstaal niet verstond.

Karel, die in zijn jonge jaren in de Rijnprovincie gearbeid had, herhaalde op zachte, op heftige wijze in geradbraakt Duitsch zijn bevelen. Doof en stom.

Duitscher was hij ook niet...

Jan, die twee jaar te Luik bij de zandruiters gediend had, moest hem in 't Fransch aanroepen. Op het oogenblik kon hij geen gebenedijd woord eruit krijgen.

«Slapen,» «opstaan» hoe zei men dat weder? Hij kon er niet meer opkomen. Gekend had hij het. Die woorden alsmede zijn ander Fransch waren tusschen zijn veldarbeid, in bosschen en hagen verloren gegaan.

Op eens begon hij met schetterende bevende stem te roepen: «Garde à vous, Présentez-armes... Joue, joue, joue.»

Trien moest het uitproesten van lachen. Wat trok die Jan daar een leelijk gezicht. En zij herhaalde half lachend «Joue, joue».

«Non de tonnerre...» sakkerde Jan nog eens.

Maar de gewaande Franschman ronkte en zuchtte door...

Kende Trien ook maar een vreemde taal, zij zou hem wel wakker maken.

De moedige Karel wilde het nog eens beproeven of hij op zijn Vlaamsche vragen geen bevredigend antwoord bekwam. «Vriend wilt gij opstaan? Het is meer dan tijd» Maar de vriend hoorde noch sprak. Toen werd Karel's stem weder barscher. Hij gebood hem op te staan in den naam der wet, uit Konings naam. Als dat niet hielp dan zou hij naar boven komen en hem naar beneden smijten. Verder dan vijf minuten in den omtrek kon men zijn bulderen hooren.

Maar de man zonder taal sliep den slaap der rechtvaardigen.

Dat moest hij hooren of neen was hij dood. En wat dan aangevangen?... Zij luisterden nog eens, daar zoefde nog iets. Er was nog leven.

Nu begonnen Trien en Jan den buurman op te hitsen.

Dat mensch deed alsof hij niets hoorde.

Dit prikkelde Karel's gespannen zenuwen. Daar moest een einde aan komen. Hij had hun geduld al lang genoeg getart. Naar boven zou Karel klimmen, om hem met zak en pak naar beneden te bliksemen. Om zekerder van zijn stuk te zijn bediende hij zich van een kleine ladder. In de rechter hand hield hij den knuppel dreigend gereed, met de linker klampte hij zich sport voor sport vast en keek angstig naar boven. Nu kregen Jan en Trien eerst voor goed het kippenvlees.

De man moest Karel eens den kop inslaan. Bevend hielden zij hem in het oog. Toen Karel bijna met het hoofd over het stroo kon zien, vloog een haan verschrikt weg: «Klok», «Klok». Wat was dat? Over het gansche stroo was geen levend wezen meer te vinden.

Zij stonden een oogenblik paf. Maar toen begonnen zij allen te schaterlachen. De haan! Kokkelorus

Maar hemel toch, dat was nog nooit gebeurd. Nu konden zij niet begrijpen hoe ze dat niet eerder gezien hadden. Wederom werd er gelachen. Maar Trien lachte het meest. Karel maakte zich nu boos en meende dat men hem had willen bij het lijntje krijgen.

De twee dienstboden moesten al hun uiterste best doen om den verbolgen man tot bedaren te brengen. Hij wilde hen aftroeven en smeed woedend zijn knuppel naar den haan, die van verre zijn zege onbewust uitkraaide. Maar zij wisten Karel te overtuigen, dat ze werkelijk meenden dat er iemand op het stroo te slapen lag. Hij moest mede binnenkomen en de koffie drinken. Anders zou de baas, aan wien ze de grap gingen vertellen, niet tevreden zijn. Het oudje was er mede in zijn nopjes. Sedert lang had hij zoo hartelijk niet meer gelachen. Daar moest op gefeest worden. Spek en eieren werden in de pan geslagen. Een dikke koffie schudde de meid op. De gebeurtenis werd onder veel lachen twee, drie maal verteld. Als de buikjes verzadigd waren, bedankte men Karel voor zijn heldhaftig optreden, die liefst had dat men er verder over zweeg.

Die verdomde haan!...

Broeder
Broeder
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings