← Table of contents
De Eenzame; "Klok" "Klok"; Een lustige broeder

dr. Jaak BOONEN.

Reading edition

«OPSTAAN, hier niet blijven liggen.»

Een fatsoenlijk mensch belt eerst aan mijn hotel» zei dronken Harike, liggend met romp en kop diep ineen gedoken in een hooihoop; zijn beenen even uit het spichtige dorre gras naast een pet met breede voorklep en een bundel biezen. Nog grommelde hij eenige woordjes en ronkte zijn roes verder.

De gendarmen, die hem gewekt hadden om te hooren en te zien wie daar onder den blauwen hemel tabernakelde, lachten en gingen verder. 't Was hun geen onbekende. 't Was weder Hari, altijd dezelfde.

Woning heeft de man niet. 's Zomers slaapt hij waar zijn waggelende beenen hem het eerst doen ineenstorten. 's Winters zoekt hij nachtverblijf bij den eenen of anderen boer. Daar slaapt en droomt hij zoo goed en zacht ais een kind in zijn weelderige wieg.

't Is een jonggezel van in de vijftig jaren, maar hij heeft nog gezonde knoken aan het lijf, door alle weders en lucht verhard en gestaald, en een goede maag, die veel, heel veel spoeling wenscht en bekomt.

Meestal draagt hij een frak, een oude afgedankte trouwjas, die in zijn plooien en vouwen hooitjes en strooitjes bergt ais teeken van zijn nachtelijke tochten. Zoo gauw zijn broek versleten is, krijgt hij een afgedragene bij een «goeden braven Heer». Die is nieuw voor hem. Hij kent zijn klanten, die niet zouden willen dat hij in lompen over de straat zwenkt. Zijn voeten steken in groote schoenen, die niet op zijn leest geklopt werden. Meestal is zijn halskraag van de witsten niet.

Doch dit steekt niet erg af met zijn vel, dat niet van water houdt.

Hij moest nu en dan eens geschrobd worden, oordeelden de lui.

Stoelenvlechter van beroep is Hari. En drinkebroer van eerste klas. Eerlijk en braaf. Deftigheid zijn leuze. Drinken zijn alledaagsche motto en hoofdwerk. Vosslim. Zonder veel werk en zonder eigenlijk bedelen alle dagen zijn botten vol drank.

Als hij 's morgens in de vrije lucht ontwaakt, wrijft hij zich de oogen eens goed uit. Vindt hij dadelijk geen beekje of wat water, dan maar door. Straks zal hij zich wel ergens kunnen wasschen. Dikwijls vergeet hij het. Met zijn waggewiggelende biezen op den rug en de pet diep achter op den kop gaat hij op weg niet wetend naar links of rechts, vraagt zich peinzend af waar hij gisteren geweest is, waar heden iets los is. Dan vandaag naar den anderen kant, steekt zijn aarden pijpje aan en dampend ais een schoorsteen trekt hij de eerste herberg binnen om een verkoelenden borrel, die hij voor zijn ontbijt houdt. Hiertoe bewaart hij altoos vijf centen van daags te voren. Moest hem de bazin een tweede druppel ingieten, heel vriendelijk; weigeren doet hij niet of nooit.

Lippensmakkend ijlt hij verder op zoek naar wat werk, een bete broods en veel, veel borrels...

In lente en zomer leeft Hari in voortdurende feestweelde.

Alle Zondagen en de meeste werkdagen is er dan hier, dan ginder iets te feesten. Dat weet hij beter dan iemand, dit staat zoo vast in zijn grijzenden kop ais in den Maastrichter almanak.

Hij kent al de feestjes, de groote en kleine kermissen, de veemarkten, de verkoopdagen, de trouwdagen van de beste ingezetenen...

Daags voor de kermis komt hij met zijn biezen het dorp in «Geen stoelen of matten te vlechten?» Langs de straat vliegen de huisdeuren open, winkelbelletjes schellen, nieuwsgierigen komen buiten piepen, kinderen roepen zegevierend: «Harike is daar.» Nu zet hij zijn vroolijkste gezicht op, vlecht soms hier en daar wat, vraagt of men kermisgereed is of 't baksel goed gelukt is, of Hari ook een stukje krijgt.

Bij de goede boeren, de enkele renteniers, bij den pastoor en den burgemeester weet hij praatjes naar hun zin te verkoopes. Te herstellen viel er niets--dit wist hij voorop--hij wenscht hun dan een goede vroolijke kermis. Zonder rechtstreeks iets te vragen wordt hem kermisgeld in den zak gestopt. Hij heeft met goede lui te doen, die kunnen lijden dat de zon in het water schijnt.

Nergens was hij uitgenoodigd en toch ging en kwam hij overal. Vast overtuigd is hij dat hij de gast van het gansche dorp is.

Aan de jonge meisjes wenscht hij een goeden vrijer, de jongens een mooi lief kermismeisje. Dit was water op hun molen. Hari moest met de kermisdagen maar eens aankomen. Hij dankte en zou het bij gelegenheid wel doen. Alle menschen moeten leven en Hari ook.

In de koffiehuizen, waar de herbergprinsesjes hoekjes en kantjes netjes afstoften, de glazen spoelden en waschten, de koperen knoppen van deuren en vensters glanzend blinkten, trekt Harike de sluizen zijner welsprekendheid wijd, wijd open...

Hij weet hun te vertellen en op te schroeven dat het goed kermis zijn zal; dat de bewoners der omliggende dorpen goed op zullen dagen, dat verschillende clubben van heinde en verre zullen afgefietst komen.

Lieske, Betje, Antje en Netje hadden de groeten van hun vrijers. Hij had ze gezien en gesproken. Vroeg zouden ze morgen hier zijn, ze dachten zich goed te vermaken met hun lief poesjes. Van hun vrijages was hij op de hoogte. Sloeg hij ook al eens den bal mis, dan wist hij zich met een schaterlach uit den slag te trekken. Overal kreeg hij een borrel, vandaag een heelen grooten omdat het kermis was--en hier was het stil om te doen. Als de late avondzon aan de westerkim vuurrood onderging, heeft Hari den vooravond der kermis goed ingezet en zingend trekt hij naar een aangewezen schuur, die hem tot slaapleger dient. Hier slaapt hij gedurende vijf dagen zijn kermisroes uit en laat zijn biezen ongeschonden veilig liggen.

Den Zondag morgen wascht hij zich Paaschwit bij den herbergzamen boer. Vandaag moet Hari deftig er onderuit komen. In witten halskraag en zuiver hemd--gisteren bij een goeden vriend met een onnoozel oogknipje en een korte vingerwijzing opgedolven--en uitgeklopte kleederen, gaat hij na eerst eentje gepakt te hebben naar de hoogmis. Hij bidt en dankt den Heer, dat Hij hem laat eten zonder gezaaid noch gemaaid te hebben. Bij den afloop der kerkelijke diensten meldt hij zich heel beleefd bij den voorzitter der fanfare of schutterij aan. Hij biedt zoo als ander jaren zijn diensten aan.

De menschen waren over hem tevreden. Hij mocht weder vaandrig of piekdrager zijn; hij mocht weder den standaard of de dikke trom der fanfare dragen. Zijn aanstelling vroolijkt hij luide uit. Hij vertelt als een groote gebeurtenis aan iedereen dat hij de kermis met zijn tegenwoordigheid komt opluisteren. Gek doen staat nu eerst voor goed op zijn kermisprogramma.

Zegevierend huppelt hij de herbergen in, groet vriendelijk de lui en krijgt den meesten drank geschonken.

's Middags weet hij behendig ergens zijn beenen onder de kermis-dischplank te schuiven. Maar in den namiddag begint eerst zijn vroolijk leventje.

Zijn pet en jas smukt hij fijn met bloemen en flarden op. Dit vestigt dadelijk de aandacht op hem van groot en klein, die gunstig voor hem gestemd worden. Naar links en rechts loopt hij alhoewel hij nergens zijn moet. Hij draaft achter de hoofden der vereeniging. Die moet hij bij hun jas houden en die brengen hem drank in den maagkelder.

Als de fanfare--daar heeft hij de meeste pret bij--uit haar koperen speeltuigen een schetterende muziek doen opklanken, danst Hari als een dartele jongen van vijftien jaar. Lustig, vrolijk, herberg in, herberg uit, trekken de muzikanten het dorp rond. Fratsen en kwinkslagen van Hari worden als tusschenspelen gegeven. 's Avonds heeft de man het lijf vol drank op de kas der vereeniging. Zooals de eerste dag, zoo gekt hij de ander dagen om.

Den zesden morgen scharrelt hij zijn biezen bijeen en gaat naar een ander kermis, eerst in het dorp nog eens loerend of er geen navierders zijn, dan plakt hij er den voormiddag nog bij...

Dan verder op zoek naar vreugde met kosteloozen drank overgoten...

Zoo vliegt de jolige zomer voorbij met zijn wonne en zonne.

De herfst met zijn sombere en korte dagen, de winter met zijn nijpenden vorst en koude sneeuw zijn niet bij machte Hari weemoedig te stemmen.

Daar komen nog eenige nakermissen, die hij goed medeviert. Nergens vertoeft hij nu lang. Hoort hij onderweg kanonnetjes ergens afvuren, dadelijk slaat hij die baan in. Er heen. Daar trouwen of ondertrouwen ze--en daar wordt drank, veel drank ten beste gegeven. Daar mag Hari ook bij zijn en zijn kannetje van medenemen.

Om dezen tijd vieren de in-verlof-zijnde boeren plechtig de feestdagen van de beschermheiligen hunner parochiën. Eer al die heiligen hun waslicht hebben, vliegen er veel weken voorbij en Hari heeft er zijn drinkpenning geofferd en meer nog ontvangen.

Voor en na het blanke kerstfeest wenscht hij enkel de gegoeden een zalig hoogtij.

Gansch den maand Januari heeft hij noodig om zijn klanten een gelukzalig nieuwjaar te wenschen. Als de menschen hem ook al zeggen dat hij er zoo erg laat mede afkomt, dan weet hij te antwoorden dat hij het erg druk gehad heeft. Zijn wenschen zijn daarom niet minder oprecht. Beter laat dan nooit.

Met Februari begint de stille tijd, het kalme sezoen voor Hari en hij vervlecht de biezen waarmede hij maanden op en af gedraafd en gesleurd heeft en die erg veel van regen en wind, zonneschijn en vorst geleden hebben. Om te lappen zijn ze goed. De menschen zijn nog al gauw tevreden, daar hij geen hoog loon vraagt. Moest zijn werk blijven duren, dan kon hij niets meer verdienen. Alle menschen moeten leven en Hari ook.

Intusschen valt hij toch nu en dan eens met zijn gat in de boter bij dorpsbraspartijen en de vette gekke vastenavonddagen.

Als hij moe gewerkt is zwiert hij naar koffiehuizen waar hij bij ondervinding weet dat de menschen van zijn gewonen zeever niets moeten hebben. De lui zeggen dat ze geen tijd hebben. Hij moet maar gauw zijn grooten druppel uitdrinken. Zonder iets te betalen mag hij de deur uit.

Anderen, die van zijn met opzet gemaakte ellenlange litaniën niets hooren willen, geven hem gauw vijf centen om hem vroolijk zonder binnenkomen langs te zien trekken.

Bij nog anderen gaat hij enkel binnen als er goede vrienden van hem rond den toog staan. Gauw eentje gewipt en Hari is weg met een «hartelijk dankje» voor den milden gever.

Hari kent de omstreken op zijn duimpje. Hij kent zijn klanten, zijn vrienden en zijn vijanden. Iedereen weet en tracht hij naar zijn zin te praten tot grooter voordeel van zijn dorstige keel, die dagelijks het hare goed krijgt.

Acht dagen voor Paschen, staakt hij alle werk. Voor eenige dagen laat hij biezen en stoelen met rust. De goede week moet voor hem bizonder goed zijn.

Voor nieuw kleedsel van kop tot teen loopt hij rond en verkrijgt het. Goed geloovige menschen weet hij wijs te maken dat zoo ze hem niet helpen in het bekomen van een nieuw pak, hij zijn paaschplichten niet kan vervullen. Dat zou doodjammer zijn en de Heer van hierboven zou dat ook niet willen.

En moest het eens gebeuren dat hij stierf dan zou St. Pieter hem aan de deur laten staan, zoo hij in slecht verzorgd gewaad kwam aankloppen.

Paaschdag staat Hari in een deftige kleeding, vervult zijn christelijke plichten. Dien dag heeft hij zijn inwoning bij heel brave lieden. Diep ingetogen, gedwongen ernstig is hij dien dag.

's Anderendaags beginnen zijn zwervende lentesotterniën...

Einde
Einde
De Eenzame
De Eenzame
De Eenzame
De Eenzame

[achterplat binnenkant] [achterplat buitenkant]

COLOFON Eerste publicatie: in de verhalenbundel Van Arme Menschen, P.N. Van Kampen en Zoon, Amsterdam, 1901. Dit electronisch bestand is gebaseerd op de publicatie in Flandria's Novellenbibliotheek, nr. 105, 1909. De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, verouderde spelling, er zijn geen wijzigingen aangebracht. De kwaliteit van het origineel is zodanig, dat niet altijd duidelijk is wat er precies staat. Vreemde woorden of schrijwijzen, evidente en vermoedelijke zet- of schrijffouten zijn behouden gebleven. Deze editie bevat heel wat inconsequenties met betrekking tot interpunctie, kapitalen, aanhalingstekens en het gebruik van lidwoorden. Deze zijn behouden gebleven. Bovenstaande schrijfwijzen zijn hyperlinks in de tekst die verwijzen naar de tabel onderaan dit colofon. De paginanummers zijn verwijderd. Spaties voor leestekens zijn verwijderd. Het gebruik van guillemets («») is behouden gebleven. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn hersteld. Voetnoten zijn verplaatst naar het einde van de tekst met de verwijzing. Gedachtestreepjes zijn vervangen door --, gedachtesprongen door een lijn. Johan Boelaert 06/02/2015

Blz. Bron Correcties, commentaar of verklaring

De Eenzame

blz. 1 LENTE, LENTE.

blz. 3 en laaggewelfd een laaggewelfd

blz. 4 vier ver

blz. 6 verslinden, verslinden.

blz. 9 Wilt «Wilt

blz. 10 Poover, schertsten Poover,» schertsten

blz. 13 de spoor de spoorweg

blz. 13 s'ochtends 's ochtends

blz. 15 werkelijk, een werkelijk een

blz. 15 werd ,hem, in werd hem in

blz. 16 dacht nu; wat is hij laat, van avond? dacht nu: «Wat is hij laat, van avond!»

blz. 19 Ho! - Ho!

blz. 22 af' af

Klok Klok

blz. 23 mutsaarden hoop mutsaard: takkenbos, rijsbos

blz. 23 op eens een opeens een

blz. 24 zij liet hou en wapen liggen zij liet alles vallen

blz. 25 meedoen? mee doen?

blz. 26 lentemorgen lentemorgen.

blz. 27 En anders.» «En anders.»

blz. 28 zandruiters zandruiter: iemand die van zijn paard valt. Hier wschl. spottende naam voor soldaat.

blz. 28 Présentez-armes présentez-armes

blz. 28 Non de tonnerre Nom de tonnerre

blz. 29 Kokkelorus Kokkelorus!

Een lustige broeder

blz. 33 dorp in «Geen dorp in: «Geen

blz. 34 is of is, of

blz. 37 de ander dagen de andere dagen

blz. 37 een ander kermis een andere kermis

blz. 38 sezoen seizoen

blz. 39 Paschen Pasen

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings