HERMAN ROBBERS. (continued 3)
Reading edition
De afspraak was dat ze bij Holman zou gaan koffiedrinken; er was nog 't een en ander dat ze koopen moesten voor hun huis, wat meubelen, een paar portières—en nog meer versiering, maar dat had geen haast vond zij—; ze zouden daar na de koffie samen op uit gaan; Louis kon dien eenen dag de Beurs wel eens overslaan.... Maar als ze aan dat plan ging denken, was 't telkens enkel Paul dien ze voor zich zag, want ze zou hem bij Holman zeker wel ontmoeten.... 't Verheugde haar..., en deed haar tevens opzien tegen 't koffie-uur als tegen iets moeilijks. Het was ook—nu ze Paul den ganschen vorigen dag vergeefs verwacht had—alsof er tusschen hem en haar iets hing wat een ontmoeting lastig maakte....
Maar door haar jachterigen ijver was ze nog vroeger klaar dan 't hoefde; ze kwam al éven twaalf uur in de Westerstraat en vond er nog alleen haar aanstaande schoonmama, die haar als altijd vroolijk-vriendelijk ontving en dadelijk druk begon te praten, kameraadschappelijk, vooral over de danspartij die ze Donderdag zou geven en over de japon die ze daar zelf zou dragen. De naaister was er juist geweest voor 't over-passen, o! hij zat zoo prachtig, innig-snoezig en echt gekleed; een ruche om den hals die was om te stelen! dól, dól elegant!... Louis zou tegen half één komen, maar hij liet zich wachten. Zijn moeder vond het noodig hem te excuseeren bij zijn bruid—haar armen goeien jongen, hij had het ook altijd zoo vreeslijk druk!... 't Was wel gebonden, hoor, zoo'n leven, maar enfin! 't Moest er van komen, niet waar?... de zaken moesten 't 'm doen?... En mevrouw Holman schudde haar grijze hoofd van louter beweeglijke vroolijkheid, en begon telkens weer over dat feest, zóó was ze er van vervuld.
Intusschen was Paul thuis gekomen. Annie had zijn stap gehoord in de gang, en verwachtend hem dadelijk daarop te zullen zien had ze een vage beklemming gevoeld, een klopping in haar keel,—maar hij was blijkbaar naar zijn kamer doorgeloopen; pas later kwam hij binnen, toen Louis er ook juist was. De bruigom kwam tien minuten voor éénen. Hij was erg gehaast, praatte rad, zenuwachtig en nog gemaakter dan anders. Het speet hem ontzettend, zei hij dadelijk, maar hij kon onmogelijk nu mee naar de winkels, hij moest absoluut op de Beurs zijn, van-middag, er was niets aan te doen, en later kreeg hij iemand bij zich op kantoor. Ze rekenden uit of het dan nog op een anderen dag zou gaan, maar er waren er, behalve de Zondag, nog maar vijf, en den eenen dag was er dit, den anderen dat, uitgesteld kon het ook niet. Mevrouw Holman vond dat nu vreeslijk jammer, zat er wat over te zeuren. En Louis, knikkend, beamend—ja, 't was jammer!—bediende zich intusschen haastig, schoon niet zonder aandacht, van al wat op tafel stond, maakte een paar glimlachende aanmerkingen op de koffie die te slap en de boter die te hard was, en zei in-eens, luid animeerend en met een coquette gemaaktheid in zijn stem en zijn lachje, dat Paul dan voor van-middag de honneurs maar eens voor hem moest waarnemen, zijn bruidje chaperonneeren en helpen kiezen. Hij had zoo'n uitnemenden smaak, Louis liet het dolgraag aan hem over....
Hij was stil binnengekomen, de schilder, en had nog niet veel gezegd. Hij scheen kalm, eenigszins abstract en gedrukt; Annie had al een paar maal oplettend naar zijn bruinig bleek gelaat gekeken.
Hij schrok toen hij 't Louis hoorde zeggen van dat meegaan met haar. Hij gaf er niet onmiddellijk antwoord op.... Want zijn plannen kwamen er plotseling geheel door in de war, op zoo iets had hij heelemaal niet gerekend.... Wel meende hij er in geslaagd te zijn zich in een geestes- en gemoedstoestand te brengen, waarin het mogelijk was haar te ontmoeten zonder al te zeer ontroerd te worden. Maar hij had zich Annie ook weer aldoor voorgesteld, zooals hij haar tot dusver had gezien, in gezelschap van anderen.... Met haar alleen zijn, lang, dat was geheel iets anders, daar was hij niet voor gereed....
Paul had in den nacht van Zondag op Maandag, en toen dien Maandagmorgen op een rustelooze wandeling, veel nagedacht, gestreden met zich-zelf, getobd, geleden. 't Verlangen weg te gaan, te vluchten naar zijn eenzaamheid in Brabant, was weer teruggekomen met telkens krachtiger vlagen. De stadsomgeving werd ál harder, hatelijker; hij voelde zich een erge vreemde in Rotterdam.... In de gezichten van de menschen die hij tegenkwam zag hij telkens de trekken van Annie's ouders en broers, van Louis en de grijnzende receptiedames en heeren. Herhaaldelijk meende hij iemand te herkennen, maar de gezichten blikten hem koud tegen, met een vijandige strakheid.... Toch wilde hij niet weg; 't zou laf zijn; hij moest blijven, geen stoornis geven, getuige zijn bij 't huwelijk van zijn broer....
Maar wel was hij gaan begrijpen, dat ondanks al zijn wilskracht en zijn zelfbeheersching, zijn verblijf in Rotterdam onmogelijk worden zou, wanneer hij niet vermeed de bruid te zien, te spreken, de in-straling van haar oogen te ondergaan, haar stem te voelen klanken naar zich toe, haar hand, of zelfs de wijde plooien van haar mouwen aan te raken. Het zou wel niet geheel te ontwijken zijn, maar 't moest zooveel als 't kon zonder in 't oog te loopen, want Annie mocht vooral, vooral niets merken. Dát was 't voornaamste. Daaraan moest hij al den tijd gedachtig blijven, dat was de plicht die door 't gehamer van zijn al-door-denken werd tot rotsig vaste noodzaak. Verlieven op een bruid, dat was al zwak en oneerbiedig?—schennis eigenlijk al!—maar 't haar laten merken, haar er mee ontrusten en verwarren, den weemoed van haar laatste maagdendroomen storen, vertroebelen de reine wijding harer bruidsgedachten, de stille klopping van haar wachtend staren op den hoogtijd..., dat zou een daad van louter ruwe zelfzucht zijn, een laffe wreedheid..., ploertig ... ploertig....
Het zou dus noodig zijn dat hij zich, niet -zooals eerst zijn voornemen was—geheel ging geven aan de bruiloftsplannetjes van z'n familie, aan hun urbaniteit, hun vriendenmalen en hun onder-onsjes, hij moest zich daaraan trachten te onttrekken, en andere dingen doen, naar lichaam en naar geest zich zoeken af-te-leiden. Werken ging natuurlijk nu nog niet, hij kon er heel eenvoudig niet aan denken, daartoe was noodig innerlijke rust, geheel beheerschen van je zelf, je aandacht, je emoties, en dat.... O! 't zou wel weer komen, want het moest, want zonder dat zou alles uit zijn..., maar het zou nooit gaan zoo dicht in haar nabijheid. Dus ander bezig-zijn; het kwam er niet op aan, alles was goed, als zij er maar niet bij betrokken was...,
Zoo liep hij dien Maandag door de drukke stad te dwalen, zocht eerst den Maaskant op, liet de herrie aan de havens zich tot suffrig wordens overdaveren—het schril gefluit en hoornig toeteren, van zwaren weemoed vol, der groot-zwart-ijzeren booten, het koe-geloei, het schaapgekerm, het heesch gegil der opgeheeschen varkens, 't snerpende gepiep der kranen, de kolossen die hij dreunend draaien zag; hij luisterde naar 't rauw geschreeuw, het vloeken van de sjouwers, naar 't krakend donderen der tonnen in het ruim der booten, naar 't bolderen van de hooggeladen sleeperswagens, 't vonken slaand getrap der paardenhoeven tegen de nijdige keien..., maar altijd hoorde hij in zijn ziel haar zachte stem, licht trillende van innigheid...; toen ging hij naar 't hart van de stad, over den altijd glibberig zwarten vloer der half-duistere straten, vermijdend op te kijken naar den verren hemel, om zich zóó heelemaal gevangen in het stadsgewoel te voelen; hij bekeek het rommelige moois der stoffige uitstalkasten, lang, zijn best doende alles goed te zien..., maar dadelijk vergeten wat er lag, want ieder voorwerp keek hem aan met Annie's oogen. Hij dwaalde ook de buitensingels af, de nieuwe straten, gansche nieuwe wijken, die hij nooit gezien had,—of misschien ook wel, 't was alles zoo éénder, en doodend banaal, en hij dacht zelfs daar: die huizen heeft ze ook gezien, deze straten beloopen, dit is haar stad, hier leeft ze, ademt ze, en was 't of in de atmosfeer iets hem herinnerde aan haar....
's Avonds ging hij er weer alleen op uit, zocht oude vrienden op en maakte nieuwe kennissen, meest allen artiesten, en had het druk met hen over kunst en over hun toekomst Hij had er nooit van gehouden te praten over kunsttheorieën, maar nu zat hij er over door te slaan in 't wilde, zei wat hij voor waarheid hield, maar ook allerlei paradoxen, dolle dingen; ze lachten er om.... Hij zat met die lui in bierhuizen, hij maakte zich vroolijk tot schaterens toe, hij wond zich op, hij ergerde zich, vloekte, wrokte, treurde met hen. 't Kon hem allemaal geen zier schelen, maar 't hield hem bezig; bij die ruwe oppervlakkigheid was zij het verst en was het mogelijk te leven..., maar toen hij naar huis liep was hij moe en lam, alleen nog in staat zich zuchtend te herinneren dat hij tóch den heelen dag aan haar gedacht had..., en dat het voortaan wel altijd zoo zijn zou.... Hij had een afspraak gemaakt voor den volgenden morgen; hij ging naar den Kunstkring met een van zijn nieuwe vrienden. Maar tegen tijd van koffie-drinken werd hij onrustig en liep naar huis. Hij had er van gehoord dat Annie komen zou.... Onderweg maakte hij zich verwijten; wat was dat nu stom, hij had zoo gemakkelijk uit kunnen blijven!... Maar och! hij zou zich toch aan een houding moeten wennen. Hij nam zich met beslistheid voor zich kalm en koel te houden, een beetje abstract-stil, alsof dat zoo zijn aard was, en op een afstand van bescheidenheid....
Zoo kwam het dat hij schrok, zich even voelde als verlamd en suf, en dat hij, kleurend, enkel langzaam zeggen kon, dat het hem goed was ... dat hij 't gaarne doen zou..., toen Louis in-eens dat voorstel deed aan 't koffiemaal.
Ook Annie was een oogenblik verward en vreemd ontroerd. Het eerste wat ze voelde was een blijdschap, sprankelend in haar hoofd,—want heimelijk had ze er op gehoopt, dat iets dergelijks eens zou gebeuren, één van die dagen, dat ze 's ongestoord een paar uur met Paul alleen zou kunnen zijn—, maar 't was er zoo in-eens nu, zoo onverwacht...; dadelijk kwam een vaag belemmerend tegen-op-zien haar verheuging storen.... Er was zooveel waar ze naar vragen wou aan Paul, waarover ze zijn meening wilde weten ... maar gek! ze herinnerde zich er plotseling niets meer van.... Ze voelde dat ze niet wist wat ze zeggen, noch op welken toon ze met hem praten kon.... En toen merkte ze de aarzeling van zijn antwoord op; ze keek naar hem, ze zag dat zelfs zijn voorhoofd rood werd, dat zijn trekken barsch en wrevelig stonden als van een plotselinge ergernis..., en 't was of alles uit haar week...; het niet-begrijpen, de teleurgesteldheid werd een weeë leegte; er kwam een wazig warrelen voor haar oogen; de heele middag kreeg iets sombers en iets angstigs.... Hij wou niet!... wou niet graag met haar alleen zijn; was ze hem dan toch niet sympathiek, vond hij haar dom, vervelend, onbeduidend?... Zij was wel niet gekrenkt, want eigenwaan bestond in haar niet—o neen! ze wist ook wel, ze wás een schaap—, maar ze had er wel iets over willen zeggen: dat hij 't toch vooral niet doen moest als hij andere plannen had, dat ze eigenlijk ook best alleen kon gaan, of zoo..., maar 't ging niet; er was een zware loomheid die haar zwijgen deed; ze slikte, droog, en voelde iets branden achter in haar oogen....
Louis begreep het best, dat zij zoo stil was, zoo teleurgesteld blijkbaar; het trof ook beroerd vervelend dat hij nu juist van-middag naar de Beurs moest voor die Afrikaansche mijnen, die in-eens zoo lekker aan het stijgen waren gegaan. Pauls verwarring schreef hij toe aan 's mans verlegenheid, zijn meisjes-vrees, van ouds bekend; ijdel lachend troostte hij z'n bruid door op te merken dat ze binnenkort meer samen zouden zijn, en hield, op ietwat plagerig-vaderlijken toon, aan Paul voor dat hij toch op moest passen niet zoo heelemaal te ontwennen aan den omgang met beschaafde meisjes van z'n eigen stand; dat was toch zoo goed; ook zou Paul toch zeker heel graag eens wat beter kennis maken met zijn aanstaande schoonzus.... Hij had intusschen gedaan met dejeuneeren, stond haastig op, zocht op den schoorsteen naar zijn halve sigaar, die hij bij 't binnenkomen daar had weggelegd—maar hij stak het endje niet in de kamer aan—; toen kuste hij zijn bruid, gaf den anderen een knikje, lachende van ingenomenheid met eigen doen.... en ging de deur uit....
Mevrouw Holman intusschen vond het idee van Louis uitmuntend, een prachtige oplossing! De hoofdzaak was voor haar maar dat ze slaagden, dat ze mooie dingen kochten, liefst iets excentrieks.... Toen de bruigom weg was bleef ze een heelen tijd alleen aan 't woord. Ze ratelde over kleuren en dessins, vertelde van wat ze gezien had in de salons van dezen en van genen.... O! dolgraag zou ze—nu Louis niet kon—weer zelf eens meegegaan zijn; ze vond het een heerlijkheid, het kiezen van mooie meubels en stoffen! Maar 't was vandaag haar "jour", ze kon niet weg. Nu, de visites waren ook gezellig....
Vol schijnbare aandacht luisterde de bruid; 't gezichtje ernstig; Paul zat vóór zich op de tafel te kijken, in wazige abstractheid, prik-duwend scherpe krummels in zijn vingertoppen-vleesch....
Een kwartier later stonden ze op straat. Hij 't eerst; hij was er maar vast uitgeloopen en wachtte, op de stoep, de zware voordeur voor haar openhoudend. Hij meende er opnieuw in geslaagd te zijn zich te kalmeeren, had zijn dorre rol zich vast in 't hoofd gezet; hij zou 'n beetje stug zijn, niet veel zeggen, toch juist genoeg om niet bepaald vreemd-stil te schijnen; zij moest er niets bizonders van gaan denken, enkel den indruk krijgen, dat hij zóó nu eigenlijk was, en zijn spraakzaamheid van Zaterdag-avond uitzondering....
Daar kwam ze aan, donker tusschen de bleeke gangmuren, in langzaam-deinend gaan, lenig en slank, een grooten zwart-kastoren hoed op, met alleen twee pluimende struisveeren er over gelegd, een witte en een grijze—die deinden mee als halmen in een koeltje—; ze droeg een manteltje van laken, donkerblauw, dat plooiloos om de meisjesbuste sloot, en een rok van dezelfde kleur, maar wolliger, die—flink-opzij en even opgetrokken—vast lag in haar linkerhand, glad glanzend in 't glacé; de andere droeg het stijf-gerolde parapluietje. En haar gezicht, roomkleurig, stond recht-op, een-weinig achterover, zóó, dat bovenwang en voorhoofd in de hoedrandschaduw werden verdoft, terwijl de zachte rondingen van kin en kaken witjes glansden. Maar in de ijle schaduw stonden wijd-open haar donker-blauwe oogen, de pupillen groot, als overwelfde meren, peilloos diep en stil pracht-glanzend....
En, als een droom bij 't eensklaps, in schrik, ontwaken, was zijn kunstige, door kracht van wil zich ingedwongen kalmte weggevaagd,—hij stond in louter vurigheid van liefde-zinnen. Een hevig zien van haar, in haar puur maagden-mooi, haar vorstlijk ingehouden, toch 't gelaat uitstralend ziele-mooi, drong tot zijn innerlijkste wezen door. Het was een plotselinge koorts, een duizeling; hij wist niet wat hij doen ging, stond nog bij de deur toen zij al doorliep, kwam toen ze hem riep, met wankelige groote stappen haar op zij, geheel bevangen nog, blozend, erg verlegen en linksch. Zij zag het niet, liep voor zich uit te kijken, zei enkle woorden over 't weer, waarop hij heesch ook iets terugzei, dan aan 't hoesten sloeg om niets te hoeven zeggen en om die schorheid weg te krijgen.
En ze stapten door, zij aan zij, te gauw, veel vlugger dan gewoonte is voor 't wandelen van een heer en dame samen. Hun beider innerlijke gejaagdheid maakte 't moeilijk langzamer te gaan....
't Hernieuwd en overweldigend bewustzijn van zijn diep-wortelende liefde, dat onuitroeibaar weten dat zijn broeders bruid voor altijd de eenige begeerlijke was voor hem, bracht versche vlagen wrange bitterheid en somber wrokken mee in Pauls gemoed. Wanhoopsvragen stegen in hem op, dringende drommen, die hem de borst tot hijgens-toe beklemden. Waarom? Bij God! waarom? Waarom juist zij? Niet een der honderden van vroeger, niet een der duizenden van overal, maar zij, zij, zij alleen! Was deze marteling een straf of een beproeving? Was 't daarvoor dat hij komen moest, zoo argeloos, zoo half-in-droomen van natuurschoon nog, zoo midden-uit zijn werk waar hij zoo stil-gelukkig zich in weggeleefd had?... Zijn vrede, zijn geluk, zijn hart-vol-hartlijkheid voor broer en moeder..., o! zij deed hem wel alles verliezen!...
Ze praatten weinig in de eerste tien minuten, of 't kwartier, waarin ze gingen langs de singels naar de winkelstraten, gehaast om daar te komen. Hij merkte 't bijna niet, hun stil-zijn, want met zijn liefde-lijden en zijn bitterheid vervuld, had hij zich telkens krachtig in te spannen om, schijn-bedaard, eens wat te zeggen, was iedre langzaam uitgesproken volzin hem een overwinning, meende hij al 't haast onmogelijke te doen....
Maar Annie voelde 't zoo: Er was een zekere afstand tusschen hen, een leegte van vervreemding, alsof er iets onaangenaams gebeurd was—een misverstand misschien—iets van een twist die weer was bijgelegd, al half vergeten, maar toch eigenlijk niet uit-gepraat, niet weg-geruimd.... Toch was er bij haar weten niets. Ze zocht verdrietig rond in haar geheugen. Ze herinnerde zich nu wel, ook Zondagavond had ze even dat gevoel gehad..., lang zoo duidelijk niet, en ook maar kort.... Had ze dan toch misschien op de receptie iets gezegd wat hij zich aan kon trekken?... toen hij zoo plotseling weg was gegaan, bevangen door den sterken bloemengeur.... Want Zaterdagavond was het juist zoo heerlijk tusschen hen geweest; dadelijk had ze dat gevoel gehad van in zijn sfeer te leven, in zijn licht, met hem in sympathie, verwantschap bijna.... Zij wist dat hij haar toen vertrouwd, haar vriendlijk tot zich opgeheven had.... En ook bij 't weggaan had ze dat nog sterk gevoeld, 't lag in zijn handdruk, in zijn stem, vooral in den ernst van zijn gelaat, dat haar toen al zoo goed-bekend, zoo lang-vereerd had toegeschenen.... Wat was er dan toch veranderd in die dagen waarin ze hem nauwelijks had gezien?... 't Was triestig dat het zoo mooi beginnende zoo gauw al was verstoord ... door niets ... door tijd....
Zoo liepen ze de saaiïg nette singels langs, 't bedrijvig centrum van de stad, in 't vlugge naderen, al voor zich voelend, verlangend naar 't afleidende gevoel, de stratenherrie die de stilte tusschen hen zou vullen.... Ze tuurden beiden al voor zich uit naar de brug waar ze zoo dadelijk over moesten gaan en die hen in de drukke stad zou brengen; ook als ze iets zeiden trachtten ze elkaar niet aan te zien; maar toch wist de een precies hoe de ander keek en zich vooruit-bewoog en dacht daaraan, voortdurend, half-bewust. Ze zagen elkaar even goed al hingen zich hun blikken aan die brug daar, of aan een wolkje, hoog, of aan een grijs-geverfd kozijn dat tusschen net gevoegde roze steentjes lag in een der zuinigjes gebouwde singelhuizen; zóó waren ze gedurig in elkaars gedachten, zóó letten ze op elkaar in 't onbewust gespannen-zijn der andere zinnen. Het voetgestap van d'een ontging den ander niet, noch 't even schuren van haar mantel langs zijn overjas....
Toen kwamen ze in de drukke winkelbuurt..., het Boymansplein, de Blaak.... Het was er fleurig vol in 't mooie najaarsweer; een onophoudelijk schuifelen en gestap van boodschap-doende menschen over het trottoir van bruinig-gele klinkers aan den huizenkant; in 't midden van de straat, hardgrauw van keien, trokken stoeten zware sleeperswagens stootend voort en ratelden de vigilanten; telkens tramgebel, heel hel; een orgel; fietsgetjingel; schor geschreeuw van venters; een Rotterdamsche drukte, nonchalant en herrieachtig. Dikwijls werden ze, door groepen menschen, voor een oogenblik gescheiden, maar dan hipten ze altijd vlug weer naar elkaar; soms stonden ze even samen, voor een winkel, stil.... Ze kwamen nu ook verscheiden bekenden tegen; dames, die koel-vorschend keken naar Paul, dan grijnzend neigden naar Annie, heeren die eerbiedig hoed-afnamen, maar met een schuinen blik op hem, soms ook met een glimlach van plezier in 't vreemde van 't geval, passeerden.... Een paar maal hoorden ze dan fluisteren: Zeg, wie is dat?... Ken je die?... Wie heeft Annie de Boogh daar nu bij zich?...
En in hun beider stemming kwam verandering.... Ze gingen zich wat meer kornuiten voelen; 't gaf hun een zekere voldoening dat verwonderde gekijk der menschen; Paul had zelfs een oogenblik van lichten trots daardoor, waarin dat nieuwe, zoo met haar te loopen door de menschenvolte, hem in-eens genot scheen, en 't hem verheugde dat dat nog zou duren, den heelen middag..., je hoefde daar niet over heen te denken.... Het was hem mogelijk met een echten glimlach iets tot haar te zeggen over dat verbaasd-nieuwsgierig kijken van de menschen, en 't was die glimlach—in den toon waarop hij 't zei—die als doorbrekend zonlicht viel, haar in 't gemoed.... Een juiching was daar eensklaps in haar hoofd, een lichtheid, voelen van geluk..., ze had zijn stem herkend.... Nu zou t wel gauw weer alles worden zooals dien eersten avond. Zelf kon zij nu ook wat zeggen met een stem van blijde opgewektheid ... toch even nog nerveus trillend.... Maar dat bracht haar metgezel weer bijna in zijn pijnend smart-gevoel terug. Het lukte hem met groote moeite in den aangeslagen toon nu voort te gaan,—want hij wilde dat, 't was noodig ... noodig.... Annie mocht niets merken!...
Ze moesten 't eerst bij een behanger zijn; een groote winkel, toch niet ruim en ook niet licht, doordat er rond-om zware rollen tapijten-stof gestapeld stonden, hoog en donker; het scheen wel een voorraad voor eeuwen. Er hing in dien winkel een weeë, zoetige, benauwde lucht van al dat wollige kleedengoed, die weeke massa's waar het straatrumoer in doofde, de stemmen kleintjes klonken, kort van adem. Maar toen ze aan 't gedempte licht en aan die atmosfeer wat wenden, kreeg dat stil-beslotene toch iets intiems, dat niet onaangenaam aandeed.
Er moesten een paar portières zijn voor in de suite, en, om de kleur te kunnen kiezen, liet de bruid zich geven een rol van het papier, waarmee de beide kamers al behangen waren. Ze vroeg aan Paul wat hij wel zei van het behangsel. De schilder vond de Kleuren vrij gelukkig, maar de teekening banaal en ook te druk. Hij ried er weinig, hoogstens enkele etsen en gravures tegen aan te hangen, wit-en-zwart, geen schilderijen, en vooral geen dikke gouden lijsten. Hij sprak beslist en rad, verklaarde nader wat hij meende.... Annie luisterde, aandachtig en teleurgesteld, ze was haast alles met hem eens, maar wou niet zeggen dat Louis de keus beslist had. Het plan was in die kamers juist wel schilderijen op te hangen—Pauls schilderijen onder andere—en juist wel in breede gouden lijsten.... Annie schaamde zich een beetje.... Ze had al meer gemerkt, Louis had eigenlijk geen erg gedistingeerden smaak.... En zij moest toch wat meer zich-zelf zijn!
Ze zaten naast elkaar, op lage stoelen, en terwijl de winkelchef portières uitzocht, ze sierlijk-plooiend begon uit te stallen, praatten ze nog over de behangselkwestie door. Haar vragen en haar ernstig luisteren boeiden Paul, die bij 't van huis gaan, in zijn wrokkende geslotenheid, juist tegen dat helpen kiezen in 't bizonder opgezien had, zich niet in staat geacht tot eenige attentie voor die mondaine kamerprullerij. Maar 't viel hem mee; hij werd door 't moeten denken over kleuren, lijnen en verhoudingen al afgeleid; dat voelend gaf hij er aan toe, en 't was haar ernst die hem geheel er in bracht. En in zijn koortsige nervositeit begon hij zich nu meer-en-meer met haar in kleurenkwesties te begeven. Zij luisterde met éven-open mond, de blik niet af van zijn beweeglijk-sprekend aangezicht. Zij moedigde hem aan, verheugd, verheerlijkt, omdat Paul zich weer zoo gaf, zoo open en zoo ernstig sprak met haar. Dus vond hij haar toch wel de moeite waard, toch niet zoo dom.... En meer-en-meer wond Paul zich op, sprak vlugger, scherper door, werd losser van bewegingen, wierp gansche hoopen bonte lappen met gebaar van minachting op zij, vond eindelijk iets dat van beginsel goed was en ook tamelijk wel paste bij 't behang.
Toen dan een paar portières waren gekozen, gingen ze—de winkelchef voorop—de meubelenzaal in, die aan 't tapijtenmagazijn aangrenzend was. Daar moesten een paar gemakkelijke stoelen worden uitgezocht voor bij den haard in hun salon. Met opgewektheid droeg de chef er zelf verschillende aan, schikte ze, paarsgewijze, zooals ze wel zouden komen te staan, over elkaar of naast elkaar, met een gedurigen glimlach van voldoening over de gevoelentjes van lekkere weelde en volmaakt gemak die hij geloofde op te wekken....
In een roes van opgewondenheid was Paul mee naar die zaal gegaan. Hij voelde dat hij zijn gedachten niet meer meester was, maar hij was zich geen gevaar daardoor bewust,—toen had hij eensklaps bitter-pijnlijke oogenblikken, een martelend visioen.... Hij zag zijn broer en Annie, in die stoelen, aan hun haard. Hij zag 't scherp-duidelijk wreed precies; zóó zouden ze zitten, dikwijls, in den winter; de voeten met-d'r-vieren bij het vuur, de beide hoofden achterover in gesoes ... of stil-verdiept in rustige lectuur.... Dan ging het schemeren, werd het lezen al onmogelijk.... In de kamer..., in de kamerhoeken was de duisternis geluidenloos al groeiende, deed allen vorm in vreemde trillingen vervloeien, werd langzaam, langzaam aan al dichter, wolliger, diep-zwarter om hen heen, en eindelijk waren nog alleen zij beiden aan den haard, door 't vuur-gegloei, in een rossigen schijn, waren enkel nog hier en daar op glaswerk of metaal wat glimmeringen, als stille dwaallichtjes, zoo sprookjesachtig-rustig en intiem...; dan neigden zich hun hoofden naar elkaar, en gingen liggen fluisteren..., dan zochten zich hun handen—Paul zag het, hij zag het!—de ééne stoel stond leeg!... in den anderen lagen zij beiden en hun lispelend gekus was storend in de staande stilte.... Paul zag, hij hoorde, voelde 't allemaal, en jaloezie was als een gloeiend ijzer in z'n klam-koude, dichtgedrukte borst.... Op sloeg zijn passie, wild-uit in zijn lijf; hij kon 't haast niet meer bedwingen.... Hij zag haar niet, stond zelfs afgewend van haar, maar voelde sterk haar atmosfeer, en als lokkende weelde klankte hem door 't hoofd haar stem-geluid.... Hij stond in blind geworstel met zijn hartstocht.... Daar ontdekte hij ook ineens..., daar zag hij dat waarop hij al minuten lang gestaard had zonder zien: een glazen deur door, in een andere zaal, zag hij een ledikant staan, een voor twee, met baldakijn en breed-geplooid gordijn; het stond daar als model te pronk.... Toen knipten zijn oogen door 't daarachter branden van zijn bloed, zijn keel en mond verdorden, er was een wild geklop in zijn borst en zijn blakerende polsen. Hij voelde dat hij schreeuwen had gesmoord,—alleen wat mompelend gevloek brak van zijn saamgeschroeide lippen; hij sloeg zijn nagels fel in 't weeke handenvleesch, voelde ze als mesjes, scherp, en trachtte met die pijn zich te overmeesteren....
Een tijd lang zei hij niets..., probeerde 't wel, tweemaal..., maar 't wou niet van z'n korrelig-droge lippen.
't Was Annie eerst wel aangenaam geweest dat Paul niets zei,—Ze kon nu ook eens toonen goeden smaak en keus te hebben, als hij haar maar eens liet begaan.... Het was haar of ze al die dingen nu al met een ander, meer geoefend, oog bekeek; ze nam den vorm, de teekening veel intenser in zich op dan vroeger,—'t was of ze toen maar altijd onverschillig was geweest, nu pas met alle kracht begon te leven!—Ze zei ook, tot verbazing van den winkel-meneer, en van haar zelf, telkens iets raaks en ongewoons; de man keek bij herhaling—vruchteloos—op zij, naar Paul, als om zijn hulp te zoeken tegen wat zij aan te merken had; zijn mooiste meubels waren niet goed, zij vond ze haast alle te opgeschikt, te oneenvoudig.... Maar toen Paul maar aldoor zwijgen bleef, werd ze in-eens verlegen, verbeeldde ze zich plotsling vast veel dwaze en domme dingen gezegd te hebben..., en dat hij zweeg uit ergernis, of om haar te sparen. Blozend keek ze nu eens om naar hem; maar Paul liet zijn gezicht niet zien.... Hij scheen ook in 't geheel niet meer op haar te letten, want toen er even stilte was, bemerkte hij 't niet eens.... En Annie voelde zich weer net zoo als toen Louis had voorgesteld dat Paul zou meegaan, en hij geaarzeld had dat goed te vinden..., zoo verdrietig en in-den-steek-gelaten.... Ze zei, nog sterker blozend, met een geluid van tranen achter in haar stem: "Toe Paul, help jij me nu 's!... Wat vin-jij de mooiste van die twee?..."
Paul keerde zich langzaam om, keek naar de stoelen, zag ze eerst nog niet, verward, versufd.... Maar ... zij mag niets merken!... Vast greep weer die wilskrachtige gedachte de teugels van zijn geest; al sterker werd, door 't voelen van 't gevaar, die wil van hem haar niets te doen vermoeden van zijn liefde....
Hij begon aanstonds weer mee te praten, zei schertsend dat voor een stoel 't gemakkelijk zitten eigenlijk wel de hoofdzaak was.... Dat stelde haar te leur—ofschoon zijn toon die goedig, niet ironisch was, weer goed deed;—zij vond toch, zei ze, dat ook stoelen zoo mooi mogelijk moesten zijn; ze hoorden immers ook tot iemands daaglijksche omgeving en—zooals hij zelf daarnet gezegd had—beïnvloeden de dingen om je heen, gedurig door, je smaak ... je stemming ... eindelijk je gansche wezen..., werd je ten deele door de dingen opgevoed, niet waar?... Ja, ja, dat was ook allemaal wel zoo, redde zich Paul, maar ... hij wou maar zeggen, een stoel moest in de eerste plaats toch zóó gemaakt zijn dat je, er op zittend, werkelijk rust, terwijl je geest niet wordt gestoord en afgeleid.... Zoo raakten ze weer aan 't praten, over en weer;... in 't eerst kon 't Paul niets schelen wat hij zei..., als hij den toon maar hield..., het kwam er verder niet op aan, de tijd moest dood.... Maar opnieuw werd hij verdreven uit die onverschilligheid door haar aandachtig luisteren, haar stil-oprecht haar meening zeggen met veel meer ernst dan 't waard was, wat hij zei.... Hij schaamde zich wat over z'n zoo-maar-d'r-op-los-geklets.... Dan ook: zij maakte 't hem niet makkelijk; zij was niet met een kluitje in 't riet te sturen; zij vroeg en vroeg ... zooals een kind dat lastig is met vragen en gevolgtrekken.... Ze vergaten zelfs een paar minuten heelemaal den winkelchef en ál zijn meubels; de man begreep niet wat zij eigenlijk voor menschen waren...; hij wou niet graag storen, 't was zijn brood..., maar eindelijk werd het toch wat ál te gek!... hij kuchte maar 's..., liep een eindje weg, en zoo....
Glimlachend keerde Annie zich toen om, naar hem, haar oogen glinsterden, ze had een kleur van opgewondenheid.... Ze wou nu ook niet langer blijven in het hard-besloten, zielloos magazijn, ze had er plotseling het land aan—alsof ze van iets veel aantreklijkers vervuld was.... Ze maakte 't dus gauw af, zei dat ze nog wel terug zou komen.... En dadelijk op straat, nadat ze snel van stap den winkel waren uitgeloopen, begon ze opnieuw, had allerlei te vragen, op te merken.... 't Was haar alsof ze op reis was in een vreemd-mooi land—waarvan ze tóch al vroeger eens gedroomd had—en telkens over alles wat ze zag moest vragen, en moest zeggen....
't Was even over vieren, 't drukste uur in 't centrum van de stad, de winkelstraten. In 't al zwakker wordend licht scheen 't praat- en roep-geraas, het ratelen en rammelen nog roeziger, de straat nog rommeliger, en voller van zwarte lijven. Tusschen 't zwaardre gonzen klonk nu ook het hooge praatgeluid, het gillend-hooge lachen, schreeuwen, joelen van de kinderen-uit-school; het was soms zoo'n lawaai, dat ze elkander niet konden verstaan, en over 't zwarte, overal-vet-glibberige plaveisel was 't moeilijk loopen door het ieder oogenblik uit moeten wijken. Een slager met een mand, brutale bonk, liep met een schreeuw van "hai! kaik uit!" pal tegen Annie aan. Zij schrok er niet van, was die herrie wel gewoon, maar Paul, nerveus, half angstig, stapte met haar door, in overdreven haast, totdat ze weer op de Blaak kwamen, waar 't minder herrie-achtig was.... Ze liepen er aan den waterkant.... Annie moest even lachen om Paul; ze kon wel merken dat hij Rotterdam ontwend was, zei ze, en hij aan 't praten over Brabant, 't eenvoudig leven, 't rustig-werken daar.... Er was een heim-wee in zijn stem, en vreemd! zij voelde dat haast net zoo mee....
Ze waren nu klaar met hun boodschappen, konden dus wel naar huis gaan.... Ze liepen dien weg op, het Boymansplein weer over, en de Singelbrug daar, toen den langen, luguberen Binnenweg—opnieuw in 't menschengewoel, de donkere, schreeuwerige stratenmenigte—; nu waren ze er bijna.... Maar hun gang werd trager, slepender; er kwam een zekere aarzeling in hun stappen, alsof ze moe waren, allebei.... Ze zagen er tegen op dat het nu uit zou zijn, nu ... zoo-met-één....
Annie liep te verzinnen, iets dat de wandeling nog rekken kon. Ze vond dat ze 'r nog lang niet genoeg aan had gehad. En 't zou al aanstonds gedaan zijn.... Ze kende de buurt hier zóó door-en-door, ze wist zóó alle huizen, dat zij bij iederen stap zich dichter voelde bij dat ééne, daar, den hoek om, op den Mauritsweg, daar waar zij thuis was—ze kon het zich nog niet anders voorstellen—en in het naderen groeide ook haar tegenzin.... Ze had nog nooit zoo goed—en met zoo'n smartelijk gevoel van dat er niets aan te veranderen was—'t verschil geproefd tusschen de atmosfeer daar in dat huis en overal anders waar de menschen vrij en natuurlijk met elkaar verkeeren. Het was een slavernij, het waren boeien, waarin haar huisgenooten elkaar gesloten hielden, met hun hatelijke woorden, hun bleeke blikken, hun steenen stemmen, hun smadelijken lach.... Annie dacht nu met een soort ontzetting aan die jaren-lengte achter haar, die dagen-aan-dagen, maanden-aan-maanden van geduld en zelf-opofferende pogingen ... voor niets.... God! ze begreep niet, hoe ze 't ooit had kunnen doen..., zóó lang....
't Kwam zeker, dacht ze, doordat ze 't leven zoo veel grooter, breeder, ruimer was gaan voelen, veel meer naar alle kanten mooi en interessant...; maar misschien ook wel ... doordat ze nooit zoo diep nog had gevoeld de heerlijkheid, 't geluk door sympathie, door om-te-gaan, vertrouwelijk, stil-intiem met iemand dien je voelt van 't zelfde makelij te zijn..., als van één herkomst, en met één bestemming....
Maar ook Paul zag tegen 't einde op; hij voelde 't al, z'n straks-alléén-weer-weggaan, 't was iets ijls en leegs, naar-nieuw, en geheel zonder doel.... 't Was vreemd, zei z'n verstand; toch was het zoo.... Hij had er in 't begin voortdurend naar gesnakt, dat 't met die pijnlijke benauwing, van haar zoo aldoor naast zich, zou gedaan zijn; hij begreep er niets van dat hij nu niet blij was, dat ze er bijna waren..., dat hij geen verlichting voelde.... Maar, integendeel, 't was of er loomheid zakte in zijn beenen, tot hij zwaar en schuiflend liep om 't langer te laten duren.... De marteling was hem zoet geworden....
Zoo liepen ze nog een poosje door, onder den vaag-benauwenden druk van die gedachten; de omgeving scheen hun somber in 't bleeke licht van den laten namiddag—vale dampen kropen langs den hemel op, rook van de stad; de dalende zon ging, donkerrood, er bijna achter weg—en de stads-geluiden, heesche venters-roepen, 't brutale joelen van kinderen op straat, klonken als ruzie, onheilspellend.... Ze zeiden niets....
Maar, even voor den hoek van den Mauritsweg, had Annie in-eens een idee, dat haar licht door 't hoofd schoot, en dadelijk zei ze 't, vlug sprekend: "Zeg, dat's waar ook, nu heb je nog niet eens ons huis gezien.... Zullen we'r nog even heen gaan?... 't Is nog vroeg genoeg..., wij eten pas om zes uur ... jelui ook, hè..., en 't is vlak bij!..."
Paul hoorde haar dat zeggen, en—vreemd opnieuw!—met blijdschap. O! hij proefde 't ook wel dadelijk weer, dat wrange woord: ons huis.... Hij had het Zondag niet willen zien; nu zou hij er toch heengaan..., met haar alleen er in zijn!... één oogenblik scheen 't hem al te grove pijniging, en die niet hoefde..., hij kon een uitvlucht vinden.... Toch hoorde hij zich zeggen dat hij 't best vond, het huis heel graag 's even zien wou..., toch voelde hij dit uitstel met verlichting.... Maar hij werd ook tegelijk een beetje duizelig, verward en warm in 't hoofd.... En Annie evenzoo, ze voelde—waardoor wist ze niet—zich plotseling erg verlegen worden; ze bloosde sterk en kon een paar minuten lang niets zeggen....
Maar toen ze weer wat zeiden, loopende nu onder de boomen van den Westersingel—hier was geen somberheid, alleen een avond-achtig stilte-vallen—klonken op-eens hun stemmen veel vertrouwelijker nog dan vroeger. Ze praatten van niets bizonders,—over de boomen die nog zoo mooi groen, en den weg die toch overal dicht bestrooid met blaren was, warm-bruine, goudene gele en wittig-bleeke—maar nu ontstonden er klanken tusschen hen van zuivere, water-heldere ontroering, van sterke sympathie, een innigheid met iets warm-weeks van weemoed nu en dan.... Paul hoorde 't wel; hij schrok er van; zijn stug-zijn was heelemaal mislukt..., er was gevaar..., bijna stond hij stil om nog te zeggen: 'k heb geen tijd meer..., liep toch door.... Inhouden moet ik me, het moet, het moet!—zoo bonkte het in zijn hoofd—maar zooveel mogelijk zwijgen, haar maar laten praten, enkel zeggen ja en neen, en zóó....
Maar voor Annie was er in dien stemmenklank verheuging die haar diep-gelukkig maakte; het was iets heel bizonders, hoogs..., niet teer toch, juist heel sterk..., en nog nooit, nog nooit gekend of maar vermoed.... Zij droeg het heerlijk in haar lichte hart en hoofd.... Dat het mogelijk was zich zoo vertrouwelijk te voelen met een ander!... 't Was of ze er ook intiemer met zich-zelf door werd.... Nooit was ze zoo geweest, met niemand!... Gedachten aan Louis verdrong ze, als een plicht die uitgesteld kon worden..., later, later dat weer.... Nu genieten van intiem zijn.... Alles zou ze Paul wel willen zeggen, alles wat ze ooit gedacht, gevoeld en ondervonden had.... Maar álles was onmogelijk.... Er was zoo eindloos veel....
Ze stonden voor het huis, zij had den sleutel. Langzaam, een beetje stroef en knarsend ging de deur naar achteren open.... Binnen, in 't portaaltje, was 't al schemering, grijzige schaduw op de kille kalken wanden.... Er lagen nog geen matten en geen looper.... Het was het bovenhuis, ze gingen de houten trap op, die hier en daar een krak gaf onder hun hol-harde voetgestap.... Een hooge trap..., dan weer een gang, vreemd-leeg en doodsch in 't halve licht dat door een bovenraam van matglas en door de openstaande deuren kwam.... Ze zouden eerst vóór gaan zien, de groote voorkamer....
Daar was 't goed licht nog, vooral als je zoo pas de gang uit kwam; de ramen stonden alle drie een eindje open; 't was er luchtig; najaarsgeur van rottende blaren verdrong de lucht van kalk.... Een vloerkleed lag er al, effen, met een rand van krullende ornamenten, en bij 't gaan er over ruischten, nieuw en frisch, de matten die er onder lagen, doofden 't stapgeluid.... Ook het behang was af; midden-uit het glinsterig-gewit plafond, hing, opgepoetst, een koperen gaskroon, zonder branders of ballons, neer-piekend in de overigens leege kamer, koud-naakt en schoonmaak-achtig.... Want meubels waren er nog niet en ook geen spiegel; blauw-krijterig 't kalken vlak boven den glimmend-steenen schoorsteenmantel....
De behangers hadden een bankje laten staan, dicht bij 't linksche raam; daar gingen ze even zitten, pratend aanvankelijk over 't uitzicht dat je er had.... Het bankje was van ruw hout en wat wankelig.... Toch bleven ze daar zitten, over het uur, totdat de schemering in de kamer bijna duisternis geworden was.... Ze praatten..., maar 't was geen geregeld gesprek.... Hij zei maar enkele woorden, nu en dan, en hoestte telkens om die heeschheid-van-ontroering weg te krijgen; zij vertelde....
't Was over zijn werk begonnen; toen alle schilderkunst.... Zij sprak, met zoeken, aarzelend en eerbiedig, naar de goede woorden, van haar liefde tot alle kunst, een bewondering vol genot, die ze altijd had gehad maar nooit had kunnen kweeken, noch door studie, onderzoek, vermeerderen en verfijnen. Paul, die er zoo geheel in opging, zou 't misschien, voor haast onmogelijk houden; toch wás het zoo, en als hij haar ouders en de verhoudingen bij haar thuis beter zou leeren kennen, zou hij 't ook wel gaan begrijpen: over kunst werd daar haast niet gesproken en heelemaal nooit met ontzag en eerbied.... Ook eigenlijk nooit over schoonheid, reinheid, hooge deugden.... Het was onmogelijk zulke woorden enkel maar te noemen in 't gezelschap van haar ouders en haar broers, je wist dat ze dan dadelijk spotten zouden, ironisch kijken, 't houden voor aanstellerij.... Ze hingen een slot op je mond met hun oogen alleen-al....
Hij zei toen even, mompelend, op een toon van "dat spreekt van zelf", dat hij 't dadelijk wel gezien had..., 't verwonderde hem niets.... Och-God! hij kende 't immers...; in zijn eigen familie was 't haast net zoo geweest.... Vroeger had hij zich dat ook erg aangetrokken..., maar nu!... 't Was immers niets bizonders in zoo'n stad als Rotterdam...; geld, geld, geld, dat was hier 't eenige!... En hij vertelde haar, in korte, afgebroken zinnen, van zijn schilder worden, hoe dat eerst gegaan was.... Zij hoorde 't aan met groot, stil-innig mee-gevoel, maar ook met wat pijnlijke verbazing omdat Louis 't haar altijd zoo heel anders had voorgesteld....
In-eens hield Paul op.... Hij had een notie dat hij iets onaangenaams gezegd had van haar bruigom.... Dat speet hem erg..., hij zweeg, botweg.... Zij voelde precies waarom....
Toen, als om hem te troosten, en in haar dankbaarheid voor zijn vertrouwen, begon ze weer 't vertellen van haar eigen leven..., zoo zachtjes aan, zonder bedoeling van klagen.... Dat was ook niet in haar toon; ze had een te groot geluksgevoel om eigenlijk te klagen,... 't Bevreemdde haar zelf, zoo zonder moeite vond ze de woorden die precies, haast droog nauwkeurig, geen enkele overdreven, zeiden dat wat ze zeggen wou.... Ze kwam van 't een op 't ander ... wou alles zeggen nu..., 't was haar verlichting, bijna weelde, 't zoo uit zich te doen vloeien, wetende dat het dan viel in hem, die 't begreep, het blijkbaar alles al vermoed had.... Het was haar ook of 't noodig was, dat zij 't hem zei, precies zooals het was, want anders wist hij 't half ... en zij verlangde er naar, dat hij haar heelemaal zou kennen....
Zoo was 't een aanklacht ... zonder toorn of haat; een droef, doorleefd verhaal, maar zonder bitterheid of zelfmeelij..., werd het een biecht. "Want, schoon ze eerst niets voelde van berouw, tóch, luisterende naar haar eigen stem, bemerkte ze—dat was voor 't allereerst!—een zekeren twijfel, of 't wel alles goed was wat ze had gedaan, of ze haar jaren wel besteed had zooals 't moest.... En toen Paul, na lang aandachtig luisteren, wel meelijdend, maar toch met iets van ópstaan in zijn stem, zei dat hij 't zoo verschriklijk jammer vond..., dat het wel mooi was ... o! heel mooi en eerbied-waardig!... maar toch heelemaal niets geven kon, daar iedereen toch bleef zooals hij eenmaal was, en dat zij nu zooveel belangrijks voor haar eigen leven opgeofferd had ..., waarvoor?...; dat offeren goed was, maar zich op te offeren tegen de natuur inging..., toen voelde zij dat allemaal in-eens zoo scherp en diep, dat ze 't geen oogenblik verdragen kon—want dan zou alles weg zijn, zou er niets, geen grond meer onder haar voeten zijn, dan moest ze haar gansche leven gaan veranderen! "O! nee, Paul!", zei ze, dringend, met een drogen snik van opgewondenheid, "nee, zeg dat niet ... nee! neem me dat niet af..., ik kan 't niet missen!... Ik ben er zoo ... gerust en vredig mee geweest.... En 'k zal 't ook nog zoo dikwijls noodig hebben.... Er is toch wel veel hoogs in...."
Daarna was er tusschen hen een tijd van zwijgen, waarin ze elkaar geen enkele maal in de oogen keken, en waarin toch dat gevoel van diepe sympathie, dat in hen was en hen verbond, zoo groot werd, dat 't hun beiden was alsof hun volle harten er van overvloeiden, alsof hun hoofden waren hoornen waar die ééne wondere klank in toonde, alsof zij voortaan altijd samen zouden zijn, en altijd in diezelfde sfeer van stille innigheid, dien maan-licht-krans onhoorbaar fluisterende ziels-geheimen....
Paul had,—terwijl zij sprak, vertelde,—veel doorleefd. Hij had het dadelijk gevoeld hoe zuiver en geheel-en-al zij hem vertrouwde, en dat hij de eerste was, hij had geweten welken invloed hij op haar zou kunnen hebben, als hij 't wilde!... Toen hadden duivelsche gedachten in hem omgespookt, als schimmen die verdwijnen voor het licht.... Vage plannen waren in hem opgevlaagd, schichtig als vlugge vlammen; zijn borst was zwaar benauwd doordat hij zijn geluk te grijpen voelde..., toch wist dat hij er zelfs zijn blik niet heen mocht slaan.... Maar, toen hij, luisterend, langzaam al haar leed was gaan doorproeven, toen hadden zjjn beschroomde eerbied en zijn medelijden alle drift wel verre weg doen wijken, was hij er hevig van geschrokken dat het al zoo vreeslijk was geweest, had hij gevoeld—o! wel het prachtige van zooveel ziels-kracht, zooveel zelfverloochening, waarbij zijn eigen leven louter egoïsme scheen—maar toch óók, dat hij haar moest raden, haar zeggen dat zich-zélve zoo geheel voor niets te rekenen nooit goed kon zijn, dat iedereen van eigen leven maken moest wat mogelijk was.... Toen had ze dat gezegd van 't niet te kunnen missen, 't noodig hebben in de toekomst ook nog.... Wat bedoelde ze daarmee?... Hij dorst er bijna niet aan denken.... 't Kon dát niet zijn!... Als hij dááraan dacht en één gedachte raden liet, dan zou hij haar beleedigen..., z'n broer verraden.... En 't kón ook niet, hij had dat immers eenmaal uitgemaakt, het was onmogelijk!... Wie trouwt een man omdat de liefde mooi is?... Neen, neen, neen..., dat is geen menschelijk doen, dat kan niet.... Maar dan nog ... gesteld eens dat het zoo was, wat niemand denken kon..., dan zou 't toch altijd nog een misdaad zijn, iets monsterlijks van zelfzucht en gemeen verraad van zoo iets ideëels gebruik te maken voor je-zelf....
Snel schoten die gedachten hem door 't hoofd, trok hun sentiment hem door de ziel als louteringsvuur. Hij steeg er door tot in heel hooge stemming waar geen voor-zich-zelf-begeeren mogelijk was. Terwijl zij zwegen was zij stil in zijn gedachten, zijn lieve zuster, en hij omgaf haar, teer en zorglijk met fijn begripsgevoel, bewondering en ontzag.
Ze schrokken plotsling op.... 't Was bijna heelemaal donker; dof sloeg, ergens ver, een torenklok zes uur. Met uitroepen van schrik, maar toch niet angstig, want het kwam er eigenlijk niet veel op aan, doorstommelden zij vlug het onbewoonde huis weer, naar beneden ... Paul zou maar zeggen dat hij het gezien had, zei hij, lachend.... Ze liepen haastig, opmerkingen makend van een soort plezier, 'n beetje jongensachtig, om hun zich verlaten..., maar Annie wist toch niet goed wat ze thuis zou zeggen, ze voelde zich vreemd verlegen met het ongewoon geval.... Paul ging mee tot aan de voordeur; zij vroeg ook niet of hij nog binnenkwam.... Ze scheidden daar, abrupt, met een vluchtigen handdruk....
't Was als een afgebroken melodie....
X.
Den volgenden dag was de hemel boven de stad met een traag-hangende wolkenlaag geheel bedekt, één egale overweldiging van grijs, waaruit het af-en-toe, als een telkens weer opkomende, zwijgende droefheid begon te motregenen, windloos, geluidloos, een dampige rillerig-trillerige neerslag in een zwak, onzeker licht, dat nergens vandaan scheen te komen.
De nattig-saamgeschoolde, grijs-zwarte en zwarterig roode huizen van de zwoegende, grommelende stad stonden gelaten onder de log-zware wolkenmassa, dat vreemd slap neerhangende, drukkende dak van grauw. Overal gelijk was het huizenaspect door het overal eendere licht. Huizen aan huizen, straten aan straten, onbeweeglijk, ernstig, enorm, als een oude, altijd weer verder uitgegraven kolenmijn stond de stad om het menschen-beweeg, om die somberheid der eeuwige onrust, dat altijd elkaar tegemoet en voorbij gehaast der bevolking, hun sjouwen en douwen, hun hotsende karren, hun kijvende honden, hun afgejakkerde knollen van paarden. De torens alleen er bovenuit; ze staken zwarte gaten in de grijze massa; het hoogst dat somber-schoone, recht-opstaande blok —teeken der stad—de stompe toren van Rotterdam.... En het bleef hetzelfde, dien heelen Woensdag: die grijze, hangende lucht, veel regen, meest motregen, soms wat feller, dan weer een poos heelemaal weg, benauwend zoel, en vroeg donker.... Maar in 't straten-leven der Rotterdammers, de volte, de herrie langs havens en kaden, het drukke bewegen door nauwe straten, stegen en sloppen, gaf dat geen verschil met gisteren, of met verleden week, toen de zon geschenen had, dag aan dag. Niemand die notitie nam van 't weer. De stad was als één groote machine, voortraderend zonder wil of bewustzijn, gedreven alleen door nooit-verslappende kracht van ijzeren noodzaak. Overal deden de straten mee aan 't zaken-doen. Langs de haven-kaden en de steenen wallen der breede rivier, en in de handelswijk aan den "overkant", maar ook tot diep in 't hart van de oude stad dreunden en rammeiden de stoeten overvulde sleeperskarren, scheurde het vloekend geschreeuw, het "huw!" en "hrt" der sleepers door de klamme motregenlucht, verkrachtend het moeie geroep van de straatnegocianten. Aan de rivier en de groote havens siste de stoom, knarsten, rammelden en gierden de lieren, stonden de loeiende ossen met lage koppen en de blerrende schapen, opééngedrongen in ruwe omheiningen, moeilijk ploeterend in de groen-bruine brei van het straatslijk vermengd met hun vuil, bonsden de tonnen en kraakten de kisten; het Noorsche hout werd neergekwakt op groote hoopen; hier en daar heerschte de heete dsjing-klank van het smijten der ijzeren staven over al de andere geluiden. De vaal-bruine sjouwers en dragers, zakken over hun hoofd getrokken, de ijzerwerkers en kolenlossers, vergrauwden in het onzekere licht van den regendag, en somber mompelend gromden hun vloeken en roepen onder het werk; over de zwarte straat, tusschen de vaten en kisten, karren en paarden door, haastten zich jachterig de bleek-neuzige kantoorlui; uit de kroegen sloegen ruziegeluiden, in damp van drank, en mengden zich met het straatrumoer tot helsche lawaaien, die laag bleven hangen in de zware, nattige atmosfeer, waarin de grauwe stad met moeite te ademen lag.
Paul Holman liep telkens tegen iemand aan. Want hij zocht de drukste havens en straten, en hij ging licht slingerend, z'n handen in z'n zakken en keek niet altijd goed uit waar hij liep. Om elf uur was hij van huis gegaan na een onrustigen, koortsigen nacht, alleen in den morgen wat doffen slaap. Zijn moeder had er om gelachen dat het nu al uit was met de matineusheid....
O die nachten! hij begon er nu zoo tegen op te zien.... Als alles stil en rustig is, in huis, en overal, en alleen je gedachten, die dringen op je aan, groot en ontzettend, belichaamd bijna!...
Hij had niet in bed kunnen blijven, had lang heen en weer geloopen, had eindelijk loom-zwaar neergezeten, als neergedrukt, in een ouden leeren stoel—een bureaustoel van zijn vader—zenuwachtig schurkend met zijn ellebogen langs de versleten armleuningen. Hij was er in verkleumd tot klappertandens toe; zijn borst en zijn rug voelden klam-nattig van kilheid. Toen, met het ochtendlicht, had een leege nuchterheid hem weer in bed gebracht. Dat tobben en zorgen, wat gaf het?... Niets!...
Nu liep hij door de stad; hij was dadelijk naar de handelswijken gegaan, de Boompjes langs en de Maasbrug over, waar de breede, vlottende rivier voor hem uitlag, het staal-glanzige, hobbelige watervlak, gansch grauw door den weerschijn der wolken, met de booten op stroom en de langzame slierten zwaar geladen schuiten, de reuzig gepeilerde brug, waar de sissende sleepbootjes onder door kwamen schieten met haast en felle beslistheid; en op Feijenoord ging hij al de havens af en de nieuwe straten en kaden. Hij probeerde zich wijs te maken dat hij dat alles weer eens wou zien. Maar 't was om de drukte, de herrie alleen, die versufte, verdoofde, dof-dronken deed worden hem die gewoon was te leven in wijde stilte en eenzaamheid. Hier kón je haast niet denken, 't kwam alles naar je toe, van alle kanten, je móest er wel naar kijken, en er was ook een zeker somber genot in je-zelf te voelen gaan, zoo dood-geslagen en al half begraven, door al dat sterke, stampgaande leven, dat daverende feest van werkkracht en geldmacht;... zóó, kleurloos als een schim, het eigen zwakke licht binnenwaarts gericht, je te bewegen te midden der glanzing en blikkering van natte zwarte, bruine en hel-vervige dingen, die leefden en bewogen fel-uit naar het buitene....
Innerlijk was hij bij haar, omgaf hij haar gestalte, fee-mooi in zijn gedachten, met het mystieke licht van zijn adoreerende liefde; hij herinnerde zich weer al wat ze gisteren had verteld en vond het nu alles alleen maar mooi en aanbiddelijk, haar een wezen van louter goedheid en gratie, zich-zelf een egoïsten genotzoeker....
Toch, als hij dan zijn eigen leven weer liep te besoezen, dan vond hij er niet veel andere genotzucht in dan 't eeuwig verlangen naar scheppen, naar slagen, zich-zelven voldoen met het werk van zijn handen.... Zijn leven, hoe vreemd ging het toch, hoe onverwacht wendde het zich.... Hij had zoo vast geloofd, in die stilte daar in Brabant, dat hij nu toch voorgoed zijn evenwicht gevonden had, dat het zóó nu zou doorgaan, in een richting; breeder, krachtiger, op den duur wat wijzer misschien door veel te denken.... Na al die onrust en gedurige inspanning, de zelfoverschatting en de tobberij, het zoeken en ploeteren van de eerste jaren, was hij daar gekomen tot een toestand waarin hij gedacht had nu in de eerste plaats een gewoon-goed mensch te kunnen worden, en dan een bescheiden werker, een bewust strever, maar een die weet hóé ver hij pas is, hoe weinig hij nog heeft bereikt..., ja, een die weet, wát goed en wát verkeerd is, en zich-zelf in zijn macht heeft, en daarom nu ook kan praten en lachen, eten, drinken, slapen en kranten-lezen als ieder ander.
Maar nu?... Wat wist hij?... Wat wilde hij?... Had hij eigenlijk ooit iets geweten?... Hij dacht aan de kalmte der verloopen maanden terug met verbazing en wanhoop.... Want er was nu een warreling, een rijzing en daling, een gisting en beroering van gedachten en gevoel in hem, waardoor het onmogelijk was tot een zelfbepaling, tot een plan of een daad te komen.... Een gewoon-goed mensch ... hij had daar geen begrip meer van, 't was hem als was hij eigenlijk in 't geheel geen mensch, niet een als al die anderen, als die daar vóór en die daar achter hem..., ze leken allemaal zoo massief en kloek van doen, en hij was enkel een vat, een loos omhulsel van gevoel en peinzerij.... O! 't zou alles wel weer anders worden!... 't Zou alles wel weer tot bezinken en vastheid komen. Maar daarvoor moest hij nu maar lang alleen zijn en maar loopen, loopen, door de drukte en de volte.... Hij zou er zich dan wel weer één mee gaan voelen....
Hij had ook weer oogenblikken—heel plotseling soms—dat hij niets zag, niets hoorde en even stil moest blijven staan van warrende ontroering; dat z'n bloed z'n hoofd deed gloeien, bonzen of 't barsten moest, en dan in-eens scheen te vervlieten..., dat zijn oogen wijd open stonden, zijn handen onbewust grijpende bewegingen maakten. Dat was de extase, de groot-wassende verrukking, het geluksvisioen, en als 't vervloot, natrillend in al de zenuwen van z'n geslagen lijf, genoot hij van een diepe, stil-pieuse dankbaarheid voor 't kennen nu, het dan toch hebben leeren kennen van zoo machtige emotie, van zulk een staat van bijna blindende aanschouwing, van zoo volmaakte liefde.... Maar smart en kleinmenschlijke bitterheid om 't wreede denkbeeld dat zijn hoogst begeeren nooit voldaan zou worden, om 't weten dat zijn leven nu noodzakelijk onaf, verminkt moest blijven, dat hij daartoe was veroordeeld onverbiddelijk..., volgde telkens weer op die momenten; en hij wrokte dan, wrokte tegen 't lot, wou van zich-zelf geen schuld erkennen, gaf toe aan trotsch gemok, aan voelen zich verdrukt en ploerten machtig, ploerten gelukkig.... Toch, áldoor loopende, loopende, heel den middag door, werd hij eindelijk suf van moeheid en zijn heftigheid verdoft, verzwakt.... Zijn gedachten werden telkens afgeleid.... Hij keek met, medelijdende aandacht naar menschen die sjouwden met zware vrachten, wist meer van zijn meevoelen met ernstigen, met verdrukten vooral, minder van zijn haat voor het grijnzende ploertendom.
In 't grijze half-licht laat in den middag—fijn en dicht was de dampige motregen—stond hij te wachten voor de Leeuwenbrug, die was opengedraaid. Het duurde lang, er moesten wel tien of twaalf vertrekkende beurtschepen door; met droomerige langzaamheid werden ze voortgestuwd, de haven uit, tot midden in het wijde water van de Maas. Met hem hoopte zich een nattig-donkere volte op van menschen en paarden, sleeperswagens, honden- en handkarren. Hij stond tegen 't ijzeren hek, op zij, te leunen, kijkend naar een groep goor-groezelige polderwerkers.... Het waren meest oude mannen, verweerd, aardgrauw, ruw-ernstig. Gebogen stonden ze in hun erg bemodderde en verbruikte hooge laarzen, groote, slap-leerige hoeden op van grillige vormen, waaronder de trekken hunner grove gezichten weg-schaduwden. Onherkenbaar van kleur, zoo gelapt, vuil en nat was alles wat ze aan de bonkig-stoere, de hoekige, naar arbeid staande lichamen hadden. Ze droegen hun zware ruwe spaden en de gebulte blikken waar hun kost in was geweest; zeker kwamen ze terug van een karwei in den polder dat den heelen dag had geduurd. Dicht opéén in den motregen stonden ze te grommen en te mompelen.... Paul ging nog een eindje terug langs de ijzeren leuning; hij schaamde zich over zijn heeren-kleeren....
En plotseling had hij het heftige verlangen die groep daar uit te teekenen;... het kon niet, hij had er nu niets voor bij zich; 't was ook al te donker, te nat en te vuil hier.... Maar hij zou trachten het vast te houden, het later te doen..., hij wou het bepaald.... Vreemd, want hij was landschapschilder, had tot nog toe figuurteekenen vrijwel verwaarloosd.... 't Was of z'n ziel opschokte bij die gedachte; was hij dan zóó veranderd?... Neen ... toch niet!... want wat hij met zijn landschappen, met zijn horizons had gewild, o! dat wilde hij nog, maar nu veel intenser, scherper, directer.... Vroeger had hij wel meelij gehad, weemoed vooral, om de ellende der armen, nu hield hij van ze, nu leed hij pas eigenlijk mee, en dat, dát wou hij uitspreken..., wou hij opvoeren tot schoonheid....
O! als hij hier nu blijven kon..., als hij nu vrij en zich-zelf kon zijn in deze stad, in deze pracht-stad vol afschuwelijkheid, deze stad van ploerten en ellendigen, dit somber-schoone hol van handel, geld en modder..., hoe zou hij er kunnen werken..., want dat, wat hij voortaan uiten wou, dat zou hier bloeien, dat zou hier daaglijks voedsel krijgen, zijn ploerten-haat, zijn afschuw van gelddorst, en zijn liefde vooral, zijn mede-lijdende-liefde voor de behoeftigen, de verdrukten, de onder-liggenden.... Zoeken zou hij ze voortaan, ook onder die weinigen die leefden in dat land van hei en bosch en moerassen, waar hij weer heen gaan zou.... Zóó zou hij zich dan bevrijden van dat gevoel een egoïst te zijn..., terwijl zij.... Neen..., zich geven zóó als zij zou bij nooit kunnen....
Mijmerend over dat nieuwe, in-eens zoo vaste, zoo strak omlijnde kunstbegrip,—terwijl hij juist gemeend had tot helder inzicht niet meer in staat te zijn!—was hij, een zwarten stroom menschen volgend, het Haringvliet heelemaal afgeloopen, en den Oostzeedijk op. Het was nu bijna geheel donker; de motregen, verfijnd tot een zwoel-zwaren damp, vol muffe stankjes, kwam van alle kanten, van over den zwarten muur waar hij langs liep, en zijn pad van vastgetrapt kolengruis, van het rommelige buurtje benedendijks, en van boven uit de enorme massa's van grijsheid die daar aldoor maar hingen, ondoordringbaar en lichteloos. De lugubere dijk was vol op dit uur van naar-huis-toe-gaande mannen en vrouwen. Overal in de straten daar beneden en ook hier aan den dijk in de verloren-staande huizen-groepen kwamen schijnsels van rossig en koel-geel binnenlicht, en telkens ging er een tram voorbij, vol met menschen in rijen bij de olielampjes, een rollend kamertje vol warmte en innigheid van avond-licht door het lugubere dijkduister.... Maar Paul lette er niet op, hij was te verdiept, hij liep door, de Gasfabriek, heel Kralingen voorbij, de kerk voorbij, den spoorweg over, totdat hij heelemaal in het donker stond bij de Oude Plantage.... En nu zich wel bewust waar hij was, liep hij toch nog verder door, naar den Maaskant, en ging zitten op een bank, van waar hij, onder de zware, zwarte boomkronen door, kon turen over het water. Terwijl hij daar zat werd het geheel nacht, de Maas glasglanzend, zwart als inkt, de boomen beweegloos, aflekkende dikke druppels, die tikten op zijn hoed en zijn schouders met ongeregelde, doffe tikken. Door de rivier kwam af-en-toe een lange lage schuit, heelemaal zwart, met een lichtje vóór en een lichtje achter, vlak op 't water, en ook aan den overkant en langs de Maas zoover hij zien kon, pinkten puntjes van licht, rossig, klein in den regendamp.... Alleen leek hier en daar over het water nog altijd wat druilige schemer te wijlen....
Paul voelde nu wel dat hij doodlijk vermoeid en zijn innerlijk maar half verantwoordelijk was voor de diep sombere, lugubere dingen waar hij voortdurend aan zat te denken. Hij wist wel dat die omgeving, het zwarte duister, de regen, het herhaald, in de verte, schril-gillend gefluit,—die onheilspellende storing der stilte—daar mede in waren betrokken. Toch gaf hij er aldoor aan toe, met graagte zich martelend, volop zich gevend aan smart en ellendigheid, als wilde hij zich er geheel mee drenken, om er daarna tegen bestand te zijn. Hij ging aan het water staan, luisterend naar het zacht-klokkend gekabbel daar vlak bij z'n voeten, en voelde de waterkou rillig omhuiveren zijn kil-natte lijf.... Maar toen was er in-eens een gedachte in hem aan de mogelijkheid van ziek te worden, en een plotslinge wrevelige onwil daartegen.... O neen! dat heelemaal niet!... geen ziekelijkheid, geen interessant zijn, geen opgepast worden..., och-god, neen, asjeblieft niet!... En haastiger dan hij gekomen was liep hij terug en ging in een tram zitten die naar de stad reed. Bij de Hoogstraat stapte hij uit en liep een cafétje in om een borrel te drinken als remedie tegen de vochtigheid en de kilte, die hij voelde op z'n huid, van armen en beenen vooral, waar zijn natte kleeren bij plekken aankleefden. Heet-prikkelend, branderig viel de jenever zijn wee-leege maag in. Toch hielp het, gaf het wat warmte z'n lijf door, en een dof-roezigen gloed óp naar zijn suffend hoofd.
Naar huis kon hij nu niet meer gaan om te eten, hij wou 't ook niet, hij wou geen verklaringen geven. Hij had ook eigenlijk geen etenstrek.... Toch zou hij wat nemen ... dat was beter.... In een grooter café, daar op de donkere Hoogstraat ergens, bestelde hij een broodje met vleesch, en een glas Pilsener. Langzaam en moeilijk zat hij 't er te verorberen; het dunne bier smaakte hem niets, het was rinzig en al te koud ... hij liet het half staan....
Hij zat aan een tafeltje tegen den muur aan den kant van de straat, en hij keek naar de menschen, die haastig passeerden, bij donkere groepen of spichtig alleen. Onverbroken gingen de stroomen elkaar tegemoet, nooit kwam er een einde. De meesten gingen gebogen.... En toen hij wat achterover ging zitten, turend met doffe oogen—als door een waas—zag hij ze vaster aaneen, een wriemelende, golvende massa, de een aan den ander somber gelijk, als waren het altijd dezelfde die kwamen en gingen.... O! al die menschen, die zwarte massa, en al die huizen in al die straten, dat drukte op je van alle kanten. Te denken als je die drommen zag deinen, dat iedere enkle voor zich toch de wereld was en centrum der werelden, dat ieder zich-zelf alleen voelde leven, in zich-zelf culminatie van leven vond ... en dat dan ook eigenlijk ieder maar lijden kon zijn eigen leed alleen.... Het leek zoo vreemd, maar 't was wel goed zooals het was.... Want wie zou van twee de smart kunnen dragen!...
Mijmerend ging hij de straat weer op, en hij liep weer, en liep weer. Hij voelde soms dat zijn voeten gezwollen waren, zijn beenen als volle koffers zoo zwaar. De Hoogstraat liep hij, die vreeslijke straat, waar hij nooit had begrepen hoe iemand er wonen kon, die duistere gang, zoo hoog en zoo zwart, zoo troostloos leelijk en smerig besmeurd als een vettige oven na lang gebruik.... Van jongsaf had hij die straat verwenscht, hij haatte de stoffige, slordige winkels, vooral de magazijnen van goedkoope heerenkleeding, die waren er zoo veel.... Hij liep de Gedempte Botersloot over, waar, onder walmende vetkaarsen, wagens staan met allerlei koopwaar, onfrisch en beduimeld.... O ja, mooi, mooi, maar vol weemoed dat walmige toortslicht in den dampigen avond.... Hij liep maar, liep maar; óveral kwam hij dien avond, de heele donkere stad door, de Zandstraat, de Raamstraat, waar 't zeevolk lolde in kroegen en danshuizen; nu en dan keek hij, bij den armelijken schijn van een straatlantaarn, op zijn horloge, of hij al naar huis kon gaan, zonder veel kans zijn moeder of broer daar nog op te treffen....
Onder het viaduct, op de Gedempte Binnenrotte gaf hij een gulden, die los in zijn zak lag, weg, aan een oude, armoedige slet, die fleemerig fluisterend vroeg met haar mee te gaan, met cynische gemeenheid in haar stem, maar angst in haar oogen.... Hij keek nog eens om en zag dat ze er vlug mee weg liep. Misschien naar een kroeg, dacht Paul..., maar misschien ook niet..., en hij was vijf seconden bijna gelukkig....
Hij zat ook weer een heelen tijd lang in een bierhuis met een glas bier voor zijn borst, dat niet op wou.... En voor de zooveelste maal in dien eeuwigdurenden dag zat hij aan Annie's verbaal te denken.... Hij had het alles te voren wel vermoed..., ja, bijna geweten.... Dat nijdige, gallige volk, die beestige egoïsten ... hij zou ze kunnen ranselen!... Waarom had ze 't hem eigenlijk verteld, hij kon haar immers toch niet wreken!... O! maar dat wou ze ook niet, ze kon 't alleen maar niet langer uithouden.... Louis zou haar redden.... Hij niet, hij kon niets voor haar doen..., niets!...
Dan, achterover geleund, herdacht hij opnieuw, met genot vol van bitterheid..., herdacht hij....
Om één uur kwam hij thuis, gansch en al uitgeput, ziek van hoofdpijn en koorts. Bij een boom op den Eendrachtsweg had hij staan braken. Hij had goddank den sleutel en ze waren naar bed.... Zijn moeder doorschreed misschien al in droomen de partij-lichte zalen van morgenavond.... Rillend en pijnlijk kroop hij z'n bed in, maar z'n moeheid was zoo groot, hij sliep haast dadelijk, en aan één stuk door tot den anderen dag, half elf.
Toen hij op was voelde hij zich toch nog onwel, leeg, wee en koortsig. Maar hij wou er vooral niet over spreken. Hij dwong zich wat te nemen voor ontbijt.... Hij zag er slecht uit, maar gelukkig was zijn moeder zoo vervuld van haar feest, dat ze bijna niet op hem lette. Ze vroeg wel even naar gisteren, maar hij zei dat hij uit was geweest met oude vrinden. Toen schudde ze 't grijze hoofd met ondeugend dartele oogen.
's Middags sloot hij zich op in zijn kamer, ging op z'n bed liggen. Want hij moest er natuurlijk weer bij zijn van avond. Hij trachtte zich af te leiden met kijken naar al de oude dingen die daar stonden in de weinig gebruikte logeerkamer..., ze deden hem telkens even denken aan zijn kindertijd, aan 't huis op den Schiedamschen Singel..., aan z'n vader....
Annie bleef dien regen-duisteren Woensdag thuis..., den heelen dag.... Ze ging, doende haar bezigheden, door de vertrekken en gangen, ze werkte op haar eigen kamer met de naaister, en 's middags zat ze beneden bij mama, die 't zóó hebben wou, voor als er visite zou komen. Er kwamen ook een paar dames, met wie ze 'n poosje praatte, al voortbordurend,—monogrammen op kussensloopen, telkens weer zoo'n H en B fraaielijk in één geslingerd.—Ze schoot er goed mee op dien dag; haar uitzet was nu bijna klaar....
Maar wat was er toch met haar gebeurd?... Wat had ze toch in haar oogen..., wat had ze in haar ooren?... Het huis was toch het huis, er was niets aan veranderd, de gangmuren strekten zich in het er langs gaan, even star-zwijgend als altijd; de oude kamer-vierkanten waren haar zoo bekend, al zoo door-en-door en lang bekend ... en daar stonden de glimmende meubels, en het kastje, dat had ze opgewreven, oneindige malen.... En de familieportretten er naast, en aan den anderen kant het groote schilderij van Koekkoek, en het kleine landschap van neef Henri, in hun oude vergulde lijsten, die niet meer schoon te krijgen waren..., en de japon die ze aan had ... dat was immers doodgewoon die van 't voorjaar ... van Bönnenkamp en Mähler.... Haar bordurende handen.... O! haar handen, daar schrok ze van..., dat waren haar handen niet meer, dat waren mooi-rozig-witte, vreemd bewegende dingen aan haar lijf.... Zij was 't niet, die ze liet bewegen....
En al dat andere, de kamermuren en de meubels, waren heel ver, en van vroeger..., en mama, en die dames, 's middags, die zaten op zoo'n afstand van haar, dat ze niet begreep hoe ze kon verstaan wat ze zeiden.... Ook was het witte linnen, waar ze aan werkte, geen linnengoed..., het was de straat, de weg dien ze geloopen had met Paul..., iedere steek was een stap, en het kleine geluid van de naald droomde tot menschentaal op, tot echo's van zijn woorden, van zijn lieve, gekoesterde woorden, dat kleurige fleurige volk van haar ziel, haar blijde speelnooten, haar troostende gezellen, haar trouwe zusters en broers....
Wat was dat ook waar ze zich nu naar toe voelde gaan?... een nieuwe ontmoeting?... O ja! die partij van morgenavond, dat bal dat gegeven werd omdat ze ging trouwen.... Trouwen ... trouwen ... trouwen ... trouwen.... Zoovele ... en nog meermalen, zegde ze dat woord over in haar hoofd, maar 't wou niet doordringen in haar bewustheid..., 't gleed schimmig weg..., ze voelde er niets werkelijks aan.... Wat was er in dat woord?... Ze kon er niet over denken, want ze was niet in morgen, ook niet in vandaag, ze was in gisteren, in dien grooten, vol-ademenden dag, dien over-vol-rijken, dien over-vloeienden dag, dien dag als een mooi-ondergaande zon, warm-donkerrood, fonklend geel en oranje, teer-blauw..., zoo ruischend en stuivend van licht, zoo gloeiend en glanzend van kleur!... O die heerlijke, heerlijke dag!...
Wat was de wereld toch groot en mooi!... en zijn oogen!... Het leven, wat was het toch boeiend en prachtig, net een groote grot vol groene kristallen, die diep-stil flonkeren om je heen..., en zijn stem daarin, o! zijn sprekende stem!...
Er was in vandaag nog licht van gisteren; ja ... dat licht van de ondergaande zon was nog niet weg; deze dag hoorde nog bij den vorigen; er was ook nog mets gebeurd sinds zij zich gescheiden had van hem, hier aan de voordeur.... Je kon denken dat het zooeven was geweest, niet gisteren, want de nacht, wat was de nacht eigenlijk?... niets!..., in den nacht droom je en over-dag droom je..., er is haast geen verschil!... Het was ook wel een goede dag, deze..., maar vreemd, onwezenlijk..., 's middags aan tafel was 't moeilijk de anderen te verstaan, en te begrijpen wat ze bedoelden....
Het veranderde pas 's avonds om halftien, toen Louis binnenkwam....
Eigenlijk nog niet dadelijk. Eerst dacht ze: daar heb je Louis..., Louis met wien ik ga trouwen.... Daar was ook wel iets vreemds, ver-afs in..., maar dat was nu toch maar verbeelding, zo wist immers wel dat ze met hem ging trouwen, en hij was eerst nog meê in 't licht van dien dag, het mooie warm-rossige licht.... Maar toen kwam Louis zoo heel dicht bij haar, en hield haar hand zoo lang in da zijne, die warm was, en hij keek haar zoo aan, en praatte ook dadelijk veel over allerlei dringende dingen, waar zij niet aan gedacht had, den heelen dag niet.... Jammer, jammer, hoe kwam dat nu?... 't Was niets voor haar!... Zoodat ze een beetje vervelend-wakker werd, een nare ontstemming en vage verwarring gevoelde.... De muren kwamen ook in-eens dichterbij, alles werd gewoon, de stemmen in de kamer scherpten op, ratelden hard en zenuwachtig.... Och! wat was er nu weer, konden ze weer geen vrede houden?... Ze wist ook plotsling niet meer hoe 't alles daarnet nog geweest was, wèl—doodgewoon—dat ze gisteren boodschappen had gedaan met Paul, inkoopen voor hun huis, en dat ze daar nog verslag van doen moest aan Louis.... Ze vond dat erg moeilijk, 't verontrustte haar, ze trachtte er zich af te maken, praatte er vlug-druk over heen, ze had ook in-eens een gevoel alsof ze zich iets te verwijten had tegenover Louis.... Toch was er niets, niets.... Dat ontstemde haar tegen hem. Toen ze hem weer aankeek en haar hand nog altijd voelde in de zijne, die zoo warm was, huiverde ze even.... Zachtjes trok ze haar hand terug.... Ze keek Louis lang aan, deed moeite hem weer te zien in dat licht waarin ze hem had zien binnenkomen, maar 't ging niet meer, ze zag hem scherp-precies, zijn geschoren kin, de punten van zijn snor; en zijn stem bleef te luid. Vermoeiend luid en hard ook de andere stemmen in de kamer nu....
Louis vroeg waarom ze zoo stil was, of ze hoofdpijn had.... Neen, zei ze, maar ze was wel erg moe, ze wist niet hoe ze zoo moe kwam, maar alles was als lood aan haar.... O! haar beenen, en haar hoofd!... Ze wou maar vroeg naar bed gaan.... Dat ried Louis haar ook sterk aan, want morgenavond was het bal, dan moest ze frisch zijn en onvermoeid. Ja, ze moest vooral maar heel vroeg naar bed gaan, en ook morgen-ochtend desnoods maar wat blijven liggen.... Ze beloofde dat, en bleef verder stil zitten, weinig zeggend, maar innerlijk erg gejaagd door de onmiddellijke nabijheid van Louis, dien ze niet goed aan dorst te kijken. Om halfelf ging hij weg; zij liet hem uit, en voelde op haar wang zijn zoen als iets wee-zacht-vochtigs....
In bed ging ze stil liggen, met haar rug naar den muur en haar oogen dicht, zooals ze gewoon was, niet anders denkend dan dat ze wel net-als-altijd gauw zou slapen. Maar ze bleef maar wakker..., ze bleef maar wakker..., ze werd zelfs hoe langer hoe helderder..., totdat ze, haar oogen openend, schrok van haar eigen koortsig-scherp gespannen helderheid.... Turende, langs den zacht-geligen schijn van haar nachtpitje, keek ze haar kamertje in, en ze was verbaasd, een beetje beangst, zoo licht was het er; ze kon alles zien, kleinigheden die op het tafeltje lagen, de koorden van de venster-gordijnen en van de platen aan den muur.... Plotseling schoot ze recht op in haar bed. Ze meende iets gehoord te hebben, ze was bang, ze luisterde met ingehouden adem. De kastdeur kraakte; ze rilde van angst...; daarop was het langen tijd heel stil.... Maar toen ze, langzaam aan, zich weer liet zakken, turend naar de deur van haar kamer, die een eindje openstond, verbeeldde ze zich dat de knop bewoog, dat de deur verder openging, en duidelijk meende ze 'n zacht brommende stem te hooren achter de deur.... Ze sprong uit haar bed, huivrend van schrik, dadelijk scherp voelend de kou op haar borst en langs haar beenen, als liep ze in den wind.... Ze ging haastig de deur dicht doen. Toen dronk ze, aan haar waschtafel, een glas water; 't glaswerk rinkinkte met gewoon geluid; ze dacht dat alles nu wel over zou zijn, ging weer naar bed.... Vastberaden blies ze 't nachtpitje uit; in 't donker zou ze wel gauw in slaap komen....
Maar ze voelde dat water, een vasten plas, zwaar in haar maag; ze had te schielijk gedronken; ze lag klam-koortsig te rillen, trok vruchteloos het dek zich al dichter om 't lijf; ze bleef koud, erg wakker, en de angst kwam ook weer terug, toen al de geluiden, die ze zelf had gemaakt, weer weggestorven waren. Haar oogen wenden zich aan het duister; ze zag donkere figuren over den grond kruipen, ze verbeeldde zich het gordijn dat over haar kapstok hing te hooren bewegen....
Daar ze nu toch niet kon blijven liggen, omdat ze aldoor luisteren wou, besloot ze in-eens dan maar recht-op te gaan zitten—tot ze in slaap zou vallen. Ze deed het, maar 't was of ze armen en beenen in koud water stak, toen ze zoover boven het dek uitkwam....
Het was nu langen tijd fluister-stil in huis, en geheel gewend aan het donker kon ze haar heele kamer weer zien.... Maar in de gang natuurlijk niet, waar de deur was dicht.... En toch..., tóch zag ze daar plotseling Paul staan tegen den witten muur geleund, haar ernstig aanziend.... Een gil smoorde in haar keel. Groot-staar-oogend naar de deur, met een kille huivring over rug en nek, trok ze de dekens op, met beide handen, tot om haar keel, die brandend pijn deed....
Het bleef stil ... en ze zag de muren van haar kamertje.... O! ze begreep nu wel dat ze koorts had.... Zeker kou gevat of zoo iets, dacht ze.... Maar ze kon toch dien angst nog niet van zich afzetten.... Ze bleef recht-op zitten.... En telkens als ze, knikkebollend, bijna was weggedut, was er weer een geluid—het ver-weg fluiten van een spoor of boot, roepen of zingen van menschen buiten—wat haar wakker hield, opnieuw scherp luisteren deed....
Maar eindelijk scheen ze toch in slaap gevallen te zijn, want met een schokkenden schrik werd ze wakker..., en zag haar kamer in morgenlicht.
Dien heelen dag rilde de angst van den nacht nog in haar na, en ze dorst niet goed aan Paul te denken, want dan zag ze weer dat beweeglooze staan van hem en dien somber-ernstigen blik.... Het was een akelige, rustlooze dag. Ruzie in huis van den ochtend af tot aan het verslonsd-ongeregelde middagmaal. De humeuren deden zich gelden. Niemand gaf toe. En Annie was te moe en te warrig in 't hoofd om er iets aan te doen.
Ook toen ze, geholpen door Neeltje, zich kapte en kleedde voor 't bal was ze nog weeïg en duizelig van gejaagdheid. Flauw-lusteloos, met een vage beklemming van angst, en voorgevoel van erge dingen, deed ze telkens even de oogen dicht—haar gezicht had iets zorglijks, iets pijnlijks..., zoodat Neeltje wel dacht dat de juffrouw zware hoofdpijn had.... 't Was me dan ook weer een dagje geweest, nou!...
Louis kwam haar halen toen de anderen al weg waren. Ze was nog niet heelemaal klaar, moest zich ten slotte nog haasten. Vriendelijk bedankte ze Neeltje toen, ging lijdzaam mee....
Mevrouw Holman gaf haar partij in een nieuwe gelegenheid op den Eendrachtsweg. Er was een danszaal, net groot genoeg voor 'n zeventig gasten, en een aangrenzend ontvang-zaaltje, veel kleiner, eigenlijk wel wat heel klein; de menschen in hun feestkleeren stonden hinderlijk dicht opéén, terwijl ze wachtten op het bruidspaar, dat een kwartiertje later zou komen—maar 't werd wel haast een half uur....
Het was weer een regenachtig-zoele avond, en in dat zaaltje werd het al gauw heel warm; de gasten verwenschten de warmte en het wachten in dat kleine zaaltje, terwijl ze, beleefd glimlachend, stonden te praten of, voorzichtig voorbij elkaar schuivende, kennis maakten, kennis hernieuwden, de gastvrouw eens aanspraken, en herhaalden hoe alleraangenaamst ze 't gevonden hadden van de vriendelijke invitatie te kunnen profiteeren;—het was ook zoo'n echt lief, zoo 'n in-sympathiek paar, Louis en Annie, zeiden ze met diepe grijnzen en kwasi-verrukt groote oogen.
Het was hoofdzakelijk een jongeluispartij. Maar er waren toch, behalve de ouders van de bruid, nog eenige ooms en tantes en oude huisvrienden. Verder was Jan de Boogh er met een keuze uit zijn societeitsvrienden, allen rijke, wel-doorvoede heeren van tusschen de dertig en veertig, meerendeels dik, blozend en kaalhoofdig, enkelen, die kwalen hadden, gelig bleek en beenig; ze hokten samen, keken brutaal naar andere gasten en grinnikten dan, maakten opmerkingen, kraak-lachend; zetten ook wel, in een hoek van 't zaaltje, hun gesprekken voort van gisteren-avond. Ze vonden blijkbaar niet, dat ze al werk van de meisjes behoefden te maken; het was trouwens voldoende dat ze 'r waren—die kranige jongelui met hun wel-bekende namen—dat ze 'r stonden, tot luister van 't feest de schittering uitstallend van hun breede en fraaie overhemden, bij sommigen ietwat hol-ingedrukt boven de aankomende embonpoints.
Dan was Willem er ook met eenige andere Leidsche studenten, die vormelijk-deftig, verwijfd glimlachend, voortschoven tusschen de meisjesgroepen door, invullend met hun dunne gouden potloodjes op de geglaceerde balboekjes hun namen—niet minder imponeerend dan die van da beurslui—dan buigend, voorzichtig weer verder gaand. Zij bemoeiden zich, in hun ijverig trachten naar correctheid, bijna in 't geheel niet met elkaar, maar keken soms met stroeve ergernis en dédain naar de groep van Jan en zijn vrinden,—niet te lang, want zij verbeeldden zich meermalen dat er om hen werd gelachen in dien hoek, en ze waren, bij al 't besef van hun superioriteit, een beetje schuw voor die sterk geblaseerde lekkerbekken, die al-weters van het heeren-fuifleven.
De meisjes waren beducht voor hun kapsels en voor hun tint in de warmte van 't zaaltje, zij glimlachten niet zonder moeite, en er waren er die zeer recht en stuursch keken, wanneer ze niet werden aangesproken. Ze stonden erg te wachten, zich loom-langzaam bewaaiend met hunne waaiers, spraken tot elkaar, in kwasi-wanhoop, over de warmte, en met de heeren, coquetjes lachend, over den feestlijken avond en het sympathieke bruidspaar. Ze waren meest nichtjes en kennisjes van de bruid, maar ook wel zusters van de vrienden der broers; er waren er ook die de bruid hoogstens van aangezicht kenden; één was er, een zeer rijke, die vroeger een blauwtje had gegeven aan den bruigom, en een paar anderen die dat rond-fluisterden.
Mevrouw Holman stond, een beetje zenuwachtig, maar erg blij, en in een frisch-fiere, bijna uitdagende houding te midden van haar gasten. Alles was prachtig in orde gekomen. Ze was zeker van 't slagen van haar partij en volkomen voldaan met haar eigen verschijning. Ze deed schalks-vertrouwelijk tegen de heeren, dreigde hen, kwasi-bestraffend, met den vinger, als hield ze hen voor onverbeterlijke Don Juans, en prees alle dametjes dol-elegant, reine du bal..., om zoo ook zelf veel complimentjes te oogsten over haar uiterlijk.
En ook het echtpaar De Boogh zette de voor de gelegenheid vereischte gezichten. Mijnheer scheel-oogde, grijns-lachte en schetterde luid-lustig met eenige jongelui, mevrouw, verzamelde met zwijgenden glimlach allerlei aanmerkingen, en schoot er mee op, wat haar een placide, bijna gelukkige stemming gaf.
Zoo dacht ieder daar alleen aan zich-zelf, aan, eigen houding en uiterlijke verschijning, en maakte z'n opmerkingen om er z'n voordeel mee te doen.
Intusschen was aan allen die binnenkwamen door Marietje de Boogh een sterk gesatineerd papier in de hand gegeven, waarop, door 't glimmen bijna onleesbaar, een gedichtje gedrukt stond, dat gezongen moest worden bij 't binnenkomen van Bruid en bruigom; en in een hoek van de danszaal, vlak bij de deuren van 't ontvangvertrek, stond een piano, waaraan een stil, net heertje zat, ook in rok, net als de heeren-gasten, maar met bloote handen en een vermoeid, effen gezicht. Dit heertje zou 't welkomstlied accompagneeren en verder muziek voor de dansen maken. Op 't laatste moment werden door Jan, die ceremoniemeester was, nog wenken gegeven over dat zingen, in bewoordingen waaruit bleek dat hij zelf niet begreep hoe 't eigenlijk gaan moest. Toen er nu een gerucht liep dat ze er waren, en Jan was gaan kijken—jawel hoor! daar waren ze!—werd den gasten nogmaals verzocht een kring te maken, wat hen achteruit deed loopen, samenproppen in de hoeken, en een luid geruisch, gepraat en gegichel gaf, een quasi-vroolijk geprotesteer tegen dat opdringen.
Paul, die juist gekomen was, stond heel achteraan, tegen den muur. Maar over een paar gekapte meisjeshoofden heen kon hij Annie zien, toen ze binnenkwam.
Er was even stilte. Jan, gaf het sein en de pianist sloeg de introductie aan. Aan 't binnenkomend bruidspaar, dat al dadelijk wou handen-geven, werd door haastig fluisteren en wenken beduid, dat ze 'n oogenblik stil moesten blijven staan en luisteren.... De bruid zag bleek; haar smal gezichtje stond ernstig; er was iets vermoeids in haar houding; de hand die den bruidsbouquet hield, hing neer langs haar witzijden bruidsjapon; maar de bruigom, een weinig geéchauffeerd, wat hem roodige vlekken gaf in hals en gezicht, glimlachte sterk, stralend den blijden, zekeren triomf uit zijn klein-getrokkene oogen. Het kostte hem blijkbaar moeite zoo stil te staan; hij knikte al telkens naar dezen en genen, en wuifde geaffecteerd met de stijf gehandschoende hand....
Het zingen was iets te laat ingevallen, maar dat herstelde zich. Een paar goede, geschoolde stemmen en de geestdriftige van den student, die op Willems verzoek de woorden gedicht had, waren bovenuit te hooren; de meeste meisjes piepten bedeesd, en sommige societeits-mijnheeren bromden maar zoowat mee, anderen hoestten, of vielen alleen nu en dan in, bij een hoogen uithaal.... Het geheel klonk valsch....
Maar Annie hoorde er niets van. Zij had dadelijk Paul zien staan met zijn geel-bleek gezicht en zijn koortsig-toornige oogen, die hij neersloeg toen ze hem aankeek, en ze was doof van verwarring geworden.
Hij zong niet mee.
Een van de oude kennissen die hij Zaterdag op de societeit had ontmoet, zei zachtjes, hem aanstootend met den elleboog: "Kom kerel, vooruit!... meeblerren!" Maar Paul antwoordde: "Ik kan niet zingen."
Toen het uit was kwam iedereen handjes geven, de gastvrouw fier-vroolijk voorop, en toen de ouders De Boogh. De oude heer knipoogde, veinzende aangedaan te zijn; al de gepoeierde oudere dames brachten hun zakdoekjes voorzichtig tot even voor hun oogen.... Daarna stelden de feestgenooten zich op voor de polonaise. Jan ging vooraan met mevrouw Holman, dan kwam het bruidspaar....
En het bal begon. Dansen volgden op dansen, afgewisseld alleen door een paar voordrachten in een hoek van de zaal. Er was geen tooneel. Dus konden ook bruid en bruigom telkens een tijdlang meedoen als gewone gasten. Alleen de oudere dames vonden het blijkbaar plicht hun altijd weer toe te knikken, en toe te lachen, of even aan te spreken. De jongeren bekommerden zich niet veel om hen, ieder had z'n aandacht bij eigen plezier, intrige, figuur....
Annie leefde, nadat ze de balzaal was binnengegaan, in een gedurig verwachten. Ze wist eigenlijk zelf niet wat. Maar er was iets, er zou iets komen, haar borst was beklemd. Soms dacht ze dat het dit zou zijn: Paul, naar haar toekomend om een dans te vragen.... Maar zou hij 't wel doen?... Ze twijfelde.... Kon hij dansen?... Ze keek telkens naar hem uit maar zag hem dan doorgaans niet. Dat gaf haar een gevoel van verwondering en leegte, maar toch ook een kleine verlichting, want ze wou het wel, dat hij komen zou..., maar eigenlijk was ze 'r wat bang voor....
Paul bleef bijna voortdurend in het kleine zaaltje zitten, waar nu gelucht was, en waar ook de oudere heeren kwamen praten en—heimelijk, aan de deur—een enkel trekje doen, de rookwolkjes wegslaand met hun groote, onbedekte handen, want ze waren niet zeker of 't wel mocht, rooken in dat zaaltje, en ze grinnikten er over tegen Paul, zeiden dat hij 't niet aan mama moest verklappen. Hij keek hen bot-verbaasd aan, alsof hij doof was; hij begreep niet, geheel abstract.... Aan dansen dacht hij geen oogenblik.... Hij wist het soms zelf niet, waar hij wel aan dacht.... Aan alles!... Aan niets!... Het was gedaan.... Hij kon het niet meer uithouden.... Hij zou maar weggaan.... Of eigenlijk.... Waarom? ... Wat kon 't hem schelen waar hij was.... 't Was overal ellendig.... 't Was overal hetzelfde, 't ging met hem mee....
O! haar binnenkomen!... Die aarzelende stap, die zoekende oogen!... Haar denkende mond, haar hals met het wonder-teer-intieme van het keelkuiltje, dat hij had voelen kloppen op den afstand waar hij was; haar heele staan door de witzijden japon!... Die glans!... Die witheid, die haar beschutting was tegen de handen en 't aandringende lijf van hem, die daar naast haar ... brutaal triomfeerend....
Louis was z'n broer, zijn jongere broer....
Toen vader gestorven was had hij, tegen Paul aan, uit zitten huilen, in den kamerschemer.... Zoo iets bindt zoo.... 't Was z'n broer.... Zijn eenige broer....
O! maar die anderen, ál die anderen, die mocht hij haten, heet haten, vervloeken naar willekeur. Zij met hun laffe, verwijfde smoelen, hun stom-aanmatigend, ijdel gezwets, die blootborstige vrouwen met hun lokkende, lekker-lachende monden, die kerels met hun onreine oogen, hun wreede, lachende tanden, met hun gedachten ... gemeen ... gemeen.... Hij kon ze wel zwiepen, er uit allemaal, dat het striemde, snerpte, scheurde.... O! dat te denken, daarin te berusten, dat zij moest blijven daar in die omgeving, in die atmosfeer...; zij, zij met haar onschuld-adem, zij met haar hart vol geloof, zij met haar handen van heilige....
Het dof-donkere haar, het droge, springende, willende haar, dat nu was samengesnoerd, en opgesierd met een bosje onechten oranjebloesem..., o! als hij het los mocht maken..., dat het kon zwieren, leven, bewegen!... O! als hij het kussen mocht!...
De bruigom deed ijverig z'n best om lief en attent voor zijn bruid te zijn. Hij glimlachte haar zonder ophouden toe, omgaf haar met z'n verheugde blikken. Hij wou met geen andere dansen, was aldoor vlak bij haar, zat naast haar, deed trotsch en blij, was blijkbaar wel in zijn beste stemming.... Hij had haar ook tot-nog-toe niet gezien als van-avond..., zoo'n beetje gedécolteerd; aardig, hè ... mooi, hè!... Maar wat of ze weer had van-avond; ze was zoo stil, zoo vreemd, ze ontmoedigde hem werklijk bijna, want wat kon hij meer doen dan hij deed!... Enfin!... Er was zeker thuis weer wat geweest, een ruzietje; zoo'n kleinigheid kon haar zoo zenuwachtig maken...; ze was dikwijls zoo stil.... Afwachten maar, niet forceeren!... Maar hij vond het eigenlijk wel beroerd, want in zijn hittig verliefd-zijn, dat nog niet zoo sterk was geweest als dezen avond, groeide nu een behoefte, een ongeduldige drang naar beantwoording van z'n verlangens, naar zich-zelf begeerd gevoelen.... Tot nog toe had hij dat niet erg gemist, maar nu begon het ontbreken ervan hem hinderlijk te worden, ofschoon hij er zich nog niet heel helder bewust van was.... Maar hij troostte zich telkens weer door een, zich hevig verbeeldend, denken aan den aanstaanden trouwdag ... en wat dan zou volgen.... Nog maar vijf dagen!... Hij verkneukelde zich als een smulpaap, genood op een fijn diner....
Later op den avond begon hem Annie's abstracte houding méér te ontstemmen.... Hij trachtte zich toen wat af te leiden door veel naar de andere meisjes en jonge vrouwen te kijken, naar de halzen en armen vooral, en dat hielp ook wel, telkens vergat hij zijn ergernis, maar zijn zinnelijkheid werd ook te sterker geprikkeld, hij werd gejaagd en zeer nerveus, hij maakte stiekeme plannen....
Annie hield maar voortdurend dat gevoel of er iets zou gebeuren.... De angst van dien nacht kwam telkens weer even terug met een soort van schrik, en die dofheid, dat machtelooze, dat haar den heelen dag had bezeten, was nog niet weg, hoe ze ook poogde vroolijk te zijn, mee te doen.... Ze danste bijna iederen dans, met Louis meest alle, maar ook een paar met zijn beste vrinden, die zich dan uitputten in complimentjes..., maar zij luisterde niet, en de dansmuziek nam haar niet mee, noch de snelle, deinende maatgang; zij bleef passief, in zich-zelf gekeerd, abstract....
Daar ging Paul langs den muur aan den overkant. Waarom keek hij niet eens naar haar?... Hij kon zeker heelemaal niet dansen, maar waarom kwam hij niet eens met haar praten?... Zou hij soms ziek zijn?... Hij was zoo bleek.... En z'n oogen!... Hij was veranderd sinds Zaterdag.... O ja!... Z'n oogen vooral, die lagen veel dieper.... Hij kon er zeker niet tegen zoo lang uit z'n werk te zijn, rond te loopen hier in Rotterdam, en zich te vervelen bij die feestjes.... Het was ook niets voor hem!... O! daar keek hij even.... Maar nu leek het toch wel of hij boos op haar was.... Z'n gezicht stond net als toen Louis van-de-week had gevraagd of hij die boodschappen wilde gaan doen met haar....
Toen Paul, den avond door, al maar niet kwam, werd zij erg onrustig; de angst werd beklemmender en week niet meer.... Ze hoopte 't nu ook volstrekt niet langer, dat hij zou komen, integendeel, soms was ze bepaald bang, dat hij plotseling voor haar zou staan.... Er was nu weer iets tusschen hen gekomen..., iets vijandigs, iets ... dat hen meer en meer van elkander verwijderde.... Wat was het toch?...
O God! die lach van Louis van avond!... Zij kon bijna niet meer naar hem kijken.... Ze zou hem bepaald vragen, later, z'n gezicht toch ernstig en recht te houden....
Het eenige dat haar soms een oogenblik afleidde was de stralende pret, het dolle, opgewondene doen van andere meisjes. Dat gaf haar dan een hartelijk gevoel van genoegen, bijna iets moederlijks.... Maar dat was dan maar even, de angst kwam dadelijk terug, beklemde haar, deed haar loom en traag zich bewegen, en denken; ze kon haast geen woorden vinden als ze praten moest.... De avond werd eindeloos lang, en hinderlijk het felle licht, de dansmuziek en de glans der kleurige toiletten....
Eindelijk: het souper. Er waren drie tafels gezet in de danszaal, terwijl de gasten zoolang in het andere vertrek werden beziggehouden met een paar voordrachten.
Paul had bijtijds aan zijn moeder gevraagd hem niet aan de officieele tafel te zetten, maar aan een van de andere, tusschen hem onbekende menschen. Zij had het wel gek gevonden—maar hij was nu eenmaal een wonderlijke, en, in zulke minder gewichtige dingen, was 't verstandig zijn zin maar te doen; dat was een steun in gevallen waar meer aan gelegen was.
Dus zat hij tusschen een paar hem geheel vreemde meisjes, en toen hij merkte dat zij zelfs heelemaal niet wisten dat hij schilder was, beweerde hij een "en gros" zaak in krenten te hebben, in Dordt te wonen, en hij praatte van het toenemend krentenverbruik in Nederland, en over de vele kwaliteiten die je had, maar 't was jammer dat tegenwoordig nu letterlijk in alles de klat was; er was ook zoo verbazend veel namaak.... Die meisjes, vereerd naast een broer van den bruigom te zitten, luisterden vriendelijk, gaven hem gelijk, met ernstige gezichtjes, vertelden dat hun vaders ook in zaken waren, en ze wisten wel dat er tegenwoordig "malaise" was, daar klaagde papa ook zoo dikwijls over....
Toen, wee van die onzinnige flauwiteiten, zei Paul niets meer, alleen maar ja en neen, als het moest.... Er werd nu ook getoost, ze moesten stil zijn.... Hij wou eerst niet luisteren, maar de vijandige klanken drongen zich aan hem op....
Annie zat met haar rug naar zijn tafel gekeerd, aan de volgende....
De oude heer De Boogh stond op en stelde 't geluk van het bruidspaar in. Hij zei dat hij overtuigd was, dat ze in elkaar zouden vinden wat ze zochten, en dat hij zijn dochter met fameus veel plezier had ... geschonken aan zoo'n flinken, hij mocht wel zeggen zoo'n eminenten koopman als Louis Holman.—De bruigom lachte verheerlijkt; er ging een gebrom van applaus door de zaal.—De Boogh zei verder, dat hij zijn eigen dochter niet wou flatteeren, maar waar was het, dat ze een engeltje was, het zonnetje van z'n huis..., mama niet te na gesproken natuurlijk.... 't Was niet zonder weemoed dat hij haar zag heengaan....
Hier werd zijn hoofd nog vuriger rood dan anders; zijn loenschend oog scheen van binnen te branden....
Maar iedereen wou z'n geluk, dat was nu eenmaal zoo 's werelds loop! Hij feliciteerde zijn vrouw en zich-zelf dus nogmaals met z'n voortreffelijken schoonzoon, en hij hoopte....
Een weinig verward rakend, brabbelde hij nog iets van veel blijven komen in 't gastvrije ouderlijk huis, waar liefde hen altijd omringen zou.... Maar dat werd niet goed meer verstaan, want iedereen schoof met z'n stoel, en stond op, en kwam naar het bruidspaar toe om te klinken.
Toen volgden de toosten van de ooms, en van Jan en Willem; ze hadden het allen, uit kennelijk plichtsbesef, over de liefde en het geluk, de ooms met schalksch zinspelen op de groote vermeerdering der familie waarop gerekend scheen te worden, de broers prijzend hun aanstaanden zwager, zijn degelijkheid, en zoo.... Telkens als er werd gewaagd van zijn koopmanseigenschappen, verscheen op 't gelaat van den bruigom dezelfde gauwdieven-glimlach, en wisselden vrinden en verwanten veelbeteekenende blikken. Een maakte zelfs lachend de beweging van geldtellen na.