← Table of contents
De bruidstijd van Annie de Boogh

HERMAN ROBBERS. (continued 2)

Reading edition

Intusschen bleven ze praten, de broers, over en weer. Paul gaf tenminste antwoord, Louis was 't die vertelde en vroeg, aldoor opgewekt-vriendschaplijk van toon. Ze waren nu al gauw in die societeit, een paar ruime zalen boven een winkel op de Korte Hoogstraat. Het was er vrij leeg. Ze groetten een paar lui die stonden te biljarten, maar gingen met z'n beiden, over elkaar, aan een tafeltje zitten. De warm gelende schijn van het avondlicht stond koesterend om hun hoofden....

Toen ze ieder een grog voor zich hadden, vroeg Louis in-eens, zich wat heenbuigend over de tafel, met animeerende vroolijkheid: "En wat was dat nou wat je met me wou bespreken? Waar je over begon, weet je wel, even voor we 'r waren van avond?..."

Paul had er heelemaal niet meer op gerekend dat zijn broer daar nog op terug zou komen.... Wat ondoordacht, hoe stom ook, dat hij er over begonnen was!... Hij kreeg een kleur, hakkelde wat van "och nee!... niets bizonders...." Maar de ander drong aan met 'n goedig beschermende meerderheid: "Wel nee!... kom, gekheid! Vooruit er mee!... Er is wel wat!... Geldt het jou zelf?..."

Paul merkte dat er geen ontsnappen aan was. Hij dacht er een oogenblik over brutaalweg te liegen, te zeggen dat hij naar de familie De Boogh had willen vragen of zoo iets, maar daartegen kwam dadelijk verzet in hem op. Dat zou toch te laf zijn. En dus begon hij in-eens maar, blindweg: "Nou!... och, zie je, we hebben elkaar in zoo'n tijd weer niet gesproken ... en ... nou had ik je 's willen vragen: hoe denk jij eigenlijk over trouwen en liefde.... Ik bedoel dit: geloof je dat je werkelijk zooveel van Annie houdt, dat je denkt altijd ... gelukkig met haar te zullen zijn..., dat je haar eenvoudig nooit zult kunnen missen..., dat is het toch eigenlijk!... dat je haar noodig hebt.... Ik druk me belabberd uit, maar je zult me misschien wel begrijpen...."

Louis lachte, eenigszins verbijsterd, licht kleurend: "Zoo!... God! is 't zoo iets?" zei hij, weifelend, "ik had gedacht dat er een ontboezeming van jou zou komen.... Hoe kom je daar zoo aan?... Twijfel je of ik wel genoeg van Annie houd?..."

"Ik twijfel volstrekt niet," ging Paul door, vaster van toon, nu hij eenmaal begonnen was, "ik weet er immers niets van!... Wat weten wij tegenwoordig van elkaar?... In 't algemeen zou ik willen vragen: hoe denk jij over die kwestie, vindt je 't nóódig dat man en vrouw zoo'n overwegende behoefte aan elkaar hebben?... of vindt je dat eigenlijk niet zoo noodig,... andere dingen de hoofdzaak...."

"Wel nee!... Waarachtig niet!... Wie zal dat nou vinden?... De affectie is bij mij wel degelijk 't voornaamste."

"En bij jou trouwen van weerszijden de eenige drijfveer? Ben je daar zeker van?"

Met een verlegen lachje stak Louis een nieuwe sigaret aan. "God, God, kerel!" zei hij, schijnbaar vol aandacht voor die sigaret, "ik wist niet, dat je zoo zwaar op de hand was geworden!... Wat een gewichtig geklets!... Wat dacht je dan eigenlijk anders?... Je houdt me, geloof ik, voor een soort geldwolf of zoo iets.... Omdat ik nou niet vies ben van een paar dubbeltjes als dat er nou toevallig zoo bijkomt!... Stel je voor, dat je zoudt trouwen met een vrouw waar je niet van houdt!..."

Maar Paul liet zich nu niet van z'n stuk brengen: "Ja!... dat 's nu ook weer een ander uiterste!... De vraag is maar: Voel je dat jelie wederzijdsche sympathie..., wat eigenlijk alleen is dat je elkaar begrijpt!... zoo sterk geworden is en je behoefte aan elkaar zoo ... intens, dat het je is alsof je op geen andere manier meer zoudt kunnen leven dan met haar, voor haar!..."

"Hoor 's," zei Louis, terwijl hij zijn broer even vast aankeek, "eerlijk gezegd: dat weet ik nou niet!... En dat kan toch ook eigenlijk niemand zeggen, gekheid!... Hoe kom je daar toch in vredesnaam aan, ouwe vrijer!... Ik houd verduiveld veel van 't meisje.... Ik ben zelfs een beetje belachelijk verliefd op 'r geweest.... Ik geloof dat ik met haar gelukkig zal zijn..., zooals het dan heet!... Ik hoop ook haar het leven aangenaam te maken.... En ... en ik verzoek je daar niet aan te twijfelen, asjeblieft!" voegde hij er een beetje wrevelig bij.

Paul gevoelde iets van schaamte. Wát Louis zei, hoorde hij niet dadelijk,—doordat het zoo precies was hetgeen hij verwacht had—maar wel een zekere eenvoud en directheid in 't zeggen van zijn broer, en een zuiverheid van toon, die hem éven raakte met sympathie.... Een oogenblik had hij 't verlangen hem in hartelijkheid de hand toe te steken..., maar hij deed het niet.... Toen hij de woorden, door 't naklinken, geheel verstond, proefde hij er ook weer het ordinaire van, en viel zijn broer hem toch weer opnieuw tegen.... Er was geen beginnen aan; 't was 't best er maar dadelijk mee uit te scheiden.... Jammer dat hij toch maar niet wat anders gevraagd had. Hij zei nu alleen nog: "God, kerel!... ik twijfelde waarachtig aan niets.... Het kwam alleen maar even in me op, van-avond, je daar zoo 's op den man af naar te vragen.... Als broer mag dat toch wel, niet waar?.... Als jij er niet op terug gekomen was, had ik er niet over gesproken...."

Dat was waar, Paul wist het. Toch had hij weer 't ellendige gevoel dat zijn broer oprechter was geweest dan hij.... Ook dat kende hij van vroeger.... Louis kon zoo gemakkelijk en brutaal oprecht zijn: hij niet, hij had bijna altijd het bewustzijn dat hij onmogelijk precies kon zeggen, wat hij dacht..., veel minder wat hij voelde....

Zij rookten en dronken wat, zwijgend. Er kwamen meer en meer menschen binnen en Paul begon maar eens te vragen naar dezen en genen, dien hij zag zitten: "Is dat niet die?..." Het was hem nu een aangename gewaarwording dat de grog hem wat begon te benevelen en warm te maken; hij kreeg er de neiging door alleen nog maar een beetje gekheid te verkoopen, onzin te kletsen.... Eerst die wijn van-avond, en nu grog, hij was er niet aan gewoon in den laatsten tijd.... Maar het was wel lekker zoo, en gemakkelijk; hij wist, hij had altijd een vroolijken dronk, en het was toch maar het eenige zich in een roes te brengen, zich desnoods maar wat dronken te drinken, als hij dan wou blijven en meedoen.... Hij nam nog een grog, ging er lui en behaaglijk bij zitten, en langs z'n neus-weg moppen tappen, leuke verhalen doen, zoodat Louis dacht: Wat een rare vent toch! maar hij vond hem zeer genietbaar zoo.

Er kwamen een paar vrinden van Louis binnen, die hij wenkte aan hun tafel te komen en voorstelde aan Paul, die hen amicaal begroette. Eén van hen kende hij van vroeger. Ook Jan de Boogh, de advocaat, kwam er bij, en het werd een troepje luidruchtige heeren, dertigers allen. De Boogh en de andere vrienden hadden blozende bon-vivant gezichten en waren opvallend gekleed. Ze dronken veel, spraken over pikante geschiedenissen—in één waarvan Louis betrokken scheen te zijn—ze lachten schetterig om schuine moppen, maar "de bruigom" mocht daar niet naar luisteren, zeiden ze.

Er was nog een andere reden waarom Paul zich maar liever een beetje dronken maakte. Hij zou dan, meende hij, niet meer zoo voortdurend denken aan Annie en de onrust van dien avond.... Want 't vervolgde hem afmattend, het verwarrende zien-zitten van haar met dien in de toekomst starenden blik.... Toch was het er telkens weer, in zijn verhitte hoofd..., zelfs nog scherper dan zooeven op straat....

Toen ze eindelijk samen naar huis gingen, scheen Paul soms dwaze dingen te zeggen, want Louis liep telkens te grinniken, hem van terzij aankijkend; hij geloofde, zei hij, dat Paul er niet best meer tegen kon.

Maar toen hij in zijn kamer kwam—die sinds lang onbewoonde, kille logeerkamer—waar het stil was en al de oude dingen in zoo'n vreemd-eigen sfeer schenen te staan, toen werd hij weer in-eens heel helder, verwonderlijk strak-helder....

Er was iets met hem gebeurd sinds hij van deze kamer was weggegaan.... Het was of al zijn denken was omgewoeld..., het vroeger onderste nu boven.... Hij was veranderd.... Maar dit voelde hij ook.... 't Was beter zich van dat alles nu geen rekenschap te geven....

Dus zei hij maar aldoor tot zich zelf: "je bent dronken, ga naar je bed..., gauw ... slapen ... gauw ... morgen denken ... nu niet.... Maar hij kon toch nog langen tijd den slaap niet vatten. Vreemd, hij was toch zoo moe. Koortsig draaide hij zich om en om, zoekend vergeefs naar koele plekjes voor zijn hoofd. En heel de dag herleefde weer in feller schijn; al die gezichten; en telkens het hare..., het hare!...

VI.

Er hingen harsige geuren van afgesneden groen in de vestibule van het huis op den Mauritsweg; soms ook even de kil-duffige lucht van bederf die vochtige aarde geeft.

Al 's morgens in de vroegte waren de bloemistenknechts gekomen om sparren, dennen, palmen en bloeiende planten te zetten in de groote achterkamer op de bel-étage, de kamer, drie ramen breed, die uitzag op den tuin. Want daar zou de receptie gehouden worden. Er was natuurlijk een volle hoek van groen en bloemen gemaakt—donker sparrengroen, dahlia's en asters—achter de wijnroode sofa, waar 't bruidspaar voor zou komen te staan. Maar ook waren er in den loop van den morgen tal van bloemen-cadeaux—corbeilles, bouquetten, losse takken—daar binnen gebracht, die nu, langs de muren geplaatst, op kastjes, tafeltjes en op den schoorsteenmantel, het leeggemaakte middenvak van 't groot vertrek omvatten in een wijden krans van natuur, welige weelde van frischheid en kleurengloeiing, waarachter het leelijke, mat-bruinige behangsel vaal-armelijk verloren ging.... Er waren zóó veel bloemen, dat de geuren licht benauwden, ofschoon de ramen wijd waren opengezet....

Buiten was Zondagsstilte. Het was mooi najaarsweer, stil en helder. Over den blauwen hemel dreven de wolken, hel-wit, heel hoog en langzaam voort....

's Morgens, toen de zonschijn nog bij breede bundels in de kamer stond, sterk-lichtend, was de bruid al even binnengekomen. Maar ze schrok, ze werd door ál dat licht, die volheid van kleuren, zon en bloemengeur tot diep ontroerens toe bevangen.... Ze had datzelfde wel gezien, bij anderen..., maar nu ... voor haar.... Het was te overweldigend.... Zij voelde er zich zoo klein, zoo onbeduidend en al te onwaardig bij.... Het drukte haar.... Maar ze uitte dat niet, niemand in huis zou het ook mee-gevoeld hebben....

Want Willem en Marietje kwamen in een gansch andere stemming, kregen een sensatie van driestheid, van overmoedig-vol-op rijkdom-en-weelde genieten, als ze gingen over het zachte vloerkleed, langs dien ongetelden overvloed van glanzende, zacht-gloeiende of tintelende bloembladen, wondervormige orchideeën en fijn-gespriette varens in tientallen variëteiten, die schatten, achteloos verzameld om in één dag te vergaan. Meer nog dan door het zien, kwam het door het zijn daar, in die atmosfeer, en door de geuren, de licht bedwelmende geuren der tuberozen, der reseda's en heliotropen. Die maakten dat ze in die kamer niet maar zoo gewoon-weg konden leven als in andere kamers, dat ze er zuiverder, natuurlijker gedachten kregen, opwellend uit hun gemoeds- en zinnenleven, zonder de al verdorrende verstandscontrôle van iederen dag en overal.... Niet dat ze daar bewustheid van hadden! Ze merkten zelfs hoogstens dat ze vroolijker, luchtiger en overmoediger waren dan anders....

Maar de ouders van de bruid kenden ook die stemming sinds lang niet meer, en ze waren er ook zoo maar niet in te brengen met wat bloemen en zon; ze voelden zich alleen nog wat ontevredener en kribbiger dan gewoonlijk.... Mevrouw liep af en aan, met een strak gezicht en een strengen stap om er vooral op te letten, dat alles netjes en ordelijk in z'n werk ging, dat de meiden geen gekheid maakten met de bloemisten-knechts, dat de waterdruppels, die van sommige bloemstukken lekten, nergens vlekken op haar meubelen konden geven, en dat de kaartjes van de schenkers—al naar mate hunner voornaamheid—meer of minder in 't oog vallend werden geplaatst. Ze maakte haar aanmerkingen wel doorgaans met een soort van glimlach, maar toch altijd min of meer hatelijk.... Haar man zat op z'n kamer in een slecht humeur. Hij rookte, wiebelde met z'n eene been, en las kranten. Hij was maar even komen kijken beneden. Het tochtte er vreeselijk, vond hij, en van die bloemenlucht zou hij zeker van middag al hoofdpijn genoeg krijgen. Ook waren die mallotige meiden zoo in de uitgelatenheid dat ze maar half luisterden naar zijn bevelen; het had er inderdaad veel van of hij niet meer gold voor de hoofdpersoon in huis. Trouwens, hij was dat eigenlijk al lang zoo gewoon; aan de noodige égards tegenover den heer des huizes ontbrak het hier maar al te dikwijls.

Daarbij kwam nog dat zijn vrouw en hij elkaar dien dag maar liefst uit den weg liepen, want—in de prikkeling van de algemeene zenuwachtigheid —was hun omgang al 's morgens op de slaapkamer hoogst onvriendelijk geweest; aan 't ontbijt was het zelfs tot hooge woorden gekomen.... En het was meneers gewoonte na zoo'n ruzie een paar dagen lang een houding van zwijgenden martelaar aan te nemen—althans tegenover zijn vrouw en andere huisgenooten; voor vreemden bleef hij altijd dezelfde; één en al kunstig voorgedragen jovialiteit—, hetgeen dan door de maar half bedwongen ergernis, die 't mevrouw gaf, de spanning nog vergrootte....

Er werd, wegens de receptie, wat vroeger dan anders koffiegedronken, en Mevrouw de Boogh, die nog veel na te loopen had, deed haar best er wat haast mee te maken—ze wilde ook de eetkamer nog aan kant hebben vóór dat de menschen kwamen—maar meneer, nog maar altijd kranten lezend, at alleen bij tusschenpoozen een stukje, zeer langzaam, schijnbaar verdiept.... Er was een gedwongen toon. Alleen de bruid—in plaats van zelf nu eens een beetje gevierd en bewonderd te worden—begon telkens met vernieuwde animo te praten, zei ieder op z'n beurt iets aangenaams. Ze had zoo graag ten minste op haar receptiedag vroolijke gezichten om zich heen gezien.... Maar de anderen bleven stil, de ouders vervuld van hun grieven, Marietje en Willem van vage plannetjes voor den middag, coquetteer- en veroveringsplannetjes.... En Annie, schoon ze anders niet hield van langdurige diners, bedacht nu toch met een gevoel van verlichting en vooruitzicht-van-genot dat er 's middags gasten aan tafel zouden zijn—Mevrouw Holman en Paul en nog eenige anderen—dat er dan tenminste uiterlijke vroolijkheid zou zijn, en niet die drukkende last van booze humeuren en van angst voor twist....

Dadelijk na het koffiemaal verspreidde de familie zich om toilet te gaan maken. De kamer van de bruid was vlak boven die van haar ouders, en Annie hoorde, met schrik eerst,—toen met een snel opkomende verdrietigheid, die haar een prop in de keel en tranen in de oogen gaf—, de schelle ruzietonen weer, opscherpend uit het praat-gebrom....

Waarom moest dat nu vandaag ook al, wat was er nu toch weer...? Neeltje, de tweede meid, hielp aan haar japon; bruidsmeisjeswerk; maar Rietje had gevraagd of Neel het niet doen kon—en Line, het andere bruidsmeisje, was er nog niet.—Gansch verheerlijkt van blijdschap en vereerdheid dat zij de juffrouw helpen mocht, dribbelde de meid om haar heen, hurkte neer om den rok af te trekken, stak handig spelden, rood van inspanning en aandacht, uitbundig in haar bewondering. Ze deed of ze niets hoorde van de ruzie beneden. Maar ze moest het toch ook wel hooren en Annie schaamde zich voor haar.... Ze had moeite eenige aandacht bij haar witte japon te houden; ze had 't wel uit kunnen snikken.... Toch moest ze ten slotte nog even lachen, nerveus trillerig, om die Neel, die zoo mal deed in haar opgetogenheid....

Gelukkig! daar werd gescheld..., en de twistklanken verstomden, 't Was nichtje Line, die, op één rennetje, naar boven liep. Ze kwam binnen met, een rateling van excuses en uitroepen van wanhopige spijt dat ze niet vroeger gekomen was, maar Annie zei dat het er niets op aan kwam, dat Neeltje uitstekend aan de japon had geholpen en dat Line nu net van pas kwam voor den oranjebloesem in 't haar; dat kon ze ook niet alleen....

Dadelijk daarop werd ar weer gescheld, en, aan de deur luisterend, hoorde ze de stem van Jan in de gang beneden, en even later ook die van haar bruigom en van Paul.... Ook hun, moeder scheen er al bij te zijn.... Ze werd nu erg gejaagd, vooral doordat ze begreep hoe 't mama zou hinderen dat mevrouw Holman al zoo vroeg kwam, dat er nog niemand beneden was om haar te ontvangen.... Toch, midden in haar getob daarover, terwijl ze zich intusschen geduldig helpen liet door het zeer onhandige, al maar druk ratelende nichtje, had ze plotseling een vreemden wensch—ze betrapte er zich met verbazing op;—ze zou wel willen dat Louis zoo sprak als Paul, dat zijn stem eenvoudiger, natuurlijker klonk. Ze had nu uit de verte kunnen hooren dat hij z'n rok aanhad; als hij zich zoo officieel gekleed voelde sprak hij altijd nog gemaakter dan anders.... Maar hij sprak eigenlijk nooit eens gewoon.... Ze zou 't hem wel eens zeggen, nam ze zich voor; o! hij deed altijd dadelijk alles wat ze vroeg. Eigenlijk zelfs met al te veel ijver ... zoodat ze haast niet dorst te vragen.... Dat zoo dadelijk, en met zekeren nadruk, alles goedvinden en toestaan van hem, zonder eens even nadenken, eens even praten, belette zoo dikwijls intimiteit.... En 't vermoeide haar zoo ... zijn galanterige ijver.... Maar, God! hoe kwam ze nu vandaag aan die gedachten?... Hoe kon ze nú daaraan denken, op haar heerlijken receptiedag, zoo vol van zon en bloemen, die voor haar beduidden de intocht, feestlijk, in een nieuw leven, een dagenverloop zonder angst en twisten, o! een nog bijna ondenkbaar vrede-bestaan.... Weg nu, weg! met iedere andere gedachte dan blijdschap en dankbaarheid ... vooral dankbaarheid.

't Was kwart voor tweeën toen de bruid naar beneden kwam. Line ging achter haar om te zorgen voor den sleep. Er was een weerkaatsing van licht langs de trap, door al 't glanzende wit, en een lispelende ruisching van zij. De meiden gluurden beneden om den hoek met open monden en verrukt-strakke oogen, tot mevrouw ze zag, en beval daar weg te gaan.

In de kamer kwam ze waar 't nu schaduwig was en koel maar vol van bloemengeur. De bruigom kwam haar hoflijk buigend tegemoet, kuste haar toen op beide wangen, reikte haar de bruidsbouquet. Ook mevrouw Holman moest haar even een zoen geven, zei ze, en ze deed het met een eleganten lichaamszwaai; haar vroolijke oogen hadden een vochtigen glans. Papa en mama De Boogh stonden er wat onbeholpen bij,—ze hadden hun houding in de leege kamerruimte nog niet gevonden,—Jan gaf haar een hand, Rie en Willem waren er nog niet.

Maar wèl Paul.... Ze zag hem nu pas. Hij stond stil voor een van de hoog-open ramen, bescheiden op een afstand, keek naar haar. Hij stond meer in de buitenlucht, in 't vrije, warm-herfstige buiten dan in de kamer, en 't sterke middaglicht omvatte hem geheel, tril-schemerig weerkaatsend op het wit van zijn overhemd, das en boord. De punt van zijn blonden baard gaf bijna geen schaduw, en zijn gezicht stond strak als het licht dat om hem was. Hij keek haar aan, en toen had ze 'n gevoel, alsof hij—heel anders dan de anderen—niet hoorde bij de kamerdingen, maar bij 't vrije, luchtige, bij 't licht en den wind en 't ritselige goudbruin van de boomen.... Toen hij op haar toetrad, was 't alsof er nu iets van 't luchte-blauw en boomen-groen, alsof de zomersche natuur zelf tot haar kwam in haar kamerleven.... Doch die vervoerende sensatie bleef maar een oogenblik zoo krachtig....

Toen hij dichtbij kwam was 't toch ook weer Paul, van gisteren-avond, met zijn licht blauwgrijze oogen, die haar zoo geboeid gehouden hadden, en wiens voorhoofd....

"Kom! Geef je broers bruid nu ook eens 'n zoen!", riep Louis, jovialig-luid-op, boordevol van overmoed, zorglooze zekerheid.... De anderen lachten....

Toen schrok zij, licht, en voelde tegelijk Pauls hand in de hare en op haar voorhoofd even zijn lippen. Ze waren droog en gloeiend. Annie rilde; dof-duizelig hoorde zij niets van wat hij zei, noch wat ze zelf prevelde.... 't Was weer of een wilde warrelwind in 't open buitene z'n sterke armen om haar heen geslagen had, verbijsterend.... De heele kamer was vol bloemengeur en zomersche lucht....

Paul had dien morgen doorgebracht in onrustig verlangen, en door zijn roezige ongedurigheid tot in-zich-zelf-keeren niet in staat. Al vroeg op, was hij alleen uitgegaan, had een wandeling in 't park gemaakt.... Het was er stil geweest..., heel weinig menschen..., zijn eigen stappen aldoor in zijn oor geluidend.... Hij had zijn oude plekjes opgezocht.... Maar geen vredigende weemoed van herdenken was in hem opgekomen; hij was er veel te hijgerig-onrustig voor, liep al maar verder....

Toen hij thuis kwam begroetten zijn moeder en Louis hem met hun lachend spottende verbazing. Wat was hij matineus! Zeker de gewoonte van zoo'n buitenman als hij ook was!... Maar ze zouden 't hem niet graag nadoen, dat was zeker!...

Louis stond juist op 't punt nog even naar kantoor te gaan, en in zijn onrust wilde Paul weer dadelijk mee; hij ontbeet met een enkel beschuitje, had geen trek; alleen op aandringen van mama ging hij er ten-minste nog even bij zitten....

Louis was onderweg weer druk, praatte voortdurend, nerveus en lacherig, maar Paul gaf niet veel antwoord. Hij luisterde maar met een half oor, aldoor aan Annie denkend en het naderend weer-zien, in één-en-al verlangend ongeduld. Als 't hem verbaasde, plotseling, verklaarde hij zich dat verlangen zóó: hij wilde haar goed leeren kennen, haar trachten te doorgronden, hij wilde weten hoe ze door Louis zoo sterk bekoord kon zijn, wat ze in hem ... liefhad.... Als hij dat uitsprak in zich-zelf was 't hinderlijk..., er was een bij-gedachte—dat het eigenlijk niet kon—maar hij trachtte zich die te verbergen.... Hij begreep 't alleen maar niet, wou 't nagaan....

Dat hij gisteren nog zoo tegen die receptie op had kunnen zien!... De middag leek er hem nu zoo belangrijk en zoo vol genieting door. Er zouden natuurlijk veel bloemen zijn; hij zou staan bij haar, tusschen de bloemen, in de zon.... Maar haar stelde hij zich, ondoordacht genoeg, voortdurend voor zooals ze gisteren-avond was geweest, in 't simpel japonnetje, donker, glad....

En toen hij haar nu had zien binnenkomen, in die omruisching van witte zij, oranjebloesem in het donkere haar, toen werd hij door een groote ontroering als verlamd en verkild van 't hoofd tot de voeten, en dadelijk daarop begonnen zijn hoofd en zijn polsen te gloeien, te kloppen.... Willoos reageerend op de woorden van Louis, kuste hij haar.... Maar dat was niets ... ver-weg, onwezenlijk....

Hij had, zoo voelde hij 't ál sterker, nog geen vaag begrip gehad van 't overstelpend spiritueel-mooie van haar verschijning. Zoo heel in 't wit was ze eigenlijk pas te zien zooals ze was. Nog was 't te glanzend wit, 't moest dof-wit zijn, 't donzige wit van pasgevallen sneeuw in morgenlicht, of van een witte duif die klapwiekt.... Dat zou eerst zijn 't passend gewaad voor de ingehouden lijnen van haar maagdenlijf, slank, fier, veerkrachtig, en zoo teer toch, en bij haar nobele trekken, engelrein en zwanger van expressie....

Zoo heftig was zijn verlangen geweest ... en nu al merkte Paul dat hij 't liefst weer dadelijk weg zou gaan; hij wist niet waar naar toe, maar weg, en ergens heen waar 't stil was, waar hij lang zou kunnen mijmeren en wat snikken.... Maar toen hij zich er scherper indacht, dat hij werklijk weg zou zijn, alleen, ver van haar ... toen voorvoelde hij 't verlangen dat hem dan doorfolteren zou in-eens in al z'n omvang en z'n diepte, proefde hij de bitterheid en pijn er van....

Hij ging staan kijken in den tuin, met starren blik....

Tweemaal werd hij aangesproken vóór hij verstond....

Willem en Rietje waren nu ook binnengekomen. De klok sloeg twee, dus konden er dadelijk bezoekers worden aangediend. Het werd wachten. Ze liepen allen door de kamer te draaien, bewonderend de bloemen, er veel aan ruikend. Ook werd er langwijlig over gepraat, hoe ze zouden doen met de ramen, maar meneer zei dat ze dicht moesten zoodra "het begon", daar dan immers verder de deur open moest blijven en 't anders tochten zou. Een knecht in zwarten rok, die namen af zou roepen, kreeg z'n laatste instructies....

Nog kwam er niemand. Louis en Annie gingen maar vast op hun plaatsen staan. Grijnslachend stelde toen de oude heer De Boogh zich voor hen en bekeek zijn dochter, top tot teen, knippend met zijn scheele oogen, en zelftevreden knikkende met zijn rond, rood hoofd. Hij maakte flauwe complimentjes, die haar hinderden en blozen deden.... 't Was zoo'n groot verschil met anders....

Mama de Boogh zei nog eens precies hoe ze allen moesten staan. Paul en z'n moeder—"is 't niet waar, mevrouwlief?"—naast de bruid, zij en haar man aan den kant van Louis, en dan de andere kinderen daarnaast.... En ijlings stelden ze zich zoo op toen de gerokte knecht in de open deur verscheen en de eerste namen afriep....

Het waren een paar pas verloofden, die, tóch wat links en schutterig uit hun aard, toen ze merkten dat ze de eersten waren, beiden bloosden en, na hun felicitatie, in verlegenheid excuses stamelden, omdat ze zoo vroeg waren. Annie zette, met haar grooten eenvoud, 't meisje gauw op 'r gemak, praatte opgewekt en hartlijk-intiem met haar; maar 't jonge-mensch deed erg onhandig met z'n hoogehoed, en zwierf van den een naar den ander door de kamer, aller handen drukkend, ofschoon hij eigenlijk niemand kende van de familie; zijn meisje was een schoolvriendin van de bruid.—Maar dadelijk daarop kwamen meer anderen binnen. Een kwasterige neef en nicht, zij haastig trippelend voorop, hij al bij de deur lachend en wuivend met breede gebaren; een paar vrienden van Louis, die samen gedejeuneerd hadden, glazerig keken en erg overdreven bogen....

Toen kwam het los,—om half drie was de heele kamer vol met menschen.... De De Boogh'en waren een uitgebreide familie en de kinderen hadden veel kennissen; mama groeide er in dat er zooveel minder kwamen van den kant der Holmans.... Aldoor werden weer nieuwe namen afgeroepen, 't werd bijna een optocht in zeer verschillende groepen.... Er waren opgeprikte heeren, die met een strak gezicht en licht gebogen houding kwamen en vertrokken, alleen even glimlachend tegen de bruid, en dominee-achtige, langzaam en rechtop een plechtige speech afstekend en, als 't uit was, dadelijk flauw-lacherig kwebbelend; er waren veel dikke dames, zelfvoldane, gewichtige, die langzaam zeilend binnen ruischten, lippen op elkaar; er waren er doodgewone die net deden of ze zoo maar even in kwamen wippen, maar inderdaad niet altijd de minst verlegene waren. Schuchteren schuifelden aan met kromme knieën en keken haast niet op, heel familjaren riepen hun gelukwenschen al uit de verte, zenuwachtigen lachten aanhoudend alsof ze 't zelf bespottelijk vonden dat ze kwamen. Oude familievrienden en gebuikte ooms gingen niet zoo dadelijk weg, dronken, op 'n hoopje staande, achter in de kamer kwasi-heimelijk een glas port, pratend over effecten- of koffieprijzen, over een candidatuur voor den gemeenteraad of een stuk in de "Nieuwe Rotterdammer"; tantes bleven kalmpjes voor het bruidspaar staan, gaven hun spijt te kennen dat de gewoonte van het cadeaux-uitstallen er zoo uitging, vroegen of ze soms niet straks, éven, heel éven maar, een kijkje mochten nemen, merkten niet dat ze in den weg stonden aan anderen die hun beurt afwachtten om te feliciteeren of afscheid te nemen—of hielden zich zoo.... Er was een Beurs-achtig druk praatgegons de kamer door; het licht werd verdoft door de massa planten en bloemen, en de meest-ál donkre lijven, 't werd benauwd, warm-benauwd in de kamer. Een luidruchtige neef wou "een raam opengooien", maar papa De Boogh verbood het, jovialerig, met luiden schetterlach. Het ging waarachtig niet! "De tocht, begrijp je!... hè hè hè hè!"

Louis en Annie bleven langen tijd goed recht staan, met een glimlach handen drukkend, bedankend voor cadeaux, voor bloemen, of alleen maar voor de "goede wenschen". De bruigom deed het deftigjes, sjiekerig; zijn glimlach werd een blijvende grijns; hij boog veel, hief de handen die hij drukte tot de hoogte van zijn das, en zei dan, vriendelijk kijkend "dank u zeer". Maar Annie gaf zich moeite, was met iedereen gewoon, had voor elk een aardige opmerkzaamheid, kwam soms wel even tegemoet een oude dame of iemand die van buiten de stad kwam. Ze deed of 't receptie-houden haar dagelijksche bezigheid was, wist ook precies wat iedereen had gegeven of zelf gemaakt. En ondanks 't al maar af-en-aan gaan van die feliciteerende menschen wist ze nu en dan nog tijd te vinden om wat te praten met Louis, of ook om Paul, die zich soms bijna weg liet dringen, met 'n woord-of-wat weer naar zich toe te halen.

Hij stond er meest zwijgend bij, de schilder. Er kwam haast niemand die hem kende. Hij noemde alleen telkens weer zijn naam of zei: "ik ben de broer van den bruigom", en boog. Dikwijls ook stelde de bruid hem voor. Hij drukte weinig handen. Hij voelde zich stil en stug worden, totaal vervreemd van al die Rotterdammers, er niet meer bijhoorend. Soms ook vond hij zich lummelig en saai, een dooie-diender. De menschen spraken hem ook bijna nooit aan; hij scheen ze af te schrikken, waardoor wist hij niet. Juist zij die toch zeker wel eens hadden gehoord van hem als schilder, keken hem aan, oplettend of schuw-vlug, maar zeiden niets. Een enkele maar, een vriend met lange haren, artistiekerige kleeren en een aartsdom, baardeloos gezicht bleef een poos staan praten met hem, te luid, wat ruw, en kameraadschappelijk.... Hoe hij heette was niet te verstaan geweest....

Ofschoon Paul weinig naar haar keek—uit zekeren schroom die over hem gekomen was—voelde hij toch Annie aldoor naast zich staan, dacht aan haar, luisterde naar wat ze zei, innerlijk verrukt, telkens opnieuw, door 't geluid van haar stem en door de stille gratie van haar nijgen en bewegen. Nog meer vermeed hij 't kijken naar Louis; hij kon diens zelfvoldane grijns niet goed meer zien. Z'n stem te hooren was hem ergernis genoeg....

't Was bijna half vier. De warmte en de bloemenlucht benauwden. Ook Annie kreeg er hinder van, bemerkte Paul.

Toen begon het wee gedraai van al die menschen met hun opschik, hun laf gegrinnik en banaal gefeliciteer hem sterk te ergeren, stond hij driftig in zich-zelf vloekend, te wenschen dat het nu maar uit zou zijn. Hij pruttelde er ook over tegen zijn moeder, die verwonderd was, 't aldoor nog heerlijk vond, haar opgewekte houding en haar glimlach geen seconde varen liet.... Maar eindelijk scheen 't toch wat te zullen luwen; er waren plotseling nog maar twee bezoekers die met den ouden heer De Boogh aan 't praten waren. Louis liep van z'n plaats, om achter-in de kamer, waar Jan hem heen riep, even gauw,een glaasje port te pakken.... Annie keerde zich naar Paul en zijn mama. Hij vroeg haar of ze niet erg moe was. "'n Beetje," zei ze, lachend even, en blozend om het broederlijk-bezorgd-zijn, dat in zijn oogen was. Op dit moment kwam stil een deftig heertje binnen, die vóór ze 't merkten bij de bruid was en haar met een fluisterstem gelukwenschte. Toen stak hij Paul de hand toe: "Bruigom," zei hij, "wel gefeliciteerd!" Paul stotterde verward: "Pardon!..." en keek naar Annie. Die werd heel bleek en scheen ook even zonder tegenwoordigheid van geest te zijn; ze zei geen woord. Maar anderen wenkten lachend Louis, die grappig doende, haastig aan kwam loopen. Ze lachten allemaal hardop behalve de bruid en Paul.... Hij was geheel verdoofd van verwarring. Hij liep naar den ouden heer De Boogh en vroeg of nu dan de deur dicht mocht en 't ééne raam weer open, en 't werd hem toegestaan, goddank! Bij 't open raam kwam hij weer eenigszins tot zich-zelf, tenminste zóó dat hij weer denken kon en zich herinneren.... En toen sloeg in-eens een warme gloed van krachtbesef en vreugde naar zijn hoofd; de aderen aan zijn slapen deden pijn van spanning, en een korte sniklach schoot hem uit de keel, zoodat Jan en Willem keken naar buiten, wat of Paul daar zag, en vroegen: "wat is er?", maar hij gaf geen antwoord.... Hij wist het amper zelf.... Maar 't kwam door haar verbleeken van daarnet..., door haar ontstellen toen men hem had aangesproken als haar bruigom....

Een wilde davering van gedachten door zijn warmen kop nu: Dat zij nog vrij was, volstrekt nog niet getrouwd, dat het allemaal nog anders worden kon ... en hij ... hij ... hij!... Hij kon haar schaken!... o! al moest hij er een moord voor doen!... Maar ... zou hij eigenlijk niet kunnen beduiden aan zijn broer, aan dien Louis, dat het niet kon, eenvoudig-weg niet kón, dat hij, Louis, en zij?... Neen, neen, neen, dat kón toch niet, dat kón toch niet!... Het was bespottelijk, te razend onzinnig dat iemand het zou kunnen denken ... Louis en zij!... 't Was idioot!... Onmogelijk dat een mensch 't zich voor kon stellen!... Ze speelden maar comedie, allemaal, al die familie en al die andere menschen met hun grijnzende gezichten.... Comedie!... Comedie!... De werkelijkheid zou komen, de groote eenvoudige waarheid zou er in-eens zijn ... en zij, zijn Annie, zou met hem gaan, weg, naar Brabant, naar de bosschen en de hei, zij zouden samen-zijn onder den hoogen, wijden hemel..., en nooit meer denken, dan misschien met een koelen glimlach, aan die potsenmakerij, hier ... narrenvertooning!... vasten-avond-grap!... wat was het?...

Zoo had hij daar gestaan, een kwartier, of een minuut, hij wist het niet, toen zijn moeder hem zag. "Hemel! Paul, wat heb je?" riep ze, "ben je niet wel? je ziet doodsbleek ... hier, drink eens wat!" Gauw kwam ze aan met een glas port.... Ontsteltenis!... Ook de anderen schoten toe. Paul dronk en voelde dat zijn tanden rammelden tegen den rand van 't glas. "Hij heeft de koorts.... Zeker door de benauwdheid!... Ga wat loopen!... Heb je hoofdpijn?..." hoorde hij zeggen. Ook Annie zag hij, en haar teer-bezorgden blik.... Toen lachte hij, droef-flauwtjes: "Ja!... 'k weet niet wat het is..., zeker van de bloemenlucht, 'k zal maar een eindje om gaan loopen..., 'k heb ook wat hoofdpijn...." Hij ging naar de deur..., door allen met meewarige verbaasdheid nagekeken....

"Kom gauw terug, Paul," riep Louis nog, "we zouden nog even naar mijn huis gaan, weet je wel?"

"'k Zal zien," zei hij, maar hij dacht er niet over; hij dacht niet aan terugkomen.... Loopen, ver loopen..., naar buiten, naar stilte..., en zich rekenschap geven ... als een man!... Zich meester worden!...

VII.

Hijg-ademend liep hij voort..., en had een heel eind weegs al afgedraafd—eerst naar links den Mauritsweg af, de brug over, en den Westersingel, vol van gelig-groen en zon-gespeel, toen den hoogen weg naar 't park, maar het park niet dadelijk in; de laan uit, die er langs loopt, tot aan den Maaskant—voordat hij ook maar één gedachte vormen kon, zonder dat een woeste stormvlaag van gevoel de golven van zijn diep-beroerd gemoed er op sloeg, en te brijzel—als woedende branding—voordat hij andere woorden in zich hooren kon dan gil-geroep, onsamenhangend, wilde snikken en vervloekingen van iedereen, en van zich-zelf het meest.... De menschen zag hij niet, de zon, de wolken niet, en ook de boomen niet; hij voelde 't groen maar vaaglijk om zich heen; hij woedde, opgesloten in zich-zelf; hij voelde, hoorde, zag niets anders dan dat ééne in zijn eigen borst, dat wreed besef, dat brandende gemartel, niet te blusschen meer, noch uit te rukken ... wanhoop van machteloosheid....

Het heugde hem niet ooit zoo geweest te zijn.... Want wel veel smart..., en wel 't ellendig einde van kracht en geduld, de geestelijke moeheid ... niet dit opstaan tegen het fatum, niet dit woedend rukken aan de ketenen van zijn lot wist hij doorleefd te hebben. Dit voelen: slaaf, een makke, slappe slaaf te moeten zijn, ondanks zijn moed en kracht, de schijn-volkomen vrijheid van zijn wil!

Eén oogenblik was 't in hem opgeschokt—staande daar, bij dat open raam,—vrijheid, macht, op anderen neerzien, doen naar wil en neiging, leven als een god!... Maar o! toen 't wegzonk!... toen daar weer de gezichten waren van zijn broer en al die anderen..., toen werklijkheid en 't weten van zijn plicht weer rond hem stonden—kerkermuren—; het was geweest als 't wakker-worden van een slaaf-gemaakten krijger, die, in een droom, zijn boeien had vergeten....

Maar Paul liep veel te hard om 't lang zoo vol te houden. Hij ging, den Maaskant volgend, langs het park tot bij den ouden Heuvel. Toen kon hij haast niet meer van warmte en moeheid—eerst,—den heelen middag al, dat staan-te-hangen op die receptie, nu dit jagende gedraaf!—Alles klopte en gloeide, zijn heele lijf; 't zweet sloeg hem uit, hij hijgde.... En 't waren warmte en vermoeienis, het was physieke lamheid die hem eindelijk bedaren deed.... Hij liet zich vallen op een bank in snakken naar wat koelte en wat rust....

En meer en meer geregelde gedachten-reeksen kwamen.... Toch moest hij zich bedwingen, telkens nog, om niet weer op te springen, opnieuw te beginnen zijn stormend geloop.... Er was een sterke drang naar actie in hem, een afkeer van de lijdzame bedaardheid.... Maar 't moest ... het moest.... 't Gelukte hem, met kracht, zich in te toomen..., te blijven zitten ... en te denken....

Toen dorst hij 't luid-uit zeggen in zich-zelf: Hij had de bruid lief van zijn broer.... Het was niet te verstikken meer, te loochenen, noch te verkleinen, dit was de liefde in haar breede volheid.... Dit was de liefde-voor-een-vrouw, zooals hij die wel altijd had gedroomd en vóór-gevoeld, de hevige hartstocht, 't diep-innerlijk begeeren, bedwongen door de heiligheid, de zalig-beklemmende, ademloos-bewonderende aanbidding. Als hij aan haar dacht voelde hij zijn oogen opengaan, wijd staren, als in extase, op iets schoons-nog-nooit-gezien; als hij terugzag, in herinneren, een klein bewegen van haar maagdenlijf, een schokje in haar trekken, of een blik..., dan ging hem een ril van verrukking kil over den rug....

O! hij had verliefdheden gekend, vluchtige passies, gemakkelijk bevredigd dikwijls.... Dit niet ... dit nooit....

Maar zij was niet voor hem, was nooit voor hem.... Zij was de bruid van een ander, die—o God, o God!—zijn eigen broer was.... En zij hield van haar bruigom, zij had hem lief.... 't Was niet te denken dat het anders was.... Hij had het in zijn dollen overmoed, zijn dwaas-verwaten droom wel van zich af getrapt als iets onzinnigs en gerings, maar dat was maar zoowat geraas geweest, zoowat gedweep en zelfvergoding.... Want zij was zij, in onverleidbare onschuld, onfeilbaar door haar eenvoud, door 't spontane van haar doen.... Wat hij bedacht had van haar willen vluchten, van dat ze per se weg zou willen zijn uit haar ouders' huis, omdat ze 't er niet langer uit zou kunnen houden..., dat kon niet zijn zoo.... Nooit zou ze 't ideaal daarvoor geofferd hebben, nooit had ze zonder liefde zich gegeven....

Daar greep zijn levenskracht nog grif de snel gerezen gedachte vast: zij hééft zich ook nog niet gegeven..., alleen beloofd!... Maar onmiddellijk voelde hij ook zelf de armzaligheid, het haar onwaardige van dat idee....

Dat was immers enkel een kwestie van tijd, van enkele dagen; zij was niet vrij meer....

Zij had zijn broer Louis lief..., iets anders was ondenkbaar.... Wie was hij toch, dat hij betwijfelen zou of 't mogelijk was, of 't echt, waarachtig, groot en diep kon zijn!...

Wat opgeblazen trots, wat zeer bespotlijke verwaandheid!... Zij, met haar blik die recht de ziel in ging, zij met haar kind-gemoed, ontvankelijk, gevoelig, had zeker schatten in zijn broer ontdekt, die hij door 't altijd kennen nooit had leeren zien, misschien ook, afgestompt door 't staren op zijn zelf-gevormde wereld, niet meer zag....

Zij had Louis lief....

O! als 't eens niet zoo was geweest! Of als hij haar ontmoet had vóór zijn broer!... O! stomme ezel die hij altijd was geweest..., een boer, een hannekemaaier, een landlooper, een polderjongen!... Wat deed hij eigenlijk hier in de stad, in de beschaafde maatschappij! Hij moest zich maar op 't land een wijf uitzoeken, een meid van achter den ploeg, waar je zóó mee in 't hooi kon rollen, of kon zwijnen in een stal!... In bête afzondering zat hij maar op de hei bij den een of anderen modderigen poel te smeuren en te kladden, liet zich 't menschelijk geluk stom weg ontgaan.... Gelijk hadden ze die hem uitlachten.... Nu moest hij boeten, boeten voor zijn dwaasheid....

Zij had Louis dus lief, en hij aanbad haar!... Hoe zou dat anders mogelijk kunnen zijn?... Ze hadden elkander lief en gingen trouwen ... over negen dagen.... Ze zouden dan op reis gaan, in den middag ... 's avonds ergens aankomen..., in België of Duitschland ergens..., een groot hotel..., de kamer al vooruit besproken.... En als ze samen op die kamer zouden zijn..., dan zou Louis, glimlachend.... Neen!... neen! neen!... daar niet aan denken!... daar nooit aan denken, nooit!... O God! hij proefde 't al, 't opvretend leed dat dan beginnen zou...; de haat, de brandend heete haat zou niet te keeren zijn..., want dan de fantasie, de wreede, spottende verbeelding.... Zijn leven was verbitterd ... ging in gal verteren!... O God! wat daaraan doen?... Hij moest zich redden met zijn eigen geesteskracht ... of weg zijn.... Nog negen dagen!... Wat te doen om na dien tijd te leven.... Wat te doen!...?

Die vraag herhaalde Paul zich onophoudlijk nu.... 't Verdoofde hem.... Hij hoorde aldoor maar de woorden van de vraag maar kon onmogelijk aan een antwoord denken.... Het werden klanken zonder zin, een hol geroep.... En aan iets andere denken kon hij ook niet meer.... Want met eentonigheid—het was als de metaalklank van een hamer op een aanbeeld beukend, rythmisch, zonder rust—kwam altijd weer die vraag terug: Wat dan te doen?... Meer en meer vervlotten zijn gedachten.... Hij kon ze maar niet vatten, werd er los van, bleef, versufd, maar zitten, achterover, voelde niet meer dat hij zat.... Het ging ál verder, alles..., heel ver was 't nu, en klein, en lang geleden.... Er was geen toekomst meer..., niets meer ... dan altijd daar maar zitten suffen....

Zijn lichaam kwam tot rust nu. Hij was ook niet zoo warm meer. Hij zat in 't koele van een na-den-middag in 't laatst van September; van over 't breede water kwam het aan, tegen zijn knieën, zijn borst en zijn voorhoofd aan.... Stil was het in de wijde lucht, nog altijd bijna zonder wind; soms ruischten de boomen, zacht, met fluisterend geritsel van hun dorrende blaren.... De rivier lag rustig, flauwtjes kabbelend aan den steenen oever.... Hier en daar op stroom, een schip, in Zondagsstilte; aan den overkant een paar gesloten loodsen en een drijvend dok, in onbruik.... Wat verder rijde een lange groene laan, niet af te zien.... Blauwig grijs en rimpelig het breede water als beslagen spiegelbeeld van 't hooge, glanzige etherische....

Wijd ... hoog ... stil ... was 't hemelblauw; weinig wolken, maar die heel groot, en langzaam, haast onzichtbaar langzaam drijvend en veranderend van vorm.... De zon stond laag, doorgloeide rossig geel het wazige westen....

Eindelijk—'t zien was niet het eerste, veeleer 't voelen, 't zich er in gaan voelen opgenomen—kwam toch Pauls bewustzijn tot het wijd-heelal rondom hem, hoorde hij ook 't suizelen van 't gebladert, zag hij 't breede watervlak, en dan den overkant..., en keek naar boven, staarde naar het blauw dat aldoor wijder werd en glanzender—van verten tintlend—onder zijn blik.... Hij keek de wolken na die dreven in statigheid, over zijn hoofd....

En dit werd langzaam-aan stil-innerlijk genot, een soort-geluk, zeer zuiver en zeer ernstig, ernstiger dan hartstocht is....

Toen viel op-eens het antwoord op die vraag, het eenige, recht in zijn ziel en prevelde hij 't na: Wees groot....

Hij bleef toen nog geruimen tijd zoo zitten, door zijn wijde ontroering, zwaar en langzaam ademend, zijn leven overdenkend, overziend.... En telkens voelde hij zich sterker worden, vaster staan; een diep besef van onverwinlijkheid kwam hem doorgloren. Het levensinzicht, waar hij in zijn eenzaamheid toe was genaderd—na veel smartelijk zoeken—en dat hem tot een leer en richtsnoer, tot zijn bloed-warm-eigen toevlucht en hou-vast geworden was, kwam krachtig tot zijn hulp. En ook zijn werk, zijn kunst, gedacht hij weer met trouw en fierheid....

Hij had een vrouw lief, rein, heilig, hartstochtelijk lief. Dat was goed en mooi, een schoone opbloei van zijn beste neigingen.... Dat niet trachten uit te roeien, noch te ontvluchten. Geen angst, geen laf, vreesachtig schuilgaan. Blijven. Zien. Leven in hoogheid en bewondering....

Maar als 't geen opbloei was, maar brand, een martlend en verterend vuur?... Dan zou hij dat trotseeren. Hij was sterk en groot. 't Kon jaren duren....

't Namiddaglicht verbleekte en werd mat, terwijl hij aldoor nog maar zitten bleef en soezen.... Maar plotseling zag hij al de dingen in de verte grijs omwaasd, de schaduwen om hem heen verflauwd en uitgerekt;—de schemering viel in.... Hij schrok er van, stond op om gauw terug te gaan. Maar zwaar van peinzerij en loomheid kon hij zich niet dwingen hard te loopen.... Hij ging het park door.... Het was er stil; een kraakstap hier en daar in 't kiezel, en wat kinderpraat, was alles wat hij hoorde, behalve 't vogeltjielpen en het windgeruisch, maar dat waren geen geluiden die stoorden. Hij voelde zich moe, en vreemd licht in z'n hoofd alsof hij geslapen en druk gedroomd had....

Hij kwam nu langs de vijvers, had zijn weemoeds-vol genot van 't zien, het stil beoogen van dat ongerimpelde, geheimen volle watervlak.... Zóó, ja! zóó moest hij ook zijn, stil en diep..., zich nooit verraden..., in zich-zelf besloten blijven..., zich enkel uiten in zijn kunst..., zijn liefde in zijn kunst ... en ook zijn smart.... Niet dadelijk dat nog..., ook niet gauw nog..., later ... als hij 't heelemaal, voor altijd, zou bemeesterd hebben.... Dan zou hij—mocht dat wel, was 't niet profaan?—uit zijn smart zich wondere harmonie van stemmingen en kleuren scheppen en die dan, zichtbaar voor hem zelf alleen, in ademlooze aandacht, op zijn doek verdubbelen, een tweede, langer blijvend leven geven.... Als dat gelukte zou 't iets heerlijks zijn!...

Maar 't was verkeerd daar nu al aan te denken, zoo vol zelfverheffing.... Hij moest bescheiden zijn, trouw maar blijven werken naar natuur. Bescheidenheid is wijs, en trouw is goed....

Zoo liep hij door, z'n hoofd nog van die droomerij en vage wijsheid vol.... Hij waande zich in evenwicht, in kalmte philosophisch.... Toch kwam al telkens meer gedenk-aan-haar zijn stap versnellen, 't verlangen jagen door zijn warmer wordend lijf....

Hij naderde alweer, hij was nu op den Westersingel.... Nog een eindje en hij zou het huis al kunnen zien....

Toen werd hij weer gejaagd en erg onrustig; zijn hoofd was gloeiend, zijn slapen brandden onder zijn vilten hoed, en klopten met korte, doffe bonzen. Zijn voeten waren koud;—en hij bleef even staan met een gevoel alsof hij stikken zou van drukking op z'n borst.... Het was bij zessen.... Ja, hij moest nu gaan.... 't Was tóch al opvallend zoo lang als hij was weggebleven.... Ze zouden verwonderd zijn en vragen: Waar ben jij geweest.... Hij zou dan maar zeggen dat hij had gewandeld, dat het hem zoo goed gedaan had, dat hij nu eenmaal buitenman was en behoefte had aan veel beweging in de open lucht.... En 't huis van Louis..., nu dat zou hij morgen dan wel zien, dat liep niet weg.... Maar dan kwam 't diner.... Hij zou natuurlijk zitten tusschen dames..., jonge zeker..., of een oude en een jonge ... en dan zou hij moeten praten....

Eten kon hij niet, maar dat was minder; praten was veel noodiger.... Met enkel stil-zijn, in zich-zelf besloten blijven zou 't niet gaan..... O! 't vreeselijke praten!... Maar stil-zijn, dat was te eenvoudig!... Zóó gemaklijk was het niet.... Zeker zou hij ook veel te zien en te hooren krijgen, en moeten voelen, dat hem martelen zou..., maar dan zou hij toch maar aldoor moeten praten, lachen, vroolijk doen....

Maar ... God! Waarom dan toch, waarom niet weggaan, dadelijk en voor goed, voor altijd weg?...

Omdat hij groot wou zijn en sterk, zich zelf beheerschen....

Omdat hij leeren wou te lijden met een lach....

En ook ... omdat ... hij nog niet scheiden kon....

Maar, ál naderkomend voelde Paul 't ontzaglijk moeilijke, het haast onmogelijke van zijn houding meer en meer.... Het maakte hem koortsig van opgewondenheid....

Hij moest zich meester zijn, niets laten merken ... aan niemand!... Maar hóé ... hoe zou hij zijn?... Hij moest dat maar verstandelijk vooruit bepalen, dat was 't beste; het zou toch al comedie zijn..., een rol!... maar wat voor rol zou hem 't gemaklijkst afgaan?... Een misanthroop, een somber zwijger?... of iemand die zich dronken praat?... Een redeneerder die met grooten ernst zich druk maakt over niets?... een clown, een paardenspel-pias, die 't volk doet juichen als hij enkel grijnst, hun botheid cynisch exploiteert.... Ja, dat was wel het beste masker, maar hij zou 't niet kunnen.... Zijn mensch-verachting was niet groot genoeg.... O neen!... In godsnaam waardigheid!...

Maar, och! wat kwam 't er eigenlijk op aan! Als zijn groot geheim maar verborgen bleef.... Als niemand daar maar iets van kon raden.... Zij het minst.... O, zij wel 't allerminst.... Want haar zou 't leed doen, de anderen zouden lachen of zich op z'n best wat ergeren....

Hij zou dus maar zijn zooals 't viel!... vandaag zus, morgen zóó.... Vandaag druk, praatziek, opgewonden, morgen stil, bedrukt, overmorgen iedereen verlakkend, dan bijvoorbeeld weer eens, aldoor glossen makend vol kwaadaardigheid, en dan zoo lief-goedmoedig als een ouwe-meu.... Zoodat ze allemaal zeggen zouden, dat uit hem niet wijs te worden was..., dat hij een zonderling, een gek was!...

Als dan eindelijk alles zou gedaan zijn..., als hij weg mocht gaan.... O! als dan niemand maar iets wijzer was geworden over hem, als hij dan maar niets gezegd had wat hij liever zwijgen wou!... Dan mochten ze hem voor gek verslijten!... Hij zou van-zich-zelf gebleven zijn en alles in zich bij elkander hebben gehouden ... tot zijn eigen troost en bitterheid, als hij alleen zou zijn....

Het viel hem mee; ze vroegen niet veel. Ze schenen hem nu al voor veel zonderlinger te houden dan hij wist, ze schenen maar blij te zijn, dat hij weer binnen was, dat ze niet hoefden te wachten.... Ook leidden de andere gasten-voor-'t-diner in ijvrig praten de aandacht van hem af.... Annie keek hem aan, bezorgd, aandachtig, ze zag bleek van moeheid—maar ook zij vroeg niets....

Zijn tafeldame was bruidstante Bertha, een beminnelijke dame, kort-ademig van dikte, maar toch lang van stof, en heel gemaklijk te onderhouden. Aan zijn andere zij zat nichtje Line, 't druk-vroolijke bruidsmeisje. Die zat op een hoek; en aan den smallen kant van de tafel waren neergezet: Johan, een vriend van Willem, met Margotje, de vertrouwde van Rie de Boogh, een droomstertje, met groote oogen, ernstig. Nu had nichtje Line, langs het stil Margotje heen, voortdurend drukke pret met dien Johan. Paul was daardoor op tante Bertha aangewezen, maar die zat ook herhaaldelijk te praten met Louis, haar rechter-buurman.... Zoo kon hij nu en dan een poosje stil zijn..., luisteren, door 't praten van de anderen heen, naar Annie's stem..., wat hem benauwde soms, tot stikkens toe....

Hij had een paar zeer moeilijke oogenblikken. Tante Bertha merkte eensklaps op, dat hij haast heelemaal niet at, en maakte daar, met goedige verbazing, drukte over. Het werd een heel relletje, iedereen keek naar hem.... Maar Paul, met—uiterlijk—volkomen kalmte, hield maar vol dat zij zich inderdaad vergiste....

En, aan 't einde van den uitgebreiden maaltijd, toen al de oude heeren hadden getoost en zaten na-te-gloren, blij dat 't goed was afgeloopen—papa De Boogh, oom Hendrik—die voogd over Paul en Louis was geweest,—oom Koo de Boogh, en daarna zelfs Jan en Willem ook al..., toen zaten ze blijkbaar te wachten op een toost van hem.... Hij zag het aan de oogen die nu en dan nieuwsgierig bevreemd zijn kant op keken, hij hoorde 't aan het telkens hortende gepraat.... Hij dacht er ook een oogen blik wel over..., een toost..., maar gaf het dadelijk weer op. Dat kon niet. Ze moesten dan maar denken wat ze wilden. Dat hij niet wist hoe 't hoorde....

Mama deed al haar best zijn blik te vangen..., kuchte.... Maar hij deed als merkte hij daar niets van..., sprak nichtje Line aan.... Er kwam zelfs even algemeene stilte aan tafel.... Misschien hadden ze van hem juist iets zeer fraais verwacht.... Mijnheer De Boogh trok, grappiglijk, zijn wenkbrauwen hoog op en fluisterde met mevrouw Holman, die zijn tafeldame was; toen keken beiden, hard-op lachende, naar Paul.... Maar hij hield zich kalm..., toostte niet....

Neef Herman kwam dan aan de beurt, met een komischen, berijmden heilwensch—lange lijzige regels, het duurde wel een goed kwartier.—Ze waren allen blij toen het uit was; moe van 't zitten maakte elk bewegingen van willen opstaan.... Louis bedankte kort, correct....

Na het diner werden diverse aardigheden vertoond, door, Willem en Marietje, met Johan, Margotje en Line; een paar andere vriendinnen van de bruid zongen en reciteerden fraaie verzen over liefde en trouw ... rozen en doornen.... Het werd gauw laat.... Men converseerde, dronk wijn, keek naar de vertooningen.... De jonge meisjes praatten wel van dansen, maar de gastvrouw ging daar niet op in.... Haar man, die van dezen naar genen ging, kwam ook even met Paul praten. Maar hij was lang niet zoo overstelpend vriendelijk als den vorigen avond.... Er lag zelfs nu en dan wat meerderheidsgevoel in zijn manier en toon. Zij raakten over politiek aan 't praten.... Het oude heertje, nijdig roerend in zijn kopje thee, gaf, in zijn fel en krakerig geluid, zoowat opinies van laisser-aller ten beste, ouderwets-liberale ideeën, gebruikte termen waar hij zelf klaarblijkelijk de porté niet van begreep.... Paul maakte zich niet warm, maar zei, spontaan en leuk, wat zinnetjes die recht daartegen in, en erg socialistisch klonken. Toen draaide de oude heer zich kwasi lustig-lachend, inderdaad hoogrood van woedende ergernis, in-eens om, liet hem zitten.... Zijn vrouw, die z'n beweging zag, glimlachte met haar pijnlijke berusting.

Tot Annie had hij haast nog niet gesproken, enkel nu en dan een woord of wat, met zooveel mogelijk afgewenden blik. Maar toen bemerkte hij 't gevaar dat ze ging denken: hij is boos om 't een of ander; ze keek wat angstig-ongerust zijn kant soms uit. Dat mocht niet. Dus ging hij even zitten bij Louis en haar, en praatte wat, op hartlijken, vertrouwelijken toon.... Louis scheen een beetje stroef—omdat hij niet getoost had zeker!...

Toen hij naar huis ging had hij een kleine blijdschap van tevredenheid over zich-zelf. Hij ging per rijtuig, met zijn moeder en Louis, en 't ratelen belette dat er veel gepraat werd. Toch zei mama nog iets van zijn niet "spreken aan tafel." Het speet haar erg. Nu was 't haast enkel van den anderen kant gekomen. Paul zei dat hij 't niet kon en 't ook niet noodig had gevonden.... Louis zei niets....

Op zijn kamer viel hij dadelijk op een stoel neer,—een rechten, stoel die aan den muur stond—, bleef voorover zitten suffen.... Totdat zijn rug hem pijn ging doen van 't lang gebukt zijn, zijn leden stijf en doof en klopperig waren, een drukking op zjjn hoofd het denken haast onmogelijk maakte....

Hij stond den volgenden morgen zeer laat op. Hij voelde zich zoo suf en lam-geslagen, opziend tegen alles wat nog kwam....

VIII.

Maar Annie had het druk dien Maandagmorgen. Want ofschoon mevrouw de Boogh zich stijfhoofdig verbeeldde—en dat hield ze ook voor niemand verborgen—dat zij van allen in huis het moeilijkste leven had, door al wat zij daaglijks had na te gaan, door de honderden kleinigheden van netheid en fatsoen waar ze over denken moest..., het eigenlijke werk placht ze toch heelemaal over te laten aan Annie en de twee meiden.

Dat zou nu wel gauw uit moeten zijn, daar Annie ging trouwen, maar er was dan ook al een meid-huishoudster aangenomen, die dadelijk na den trouwdag in dienst treden zou. Over die nieuwe regeling was heel wat voorgevallen. Mijnheer de Boogh vond het nonsens, drie meiden voor een huishouden van evenveel personen—want meer zouden ze voortaan niet zijn onder normale omstandigheden. Hij had er zich een paar maal heftig-nijdig om gemaakt. Maar mevrouw, met beleedigde fierheid, ging plagerig bedaard haar gang.... Alleen in zóóver kreeg mijnheer zijn zin: de nieuwe zou niet in huis komen voor dat Annie er uit was. Zoodoende zou hij er althans in zijn beurs niet veel van merken....

Dus Annie had nog veel te doen; de kamers waren op den receptiedag alle in gebruik geweest, en ook het meerendeel van 't fijn kristal en 't kostbare, geërfde Sèvres-porselein. Gelukkig hadden Neeltje en Jans veel voor haar over, zoodat het altijd vlug genoeg ging zoolang mama er zich niet mee bemoeide, maar als die bevelen geven kwam op haar gewonen toon van aanmatigende minachting, of met slijmerig slepende woorden, die vriendelijke terechtwijzingen moesten verbeelden, met een medelijdenden glimlach, of vol gehuichelde verbazing over hun ondoordachtheid, dan werden de meiden kribbig en zenuwachtig, ruw-hardhandig of loom-onverschillig. Dan brak er veelal wat of er viel iets om, waardoor mevrouw altijd erg schrok, en dan waren er telkens felle standjes; Neeltje en Jans lieten zich alles zoo maar niet zeggen. Toch zwegen ze ook dikwijls, stuursch—en dan voelde Annie heel goed dat het was om harentwil.... Zoo was 't altijd gegaan daar in huis. De meiden liepen soms in-eens weg,—en als ze lang bleven was het "alleen om de juffrouw."

Dien Maandagmorgen was het humeur van mama de Boogh alleronaangenaamst. Haar man had lang getalmd met naar kantoor gaan,—dat was iets wat op zich-zelf al in staat was haar morgen te bederven. Maar bovendien was Marietje aan 't ontbijt, in haar landerige moeheid na den feestdag, bizonder snibbig tegen haar geweest; ja, 't brutale kind was zoo ver gegaan mama's bestudeerde stem van lieve-dame, op onuitstaanbaar overdreven wijze na te bauwen. En 't ergste was: Willem bleef den heelen morgen in zijn bed liggen, met de deur op slot, zoodat zijn kamer niet op tijd gedaan kon worden. Annie zei, om te sussen, dat het best 's middags even gebeuren kon, maar daar gaf haar moeder niet eens antwoord op..., ze ging telkens opnieuw kloppen en roepen.... Eindelijk kwam er heelemaal geen antwoord meer..., en daar mevrouw de Boogh geen schandaal in huis wou maken, kon ze de spanning van haar ergernis enkel temperen door ál maar hatelijk te zijn tegen Annie en de meiden.

Het bruidje was er aan gewoon, aan die stemming en aan die standjes. Toch trok ze 't zich altijd weer aan. Toch viel het haar altijd opnieuw tegen. Het hopen-op-beter was haar een behoefte; ze hield van haar huisgenooten en geloofde in de liefde als de eenige kracht die alles in de wereld beter maken kon. Dit geloof was zeer vast en sterk in haar; het was er geweest zoolang ze zich haar leven herinnerde; lectuur en nadenken hadden het wel versterkt, maar het sentiment zelf, daar scheen ze—vreemd genoeg—wel mee geboren, dat had ze altijd gekend, altijd dat innige houden van "de liefde", die vrome vereering van de liefde, als het hoogste, het mooiste en grootste.... Er was een vacantiemorgen geweest, lang geleden, maar dien ze nooit vergat—ja, ze proefde, als ze er aan dacht, nog precies de tonen en tinten van dien zomerschen dag—, toen had ze voor 't eerst hooren zeggen dat God liefde was.... Het was geen dominee die 't had gezegd, maar een onbekende dame, die met een paar kinderen naast haar was komen zitten op een bank in 't park, een fijn-bleeke-en-blonde dame.... Ze had haar nooit meer gezien na dien tijd, en ze twijfelde wel eens of 't niet een verschijning geweest kon zijn....

Vóór dien dag had ze altijd geleerd van "God den Vader" en van een "persoonlijken God", die de menschen had "geschapen naar zijn beeld ..." en van het laatste oordeel, den hemel, de hel.... En ze had zich een onbestemde, toch angstig-starre voorstelling gemaakt van een vreeslijk ouden, strafstrengen en rechtvaardigen grijsaard, die, ergens hoog in de wolken, op een troon zit, met een gulden staf en een heel langen witten baard, aldoor maar roerloos-recht vóór zich kijkend.... Daaraan te denken had haar dikwijls bonzend-bang gemaakt, en ook wel bedroefd voor al die arme, doode menschen, die door God met zijn staf waren teruggewezen, en daarom nu altijd, altijd branden moesten in de hel.... Ze had wel dikwijls vaag gevoeld dat ze 't eigenlijk niet goed gelooven kon..., maar nooit had ze in haar kinderziel flink-weg en hard-op durven denken aan dat ongeloof.... Toch was ze altijd heimelijk blijven hopen, dat er in-eens iets heerlijks met haar zou gebeuren, dat ze iets hooren of iets zien zou, waardoor al haar angsten en benauwingen zouden vervliegen tot droomen, tot niets.... En dat was gebeurd dien zomermorgen.... Een paar lichte woorden hadden 't gedaan. "God is liefde!... God is liefde!...," liep ze aldoor in-zich-zelf te zeggen en bij iedren keer dat ze 't zei, werd het warmer in haar binnenste, en lichter, zonniger om haar hoofd.... Ze was zóó blij geweest, zoo opgewonden blij als nooit te voren. Het leven had haar zoo eenvoudig en gemakkelijk, zoo goed en mooi, zoo-vol geluk van voldoening geschenen dien dag....

Dat was nu al lang geleden. Sedert had ze veel over het leven en de wereld gedacht, gelezen ... en ook zelf wel gemerkt dat het allemaal zoo eenvoudig niet was..., maar haar liefde-vereering was gebleven, was vaster en dieper geworden zelfs; het was haar een dringende behoefte lief te hebben, daarin op te gaan, geen uur te zijn, geen daad te doen zonder liefde.... Dat was haar eeredienst; zoo geloofde ze met God te zijn....

Gemaklijk had ze 't niet gehad, vooral niet in de latere jaren. Toen ze van kostschool thuis gekomen was—geen drilpensionnaat was 't geweest, maar een juffrouwen-school, ergens buiten, met weinig leerlingen, waar nog zoo'n ouderwetsche toon van zachten ernst en stille innigheid werd aangehouden, een vredige atmosfeer, misschien wel eens wat zeurig, maar dan door een bui van jonge joligheid weer opgefrischt—, toen had ze 't ruzie-leven thuis geheel gevoeld zooals het werklijk was, en 't had haar eerst verschrikt, verward nog dikwijls, en bedroefd, maar nooit verkild. Als een roeping, als een heilige taak was ze 't gaan beschouwen dat gezin, van kijven ziek en futloos, te genezen door haar liefde. Met de echte wijding van 't geloof, met de blijmoedigheid van een overtuigde had ze zich gegeven, meer en meer. Wat ze doen kon om haar huisgenooten beter, milder, hun leven gelukkiger, hun omgang hartelijker te maken, dat hád ze gedaan. Op dank had ze nooit gerekend..., maar wel op sukses..., en dat was zoo uiterst gering geweest.... Ze had zich ontelbare malen opgeofferd en er bijna niets mee gewonnen.... Toch hoopte ze nog altijd....

Vooral toen ze negentien, twintig, één-en-twintig jaar geworden was, waren er moeilijke dagen gekomen. De drang naar die andere, nog ongekende liefde was niet te weren geweest,—hoezeer ook haar gedachten werden afgeleid, werden bezig-gehouden door zorgen en angsten—; illusies waren in klanken en kleuren, in winterkou en in zomersche luwten, ze waren in weg-wazende wolken en in donkere kamerhoeken, ze brachten tranen mee of een lichten lach...; vage verlangens beklemden of deden zwellen en gedijen het jonge lijf; vizioenen van geluk verdoofden en verblindden met vreemdzalige ontroering.... Ze hechtten zich niet aan personen, ze bleven onbestemd.... Maar o! zoo moeilijk viel het haar soms helder bij haar taak en bedrijvig te blijven, haar dagen niet te verdroomen.... Al haar geestkracht had ze noodig om zich op te rukken uit bedwelmende soezerijen, die er waren vóór ze 't wist.... Haar toewijding was er des te ernstiger en forscher door geworden, maar had ook iets dors gekregen.... En hoe lieflijker haar droomen waren, hoe meer ze wel voelen moest het minne en valsche der krachten waartegen ze daaglijks had op te tornen....

Zoo was ze twee-en-twintig jaar geworden, en mama, die nooit had opgehouden haar lessen te geven met betrekking tot de netheid en het fatsoen, scheen nu wat vrijer in haar wijze van denken te worden; haar wenken kregen een andere richting en betroffen ook meer dan vroeger den omgang met mannen—met jongelui, zei ze altijd.—Ze scheen soms moeite te hebben met het preciese aanduiden van wat ze bedoelde zonder in vierkante tegenspraak te komen met haar oude, bekende vermaningen; ze werd dan onrustig en daardoor van zelf weer kribbig en lastig.... Papa gaf begrijplijker wenken; maar die gaven zijn vrouw weer ergernis.... En de broers, daar blijkbaar toe aangespoord, brachten telkens nieuwe vrienden mee, die met zekeren oplettenden ijver aan Annie werden voorgesteld.

Niet zonder bitterheid en tranen van teleurstelling was Annie toen gaan voelen, dat ze haar—tot dank voor al wat ze gedaan had en daaglijks nog deed!—'t liefst maar gauw getrouwd en de deur uit hadden. Toch trachtte ze zich nog te overtuigen, dat het om haar geluk te doen was....

Ze merkte, dat de wenschen van haar ouders op 't punt van haar trouwen nogal uiteen liepen. Papa was hooglijk ingenomen met gefortuneerde jongelui die égards voor zijn persoon hadden, mama lette meer op stand, afkomst, familie-relaties en een groote mate van onbesprokenheid.

Toen was er plotseling iets afschuwelijks gebeurd. Geheel onverwacht, zonder dat ze den dommen jongen ook maar in 't geringste had aangemoedigd, was ze gevraagd. En de pretendent vereenigde de eischen van beide haar ouders in zijn onbekoorlijke persoonlijkheid. Hij was zeer rijk, en dom genoeg om den ouden heer de Boogh als een wonder van verstand en degelijkheid te beschouwen; zijn familie genoot een roep van voornaamheid—men moest tot zijn overgrootvader opklimmen om den kruidenier te vinden—en hij was altijd veel te laf en te saai geweest om den beest te spelen.

Ze had hem natuurlijk bedankt, en papa en mama hadden er zich in moeten schikken, maar van dien dag af waren ze zeer onaangenaam tegen haar geworden; ongeduldiger, nukkiger en nijdiger dan ooit. Zoodat Annie zich over hun belangeloosheid geen illusies kon blijven maken....

Toen had ze—in bijna-wanhoop—een tijd lang gedacht dat het werkelijk beter zou gaan als zij 't huis uit was. In plaats van te verteederen, te verzoenen, gaf ze aanstoot. Op een morgen met haar moeder alleen had ze er van gesproken een betrekking te zoeken.... Mama had een soort van flauwte gekregen van schrik. Toen ze weer tot-zich-zelf was gekomen had ze gezegd dat zoo iets nooit zou gebeuren zoolang zij er nog was om te waken over het fatsoen der familie. En Annie had berust, had enkel, huilende, gevraagd: of mama dan een beetje vriendelijker voor haar zijn wou voortaan.... Dat scheen werkelijk even getroffen te hebben; mama was toen wel bijna een week poeslieverig geweest....

Dadelijk na dat gesprek had ze zich krachtig aangepakt, zich al die bitterheden en twijfelingen weer uit 't hoofd gezet, was ze weer begonnen te werken aan de betere verstandhoudingen in huis, alsof ze er nog nooit iets aan gedaan had, zoo energiek, zoo frisch—, zóó ten minste had ze 't toen gevoeld; als ze er later aan dacht zag ze de overspanning in die strak-gehouden wakkerheid—; van alles had ze weer verzonnen om de menschen maar tot elkaar te brengen, hun egoïste stugheid te doen breken. Weer had ze haar eigen lusten en wenschen voor niets geteld, op hatelijkheden geen acht geslagen, ruwe minachting beantwoord met zachte, voorkomende liefheid.... 't Was ten slotte een roes van opoffering, een star volhouden zonder twijfelen of tobben, bijna een manie geworden. De grove zelfzucht en de onverschilligheid waarop ze altijd stuitte schenen haar te sterken, te stalen. Ze las niet meer, deed niet meer aan muziek, verwaarloosde haar vriendinnen; er was niets meer dat haar interesseerde dan het doen en laten, de nukken en humeuren van haar huisgenooten. Voor ieder klein sukses—een vredig uur aan tafel, een geslaagd plannetje van avondhuiselijkheid—dankte ze in de eenzaamheid van haar slaapkamer met diepe innigheid haar "God, die liefde was...."

Maar toen—'t was kort nadat Jan, met hevige twisten, het huis uitgegaan en ook Willem weg was, naar Leiden verhuisd, dus juist toen er vanzelf doordat het gezin nu zooveel kleiner was, wat kalmte scheen te zullen komen—daar waren zich haar dagen gaan versomberen; ze werden lang en triestig, grijze wacht-tijden, en 's nachts lag ze uren te huilen in bed en te woelen om-en-om, in koortsig getob. De anderen hadden daar geen schuld aan, 't was uit haar zelf gekomen. Het was iets aloms en aanhoudends, iets zwaars en onverzettelijks, waar ze niet tegen-op kon. Soms deed ze wel haar best zich er uit op te rukken, zooals vroeger altijd gelukt was, als ze, bijna wanhopig van verdrietige teleurstelling, lang en hartstochtelijk had uitgesnikt, maar nu voelde ze dadelijk dat het niet ging, dat ze 't dragen moest, en lijdzaam wachten of 't weg zou willen gaan....

Het was of er in haar binnenste ergens iets gebroken of verlamd was. Ze kon zich niet meer opwinden tot hopen en verlangen, tot geestdrift voor liefde en goedheid...; haar gedachten waren traag en zwaar, loodzwaar als haar leden; ze zag op tegen de dagen als tegen een pijniging, en telde de uren en minuten tot het soms scheen of de tijd stil-stond. Alleen in eenzaam snikken vond ze verlichting en wat zoetheid; als ze dát niet had kunnen doen, als ze 's nachts niet alleen was geweest om te huilen in haar kussen, te staren in de diepe, stille duisternis, die om haar heen was, als zwart fluweel dof flonkerend, om zich zóó te geven, zich te begeven—zonder den wil en zonder de kracht tot verzet—in de ongemeten wereld der melancolie..., dan was ze zeker ziek geworden, gek misschien.... Er was veel wonderlijks in haar omgegaan in dien tijd.... Hoe 't gekomen was en waar het weer heen was gegaan, had ze nooit geweten. Snel was het gekomen ... en langzaam, heel langzaam weggegaan.... In den volgenden zomer, toen ze met Marietje—die toen veel in de buitenlucht moest—daaglijks ging wandelen, was ze zich beter gaan voelen, was 't weer lichter en ruimer in haar hoofd geworden, de dagen niet meer zoo grauw en somber, en dat gevoel—waar ze al heelemaal aan gewend geraakt was—alsof er altijd iets dreigde, iets gebeuren ging ... had ze op een zonnigen morgen gemist, zooals men plotseling de leegte merkt van iets dat al een tijd lang weg is.... Dit besef was op-zich-zelf niet zonder weemoed, maar toch van een ijle heerlijkheid die haar diep had ontroerd....

Ze werd nu ook weer wakker 's morgens zonder dat matte en loome en zonder die stekende pijn in haar oogen.... Meer en meer begon ze te begrijpen dat het over was.... Toch dacht ze nog maar liever niet veel aan dien vreemden tijd, die ze nu achter zich voelde liggen als een eenzame, dorre landstreek vol zwijgend-dreigende gevaren, waar ze door had moeten trekken met looden voeten, zooals soms in een droom.... Want 't was toch soms wel of er iets uit over was gebleven, dat ze, door veel er aan te denken, misschien weer dichterbij, weer over zich zou brengen.... Dikwijls leek 't alles onwezenlijk, een hallucinatie, die vervlogen is, voor altijd, weg!... Maar soms ook zag ze weer in-eens die oogen waar geen gelaat om heen was, en die hand die wenkte, wenkte met zachten, onweerstaanbaren aandrang.... Juist nu, in deze laatste dagen, haar bruidsdagen, had ze dat een paar maal sterk gehad....

Er lag een schaduw achter haar, die ze altijd voelde; zij was nog nadenkender dan vroeger geworden, en ze miste soms wat van de oude veerkracht en de oude liefde-vergoding; het redeneeren met zich-zelf was haar een gewoonte geworden, die afbreuk deed aan de geestdrift....

Haar huisgenooten schenen van de veranderingen in haar gemoedsleven niet veel gemerkt te hebben. Het daaglijksch getwist was doorgegaan met stijgende eentoonigheid. Soms keken ze haar er even bij aan, met zekere verwondering, omdat ze niet trachtte te kalmeeren, of bij te leggen, maar ze waren er blijkbaar niet rouwig om dat ze ongehinderd ruzie mochten maken. Een van de broers zei wel eens dat ze er slecht uitzag, gelig van tint en magerder. Maar dat was ook alles. Ze antwoordde dan dat ze zich toch heusch heel goed voelde.

't Was geweest in dien tijd toen haar melancolie aan 't overgaan was, in dien zomer toen ze zoo veel wandelde met Rietje, dat ze Louis voor 't eerst met bewustzijn had gezien. Eerst was haar opgevallen dat ze hem zoo dikwijls tegenkwam, daarop had ze al gauw gemerkt dat hij haar dan altijd sterk fixeerde en toen, op een Zondagmiddag, had Jan hem meegebracht en voorgesteld.—Er moest een soiree gegeven worden ter eer van een nichtje dat ging trouwen, en daarvoor werden wat jongelui gezocht.—Louis was dien avond dan ook gekomen en hij had dadelijk laten merken dat het om haar was, had aldoor om haar heen gedraaid, en na dien avond was hij veel blijven visite-maken, eerst met Jan mee, toen ook alleen.... Hij was bijna acht maanden lang druk aan huis gekomen voor hij haar had gevraagd. En in dien tijd had hij altijd met eerbiedige aandacht, stage oplettendheid, spoedig ook met hartelijke vertrouwlijkheid in vriendschap met haar omgegaan; hij had ook wel eens een beetje gecoquetteerd en verliefd gedaan maar hij had het haar nooit lastig gemaakt met dringende hofmakerij.

Al lachte ze in 't begin om de groote aandacht waarmee hij haar placht aan te hooren, alsof haar woorden orakelspreuken waren, en om zijn zoeken naar deftige woorden en naar een zekere statelijkheid in zijn lange figuur die zich daartoe niet te best leende, zij mocht hem toch al dadelijk wel lijden; hij was geen flauw jongetje, maar een heer, iemand van goede manieren, hij was niet—als de meesten—uit verlegenheid ruw, of grappig, of stil, hij was zich meester, hij was iemand zooals je in fransche romans leest dat ze in Parijs allemaal zijn, maar voor Holland wel iets bizonders. Hij kon, ook met een meisje, langdurig praten zonder lastig intiem, al te vertrouwelijk te worden, en ook al had hij een glas wijn gedronken. Hij gooide niet alles dadelijk in 't gekke, wist toch zijn gesprekken in zulk een toon te houden, dat het altijd mogelijk was zich met een scherts er af te maken. De meeste jonge mannen die Annie ontmoet had, plachten cynisch te pochen op hun ongevoeligheid, Louis was zacht en meelijdend; de meeste anderen wisten of merkten wel wat haar ouders voor menschen waren en praatten over hen op oneerbiedig ironischen toon, ook al was zij er bij, iets wat haar altijd erg hinderde; Louis deed dat nooit, hij liet nooit merken dat hij begreep hoe de verhoudingen waren in dat huis, toch was 't soms of hij haar wilde troosten door hartelijken omgang en stille hulde. Zoo voelde zij 't althans.

Ook al maakte hij haar niet direct het hof, zij was toch natuurlijk al gauw gaan vatten wat zijn doel was; trouwens de anderen zouden 't haar wel verteld hebben als ze 't zelf niet begrepen had. Haar ouders waren erg met hem ingenomen, spraken bijna daaglijks over hem, en bemerkend dat Annie hem ook graag lijden mocht, werden ze wat minder nurksch tegen haar. Zij moest er soms om lachen—en andere keeren hinderde 't haar weer—zooals Louis haar huisgenooten in wist te pakken; hij fêteerde hen soms meer dan haarzelf; dat had veel van vleierij, 't was niet oprecht, en zij begreep ook niet dat hij 't zoo noodig vond haar ouders niet alleen, maar ook haar broers en zelfs haar zusje voor zich te winnen.... Ben ik dan zoo afhankelijk van hen allemaal, vroeg ze zich af.

Daaglijks trachtte ze in zich-zelf na te gaan of ze nu eigenlijk verliefd op hem was, of niet.... Ze wou het heel gaarne gelooven, want liefde voor een man—echte, groote liefde—en dan later voor haar kinderen.... O! daar kon ze haast niet aan denken zoo schitterend licht, zoo stralend van heerlijkheid was dat!... Soms, als ze zich wegdroomde in die illusie, en ze dacht aan hem daarbij, dan voelde ze op-eens een emotie van milde rijkheid in zich zwellen, dan zei ze, geëxtasieerd, in zich-zelf: Ja, ja, hij is 't..., hij heeft mij lief en ik.... Maar als ze dat uit wou spreken: ik heb hem lief, dan was er weer een vreemde twijfel, die de extase neersloeg, iets onvasts, schoorvoetends in haar denken. Ze voelde dat ze 't niet hard-op zou kunnen zeggen zonder stotteren. Dat verontrustte haar dan..., dat was toch niet het ware, overwoog ze, en 't verdroot haar ook dat ze zoo kalm overwegen, zoo met zich-zelf redeneeren kon. O! ze was zoo graag door 't dolle heen verliefd op hem geweest! Ze beschuldigde zichzelf van ongevoeligheid; hij hield toch blijkbaar zoo enorm veel van haar; hij die zoo vrij, zoo onafhankelijk was en letterlijk iedereen kende, had háár opgemerkt, háár uitgekozen; alleen van haar te zien op straat was hij verliefd geworden, dat had ze begrepen; werd ze daar dan volstrekt niet door getroffen?... Wat wou ze dan eigenlijk nog meer?...

Het verlangen naar zijn komst kon haar dagen doorgloeien..., maar als hij kwam dan was 't ook in-eens zoo anders in huis, zoo vredig, bijna gezellig; alle twisten verstomden; zelfs papa en mama gingen vriendelijk met elkaar om. Zij keek hem ook graag in de oogen, vond hem knap, was een beetje ijdel-trotsch op hem daarom..., maar toch ... dat zekere mysterieus ontroerende,—dien teeren ziele-schok, dien wel eens een gelaat haar had gegeven, dat langs haar was gegaan—, dat gaf haar 't zijne niet....

Toen hij haar eindlijk vroeg was ze verward, toch nog overvallen, vroeg uitstel vaneen week.... Hij had loom-verslagen gebaren, sprak woorden van echte teleurstelling, kreeg groote tranen in z'n oogen, die stonden kinderlijk-oprecht-treurig, en bijna had ze dadelijk weer van het uitstel afgezien en toegestemd. Maar toen trok hij tersluiks zijn das recht.... Zij vond het monsterlijk dat ze zoo kalm was, zijn bewegingen zoo precies zag..., maar 't was niet anders.... Ze verzekerde hem op heel hartelijken toon dat ze er sterk over dacht ja te zeggen, maar toch nog wat denken wou.... Het was zoo'n gewichtig besluit....

En in die week overdacht ze veel: dat, hoeveel goeds ze misschien thuis nog zou kunnen doen, niets toch blijkbaar haar ouders meer verheugen kon dan dat ze een huwelijk deed naar hun zin..., en wie wist ook, of die twee niet juist als ze meer en meer op elkaar werden aangewezen, elkaar beter zouden leeren verdragen; dat het eigenlijk wel heerlijk was weg te gaan uit het ruziehuis en zich een eigen omgeving van zachtheid en liefde te gaan maken; dat zij toch ook nooit geslaagd was thuis, en dat Louis zei dat zij hem gelukkig maken kon.... Gelukkig maken!... Maar ook dat ze daar zelf niet zeker van was, want als het waar was—wat zij vreesde, waar ze in zorg over was—dat ze niet genoeg van hem hield, dan zou hij dat ten slotte toch wel moeten voelen ... en dan zou het uit zijn met zijn geluk....

Ook deed ze haar best zich er in te denken: getrouwd leven met hem.... Maar dat gelukte haar niet. Dat denken werd dadelijk troebel door een schaamteachtige verwarring..., ze aarzelde..., ze dorst het zich niet te verbeelden.... Ze werd er zenuwachtig, verdrietig van....

Intusschen bleef hij weg, bescheiden, correct. Dat maakte haar weer trotsch op hem; hij was toch een werkelijk kiesch, fijn-voelend mensch, iemand van tact en goeden smaak!... Van een nichtje, dat bij hem aan huis kwam en lief-meelijdend over hem kwam praten, hoorde ze dat hij zich goed hield, maar in de spanning van 't wachten erg nerveus was.... In de kamers en gangen was alles stil en afgekeerd; haar huisgenooten, niet precies op de hoogte, verbaasd-angstig, maar vooral verbaasd, vermeden er over te spreken; er hing een zwaar zwijgen, en al de dingen keken haar koel verwijtend aan, de meubels, de platen aan den muur, 't houten gezicht van een oude pop die ze in haar handen kreeg, een kast opruimend.... Ze kreeg een gevoel van doodsche leegte om zich heen toen ze hem een paar dagen niet had gezien, ze begon te merken, dat ze hem niet goed meer zou kunnen missen voor langen tijd. Ze was erg gewoon geraakt aan zijn omgang, hij had er haar mee verwend; hij was ook zoo iets nieuws en bizonder aangenaams voor haar geweest. Dat ze nu zoo naar hem begon te verlangen verklaarde ze voor zich-zelf, met een gevoel van innige voldoening als dan toch wel werkelijk: verliefdheid. Dat zei ze nu maar voortdurend tot zich-zelf tot ze 't eindelijk ook vast geloofde, tot ze leefde in een roes van vreugde, over die ontdekking, die eindlijke zekerheid! En toen ze hem den zevenden dag op den Eendrachtsweg tegenkwam sprak ze hem aan—blozend, verward—nam hem mee naar huis en stelde hem daar in-eens als haar aanstaande voor. Ze waren beiden zenuwachtig, hadden beiden een gevoel of 't nu plotseling te gauw was gegaan, wat geforceerd.

Thuis zag alles er nu anders uit. Er was een andere toon van licht, er waren blijdschapsklanken, er hing een atmosfeer van feestelijkheid. Haar vader kuste haar, wat hij anders alleen deed als ze jarig was, maar nu scheen 't inderdaad een zoen uit hartelijke gezindheid. Hij kreeg een schoonzoon zooals hij er zich een gedroomd had, zei hij.... En mama behandelde haar met zeker respect ... wel tien of twaalf dagen lang!...

Zelf had Annie ook een gevoel van groote blijdschap en vooral van verlichting. Toch was 't haar of ze veel ouder was geworden in korten tijd, ze voelde zich erg wijs en verstandig, en ze herinnerde zich in-eens hoe heel anders dat vroeger was geweest toen ze zoo dikwijls het besef had gehad dat ze veel te weinig redeneerde, altijd maar deed zooals haar hart het haar ingaf....

Toen volgde hun verloofd zijn; een periode van amper vijf maanden; er was geen reden langer met trouwen te wachten, ofschoon Annie 't aanvankelijk wel had gewild.

Een vreemde tijd..., heel anders dan ze zich ooit had voorgesteld, een tijd van veel ervaringen zonder de rust om ze te verwerken, een tijd van verwardheid.... Verbazing, teleurstelling, vage angst en stil-gedragen leed.... Ook wel voldoening en veel zacht genot van liefheid, gezelligheid, van de hartelijkheid van anderen, 't besef de menschen hun zin te geven....

Maar nooit vrede.... Geen uur van inwendige stilte.... Altijd nog, telkens weer, die behoefte aan zekerheid, en dan een gejaagd zoeken in hem en in haar-zelf, een ingespannen trachten naar opmerken, kennen, waardeeren en aankweeken.... Vaak een gevoel van gemis, leegheid.... Verdriet om veel wat zij verwacht had ... en dat niet kwam, maar ook wel een vroom-innige blijdschap omdat hij zich goed liet doen, omdat hij dankbaar was, en wel werkelijk veel van haar hield, omdat zij invloed op hem had.... Dat was iets heerlijks, nog ongekend.... Vroeger zou 't haar gelukkig gemaakt hebben, maar nu schoot het tekort, nu gaf het geen blijvende voldaanheid....

Zij had een innige gemoeds- en gedachten-intimiteit verwacht, een zich vrij en volledig uiten van hen beiden gelijkelijk.... Maar dikwijls ontdekte ze in zich-zelf een vreemde stugge terughoudendheid..., en zijn gepraat bleef bijna geheel in denzelfden toon als 't geweest was vóór hun verloving.... Ze noemden elkaar al vroeger bij den voornaam. Nu gaf hij haar ook liefkoozingsnamen, de geijkte, banale verliefdheidsnaampjes, schat, hart, engel en zoo.... Maar hij sprak ze niet veel anders uit dan vroeger haar naam.... 't Was dikwijls alsof hij 't deed omdat het nu eenmaal zoo de gewoonte was, en al gauw hoorde zij 't eigenlijk niet meer of hij engel zei of Annie. Zij noemde hem nooit anders dan Louis.

Dikwijls deed ze met groote wilskracht pogingen tot echte intimiteit, trachtte ze hem tot een gesprek te brengen over hetgeen haar 't meest ter harte ging in de ideeën-wereld, en vooral op wandelingen, als hij bedaardelijk naast haar aan stapte, en zij, recht voor zich kijkend, zijn gelaat en gebaren niet kon zien, gelukte 't haar ook vaak een stemming van hoogen ernst in zich op te roepen, en, als met zich-zelf sprekend, woorden te vinden voor dat wat zij de waarheid geloofde over het leven en de eeuwigheid, God en de menschen, en voor de gevoelens bij haar opgewekt door diepe gedachten, gevonden in dierbare boeken.... Dan scheen er in hem een hartelijk streven te zijn haar te volgen en een vriendelijke neiging haar te begrijpen, maar veel moeite deed hij er niet voor. Hij praatte mee, sprak haar bijna nooit tegen. Soms alleen scheen 't hem wel wat heel lang te duren, kreeg hij een licht air van verveling. Toch, als ze hem dan, af en toe, in-eens recht in de oogen keek, dan was daar wel dikwijls onrust in, een zekere ongedurigheid, maar nimmer spot, noch eenige moedwillige vijandigheid. Hij deed ook niet onverschillig, integendeel, hij scheen zoo'n gesprek zeer belangwekkend te vinden en ook wel te begrijpen dat zij het heel ernstig bedoelde, zelfs was hij er blijkbaar trotsch op dat hij zoo'n intelligent meisje had,—zijn mooi denkkopje noemde hij haar. Maar dat de dingen die zij ter sprake bracht groot gewicht voor hem zelf konden hebben, dat hij persoonlijk er iets mee noodig had, scheen niet in hem op te komen. Hij vond het leven blijkbaar niet zoo moeilijk, vooral niet geheimzinnig of verontrustend, er plaagden hem geen raadselen, en van veel ideeën, opvattingen, strevingen waar zij met vuur van getuigde, scheen hij het schoon wel even áán te voelen,—zooals hij ook van menig schilderij met zijn vluchtige nervositeit het mooie wel opmerkte in 't langzaam er langs gaan—, maar 't nimmer op te nemen in zijn ziel, tot iets blijvends....

En toch geloofde zij vast dat hij den goeden aanleg had. Dat was nu eenmaal haar aard; zooals in 't alvermogen van liefde, zoo wilde ze ook in hem gelooven, en zooals zij bouwde op dat vermogen, zoo zocht ze ook steun in haar vooropgezet idee van hem. Kon niet zijn opvoeding die enkel op de praktijk van 't leven was gericht geweest, den wasdom van veel goeds hebben belet, en was 't nu niet haar schoone taak na jaren van verwaarloozing dat vele tot groei en bloei te brengen?

Maar in haar jeugddroomen had ze een man verwacht tot wien ze zou opzien als tot een halfgod..., en een plotselinge kwelling was haar telkens het bewustzijn van geestelijk boven Louis te staan. Zij drong dat op zij, wilde het niet.... Maar 't kwam terug, verraderlijk, langs ongekende wegen van haar ziel. En zij herkende 't nu ook wel, dat superioriteitsgevoel, schoon 't vroeger nooit zoo straf-helder geweest was.... Had ze er niet een groot deel van de kracht uit geput die ze noodig had in den omgang met haar huisgenooten?... Maar nu was 't wreed ... afschuwelijk..., een pedanterie die haar werd opgelegd.... Zij leed er onder....

Maar 't ergste was 't nog niet.

Ze wandelden vrij veel samen, en gingen 's avonds dikwijls uit, naar concerten, comedie, soireetjes, maar overigens waren ze, in huis, weinig alleen. Er kwam van-zelf niet van, en mevrouw de Boogh vond ook dat het niet paste. Dit nu was het ergste, dat zij 't ook niet zocht, met hem alleen te zijn tusschen de muren van een kamer, dat zij er zelfs dikwijls tegen op zag. Het gebeurde altijd wanneer ze samen bij mevrouw Holman gegeten hadden. Dan ging de oude dame naar haar kamer om wat te slapen en bleven zij alleen in de huiskamer; en dadelijk als ze die kamer waren ingegaan en zijn moeder weg was, kwam dat onrustige, bijna angstige over haar, met korte nerveuse rillingen soms. 't Was of er een drukkende atmosfeer in de kamer hing; zij vroeg wel eens de deur open te zetten, maar hij wou dat dan niet, hij verweet het haar zelfs op zijn vriendelijk-zachten toon, vragende of ze dat prettig vond zoo'n open deur in 't eenige uurtje dat ze 's hadden samen alleen. Hij was dan gewoon op de canapé te gaan zitten met z'n arm om haar middel, en dan trok hij haar vaak op z'n knie, drukte haar tegen zich aan, kuste haar op wangen, haar en hals, en als ze 't niet ontweek ook op den mond. Zijn zoenen werden dan dikwijls droog, met iets branderigs, en datzelfde was in zijn oogen; zijn handen tastten op haar armen, haar zij en heupen met iets onrustig-zoekends en dringends, en om zijn mond was een lachplooi die somtijds een wanhopig gevoel van angst en afkeer in haar deed komen....

Het was in die uren dat de twijfel of ze wel werkelijk genoeg van hem hield haar het meest verontrustte en kwelde. Ze kon dan onmogelijk vroolijk doen—wat hem dikwijls scheen te verdrieten—en ook de herinnering aan zoo'n alleen-zijn met hem gaf haar een stil, scherp-knagend leed....

Soms, als hij haar stil tegen zich aan deed liggen, overkwam haar een benauwde volheid, een gevoel alsof ze stikken zou,—het kwam door de lauwe warmte van zijn arm om haar hals, van zijn schouder tegen haar gelaat aan, en door de weeë lucht van 't warm-wollige jassengoed—, en dan trachtte ze, altijd zacht, diep-blozend en verlegen zijn armen van zich af te duwen...; maar ook dat gaf haar tobberij om hem, die er toch immers 't volste recht toe had haar te kussen, te omhelzen.... Soms ook werd ze kil-koud, rillerig van zenuwachtigheid, bleef ze willoos in zijn arm, bleek, met gesloten oogen, en een pijnlijken trek die hem ongerust maakte, hem dringend vragen deed wat haar toch scheelde.... Eénmaal zelfs was ze in een plotselingen heftigen toorn opgesprongen, had hem krachtig op zij geduwd.... Hij was erg geschrokken, had naar gansch ontsteld aangekeken en met vragen overstelpt, maar toen ze geen antwoord gaf, alleen een tijd lang droevig snikkend vóór zich kijken bleef, was hij haar in-eens zacht-vriendelijk toe gaan spreken, op een toon van begrijpen.... Alsof ze 'n kindje was had hij haar op het hoofd geklopt en het toen weer tegen zijn schouder gelegd, dat hoofd, zoo zwaar-vol van leed en twijfel, en hij had haar zijn preutsch liefje, zijn mooi nonnetje genoemd....

Als ze, een uur later, weer kalm met hem en zijn mama zat te praten aan de theetafel, kon ze 't zich haast niet begrijpen dat het zoo was geweest. Zijn stem had dan weer dien nu al zoo lang bekenden klank van eerbiedige hartelijkheid, wel wat geaffecteerd, maar niet onwelluidend, altijd beschaafd, en zijn manieren en blikken waren zoo heelemaal daarmee in overeenstemming; hij was zoo gedienstig en attent, zoo goedhartig en beminnelijk, dat ze zich er over schaamde zoo onaardig met hem geweest te zijn, zoo belachelijk stijf en prude.... Toch, als ze zich er weer indacht, dan was 't er ook dadelijk weer, dat afkeersgevoel.... Het verontrustte haar dikwijls erg. Hoe moest dat toch gaan als zij getrouwd zouden zijn?...

Zij ging er zich lange redeneeringen over maken, meisjes-theorieën over zinnelijkheid, waaraan het weten ontbrak, de ervaring van hartstocht. Hadden misschien niet alle verloofde meisjes met dat gevoel van weeheid te kampen, veranderde dat misschien van-zelf ... later?... Zij kende er wel, waarvan ze zeker wist dat ze getrouwd waren zonder veel verliefdheid, en die toch blijkbaar niet ongelukkig waren geworden ... en kinderen hadden.... Zij bloosde in haar eenzaamheid bij die gedachten....

O! maar zij had haar Louis wel degelijk lief, dat voelde ze, dat wist ze. Haar huwelijk móést gelukkig zijn. Het zou een al te wreede teleurstelling zjjn als 't niet zoo was. Maar 't was niet anders mogelijk, want ze zou er immers haar gansche leven aan wijden, dat het iets hoogs en moois worden zou en hij een goed man in den nobelsten zin. Zij zou hem en zich-zelve, hun beider gansche zijn verdiepen, verbreeden; door haar toewijding, haar liefde, de kracht van haar ziel zou het hunne worden een ideaal samenleven....

Zoo redeneerde zij ... en wist zich vaak te overtuigen; vol vast vertrouwen op zich-zelf en 't onfeilbaar liefdevermogen zag ze den snel-naderenden huwelijksdag tegemoet....

Maar de oogen-blik waarin ze Paul voor 't eerst gezien had—in dat vaag-schaduwende, trillerig matte licht van de grijs-witte vestibule—had haar veranderd; ze voelde 't nu weer, dezen Maandagmorgen, namijmerend, naspeurend haar denken en voelen der laatste dagen.... Dien avond, den ganschen receptiedag, en ook zelfs dezen Maandag, zoo nuchter en gewoon door de huiselijke drukte..., daar was iets vreemds en onwezenlijks in, 't was soms of ze droomde, of ze straks wakker zou worden, en dan moest de receptie nog gehouden worden en Paul was er nog niet.... Het was of er iets met haar was gebeurd, ze wist niet wat.... Ze had het zwakke, lichte in 't hoofd van iemand die lang ziek geweest is.... Ze wist nu ook niet meer hoe ze toch gevonden had die rustigheid, dat vaste willen en helder vóór zich zien van haar toekomst..., ze kon nu niets meer helder afdenken of vóór zich zien; ze leefde maar, van minuut tot minuut, van uur tot uur, in een soort van roes, waar het materieele, het gewone daaglijksche doen geheel en al buiten bleef.... Het was of er een gordijn was geschoven voor 't verschiet van haar denken..., somtijds scheen het een mooi, glanzend gordijn, een voorhang van blauw en goud, doorfonkeld van zonnestralen.... Ze voelde den dag van haar huwelijk niet meer naderen, zeker zou ze er vóór staan eer ze 't zich bewust was.... Want 't was alles even onwerkelijk....

Telkens overmijmerde ze weer haar indruk van Paul;—ze had volstrekt geen vermoeden dat ze daar iets verkeerds of gevaarlijks mee deed.... Ze dacht aan Paul Holman, den schilder, die haar broer zou worden nu; was het geen groote gebeurtenis hem te leeren kennen?...

Wat was hij groot en goed!... Het verwonderde haar nu achteraf wel niet als ze dacht aan de aandoeningen, die zijn werk haar al gegeven had voor ze hem kende, maar ze had zich toch heelemaal geen voorstelling van hem kunnen maken.... Ze had dan van-zelf altijd aan Louis gedacht.... Ofschoon ze begreep dat hij anders moest zijn....

Telkens als hij bij haar was, had ze zich volkomen onbeduidend en nietig gevoeld, en toch, als hij haar aanzag, kwam er een heerlijke trots in haar opbloeien, want dan scheen hij haar in zijn sfeer op te nemen, haar met zich op te voeren, tot heel hoog.... Er was een ernst in zijn gelaat waarbij zij al haar eigen denken, haar leed en haar vreugde, klein en kinderachtig voelde, en een groote ruimte was in zijn blik, iets heilig-wijds.... Hij scheen duizelig veel te weten van 't leven, waar zij zelfs niet naar gissen kon, en dat toch alles waar en goed en diep-noodzakelijk was.... Zij wou dat hij nooit meer wegging, dat ze van hem zou kunnen leeren, altijd leeren.... Ze had een onverklaarbaar vermoeden dat ze 't allemaal wel dadelijk begrijpen zou, als hij het haar maar wilde zeggen....

Maar in den laten avond van dien Maandag—Louis was weg en zij naar haar kamer gegaan—overviel haar in-eens een zwaar-drukkend, toch onbestemd gevoel van bittere onvoldaanheid over zich-zelf, van zondigheid bijna en berouw, een besef van leven-in-de-laagte.... Ze zag zich loopen, hand in hand met Louis, in angstige, gebukte houding over de donkere aarde..., en ergens in de hoogte was een lichtsfeer, waar ze niet naar op dorst zien, maar waar ze wist dat Paul was.... Het was als een nachtmerrie vóór ze nog sliep; hevig bonsde en benauwde de angst haar, diep in haar keel; ze zat op een stoel in haar nachtelijk-stil kamertje en drukte zich de handen op de borst om het te doen bedaren....

't Ging weg...; ze lei zich te bed, koortsig-kil en rillerig; ze hield een gevoel van sombere verlatenheid, wat haar zacht deed schreien in haar kussen.... Eindelijk, uitgeput van overspannen tobgevoelens, kon ze enkel nog wat nasnikken en in zich-zelf herhalen: Waarom is hij vandaag ook in 't geheel niet gekomen....

IX.

Het verwonderde Annie, als ze, den volgenden ochtend, druk met al haar huishoud-plichtjes bezig, even terugdacht aan dien triestigen avond, dat ze nu weer zoo opgewekt, zoo vlug en pinter was van doen, en ze was er blij om, ze meende dat die bui dus over, en dat ze weer net als altijd vroeger was, vol lichten moed, en lust in 't rustloos bezig zijn, voor de anderen en voor de goede orde en rust in huis,—maar toen ze, na een roezemoezige bereddering met verschillende leveranciers en met de meiden, even stil wou zitten denken over alles wat ze nog moest doen —er was zoo'n boel, ook voor haar-zelf in deze dagen—toen merkte ze dadelijk dat ze eigenlijk heel óngewoon was.... Ze kon het niet..., ze dwaalde telkens af, ze was gejaagd en zenuwachtig. Ze was wel opgewekt en had daarnet nog hard gelachen met Neeltje—maar eigenlijk kon ze even goed een beetje uit gaan huilen in een hoekje, voelde ze.... Ergens stil blijven zitten kon ze ook niet; ze had geen rust; ze moest maar doen de dingen in een roes, zonder denken; àl maar bezig zijn, dat was het beste en het eenige....

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings