← Table of contents
De afsluiting en droogmaking der Zuiderzee. Weerlegging van bezwaren

DEEL II. WEERLEGGING VAN BEZWAREN.

Reading edition

In den laatsten tijd zijn eenige geschriften verschenen waarin het plan der Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie tot afsluiting en gedeeltelijke drooglegging der Zuiderzee voornamelijk uit een technisch oogpunt wordt bestreden of een ander beter geacht plan wordt aanbevolen. Ook in enkele mondelinge voordrachten is dat geschied.

In 't algemeen kunnen blijken van belangstelling in een zaak, waarbij de belangen van het gansche land in zoo hooge mate betrokken zijn, slechts als een verblijdend teeken worden begroet. Maar wanneer de beschouwingen afkomstig zijn van niet-deskundigen, wien de kennis ontbreekt van de grondbeginselen der wetenschappen die bij de zaak betrokken zijn, dan hebben die op zich zelve weinig of geen waarde en dan is een ernstige kritische beoordeeling daarvan zoo goed als onmogelijk.

Hiermee is niet gezegd dat ook een niet-deskundige niet eens een goed denkbeeld kan hebben, maar ten slotte moeten deskundigen over de waarde daarvan beslissen.

De bovenbedoelde geschriften zijn op een enkel na helaas van onbevoegden en het gevolg daarvan is, dat dezen zooals gewoonlijk hun gebrek aan kennis trachten aan te vullen door groote woorden, zeer kras gestelde uitspraken, ja in een enkel geval zelfs door te schelden.

Toen de Zuiderzee-Vereeniging mij verzocht ook mijne meeningen eens te stellen tegenover zooveel ongegronde en los daarheen geworpen beweringen, trok die taak mij dan ook zeker niet aan. Debat toch is het stellen van argumenten tegenover argumenten, maar waar deze bij de tegenpartij ontbreken, daar slaat men in de lucht, daar kan van een eigenlijken vruchtbaren strijd geen sprake zijn. Men moet dan „en passant” wat kennis trachten bij te brengen, wat echter òf zeer moeilijk òf onmogelijk is. En men vraagt dan allicht zich zelven af of men niet wat beters te doen heeft dan zich uit te putten in redeneeringen die op den ander toch geen vat kunnen hebben, omdat hij bij voorbaat onwillens is om overtuigd te worden.

Intusschen moet nog een andere overweging gelden. Hoe betreurenswaardig het ook is, het is meermalen gebleken, dat de openbare meening door onbevoegden op een dwaalspoor geleid werd, temeer doordat dezen uit den aard der zaak de hulpmiddelen van heftigheid, geschreeuw, enz. veelal niet versmaden.

Uit deze laatste overweging heb ik toegegeven.

Ik nam de minder aangename en misschien ook zeer ondankbare taak op mij te trachten het ontstaan van wanbegrippen, onrust, enz. betreffende de Zuiderzeezaak te voorkomen en de openbare meening in het rechte spoor te houden, nu sommigen door hunne scheeve voorstellingen en niet op juiste kennis van feiten gegronde beweringen, die meening op een dwaalspoor zouden kunnen brengen.

Als ik, de verschillende bedoelde bestrijders der Zuiderzeezaak gaande beantwoorden, den Heer Gelder, directeur en aandeelhouder van de Visscherij-Courant, het eerst noem, dat is dat niet om zijn grof geschreeuw en geschetter te gaan weerleggen. Ik heb dat eens beproefd op een vergadering te Amsterdam, waar de Heer Gelder aldus begon:

„Die afsluitdijk deugt niet. Hij zal spoedig bezwijken en de menschen die er achter wonen, zullen verdrinken als ratten.”

„Waarom deugt die afsluitdijk niet?” zoo vroeg ik.

„Dat kan ik niet zeggen, want ik ben geen technicus.”

„Hoe kunt u dan beweren, dat die dijk niet deugt?”

„Ingenieurs” (meervoud) „hebben het gezegd.”

„Wie zijn die ingenieurs?”

„De ingenieur van Veen” (enkelvoud) „te Breda.”

„Die heeft nooit bezwaren tegen den afsluitdijk ingebracht, wèl tegen de meerdijken.”

En dan klaagt de Heer Gelder er over, dat men niet met hem „debatteeren” wil! En in zijn blaadje scheldt hij daarom Mr. Smeenge en mij „lafaards.”

Het spreekt wel van zelf dat men zoo iemand niet meer te woord staat. De Heer Gelder moge voortaan zoo hard schreeuwen als hij wil en het goedmoedig visschersvolkje van alles trachten wijs te maken en adressen doen teekenen tegen de afsluiting (als ik voor hen sprak, teekenden zij adressen er voor!), hij moge in zijn lijforgaan de dolzinnigste beweringen met allerlei groote en vette letters laten drukken, hij zal van mij noch mondeling noch schriftelijk een enkel woord meer hooren over zijn onverantwoordelijk kabaal.

Over de bezwaren van den Heer van Veen, civ. ingenieur, oud-direkteur der openbare werken te Breda, kan ik kort zijn. Deze heeft onlangs een brochure uitgegeven, getiteld „De Januari-ramp en de hoogst gevaarlijke constructie van de dijken in het aanhangige plan tot droogmaking der Zuiderzee”, waarin hij betoogt, dat waar de meerdijken der vier droog te maken deelen van het plan der Staatscommissie op slappen bodem komen te liggen, de voorzieningen die de commissie daartegen aanbeveelt niet voldoende zijn,—een zuiver technische quaestie dus.

De Heer van Veen heeft ook nog op andere „groote gevaren en bezwaren” gewezen, alle van technischen aard, althans die welke ik eens uit een voordracht te Amsterdam gehouden van hem vernam.

Maar het kan tot niets dienen die technische quaestie's nu te bespreken. Ik zou den Heer van Veen nl. willen vragen of hij werkelijk meent, dat, als het tot een uitvoering komt, het plan der Staatscommissie blindelings zal gevolgd worden—of liever: of hij meent dat naar de enkele groote lijnen van dat plan zelfs een begin van uitvoering mogelijk is.

Dat plan is immers alleen in eenige algemeene trekken aangegeven om het geheel te kunnen overzien, de gedachten te kunnen bepalen bij de voornaamste zaken die zich zullen kunnen voordoen en een zeer globale raming van kosten te kunnen opmaken. Bovendien is het 22 jaar oud en is de techniek in dien tijd zeer vooruitgegaan (baggerwerk, gewapend beton, toepassing van elektriciteit als beweegkracht, enz.).

Komt het tot een uitvoering, dan worden een of meer bureaux ingericht, waar de ingenieurs aan het werk gaan om meer in 't bijzonder studie te maken van de onderdeelen en van de vele moeilijkheden die ongetwijfeld nog zullen voorkomen en waaronder er zelfs zeker zullen zijn die door de ontwerpers van het groote plan niet zijn voorzien. Zij die de verantwoordelijkheid hebben te dragen zullen b.v. ongetwijfeld bezwaren als die van een slappen bodem onder de meerdijken naar hun beste weten trachten op te lossen en niet werktuigelijk een daaromtrent geopperd denkbeeld van de Staatscommissie volgen. Daarom worden de werken in bijzonderheden ontworpen en wordt de uitvoering daarvan geleid door ingenieurs.

Het is wel zonderling dat men dit aan een ingenieur moet in herinnering brengen.

Ten overvloede wijs ik den Heer van Veen op het in dit jaar verschenen „Verslag der onderzoekingen van het Bureau voor het opmaken van een meer uitgewerkt plan met begrooting voor den aanleg van een gedeelte van de afsluiting der Zuiderzee en indijking en droogmaking van de Wieringermeer, samengesteld door den ingenieur van den Rijks-Waterstaat de Blocq van Kuffeler.” Hij zal daaruit zien hoe in bijna alle onderdeelen is afgeweken (in sommige zeer veel!) van het globale plan der Staatscommissie, o. a. ten opzichte van de plaats der buitendijken en van hunne samenstelling en afmetingen, van de afwaterings- en scheepvaartkanalen ten behoeve der aangrenzende landen, van de verdeeling in polders en van hunne bemaling, vooral ook ten aanzien van de bestrijding der kwel uit de diluviale gronden van Wieringen, welke quaestie door de Staatscommissie in 't geheel niet onder de oogen is gezien. Enz., enz.

Laat men toch nu niet gaan strijden over de technische uitvoering der onderdeelen, die nog volstrekt niet vaststaat. Dat is immers vechten tegen windmolens!

„De drooglegging der Zuiderzee. Het plan J. Ulehake contra het plan C. Lely.”

Aldus luidt de bescheiden titel van een in dit jaar verschenen boekje van iemand die zijn naam niet noemt (maar blijkbaar ook een niet-technicus), waarin hij op geestdriftige wijze het plan aanbeveelt van den Heer Ulehake, onderwijzer in den Grooten IJpolder, dat deze een jaar of negen geleden aan H. M. de Koningin heeft aangeboden en waarvan de resultaten „veel schitterender zullen zijn dan die van 't plan Lely”.

Dat plan komt in hoofdzaak neer op het afsluiten der zeegaten van den Helder tot de Eems, zoodat ook al het inktkokerzand achter de eilanden zal worden drooggelegd. Die zeegaten zijn wel diep, o. a. dat van den Helder tot 41 M., maar men schrikt daarvan alleen zoo erg, omdat in de nota's der Zuiderzee-Vereeniging de hoogteschaal veel grooter is genomen dan de lengteschaal. Alsof dit het feit wegneemt dat het gat toch 41 M. diep is!

Onze bescheiden onderwijzer, die een afsluitdam door zulk een diepte toch ook wel wat bar schijnt te vinden, heeft er wat op gevonden: hij legt dien meer naar buiten in een gebogen vorm, zoodat hij dan 2 of 3 gaten heeft af te sluiten, waar hij ook nog met diepten van 10 à 11 M. te doen heeft, maar waarin „natuurlijk de strooming veel minder sterk zal zijn dan in de Helsdeur”—waarom dit „natuurlijk” is schijnt niet recht duidelijk. Dat werkje in volle zee—een sprong in 't duister, waarvan zeker niemand kan zeggen of het 30 of 300 millioen zal kosten—is „een natuurlijk plan”, omdat het „van de bestaande banken en eilanden profiteert.”

Er moeten dan nog minstens zes andere zeegaten worden gedicht en een afsluitdijk langs de Eems worden gemaakt, maar daaromtrent verneemt men slechts de teleurstellende mededeeling: „Het spreekt van zelf, dat de zeegaten en Waddengedeelten, als vallende buiten het plan Lely, niet in die mate en richting werden onderzocht, om voldoende gegevens voor het plan U. te verschaffen. Wel verklaarde een ervaren waterbouwkundig ingenieur, dat de technische bezwaren, aan het dempen (sic) der zeegaten verbonden, enkel „geldelijke” waren, en het dus volstrekt niet onmogelijk blijkt, dat de resultaten van 't plan U. veel schitterender zullen zijn dan die van 't plan Lely.” Als die ervaren ingenieur werkelijk dien volstrekten onzin heeft uitgesproken, dat nl. de technische bezwaren enkel geldelijke waren, dan is 't maar goed dat zijn naam niet genoemd wordt.

Maar toch heeft onze plannenmaker al die afsluitingen aangeduid door streepjes op een schetsje, waarop de eigenlijke Zuiderzee de grootte heeft van een rijksdaalder.

Daarop staan ook veel dunne en dikke lijntjes die de verlenging van den IJsel naar het zeegat van den Helder en daarop uitkomende kanalen voor de afwatering en de scheepvaart schijnen te moeten voorstellen. Deze zullen dus, voor zooveel het verlengde van den IJsel en de daarmee in open verbinding staande kanalen betreft, ter weerszijden van dijken moeten worden voorzien, gemiddeld 10 M. hoog en samen zeker eenige honderdduizenden meters lang. Dat de vele groote en zeer diepe geulen in het noordelijk deel der Zuiderzee en tusschen Enkhuizen en Stavoren doorgaande tot t. W. van Urk (de Texelstroom b. v. is 15 à 30 M. en de Vliestroom 6 à 20 M. diep) totaal worden genegeerd, toont ons den bewonderenswaardigen durf van den voor niets terugdeinzenden ontwerper.

Hij heeft blijkbaar 't land aan een IJselmeer tot voorloopige waterberging, want 't is hem in de eerste plaats om Land te doen, land, dat dan beschikbaar zal komen voor de werkmenschen, die nu „met bloote kaken hunne ruggen krom moeten werken in den turfkuil en den modderbak.” Maar het gemis van zulk een meer is zoo erg niet, want de bescheiden Heer Ulehake „meende gerechtigd te zijn eenigszins critiek uit te oefenen op het plan Lely en bestudeerde het IJselmeer.” En daar komt de minister Lely maar treurig af! Hoor, hoor!

„De Heer U. wil trachten alle rivieren uitloozende in de Zuiderzee te kanaliseeren, ten einde den watertoevoer te beperken en te beheerschen.”

Onze dillettant-civiel-ingenieur, die blijkbaar niet weet wat kanaliseeren is, schijnt zich te verbeelden dat zoo'n rivier na de kanalisatie minder water afvoert! Maar hij wil bovendien dien lastigen IJsel nog op een andere wijze klein krijgen, door nl. door werken bij Westervoort een deel van zijn water langs den Rijn af te voeren en, omdat hij waarschijnlijk noodkreten voorziet uit de landen langs die rivier, gaat hij den Krommen Rijn–Ouden Rijn–Vecht weer openen, dus den middelsten Rijnarm uit den Romeinschen tijd herstellen. Al wordt aldus ons gansche rivierstelsel, waaraan wij nu anderhalve eeuw gewerkt hebben, in de war gebracht en al zullen die veranderingen honderden millioenen kosten, deze waterstaatsdictator ziet niet daartegen op. Is er niet iets grootsch, iets geniaals in zulke denkbeelden?

De bescheiden Heer Ulehake „gevoelt als onderwijzer zeer goed het ongelijke van den strijd dien hij aanbond tegen den Minister-ingenieur.” Maar door zijn studie over het IJselmeer verslaat hij zijn tegenstander toch totaal. Hoor maar naar zijn bewonderaar. „Daar de Minister de uitmonding van 't Zwarte Water van Kraggenburg uit wenscht te verlengen tot ongeveer de Zuidpunt van Schokland (en dat werk is lang geen peulschilletje), roept hij aldaar een toestand in 't leven, die veroorzaakt dat het westelijk deel van Overijsel tot verre t. O. van Dalfsen van tijd tot tijd in een bare zee verandert, of de N.O. polder verdrinkt.” Die onnoozele minister, die nog wel zoo netjes had uitgerekend dat de standen op het IJselmeer 1,5 à 2 M. lager zouden blijven dan die op de open Zuiderzee! Ware hij toch eerst maar met zijn plan bij den Heer Ulehake gekomen met verzoek om consideratie en advies!

Maar nu dit helaas niet geschied is, maakt de bescheiden Heer Ulehake in zijn ongelijken strijd zijn tegenstander totaal af.

Zijn vernietigende uitspraak berust op deze twee axioma's:

a. De waterbouwkunde, voorgelicht door de scheikunde kreeg te beschikken over gewapend en cementbeton, eene specie, die uitnemend geschikt is tot het leggen van den afsluitdijk en de bijkomende werken.

b. De landbouw kreeg, voorgelicht en geschraagd door de scheikunde, te beschikken over de hulpmeststoffen, waarmede men zelfs „heide maakt tot weide.”

En deze twee grondwaarheden geven volgens den Heer Ulehake „den doodsteek aan 't plan L. en doen (ze) het zijne zegevieren.”

The villain dies! Wij kunnen nu gerustgesteld naar huis toe gaan.

De auteur van 't stuk beoogt „als voorloopig doel”, dat zijn plan door de Regeering worde onderzocht.

Wie weet!?

In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 17 Januari ll. komt de Heer D. R. Mansholt op tegen het plan van den Minister van Waterstaat om „een bijna waardeloos moeras met ontzaglijke kosten onder water weg te pompen, om daarentegen en daardoor de vruchtbare en met groote kosten door de ingelanden ingedijkte polders langs onze Noordzeekusten te verzuipen.” De Heer Mansholt tracht dan voornamelijk aan te toonen, dat de voorgestelde afsluiting der Zuiderzee de stormvloedhoogten langs de Friesche en Groningsche kusten zoo zal doen stijgen, dat voor deze groote gevaren te duchten zijn.

In zijn repliek van 31 Jan. d.a.v. op het ingezonden stuk van den Voorzitter der Zuiderzee-Vereeniging in het Handelsblad van 25 Januari wordt ongeveer hetzelfde betoogd. De zoon van den Heer D. R. Mansholt, de Heer L. H. Mansholt, heeft daarna in eene Juni 1916 verschenen brochure „De afsluiting der Zuiderzee, een ernstig gevaar voor Friesland en Groningen” ongeveer dezelfde denkbeelden verdedigd.

Hoewel ik in de oogen van den Heer Mansholt Sr. slechts een „zoogenaamd deskundige” ben, durf ik mij verstouten zijne meeningen te bestrijden en te bewijzen dat die geheel onjuist zijn. De hoofdfout in zijne redeneering,—dezelfde trouwens die door nagenoeg alle niet-deskundigen gemaakt wordt,—is gemakkelijk aan te wijzen en toch is het eenigszins moeilijk de heeren Mansholt Sr. en Jr. te weerleggen, omdat zij blijkbaar het verschijnsel der getijden langs onze Noordzeekusten en de wijze waarop het zich in de Zuiderzee voortplant niet voldoende kennen, terwijl ook de oorzaken van de stormvloeden tegen de kusten van die binnenzee niet juist worden ingezien: volloopen, opstuwen en opwaaien, drie verschillende verschijnselen, worden daarbij telkens met elkaar verward.

Ik moet daarom wel eerst even het volgende in herinnering brengen.

De getijden op onze kusten worden veroorzaakt voornamelijk door twee indirecte getijwerkingen die van den Atlantischen Oceaan uitgaan en waarvan de eene, het zoogenaamde Zuidtij, tot ons komt door het Kanaal tusschen Engeland en Frankrijk en de andere, het Noordtij, t. N. om Schotland heen zich voortzet in de Noordzee en tot onze kusten doordringt. Nog een derde getijwerking, als van minder belang, laten wij nu maar buiten beschouwing. Het Zuidtij veroorzaakt te Calais nog een verschil tusschen gemiddeld hoog water (H. W.) en gemiddeld laag water (L. W.)—dit verschil heet de hoogte van de vloedgolf—van 5,60 M., aan de Wielingen van 3,67 M. en dat verschil neemt noordwaarts natuurlijk meer en meer af tot een eind t. N. van Petten; bij deze plaats bedraagt het nog 1.34 M. Maar voorbij dat punt gaat dat verschil toenemen langs onze Noordzeekust (d. i. langs de buitenzijde van de eilanden) onder den meer en meer toenemenden invloed van het Noordtij tot aan den mond van de Elbe, volgens de waarnemingen Moens-Nolthenius:

Plaatsen buiten binnen

Texel 1,25 M. 1,05 M.

Eierlandsche Gat 1,45 „

Vlieland 1,65 „ 1,40 „

Terschelling 1,80 „ 1,70 „

Ameland 1,90 „ 1,70 „

Schiermonnikoog 2,15 „ 2,10 M. (Friesche Gat)

Rottum 2,30 „

Borkum 2,50 „

Cuxhaven (volgens H. Lentz) ong. 2,80 M.

Om dezelfde reden stijgen ook de stormvloeden buitengaats noord- en oostwaarts tot de Elbe en dus ook de hoogste zeestanden binnengaats op geringen afstand achter de zeegaten, b.v. bij den stormvloed van 13/14 Januari 1916:

Helder +1,75 N.A.P.

Texel (Oude Schild) +1,98 „

Vlieland (Oost-Vlieland) +2,21 „

Terschelling (West-Terschelling) +1,98 „

Roptazijl +2,86 „

Nieuw Bilt +2,90 „

Ameland +3,20 „

Schiermonnikoog +3,46 „

Hierbij echter in het oog te houden, dat op eenige van deze plaatsen afwaaiing op de andere opwaaiing van water plaats had, zooals hierna zal worden verklaard. Met deze werking der getijen schijnen de Heeren Mansholt onbekend te zijn, althans de Heer Mansholt Jr. zegt, naar aanleiding van door hem geconstrueerde lijnen van stormvloedhoogten: „op 't eerste gezicht ziet men, dat het een normaal verschijnsel is, dat juist op de plaats waar het zeewater door drie groote diepe zeegaten de Zuiderzee kan binnenstroomen, de vloedhoogte ook bij de eilanden aanzienlijk lager is dan naar het N.O. en naar 't Z.W. Ligt het nu weer niet voor de hand, voor dit merkwaardig verschijnsel als oorzaak aan te nemen, dat de vloed bij Texel, Vlieland en Terschelling slechts gedeeltelijk gestuit wordt en verder in ontzaggelijke massaas in de Z.Z. wordt gestuwd? Wanneer we straks globaal nagaan van welke beteekenis deze watermassa is, zal daaruit m. i. noodzakelijk moeten volgen, dat ook hier de Z.Z. dien opmerkelijk lageren plaatselijken vloedstand veroorzaakt”.

De schrijver meent dus dat de vloeden tusschen den Helder en Terschelling buitengaats minder hoog stijgen, omdat het vloedwater „in ontzaggelijke massaas” binnen de Zuiderzee gestuwd wordt. Och herm! Zouden de vloedhoogten op onze Noordzeekusten werkelijk onder den invloed staan van het waterverlies in dat kleine binnenzeetje, de Zuiderzee, dat dan 2 à 3 M. hooger dan gewoonlijk wordt opgezet? Waarmee natuurlijk niet gezegd is, dat in de onmiddellijke nabijheid der zeegaten en in deze zelve niet eenige plaatselijke daling ontstaat door het naar binnen vloeien van het Noordzeewater.

Door de zeegaten vloeit Noordzeewater in de daarachter gelegen zeeboezems. Wordt de zeeboezem naar achteren nauwer, dan wordt het vloedwater daarin opgestuwd, waardoor achterin hoogere H.W.- en lagere L.W.-standen voorkomen dan aan den mond, zooals b.v. op de Wester-Schelde, in het Friesche Gat-Lauwerszee en in de Eems-Dollart. Terwijl b.v. in het Friesche Gat het verschil tusschen H.W. en L.W. 2,10 M. bedraagt, is het te Zoutkamp 2,38, terwijl het aan den Eemsmond bij Borkum 2,50 M. is, is het te Delfzijl toegenomen tot 2,78 M. en zou te Emden, waar het ongeveer 2,70 M. bedraagt, grooter zijn dan te Delfzijl, als het vloedwater zich tusschen die beide plaatsen niet over de Dollart kon verspreiden. Het is daarom niet geoorloofd om, zooals de H.H. Mansholt doen, onder de standen langs de noordelijke Friesche en Groningsche kusten die te Ezumazijl, aan de Friesche Zijl en te Zoutkamp en die te Delfzijl en Statenzijl op te nemen. En evenmin mag dit geschieden met de stormvloedshoogten aldaar. Men krijgt dan een valsch beeld van de zeestanden langs die kusten.

Blijft de zeeboezem naar binnen ongeveer dezelfde wijdte behouden als aan den mond, dan blijft de hoogte van de vloedgolf ook dezelfde.

Maar is de zeeboezem wijder dan het zeegat waardoor de vloed naar binnen komt, dan wordt de grootte van de vloedgolf al minder en minder naarmate de ruimte achter het zeegat toeneemt. Dit heeft o. a. plaats bij de Zuiderzee, waarin de getijen werken door verscheidene zeegaten, die nauw zijn met betrekking tot de groote ruimte daarachter, zoodat b.v. H.W. en L.W. buiten vóór het zeegat van den Helder +0,38 en –0,87 N.A.P. en vóór het Vlie +0,65 en –1,00 N.A.P. zijn, terwijl die cijfers te Enkhuizen +0,32 N.A.P. en –0,23 en te Stavoren +0,21 en –0,28 N.A.P. bedragen.

Zien wij dus dat de waterstanden in de zeeboezems niet alleen van hunne grootte maar ook van hun vorm afhangen, als zij groot zijn en hun gedaante nog al grillig is, zooals bij de Zuiderzee met haar nauwen hals tusschen Enkhuizen en Stavoren, dan is de getijwerking—ik bedoel nu in normale omstandigheden, dus zonder wind—nog samengestelder. Daar verspreidt zich nl. het vloedwater dat door de zeegaten naar binnen dringt vrij snel over de noordelijke kom, zoodat als 't bij springtij H.W. te Nieuwediep is te ong. 7,25 u., dit te Texel (Oude Schild) te 7,59 u., te Oost-Vlieland te 8,19 u., te Harlingen te 8,47 u. en te Stavoren te 9,20 u. het geval is,—in de gedeeltelijk afgesloten Wieringermeer echter te Medemblik eerst te 10.14 u. en voorbij het nauwe gedeelte van Stavoren eerst te 10.20 te Enkhuizen. Het dringt dan (dus zonder harden wind of storm) in de zuidelijke kom niet verder naar het Zuiden door dan tot ongeveer een lijn Enkhuizen–Ketel, dus tot iets t. Z. van Urk. Het water in die kom wordt dan alleen als 't ware eenigszins teruggeduwd en daarop komen dan nog gemiddelde getijverschillen voor van hoogstens een halven meter (in den Z.W. hoek); de plaatsen langs de zuidelijke en oostelijke kusten hebben dan hoog water te 12¾ à 1 uur.

De genoemde verschillen in tijd nu waarop de hoogwaterstanden voorkomen zijn oorzaak, dat als de noordelijke kom op 't hoogst gevuld is, het in de zuidelijke laagwater is, terwijl de noordelijke kom het minste water bevat als de zuidelijke hoog water heeft.

Een gevolg hiervan is dat de noordelijke kom van twee zijden, van uit het Noorden en uit het Zuiden, zij het ook niet in gelijke mate, gevuld wordt en ook dat zij na het tijdstip van H.W. zich naar twee zijden, nl. door de zeegaten en naar de zuidelijke kom ledigt.

Maar bij sterken wind of storm wordt de geschetste toestand zeer gewijzigd.

Hooge waterstanden in de Zuiderzee kunnen nl. worden veroorzaakt door:

1º inloopen van Noordzeewater door de zeegaten,

2º opwaaien van het Zuiderzeewater naar een of andere zijde.

3º beide oorzaken onder 1º en 2º te gelijk.

Deze oorzaken hangen niet alleen af van de sterkte doch ook van de richting van den wind.

Begint het, zooals meestal bij ons te lande, uit het Z.W. te stormen, dan komt daardoor weinig of geen water binnen de Zuiderzee. Blijft de storm aanhouden en draait, zooals gewoonlijk, de wind naar W., waardoor veel van het eerst uit het Z.W. langs onze kusten gejaagde water hoog daartegen wordt opgezet, dan gaat meer water naar binnen komen en blijft de storm dan nog langer doorgaan, terwijl de windrichting N.W. wordt, dan komen groote massa's Noordzeewater binnen de Zuiderzee. Dit water blijft dan niet ten N. van Urk, maar verspreidt zich weldra over de geheele zuidelijke kom. Hooge standen langs de kusten aldaar worden daardoor veroorzaakt.

Maar ook zonder dat een droppel Noordzeewater binnen de Zuiderzee is gekomen, kunnen langs de kusten daarvan zeer hooge zeestanden voorkomen en wel door het verschijnsel van op- en afwaaiing.

Als het nl. hard waait of stormt, wordt de bovenste laag van een of ander water van eenige uitgebreidheid voor den wind uit naar ééne zijde voortbewogen, stel ter diepte van 2, 3, 4, 5 M.—dit hangt van de kracht van den wind af. In diep water nu wordt de leegte, ontstaan door het wegwaaien van water op zeker punt, onmiddellijk aangevuld door het water daaronder, waarin dan een tegenstroom ontstaat, en dus blijft de wateroppervlakte overal nagenoeg op dezelfde hoogte, m.a.w. neemt geen helling aan. Maar bij ondiepe wateren ontbreekt het water onder de voortgejaagde massa grootendeels of geheel, daar kan dus weinig of geen aanvulling plaats hebben en dus neemt de waterspiegel daar een helling aan. De grootte van die opwaaiing hangt af van de windkracht en van den afstand waarover de opwaaiing plaats heeft. Bij den bekenden Pinksterstorm van Mei 1860, die uit het Z.W. woei, woei het IJ vóór Amsterdam zoo laag af dat hier en daar de bodem droog lag, terwijl het water tegen de oostelijke kusten der Zuiderzee zoo hoog opwoei, dat er tusschen Amsterdam en Dronten een verschil in stand was van 4,30 M. En bij den vloed van Januari 1884, ook door Z.W. storm veroorzaakt, werd een verschil tusschen gelijktijdige standen aan de Oranjesluizen en te Blankenham waargenomen van 4,60 M. Toch was er in deze beide gevallen weinig Noordzeewater binnen de Zuiderzee.

Een voorbeeld van inloopen en opwaaien biedt de stormvloed van 13/14 Januari 1916. In de 2½ etmaal nl., die voorafgingen aan den storm, die den 13en te 11 uur begon, had het den meesten tijd uit N.W. richting stormachtig gewaaid met vlagen van storm, behalve gedurende 20 uur dat de wind W. en Z.W. was. Daardoor was de Zuiderzee reeds grootendeels volgewaaid met Noordzeewater, toen de eigenlijke storm begon. En deze woei ook uit het Noordwesten en tegen het einde (6 u. voorm. 14 Jan.) zelfs uit noordelijke richting en deed dus uit die richting het water opwaaien in de zuidelijke kom en vooral tegen de zuidelijke kusten, zoodat daar zeestanden voorkwamen, die op eenige plaatsen zelfs hooger waren dan die van den beruchten stormvloed van Febr. 1825. In de noordelijke kom waren de standen ook wel hoog, doch bleven beneden die van sommige voorafgaande stormvloeden,—wat uit de afwaaiing van dat gedeelte te verklaren is.

Ik heb gemeend deze eigenschappen van de ons begrenzende zee en van de Zuiderzee hier nog eens te moeten uiteenzetten, omdat bij de beschouwingen van sommigen daarmee geen rekening gehouden wordt. Dit leidt dan natuurlijk tot verkeerde gevolgtrekkingen, zooals een enkele die ik hierboven reeds aanwees en zooals ik er hierna nog een paar zal noemen.

De Heer Mansholt Sr. zegt: „Met het oog op deze feiten ligt het m. i. toch voor de hand, dat de Z.Z. als bergplaats van het vloedwater van groot belang is. Wanneer wij een blik op de kaart slaan, dan zien wij direkt, dat de oppervlakte der Z.Z. binnen den afsluitdijk, die, zooals men weet geprojecteerd is van het eiland Wieringen op de Friesche kust, minstens zoo groot is als de oppervlakte van het wad binnen de eilanden. Bij den tegenwoordigen toestand zijn deze beide ruimten te beschouwen als bergplaatsen van het vloedwater dat in den korten tijd, dat de stormvloeden opkomen, door de zeegaten kan binnenstroomen. Indien wij nu deze bergplaats de helft verkleinen, zooals bij afscheiding van de Z.Z. zal geschieden, dan ligt het toch voor de hand, dat deze verkleinde bergruimte—alle andere factoren gelijk gerekend—precies, in de helft van den gewonen tijd zal volstroomen.

Niet alleen dat daardoor de golven onze dijken dubbel zoo lang zullen beuken—'t geen op zich zelf reeds bedenkelijk is—het water zal ook ongeveer zooveel hooger rijzen als geborgen kan worden in de Z.Z. verdeeld over de oppervlakte der wadden.

Ik zou niet weten wat op deze redeneering is af te dingen en daarom moet het des te meer bevreemden dat noch de Staatscommissie van 1892 noch de minister van waterstaat eenige aandacht schenkt aan dit belangrijke punt!”

En toch is op deze redeneering alles af te dingen!

Zij is fout en doordat de Heer Mansholt dit niet bemerkt heeft, bemerkte hij ook niet, dat de 2e alinea in tegenspraak is met de eerste.

Zeker! Het is volkomen juist dat een bergruimte die half zoo groot is als een andere in de helft van den tijd „volstroomt.”

Maar hoe komt dat? Waarom wordt een bakje van een halven liter inhoud gevuld in de helft van den tijd die noodig is om een bakje van een liter inhoud te vullen (natuurlijk door dezelfde opening, met dezelfde snelheid van instroomen, enz.)?

Het antwoord kan niet anders luiden dan:

Omdat om dat half zoo groote bakje te vullen slechts de helft door de opening naar binnen behoeft te loopen.

Om de Wadden, enz. ten N. van den ontworpen afsluitdijk tot zekere hoogte te vullen is slechts de helft van het water noodig, dat tot vulling van Wadden + Zuiderzee vereischt wordt en dus is er geen enkele oorzaak aan te wijzen waardoor de rijzing van het water daar het dubbele zou bedragen.

De fout die de H.H. Mansholt maken,—dezelfde trouwens die zoovelen maakten en nog maken—is, dat zij uitgaan van de door niets te bewijzen stelling dat, hoe groot de achter de zeegaten gelegen bergruimte ook is, er door die gaten altijd dezelfde hoeveelheid water naar binnen zal stroomen. Maar er loopt immers slechts zoolang water naar binnen, totdat er evenwicht is tusschen de watermassa's binnen en buiten onder de werking van de drie krachten: getijden, wind en zwaartekracht. Het water dat nu ten Z. van de plaats van den afsluitdijk in de Zuiderzee geborgen wordt komt na de afsluiting niet binnen de zeegaten, blijft buiten op de Noordzee.

Door die fout komt de Heer Mansholt tot de bewering dat het water binnen de gaten bij verkleining van de bergruimte aldaar tot op de helft veel hooger zal moeten stijgen (dus 2,5 à 3 M. hooger!) en daardoor ook tot de tegenspraak daarvan, dat nl. voor diezelfde hoeveelheid die volgens hem altijd naar binnen stroomt slechts de helft van den tijd noodig is tot vulling van die half zoo groote bergruimte.

De fout is gemakkelijk in te zien als men de foutieve redeneering doorzettend tot een onmogelijkheid komt. Immers, onderstel dat men de bergruimte ten N. van den afsluitdijk nog eens door een of anderen dijk tot de helft verkleinde, doch ook dat deze helft door alle zeegaten met de Noordzee in verbinding bleef, dan zou volgens de redeneering van de Heeren Mansholt het water daarin weer tweemaal zoo hoog moeten rijzen dan in de geheele kom ten N. van den afsluitdijk. En zoo voortgaande zou men het door een afsluitdijk zeer dicht achter de zeegaten hemelhoog kunnen doen rijzen!

Zoo zeide de Heer Obreen w. i. eens in het Weekblad de Amsterdammer, dat elke verkleining van den Zuiderzeeboezem, b.v. door indijking, den waterstand daarbinnen noodwendig moest verhoogen. Want het water „dat gewoon is om door de zeegaten naar binnen te stroomen” moest dan in een kleinere ruimte worden opborgen. Ja, als men met water te doen heeft dat uit gewoonte zoo koppig is, dan houdt alle redeneering op!

Ook de Heer C. P. Vijverberg c. i. in zijn onlangs verschenen brochure „Eenige beschouwingen in verband met de Zuiderzeeplannen,” die hierachter ook nog in haar geheel zal besproken worden, komt door dezelfde verkeerde redeneering althans tot de groote waarschijnlijkheid, dat door de voorgestelde afsluiting de stormvloeden langs de noordelijke kusten tot aan den Dollart hooger zullen stijgen. Hij zegt nl.: „Het wil mij echter voorkomen dat het gevaar voor verhoogde waterstanden niet illusoir mag genoemd worden: de Zuiderzee toch maakt deel uit van den bergboezem die zich uitstrekt tusschen de Geldersche, Overijselsche, Friesche en Groningsche kust eenerzijds en de kusten van Noord-Holland en de Wadden-eilanden anderzijds en waar deze boezem door het leggen van den afsluitdijk Wieringen–Piaam in zeer belangrijke mate zal worden verkleind, is de waarschijnlijkheid zeer groot, dat het overgroote deel van het quantum water, hetwelk nu in de Zuiderzee wordt geborgen, dan zal geperst worden in noordelijke en noordoostelijke richting door de Waddenzee, waardoor bij krachtigen westen en noordwesten wind een belangrijke vloedverhooging op de Friesch Groningsche kust zal vallen waar te nemen.”

Altijd weer hetzelfde! „Het quantum water, hetwelk nu in de Zuiderzee wordt geborgen,” dat moet en dat zal naar binnen komen, ook al is er geen Zuiderzee meer. Neen, dat komt er dan niet meer in.

Het al of niet verhoogen van de stormvloedstanden binnen de eilanden moet niet verward worden met andere wijzigingen die aldaar na de afsluiting zullen optreden, zooals snellere vulling, uitschuring en verlegging van geulen, enz. Dr. Lorié zegt46) „Nu wordt evenwel de Zuiderzeekom door de voorgestelde afsluiting aanzienlijk verkleind, dus met stormvloed sneller gevuld. Bestaat er niet veel kans, dat het, door storm uit het westen voortgezweepte water, na de afsluiting meer dan vroeger een uitweg in oostelijke richting zal zoeken en dus het Terschellinger Wad uitschuren? Het komt mij voor, dat daarop veel kans zal bestaan en dus met goed gevolg de stelling verdedigd kan worden: „De aanleg van een dam naar Terschelling”—om die uitschuring te voorkomen en aanwas te bevorderen—„moet aan de afsluiting der Zuiderzee voorafgaan.””

Begrijp ik den Heer Lorié wel, dan heeft hij hier niet een verhooging der stormvloeden op het oog, maar meent hij dat door de snellere vulling een langduriger en dus sterker uitschuring van het Wad zal plaats hebben. Mocht dit juist zijn,—wat m. i. nog niet vaststaat,—dan zou de aanleg van dien dam gelijktijdig met de afsluiting moeten plaats hebben, in elk geval niet tot uitstel van dit groote werk moeten lijden.

Het kan blijkbaar niet genoeg gezegd worden: wordt de bergruimte der Zuiderzee-Wadden verkleind door het leggen van een afsluitdijk, dan zal ook de hoeveelheid water die bij stormvloeden door de zeegaten naar binnen loopt worden verkleind en wel ongeveer in dezelfde verhouding. En dus is door die verkleining geen verhooging der stormvloeden te wachten.

De Heer Mansholt Sr. beroept zich op een paar deskundigen, die zijne meening zouden deelen. Geheel ten onrechte! Want hij heeft de betoogen van die heeren niet begrepen.

De Hoofdingenieur van 's Rijks-Waterstaat H. E. de Bruyn betoogde nl. in het feestnummer van „De Ingenieur” van 1911, dat door het leggen van den voorgestelden afsluitdijk de gemiddelde vloedhoogte ten N. daarvan zal stijgen, omdat daardoor aan de noordelijke kom de gelegenheid zal worden benomen zich ook naar het Zuiden te ledigen, zooals blijkens het hierboven gezegde nu plaats heeft. Daardoor zou te Piaam de hoogte van de vloedgolf (d. i. dus het verschil in hoogte tusschen H.W. en L.W.) van 0,80 tot 1,60 M., dus met 0,80 M. toenemen, zoowel door verhooging van H.W. als verlaging van L.W. Stel dat deze laatste evenveel bedragen, dus 40 cM. groot zijn te Piaam, dan zal de verhooging die de Heer de Bruyn ook te Harlingen verwachtte niet meer kunnen bedragen, en het „dus ook verder oostwaarts”, dat de Heer Mansholt er bij voegt, zal nog minder beteekenen en waarschijnlijk reeds bij Roptazijl zijn verloopen.

Nu zeide de Hoofdingenieur de Bruyn wel:

„Verhoogt het hoogwater, dan is ook verhooging van de stormvloeden te wachten.” Als deze even hoog boven H.W. blijven oploopen, zeker, dan zullen de stormvloeden mede 40 cM. hooger rijzen. Maar den Heer Mansholt Sr. schijnt zich daarvan een nog veel grooter verhooging voor te stellen, die zelfs langs de Groningsche kusten nog belangrijk zal zijn, en de Heer Mansholt Jr. roept naar aanleiding van die bewering van den hoofdingenieur de Bruyn, dat nl. het H.W. zal verhoogen, uit: „Dit is bij gewone vloeden reeds 't geval. Hoe zal de toestand dan worden bij stormvloeden,—na afsluiting der Zuiderzee?”

Welnu, dan zal men er in 't geheel niets van bemerken, want voor dat geval vervalt de geheele redeneering van den Heer de Bruyn. Immers dan is er geen sprake van, dat de noordelijke kom van den tegenwoordigen zeeboezem zoowel naar het Noorden als naar het Zuiden zal worden geledigd, want het water in de zuidelijke kom staat dan ongeveer even hoog of nog hooger dan ten Noorden daarvan.

En evenmin mag de heer Mansholt Sr. zich beroepen op den oud-Hoofdinspecteur van 's Rijks Waterstaat, den Heer A. Bekaar,—hij heeft diens artikel over de wijziging der waterstanden op het Sloe na de afdamming niet alleen niet begrepen, maar zelfs niet goed gelezen47). Daar nl. de lijn van kentering tusschen de vloeden, die van uit het Noorden door het Veersche Gat en van uit het Zuiden door het Sloe, ten N. van den afsluitdam lag, is, toen deze gelegd was, ruim 20 cM. verhooging van H.W. ontstaan onmiddellijk ten Zuiden van dien dam (Sloeveer) en ruim 20 cM. verlaging onmiddellijk ten N. daarvan (Arnemuiden), welke wijzigingen natuurlijk zuid- en noordwaarts verloopen. De Heer Mansholt maakt daarvan, dat de Heer Bekaar heeft aangetoond, dat het vloedwater „op de Wester-Schelde minstens 2 decimeter was gerezen”—iets wat natuurlijk in diens geschrift niet te vinden is. En nog erger maakt 't de Heer Mansholt Jr. als hij zegt, dat de Heer Bekaar in een uitstekend gedocumenteerd artikel als zijn stellige meening heeft te kennen gegeven, dat na de afsluiting van de Zuiderzee de vloeden ten noorden van den afsluitdijk belangrijk hooger zullen oploopen (brochure, bl. 4). Zoover ik heb kunnen nagaan, heeft de Heer Bekaar nooit iets betreffende afsluiting der Zuiderzee geschreven.

De Heer Mansholt Jr. heeft er nog iets anders op bedacht om aan te toonen dat de noordelijke kusten van Friesland en Groningen bij den tegenwoordigen toestand ontzet worden door dien eenigen redder in den nood, de alles in zich opnemende Zuiderzee.

In zijn boekje leest men nl.: „Welnu, op grond van de gegevens betreffende de vloedhoogten langs de Zuiderzee en de Zuiderzee-eilanden mag stellig worden aangenomen dat gemiddeld die plotselinge stijging over de geheele Zuiderzee binnen den geprojecteerden afsluitdijk niet minder heeft bedragen dan 180 cM.” (nl. bij den stormvloed van 13/14 Jan. 1916), „waarbij we aannemen dat tevoren reeds het water 1 M. boven N.A.P. was opgestuwd.

„De oppervlakte van de Zuiderzee bedraagt ± 360.000 HA. In enkele uren tijds wordt daarin dus 3.600.000.000 × 1,8 = 6480 millioen M³ water opgestuwd. We mogen aannemen dat deze watermassa binnen een tijdsverloop van 6 uren is opgejaagd, zoodat de Z.Z. per uur dus ± 1080 millioen M³ water heeft geborgen, of niet minder dan 300.000 M³ per seconde. Men houde hierbij in 't oog, dat dit geschiedt op het tijdstip, dat voor de zeeweringen van Friesland en Groningen het meest kritiek is, wanneer nl. de storm omloopt van het Westen naar het Noord-Westen of Noorden.

„De zeegaten bij Texel, Vlieland, Terschelling en Ameland hebben samen een doorstroomwijdte van vrijwel 15 K.M. Nemen we nu aan dat bij stormvloed de diepte over de geheele breedte gemiddeld 5 M. bedraagt, dan is dus het instroomingsoppervlak dezer zeegaten, totaal 75000 M². Het zeewater zal dus door genoemde zeegaten met een snelheid van 4 M. per seconde moeten binnenstroomen om de boven omschreven opstuwing in de Zuiderzee mogelijk te maken. Dit is een enorme snelheid, die zeker wel nooit zal worden bereikt. Welnu, terzelfder tijd wordt bovendien de vloed in de groote Waddenzee ten Noorden van den geprojecteerden afsluitdijk eenige meters opgestuwd.

„Het ligt dus wel voor de hand, dat behalve door genoemde zeegaten, ook een enorme massa water wordt verplaatst van uit het Oostelijk deel der Waddenzee, boven Groningen, naar het Zuiden. Deze conclusie mag met stelligheid uit de gegeven becijfering worden getrokken, en ze is bovendien geheel in overeenstemming met de stormvloedhoogten langs de Groninger- en Friesche kust, zooals onze grafische tabel die aangeeft. Deze vloedhoogten toch nemen regelmatig en vrij sterk af, tot de plaats van den geprojecteerden afsluitdijk, 't geen wijst op een krachtigen stroom van het vloedwater in die richting.

„... Kon tot nu toe langs de kust van Noordelijk Friesland en Groningen steeds gekonstateerd worden dat bij het doorloopen van den storm naar het Noorden de vloed direkt begint te dalen,—daarvan zal na de afsluiting der Zuiderzee geen sprake meer zijn, daar de Waddenzee bij Harlingen dan reeds is volgestuwd en het vloedwater in den daar gevormden zak niet voldoende kan ontwijken.”

Dit betoog wijst op een aaneenschakeling van wanbegrippen en verwarring van begrippen. De Heer Mansholt Jr. had daarom beter gedaan zich te onthouden van beschouwingen op dat gebied en vooral niet in becijferingen moeten treden met getallen die hij niet kent en die kant noch wal raken. Zulk geschrijf,—het moge dan te goeder trouw tot waarschuwing van zijn landgenooten zijn openbaar gemaakt,—is meer dan overmoedig.

Vooreerst is de genoemde doorsnede der zeegaten geheel onjuist, want de Heer Mansholt heeft er niet aan gedacht dat die doorsnede, die afhangt van den waterstand, bij stormvloed genomen moet worden van duin tot duin en dat de breedte dan niet 15 K.M. maar meer dan het dubbele bedraagt: de breedte van het Texelsche Zeegat is 4 K.M., de afstand tusschen de duinen van Eierland en die op Vlieland 10,5 K.M., tusschen die van Vlieland en Terschelling 10 K.M. en tusschen die van Terschelling en van Ameland 12,5 K.M. Bij een stormvloed van 2 M. boven Volzee (nog niet de hoogste!) bedraagt het gezamenlijk profiel van instrooming der drie zeegaten van Texel, het Eierlandsche Gat en het Vlie 164060 M²48), terwijl ik dat van de opening tusschen Terschelling en Ameland op zeker niet minder dan 36000 M² schat. De geheele doorsnede wordt dan niet 75000 maar 200.000 M². Deelt men dit op een ingestroomde watermassa van 300.000 M³, dan verkrijgt men een snelheid van niet 4 maar 1,5 M. ongeveer p. sec.! En hiermede vervalt dus de geheele redeneering dat er water van de Groningsche en Friesche Wadden moet komen om die alles opslokkende Zuiderzee te vullen.

Toch meent de Heer Mansholt Jr. dat werkelijk zulk een westwaartsche waterverplaatsing over de Wadden moet plaats hebben, want de stormvloedhoogten langs de Groningsche en Friesche kusten nemen in die richting af. Maar waardoor wordt juist veroorzaakt dat die standen in 't oosten hooger zijn dan die in 't westen? Doordat twee krachten, nl. getijwerking (zie boven) en de (westelijke) wind, het water hooger opzetten naarmate de punten van waarneming meer oostelijk liggen en dus het zeeoppervlak een helling doen aannemen, m. a. w. die beide krachten houden een andere kracht die in tegengestelde richting werkt, d. i. de zwaartekracht, in evenwicht, beletten dus juist het water in westelijke richting weg te vloeien.

Maar als het dan gaat ebben en de wind gaat liggen? zoo zal de Heer Mansholt vragen. Wel, dan zal het water dat tegen de Groningsche en Friesche kusten staat terug gaan langs dezelfde wegen waarlangs het grootendeels gekomen is, nl. door de zeegaten t. O. van het Vlie naar de Noordzee.

Waarom dan op de noordelijke kusten van Friesland en Groningen de vloed direkt begint te dalen bij het doorloopen van den storm naar het Noorden? Omdat dan de opwaaiing minder wordt. De grootte der opwaaiing hangt nl. mede af van de lengte waarover de opwaaiing plaats heeft (zie boven). Zoolang de wind west blijft heeft opwaaiing plaats over de lengte der Wadden (Vlie–Friesche Gat 64 K.M. en Friesche Gat–Eems 44 K.M.); wordt de wind noord dan over de breedte (8 à 15 K.M.).

Wat er dan wel gebeuren zal als de afsluitdijk ligt?

Niet veel anders dan nu. De Regeering zegt in de Memorie van Toelichting van het aanhangige wetsontwerp betreffende de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee dan ook terecht, dat langs de Friesche en Noord-Hollandsche kusten t. N. van den afsluitdijk geene of slechts geringe verhooging van de stormvloedhoogten als gevolg van de afsluiting is te verwachten.

Wel zal ter hoogte van den afsluitdijk het water bij storm wat hooger dan nu kunnen rijzen, want over de ondiepe gronden t. N. daarvan zal het uit den diepen Texelstroom bij noordelijken wind opwaaien tegen den dijk, ongeveer evenveel als het nu uit den Vliestroom opwaait tegen de Friesche dijken bij westelijken wind, daar die diepe geulen op ongeveer gelijke afstanden van die dijken gelegen zijn;—dus tot ongeveer +3 A.P., waartoe het nu ook op zijn hoogst op de lijn Workum–Harlingen stijgt. Als dan daarbij nog een verhooging van 40 cM. te voegen is (om bovengenoemde reden), dan zal men dus tegen den afsluitdijk standen van hoogstens +3,40 A.P. hebben te verwachten. Daarvoor zijn de afmetingen van den afsluitdijk (kruin +5,20 tot +5,60 A.P.) wel voldoende,—voor volkomen veiligheid bij den golfoploop zal bij de uitvoering door de verantwoordelijke ingenieurs de hoogte misschien op +6 A.P. worden gebracht. Vooral als de windrichting W.N.W. is, is in den hoek bij Piaam bovendien eenige opstuwing te verwachten en het is daarom dat de Regeering voorstelt de Friesche dijken t. N. van Piaam wat te verhoogen, van +5,60 A.P. aldaar afloopend tot bij Zurig. Ook aan het westelijk einde van den afsluitdijk, in den hoek bij de van Ewijksluis, zal bij N. en N.O.-wind eenige verhooging van vloeden kunnen voorkomen, waarom ook voorgesteld wordt om den Balgdijk van den Anna-Paulownapolder eene verhooging te geven die noordwaarts verloopt.

Voor een verhooging van het peil der stormvloeden ten N. van den afsluitdijk en zelfs op de Friesche en Groningsche Wadden door het water dat nu de zuidelijke kom vult, maar na de afsluiting niet meer door de zeegaten naar binnen zal stroomen, behoeft men heusch niet te vreezen. Op de noordelijke kusten van Friesland en Groningen zal men niets van een verhooging der stormvloeden bemerken.

Wat de HH. Mansholt daartegen inbrengen berust op onvoldoende kennis van de werking der getijden op onze kusten, enz. En daarom behoorden zij op te houden met in de Provinciën Friesland en Groningen noodeloos onrust te verwekken omtrent een plan, welks uitvoering vooral voor de eerste provincie een zegen zal zijn.

Misschien wordt het oordeel der H.H. Mansholt beheerscht door hun antipathie tegen de droogmaking van groote oppervlakten gronds. Ik meen dit te mogen zeggen, omdat de Heer Mansholt Sr. zich niet ontziet om de in 't algemeen bij uitstek vruchtbare gronden die door de droogmaking zullen worden verkregen „een bijna waardeloos moeras” te noemen.

Dat is heel leelijk gezegd, want hij kon weten dat dit een onwaarheid is.

Voor een uitstekende afwatering en daarmede spoedige ontzilting van den bodem zal natuurlijk worden gezorgd. En wat de hoedanigheid der gronden betreft, worde hier nog eens het volgende herhaald.

Prof. v. Bemmelen was van oordeel, „dat de kleigronden van de Zuiderzee” (klei tot 50 perc. zand), „in kwaliteit gelijk zullen zijn aan de kleigronden der IJpolders en dat de lichte kleigronden” (50 à 70 perc. zand) „der Zuiderzee in kwaliteit gelijk zullen zijn aan de gronden der Groninger noordelijke zeepolders” (Bijlage N. bij het Regeeringsontwerp van 1877).

Prof. Mayer, Dir. v. h. Landbouwproefstation te Wageningen, onderzocht de grondsoorten na de laatste boringen van 1890 en kwam op grond daarvan en van het onderzoek door Prof. v. Bemmelen tot het besluit: „dat minstens ¾ van de gronden der toekomstige polders zal zijn bouwgrond van groote waarde en slechts een ondergeschikt gedeelte van geen onmiddellijke waarde.” Met dit laatste wordt voornamelijk bedoeld het vele zand dat het oorspronkelijk plan der Zuiderzee-Vereeniging nog bevatte, maar dat toch nu niet meer als „van geen onmiddellijke waarde” zou genoemd worden.

Ten slotte de bezwaren van den Heer Vijverberg, in zijn bovengenoemde brochure neergelegd.

Hij begint met er op te wijzen dat de uitvoering van het plan Lely, door de Staatscommissie in 1894 geraamd op 189 millioen gulden en door een in 't bijzonder voor de herziening der kosten benoemde Staatscommissie van 1914 geraamd op 230 millioen, na den oorlog gesteld kan worden op 300 millioen, daar prijzen en loonstandaard nog aanzienlijk zullen stijgen. Daar nu de ramingen van vele groote werken in binnen- en buitenland door de werkelijke kosten verre zijn overschreden en aan het werk van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee groote risico's zijn verbonden, zoo meent de Heer Vijverberg de kosten van uitvoering tweemaal zoo hoog als de raming en dus „niet lager te (moeten) stellen dan zes honderd millioen gulden en den tijd van uitvoering niet korter aan te nemen dan veertig jaar.”

Dat hier de raming eenvoudig met twee moet worden vermenigvuldigd, wordt niet voldoende aangetoond en gelijkt dus een greep in 't wilde. Als grondslag voor zijne redeneering nl. geeft de Heer Vijverberg het volgende staatje.

Raming der kosten Werkelijke kosten

Manchester-kanaal ƒ 70 millioen ƒ 195 millioen

Congo-spoorweg „ 12 „ „ 35 „

Kanaal van Korinthe „ 14 „ „ 28 „

Suez-kanaal „ 100 „ „ 228 „

Panama-kanaal { ƒ 150 mill. (De Lesseps) „ 281 „ in 1894 „ 256 „ in 1898 „ 360 „ in 1900 „ 349 „ in 1903 Verwerkt tot op 30 Juni 1913 ± ƒ874 millioen, geautoriseerd op dien datum ƒ938 millioen, werkelijke kosten meer dan één milliard.

Rotterdamsche Waterweg ƒ 6 millioen ƒ 43 millioen

Noordzeekanaal „ 15 „ „ 32 „

Merwedekanaal „ 14 „ „ 21 „

Sluis te IJmuiden „ 3,5 „ „ 6 „

Verlegging van den Maasmond „ 13,5 „ „ 22 „

Solo-vallei-werken Gestaakt nadat ruim 11 millioen gulden waren verwerkt.

Tijdens indiening wetsontwerp „ 19 „

Na staking der werken „ 3 „

Vooreerst is wat de werken in Nederland betreft (van de buitenlandsche staan mij geen gegevens ten dienste) op de hier gegeven cijfers aan te merken, dat de „werkelijke kosten” tevens die werken betreffen, die eerst later, gedurende het werk, zijn toegevoegd aan die van het oorspronkelijk plan waarvoor de raming gemaakt is: zij geven dus geen juisten maatstaf ter beoordeeling van het overschrijden van die raming. Ten aanzien van den Rotterdamschen Waterweg erkent de schrijver dit zelf, als hij zegt: „Opgemerkt dient hierbij te worden, dat de werken aan den Rotterdamschen Waterweg veel verder zijn voortgezet dan oorspronkelijk in de bedoeling lag”. Natuurlijk! Men dacht er bij het begin zeker niet aan den nieuwen waterweg een doorgaande diepte van 9 M. beneden L.W. te geven, zooals nu feitelijk reeds verkregen is.

Maar ook bij de andere genoemde werken is dit het geval. Zoo was de raming van de werken aan het Noordzeekanaal 21 millioen (dus niet 15), terwijl het geheele werk gekost heeft ƒ37.225.000 (dus niét 32 millioen),—maar onder dit laatste bedrag zijn begrepen de kosten van bijkomende werken, als lichttorens en twee spoorwegbruggen (ƒ1.103.000) en van werken, niet voorzien in de concessie, ƒ5.970.00049). Omtrent deze laatste zal de Heer Vijverberg misschien opmerken, dat er bij zijn waarvan men eerst gedurende het werk de noodzakelijkheid inzag; gedeeltelijk is dit echter niet het geval.

Nog minder kan dit gezegd worden van de werken ter verlegging van den Maasmond. De raming was ƒ15.106.850 (niet 13,5 millioen dus) en de kosten waren (tot Juni 1908) ƒ24.210.443 (niet 22 mill.); maar hiervoor zijn uitgevoerd, behalve de in het Regeeringsontwerp genoemde werken, de dichting der Heerewaardensche Overlaten (amendement Roël-Kool) voor ƒ1.545.901 en als gevolg daarvan de verhooging der Waaldijken voor ƒ646.020, de brug bij Heusden (amendement Seret) voor ƒ693.127, terwijl in plaats van het oorspronkelijk voorgesteld kanaal 's Hertogenbosch–Hedikhuizen, geraamd op ƒ549.200, de voorziening in het inundatiegebied van Dommel en A ƒ2.265.710 en het scheepvaartkanaal Engelen–Henriettewaard ƒ1.116.316 gekost hebben. Houdt men hiermee rekening, dan wordt de verhouding van raming en werkelijke kosten niet 13,5:22 maar ong. 30:37.

Beschouwt men alleen de genoemde werken in Nederland, dan is er dus geen reden om de werkelijke kosten op het dubbele van de ramingen te stellen.

Maar bovendien zou dit eerst mogen geschieden, wanneer zulk een uit de ondervinding verkregen verhoudingsgetal uit alle in Nederland uitgevoerde werken was gebleken. Hoeveel werken zijn wèl uitgevoerd voor het bedrag der raming of voor minder?

Het gaat dus niet aan om, zooals de Heer Vijverberg doet, de kosten van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee kortweg vast te stellen op het dubbele van de raming en dan bij andere beschouwingen van het aldus verkregen cijfer uit te gaan, als stond dit onomstootelijk vast.

Bovendien is er overdrijving in zijne voorstelling van het risico verbonden aan de uitvoering van dit groote werk. Zeker! er is risico aan verbonden en wel vooral ten aanzien van den afsluitdijk: gedurende de uitvoering kan de weersgesteldheid mee- of tegenvallen, enz.; ook ten aanzien van de meerdijken, die hier en daar op slappen ondergrond komen te rusten, is dat het geval. Maar de schrijver wil m. i. te veel bewijzen, als hij zegt: „Hoewel het opgemaakt project ongetwijfeld technisch uitvoerbaar is en alle bezwaren, welke tegen de soliditeit en tegen de wijze van uitvoering der voorgestelde werken aangevoerd zijn en nog worden, m. i. niet steekhoudend zijn, neemt het niet weg, dat die werken moeten worden uitgevoerd in volle zee, onder allerlei slechte invloeden van weer en wind en stroom, en niet gedurende een kort tijdsbestek, maar gedurende een periode van 30 tot 40 jaar.”

„In volle zee”—lees: in de Zuiderzee, d. i. een zeer ondiepe, aan alle zijden door gronden ingesloten golf of zeeboezem,—wordt dan toch alleen de afsluitdijk gemaakt, die wat de kosten betreft slechts ¼ à ⅓ van het werk omvat en waarvan de duur van uitvoering op 9 jaar geschat wordt. Het daarna afsluiten en droog maken der vier groote droogmakerijen, het verkavelen der gronden, de aanleg van de kanalen voor de aangrenzende gewesten, enz. kunnen toch moeilijk werken „in volle zee” genoemd worden en het daarbij te loopen risico is zeker al zeer gering.

De financieele beschouwingen over het werk die de Heer Vijverberg vervolgens geeft, zijn gegrond op die willekeurig aangenomen kosten van 600 millioen,—zoodat „de Provincie Lelyland”, als de gronden voor gemiddeld ƒ1500 per H.A. van de hand worden gedaan, na afloop van het werk, volgens hem aan het land nog een schuld van ƒ300 millioen zal te dragen geven. Ik behoef daarop hier dus niet verder in te gaan.

Alleen wil ik nog opmerken dat de schrijver met geen woord rept van de groote niet-rechtstreeksche voordeelen, die voor het geheele land zullen voortvloeien uit de aanwinst van een groote uiterst vruchtbare provincie en van de belangrijke verhooging van het voortbrengend vermogen der omliggende gewesten door verbetering der afwatering en wateraanvulling, alsook van de vermindering der dijklasten, welke voordeelen gekapitaliseerd een bedrag van vele millioenen vertegenwoordigen en waardoor er een groote ruimte bestaat voor het onverhoopt geval dat de raming met zeker bedrag wordt overschreden.

Ten sterkste moet opgekomen worden tegen de bewering van den Heer Vijverberg, dat in den laatsten tijd de rampen door den stormvloed van 13/14 Jan. 1916 veroorzaakt aan de zeedijken „als het ware misbruikt (werden) als propaganda voor de afsluiting der Zuiderzee.” En daarop volgt: „Sommigen trachten de meening ingang te doen vinden, dat die rampen niet zijn te wijten aan een gebrek in de goede constructie of het behoorlijk onderhoud der beschadigde zeeweringen, maar vooral aan het voortdurend in capaciteit toenemen der zeegaten (zeegat van Texel, Eierlandsche Gat, het Vlie), waardoor het mogelijk zou worden gemaakt, dat bij elken opvolgenden storm meer water de Zuiderzee wordt ingejaagd,”—welke meening dan door den Heer Vijverberg terecht wordt bestreden, want zij is geheel onjuist.

Maar de Heer Vijverberg noemt de geschriften niet waaruit hem dat „misbruik” en die verkeerde meening omtrent zeegaten zouden zijn gebleken.

Bedoelt hij misschien de artikelen van den Voorzitter der Zuiderzee-Vereeniging Mr. Vissering in het Handelsblad, Een harde les, enz. van 15 Jan. e. v., of van dat van mijn hand in de N. R. Courant van 2 Febr. 1916, waarin echter niet gerept wordt van het toenemend vermogen der zeegaten?

Maar daarin wordt er slechts op gewezen, dat als de Zuiderzee afgesloten geweest ware, zooals wordt voorgesteld, de bedoelde ramp niet voorgekomen zou zijn,—iets wat volkomen juist is. Men moge dit nu het maken van propaganda noemen, dat was dan toch zeker geoorloofd en niet een „misbruik” maken van de omstandigheden.

Niemand toch heeft beweerd, voor zoover ik heb kunnen nagaan, dat afsluiting van de Zuiderzee het eenige middel is om voor goed van dergelijke rampen ontslagen te worden. En de Zuiderzee-Vereeniging beaamt nog de woorden van den tegenwoordigen Minister Dr. Lely in hare Nota 5, nl. dat eene afsluiting der Zuiderzee niet noodzakelijk kan worden geacht om de Zuiderzee-provinciën op den duur tegen het geweld der zee te beveiligen. Maar toch zou die afsluiting het meest afdoend middel zijn, want past men dit toe, dan behoeft men zich niet meer af te tobben over de vraagstukken van de oorzaak der langsscheuren in de dijken en het verzakken der binnentaluds (waarover reeds maanden geschreven is en strijd is gevoerd door deskundigen, o. a. in „De Ingenieur”), over de afmetingen en de beste samenstelling der dijken, over de maatregelen te nemen waar deze op slecht staal rusten, enz.—vraagstukken waarvan de oplossing zeker millioenen schats zal kosten.

Het wegnemen van „het Zuiderzeegevaar” voor de dijken binnen de afsluiting is slechts één der voordelen uit een technisch oogpunt,—en zelfs volstrekt niet het belangrijkste,—die een gevolg zullen zijn van de afsluiting. In zijn opstel „De afdoende verbetering” wordt dit dan ook duidelijk door den Voorzitter der Zuiderzee-Vereeniging uiteengezet en worden nog eens de andere voornaamste voordeelen opgenoemd50).

Dit nog eens voor de zooveelste maal in herinnering brengen naar aanleiding van de ramp van 13/14 Januari ll. is toch zeker niet een misbruik maken van het ongeluk dat Nederland toen getroffen heeft.

De hierop volgende beschouwing van den Heer Vijverberg handelt over het bezwaar van den Heer D. R. Mansholt omtrent de verhooging der waterstanden ten N. van den afsluitdijk en daarin valt de schrijver dezen laatste bij, ook uitgaande van de onjuiste onderstelling dat het quantum water dat nu bij stormvloed in de Zuiderzee geborgen wordt er in zal blijven stroomen, al wordt de oppervlakte tot op de helft verkleind, en dat zich dan ook een verhoogde getijwerking zal doen gevoelen op de Waddenzee, waardoor de Wadden zullen uitschuren en verdiepen. Deze quaestie is reeds hiervoor (bl. 118 e.v.) uitvoerig behandeld waarnaar ik dus hier kan verwijzen. Over de billijkheid van schadeloosstelling der grondbezitters langs de Wadden behoeft dus ook niets meer te worden gezegd.

De Heer Vijverberg zegt ook: „Het komt me echter niet meer dan billijk voor, dat, indien de Zuiderzee-plannen uitgevoerd worden, de eigenaren van gronden, gelegen in bovenbedoelde polders”—nl. die langs de Zuiderzee binnen den afsluitdijk—„hunne dijklasten ook in 't vervolg blijven bijdragen ten behoeve van het onderhoud der nieuwe Zuiderzeewerken, zooals dat ook in Zeeland bij de z. g. achterliggende polders geschiedt, of wel, dat die polders in de kosten van uitvoering der plannen Lely eene bijdrage in eens verleenen, waarvan de grootte wordt vastgesteld naar het gekapitaliseerd bedrag der jaarlijksche onderhouds- en vernieuwingskosten hunner zeeweringen, berekend naar het gemiddelde daarvan over de laatste 10 jaar.

Met het bovenstaande schijnt in het aanhangig wetsontwerp geen rekening gehouden te zijn”.

Omtrent eene verplichte bijdrage der polders in Zeeland ingeval van voorbedijking vergist de Heer Vijverberg zich. Dat zoogenaamd „recht van dijkvelling” bestond vroeger in Vlaanderen als een costumier recht en is ook wel een enkele maal in Holland en Zeeland toegepast, maar heeft nooit als een recht in Zeeland gegolden en bestaat daar ook nu nog niet. De Heer Vijverberg verwart hiermede waarschijnlijk de bijdragen van de aangrenzende polders na calamiteusverklaring van een polder of waterschap.

Maar over de hier bedoelde bijdrage bij uitvoering van het Zuiderzee-ontwerp kan men van gevoelen verschillen.

Men kan echter deze zaak uit een oogpunt van algemeen landsbelang ook anders beschouwen. De Zuiderzee heeft nl. gedurende vele eeuwen reeds den omliggenden landen op verschillende wijzen nadeel toegebracht, niet alleen aan die welke met dijklasten zijn bezwaard, maar nog veel grootere gebieden die nu en dan zijn overstroomd geworden,—men denke b.v. aan de ramp van 1825 en vele daarvóór. Bovendien werd na de uitbreiding van die binnenzee de afwatering der omliggende landen telkens gestoord en, doordat zij met zout water gevuld werd, werden de binnenwateren verzout en sommige gewesten, zooals Friesland geheel, andere, zooals Hollands Noorderkwartier grootendeels van zoetwateraanvulling in droge tijden verstoken. Zou het nu zoo onbillijk zijn als al die gronden, ja geheele gewesten, die samen een groot gedeelte van Nederland beslaan, op kosten van den ganschen Staat, dus mede van die landen zelve, uit dien ongunstigen toestand werden verlost? Hun daardoor zeer verhoogde waarde komt toch, al is het niet rechtstreeks, de Nederlandsche schatkist ten goede. Kapitaliseert men echter het bedrag van hun dijklasten, vermeerderd met dat van dijksverbeteringen en de door overstroomingen toegebrachte schade51) à 4 percent, dan zou men een bijdrage in eens van misschien 10 à 11 millioen kunnen verwachten, maar wat beteekent dit in vergelijking met de kosten van afsluiting en gedeeltelijke droogmaking der Zuiderzee?

De Heer Vijverberg wijst er ook op, dat de voordeelen voor de afwatering der aangelegen landen bij een afsluiting der Zuiderzee,—daarin bestaande dat die landen daarop beter en gedurende langere perioden langs natuurlijken weg (d. i. door sluizen) zullen kunnen afwateren,—worden overschat. Want, zoo zegt hij, bij zuidelijken tot noordwestelijken wind toch zal in het toekomstig IJselmeer een niet onbelangrijke opwaaiing van meerwater plaats hebben, waardoor de gelegenheid tot afwatering der op lager wal gelegen streken onmogelijk zal worden gemaakt of in elk geval zeer ernstig geschaad. Ik zou er bij willen voegen: niet alleen bij de genoemde winden, maar ook bij alle andere zal opwaaiing voorkomen. Maar de hooge Zuiderzeestanden worden nu veroorzaakt: ten eerste door het inloopen van Noordzeewater, wat na de afsluiting niet meer zal kunnen plaats hebben, ten andere door opwaaiing die nu echter veel grooter is dan zij op het kleinere IJselmeer zijn kan, omdat de grootte der opwaaiing behalve van de windkracht ook afhangt van de lengte waarover de opwaaiing plaats heeft. Om deze beide redenen zullen de hoogste standen op het IJselmeer nog 1,5 tot 2 M. blijven beneden die welke nu op de open Zuiderzee voorkomen en zal de duur van het gesloten blijven der uitwateringssluizen zeer verminderen. Bovendien bedenke men dat, als er opwaaiing is naar ééne zijde, aan de andere zijde afwaaiing plaats heeft, wat dus aldaar de afwatering kan ten goede komen.

De Heer Vijverberg neemt in 't bijzonder Friesland's boezem tot voorbeeld, hoewel er gebieden zijn, zooals de Vechtstreek, de Geldersche Vallei, enz. die wat hunne afwatering betreft zeker meer door de afsluiting gebaat zullen zijn. Hij had zelfs een nadeel voor Frieslands afwatering kunnen noemen, nl. dat nu in 't voorjaar, door de dan veel heerschende oostelijke en noordoostelijke winden de sluizen in het Zuiden althans eenigen tijd mee kunnen helpen loozen, wat na de afsluiting en de droogmaking van den N.O.-polder niet meer mogelijk zal zijn. Maar daartegenover staat:

1º Friesland zal zijn boezemwater des winters in den regel tot –0,30 à –0,40 A.P. kunnen laten afloopen, iets wat nu gedurende het grootste gedeelte van dat seizoen niet mogelijk is. Door het gebruik van kunstmest zullen de graslanden dan kunnen worden verbeterd;

2º doordat het IJselmeer spoedig zoet water zal bevatten en er dus voortdurend een voldoende zoetwaterbron achter de hand is voor het inlaten bij droge zomertijden, behoeven Gedeputeerde Staten in het voorjaar niet zoo angstvallig te werk te gaan met het oog op mogelijk watergebrek daarna, maar zullen zij dan met de sluizen flink kunnen laten afstroomen.

Wat de Heer Vijverberg dan nog zegt omtrent aan te brengen verbeteringen in de afwatering van Friesland, ook zonder afsluiting der Zuiderzee, doet mij vermoeden dat hij van den toestand aldaar niet goed op de hoogte is. Immers hij zegt: „Friesland kan echter zeer voldoende langs natuurlijken weg afwateren op de Lauwerzee bij Oostmahorn, waar lage ebben en diep water voorkomen”.

Vooreerst ligt Oostmahorn buiten het gebied van Frieslands boezem, nl. in Oost-Dongeradeel, dat een eigen afwatering op de Lauwerzee heeft. Nu zou men natuurlijk wel van uit Frieslands boezem (Dokkumerdiep) een door kaden ingesloten kanaal van groot vermogen kunnen maken, maar dan moet tevens gezorgd worden dat het overtollig water van den geheelen boezem voldoende daarheen worde geleid. Het is toch bekend dat het tot nu nog niet is mogen gelukken om Frieslands boezemwater, vooral uit de groote voorraadschuur in het Zuidwesten op voldoende wijze naar de Dokkumer Nieuwe Zijlen in het Noordoosten te brengen, niettegenstaande daaraan reeds schatten besteed zijn, o. a. door de werken van 1880–1889, die 4 millioen gulden gekost hebben. Het aangeprezen middel zal zeker geheel onvoldoende blijken als de aanvoerwegen van het boezemwater daarheen niet tevens zeer worden verruimd.

Maar dan leest men het niet zeer duidelijke advies: „Bovendien is het aanhouden van één zelfde peil voor alle z.g. voor Friesland's boezem gelegen gronden ondoelmatig, dus ongewenscht; die lage landen behooren groepsgewijze te worden ingepolderd, elke polder met eigen bemalingswerktuig en eigen boezempeil” (lees polderpeil); „dan kan Friesland's boezempeil worden verhoogd, wat de scheepvaart ten goede zal kunnen komen en de afwatering bevorderen”. Het Friesche boezempeil is niets dan een peil ter vergelijking (–0,66 N.A.P.), naar welks bereiking nooit wordt gestreefd, al komen in droge tijden helaas soms nog lagere boezemstanden voor. 's Zomers 15 Apr.–1 Okt. schijnt een boezemstand van 12 cM. boven Friesch peil (dus –0,54 N.A.P.), het meest gewenscht. Waarschijnlijk bedoelt de Heer Vijverberg, dat na inpoldering der buitenlanden (wat echter geheel een zaak van particulieren is) de boezemstand wel hooger kan zijn dan nu. Dat die boezem- of buitenlanden, die nu bij een stand van 20 cM. boven Friesland's boezempeil, dus van –0,46 N.A.P., onder water gaan komen, worden ingepolderd, is op zich zelve beschouwd wenschelijk, omdat hun grasgewas dan niet meer 's zomers kan verloren gaan en hun grassoort kan worden verbeterd. Maar dan wordt de waterberging van Frieslands boezem bij standen 45 cM. boven Friesch peil met oppervlakten tot 30.000 H.A. verkleind (van ⅕ tot 1⁄12) en in natte tijden zullen daardoor de standen van Friesland's boezem, die nu reeds tot ongeveer 1 M., hoewel zelden tot 0.70 M. boven het Friesche boezempeil stijgen, nog worden verhoogd. Dit zal in het voorjaar een flinke verlaging van den boezemstand, waaraan dan het geheele boezemgebied behoefte heeft zeker niet gemakkelijker maken, maar de Heer Vijverberg zegt, dat daardoor dan in 't algemeen de afwatering zal worden.... bevorderd! De Heer Vijverberg schijnt te meenen dat als die buitenlanden maar watervrij worden gemaakt, de afwatering van Friesland voldoende geholpen zal zijn, maar hij vergeet dat er nog ongeveer 300.000 H.A. landen zijn, zomerpolders, winterpolders en hoogere gronden in het Oosten die bij den tegenwoordigen toestand reeds dikwijls ontzettend veel schade lijden door hooge boezemstanden, die alle in 't voorjaar tijdig uit hun winterwater moeten worden verlost, en die dus ook bij een betere beheersching van die standen groot belang hebben. Daarom zeide een deskundige als de Heer Th. van Welderen Baron Rengers, lid van Ged. Staten van Friesland, „dat men bij het stellen van de voorwaarden, waaraan de verbeterde afstrooming moet voldoen, ook in niet geringe mate de aandacht schenkt aan den toestand der lage landen, ligt voor de hand, maar men wachte zich de waterafvoerkwestie te vereenzelvigen met het droogleggen der boezemlanden.... Van een verbetering van den waterafvoer zal nagenoeg de geheele provincie voordeel genieten;..”52)

Vervolgens bespreekt de Heer Vijverberg nog de quaestie van de aanvulling van Friesland's boezem bij lagen stand en groot zoutgehalte met versch water, die voor landbouw, veeteelt en nijverheid van onberekenbaar nut zou kunnen zijn en „uit dat oogpunt het te vormen IJselmeer voor Friesland van onschatbare waarde”. Maar dan berekent hij dat daarin ook voldoende zou kunnen worden voorzien door aanvoer van water uit den IJsel, waarvan de kosten echter „niet onbeteekenend zullen blijken”, terwijl Noord-Holland zou kunnen geholpen worden zooals door den ingenieur Conrad in de vergadering van het Kon. Instituut v. Ingenieurs v. 11 Apr. 1893 is uiteengezet. En dan zegt hij: „Waar uit het bovenstaande volgt, dat de uitvoering van het Zuiderzee-plan-Lely wel van groot belang kan zijn voor Friesland, doch dat de mogelijkheid om Friesland's boezem van versch water te voorzien, niet staat of valt met het plan, daar wordt elke grond gemist voor de redeneering, als zouden de Zuiderzeeplannen uitgevoerd moeten worden om Friesland uit haren nood te helpen”. Maar waar is toch die redeneering te vinden? Wie heeft dat ooit gezegd?

Wèl hebben de voorstanders der afsluiting van de Zuiderzee altijd betoogd, dat al die voordeelen, nl. die voor de waterkeering, voor de afwatering, voor de wateraanvulling en verversching, enz. tegelijk door de afsluiting zullen worden verkregen, volstrekt niet dat geen enkel daarvan is op te lossen zonder die afsluiting.

Maar nu rekene de Heer Vijverberg eens uit hoeveel het verkrijgen van al die voordeelen op andere wijzen zal kosten, dus de verbetering en het onderhoud der tegenwoordige waterkeering, de verbetering der afwatering van alle gebieden rondom de Zuiderzee die daaraan behoefte hebben, de wateraanvulling en verversching voor Friesland, N.W. Overijsel en Hollands Noorderkwartier. Hij telle die sommen eens bijeen en vergelijke de uitkomst eens met de geraamde kosten van den afsluitdijk (66 millioen),—met de verbetering van het Zwolsche Diep en de schadeloosstelling aan de visschers,—waarbij dan nog te bedenken is, dat door dien afsluitdijk ongeveer 80 millioen gulden op de kosten van de meerdijken der vier droogmakerijen zullen worden bespaard.

En eindelijk alweer die verwijzing naar het ontginnen van woeste gronden als beweegreden om de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking der Zuiderzee te kunnen nalaten!

De Heer Vijverberg somt de voordeelen van die ontginning op. Ik zou er bij willen voegen: men kan eigenlijk geen goed Nederlander zijn zonder die uitbreiding van het voortbrengingsvermogen van onzen bodem van harte toe te juichen. En is het daarbij betrokken landsbelang daartoe groot genoeg, welnu, dan steune de Regeering die ontginning meer dan tot nu door verbetering van afwatering, aanleg van gewone wegen en van spoorwegen, verschaffen van kapitaal, enz.,—ook dat ben ik met den Heer Vijverberg eens.

Maar wat beteekent dit als argument tegen de droogmaking van gronden in de Zuiderzee?

Men verbeelde zich toch vooral niet dat de ontginning der woeste gronden zeer weinig kost en dat die van de Zuiderzeegronden betrekkelijk zooveel hooger zullen zijn, in aanmerking nemend het zooveel grooter voortbrengingsvermogen van deze laatste.

Vooreerst zijn lang niet alle woeste gronden voor ontginning geschikt: de Heer Vijverberg noemt zelf 300.000 H.A. van de 550.000 H.A. Dan kan slechts een betrekkelijk klein gedeelte (laag gelegen en toch met goede afwatering) tot grasland gemaakt worden, wat vrij spoedig goede uitkomsten geeft. Een ander gedeelte kan tot bouwland worden aangemaakt, maar ten koste van veel arbeid en veel geld: de Heer J. T. Cremer o. a. deelde mede, dat de ontginning van het Zeijerveld bij Norg in Drente (600 H.A.) hem ƒ1100.- de H.A. gekost heeft, waarbij dan nog niet gerekend is de aanleg van een harden weg daarheen. Het grootste gedeelte der woeste gronden is alleen voor boschaanleg geschikt en begint dan eerst na 18 à 20 jaar een zeer matige rente op te leveren. Vergelijk dit alles nu eens met het voortbrengend vermogen der Zuiderzeegronden, die dadelijk na de verkaveling zeker bruto-opbrengsten van ƒ350.- en netto-opbrengsten van ƒ80.- de H.A. zullen geven en waarvoor dus ook hoogere ontginningskosten gewettigd zijn.

Ontginning van woeste gronden en droogmaking van den Zuiderzeebodem zijn in aard en uitkomsten verschillend, maar zij bevorderen beide in hooge mate de uitbreiding van onze bestaansmiddelen. Daarom behooren zij beide in 's lands belang te worden uitgevoerd en de eene mag dus niet tegen de andere worden uitgespeeld.

SLOTWOORD.

Tot zoover hebben wij Dr. A. A. Beekman aan het woord gelaten, die tot onze groote erkentelijkheid op de hem eigen duidelijke en onderhoudende wijze al die reeds bekende feiten en gegevens nog eens in het kort voor het voetlicht heeft gebracht.

Wij willen daaraan nog een kort woord toevoegen, dat wij reeds zoo bij herhaling hebben uitgesproken, doch dat met het voortvlieden der jaren steeds dringender moet worden uitgesproken.

Twijfelmoedigheid is een zeer op den voorgrond komende eigenschap der Hollanders. Zij koesteren als het ware dien twijfel, beroemen er zich op, en doen gaarne voorkomen alsof hun twijfelmoedigheid eigenlijk de ware voorzichtigheid is. Alsof voorzichtigheid niet veeleer ligt in voorbereiding, in vooruitziendheid van wat ons in de toekomst sterker en beter kan maken.

Voorzichtigheid is niet belichaamd in het negatieve, in het niets doen, het zich onthouden; integendeel in het positieve, in het tijdig nemen van maatregelen, mits wel overdacht en goed voorbereid, voor wat in de toekomst ons het nuttigst wezen kan.

Vasthouden aan het oude wordt in ons land maar al te veel als hoogste wijsheid beschouwd, en vooruitstrevendheid met den naam van roekeloosheid bestempeld: door het vasthouden aan het oude heeft ons land bij herhaling bittere ervaringen op gedaan. De Twentsche weefindustrie is voor 1840 te gronde gegaan, omdat zij krampachtig wilde vasthouden aan hare oude werkwijze, en de vernietigende concurrentie van Engeland en Amerika slechts door toepassing van hooge invoer-tarieven, niet door wijziging in hunne fabricatie wilde afweren. Eerst toen eenige vooruitziende mannen de oude weefgetouwen geheel gingen afschaffen en de goed overdachte nieuwe machines gingen invoeren, werd de grondslag gelegd voor den buitengewonen bloei van het thans zoo nijvere Twente.

Bij de Zuiderzeezaak zien wij weder dergelijke verschijnselen; velen bleven zich blind staren op de tegenwoordige gebrekkige visscherij van een 3000 man, die ongeveer 2 millioen gulden kunnen besommen, en hadden dan geen oog meer voor de breede toekomst van welvaart, welke opengelegd wordt in de nieuwe drooggelegde gronden voor meer dan 250.000 menschen, die jaarlijks zeker meer dan 70 millioen gulden kunnen produceeren, afgezien van de nieuwe zoetwater-visscherij, die dan binnen de afgesloten ruimte systematisch kan worden gekweekt.

In den oorlogstijd ontving de Zuiderzee-Vereeniging een verzoek van een der grootste reeders van ons land om toelating tot het lidmaatschap, om redenen uitgelegd in bijgaand schrijven:

„Heeft Uwe Vereeniging steeds mijn sympathie gehad als een groot nationaal werk, de door den oorlog gebleken afhankelijkheid van ons land, van den invoer van graan, heeft mij doen inzien dat het droogleggen van de Zuiderzee het eenige middel zal zijn om een voldoende binnenlandsche productie van graan te verkrijgen, waardoor wij onafhankelijk zouden kunnen worden van buitenlandsche machten, welke ons den aanvoer van graan onmogelijk zouden kunnen maken.

„Deze productie is mijns inziens meer noodzakelijk om onze nationale onafhankelijkheid te verdedigen, dan een sterk leger, en om dus zooveel mogelijk mede te werken om tot een droogmaking van de Zuiderzee te geraken, verzoek ik U beleefd mij als lid Uwer Vereeniging te willen noteeren”.

Er zijn zaken in ons land, die bij sommige een roep hebben niet tot stand gebracht te kunnen worden; dat niet kunnen komt echter dikwijls neder alleen op een zich-onthouden; wordt dit onthouden veranderd in een actieve medewerking, dan ziet men het onmogelijk-geachte binnen korten tijd tot stand gebracht.

Het gold in de latere jaren steeds eene onmogelijkheid om in Nederland eene groote Staatsleening met welslagen uit te geven; een veertig millioen werd reeds te veel geacht. Nederland komt onverwacht voor den oorlogstoestand te staan en reeds drie Staatsleeningen van Nederland van gezamenlijk 525 millioen gulden en twee van Nederlandsch Oost-Indië van te zamen 142.5 millioen gulden, of in algeheel totaal van 667.5 millioen gulden zijn uitgeschreven, en al deze leeningen zijn overteekend geworden, sommige zelfs zeer belangrijk. Die groote menigte personen, die vroeger in onthouding hun grootste wijsheid zagen, hebben nu allen medegewerkt tot een dergelijk resultaat. Het gevoel van nuttigheid, van noodzaak was eindelijk wakker geworden, en door samenwerking was meteen de kracht gevonden, wier bestaan vroeger ontkend was. Ook de onthouders, de twijfelmoedigen waren thans tot eene daad gekomen.

Met de afsluiting en drooglegging der Zuiderzee zal het evenzoo gaan; ook deze zaak heeft alleen noodig het opgeven van de politiek van onthouding, het aanvaarden van de daad.

De twijfelmoedigen zullen thans natuurlijk weder zeggen, dat Nederland geen geld zal hebben om in deze tijden een dergelijk groot werk te ondernemen; een prachtig argument voor diegenen, die liefst maar een doofpot als kenmerk in hun wapenschild moeten voeren; misschien is er juist nooit meer reden voor Nederland geweest dan thans om die aanwinning van land te ondernemen. In 1839 werd het besluit tot drooglegging van de Haarlemmermeer genomen, in den tijd toen na den uitputtenden strijd met België Nederlands financiën er droeviger voorstonden dan ooit. Toch heeft men onder die omstandigheden het werk aangedurfd, en mede daardoor een grondslag voor latere welvaart gelegd. En thans zouden wij dien moed missen, in een tijd dat Nederland zijn economische kracht en welvaart in eene voor velen verrassende wijze heeft getoond? Voor het verdedigen van wat wij hebben, doch op zichzelf voor onproductieve uitgaven, wordt zonder aarzelen meer dan 650 millioen gulden opgebracht; dit was een mooi getuigenis van nationale kracht, dat toonde hoe belangstelling voor de publieke zaak nog alom bestaat; voor het scheppen van een nieuw welvarend gewest zou het geld dan niet te vinden zijn? Wij zouden dus op dit punt dan achter moeten staan bij onze vaderen van 1839, terwijl onze rijkdommen, onze krachten, onze ingenieurswetenschap, onze landbouwwetenschap zeker meer dan het tienvoud zal bedragen van toen?

Juist in de latere jaren is gebleken, dat in ons land heerscht wat men zou kunnen noemen een „landhonger”; talrijke jonge mannen uit nijvere gezinnen, boerenzoons, enz. zoeken naar land om een eigen bedrijf te kunnen opzetten, nu het bedrijf der ouders reeds voldoende van werkkrachten voorzien is; de pachten van kleine stukjes grond worden steeds opgedreven, wegens het te groot aantal gegadigden; die stukjes grond zijn te klein om daarop tot welvaart te kunnen geraken, hoe noest de vlijt ook is.

Het laatste jaar heeft ons geleerd hoe onzegbaar nuttig het voor ons land geweest zou zijn, indien wij binnen onze grenzen een nog grooter gebied voor land- en tuinbouw zouden gehad hebben; niet alleen tot verhooging van onze welvaart, doch vooral ook tot voorziening in de eigen behoeften van voedingsmiddelen. Welk een moeite heeft de Regeering moeten doen om in dien oorlogstijd het noodige voedsel voor het volk van ver over zee te halen?

In het buitenland, zoowel in Duitschland als in Engeland, worden thans dwangmaatregelen genomen om de bevolking er toe te brengen ieder vrijliggend stukje grond voor kweeken van landbouwvoortbrengselen te benutten; de oorlog heeft doen gevoelen hoe nuttig, ja noodzakelijk het is om de productiekracht van het land te verhoogen. Wij hebben hier om zoo te zeggen voor het grijpen om onze voortbrengingskracht in het hart van het land te vergrooten met een gebied van de uitgestrektheid eener geheele provincie, en dat nog wel van den allerbesten bouwgrond; en wij zullen die gelegenheid nog langer onbenut laten, nadat wij op dit punt ook zoo harde lessen in den oorlog hebben gekregen? Het stellen van die vraag alleen zou ons bijna beschaamd doen worden.

Wij hebben de mannen, wij hebben de krachten voor het werk, die naar eigen grond hunkeren, wij hebben het geld.

Wij kunnen ons land vergrooten, versterken, meer volmaken, door den meest vredelievenden arbeid, die men zich denken kan; door wetenschap van ingenieurs en landbouwkundigen, door scheppingswerk van onze, over de geheele wereld gewaardeerde aannemers; en dat alles, terwijl meer dan de helft van de aarde, en twee-derden van hare bewoners zijn gewikkeld in een krijg van vernietiging, in de hoop gebied met wapengeweld aan elkander te ontnemen.

In deze omstandigheden zouden de twijfelmoedigen het pleit winnen, de onthouders zouden in ons land de lijn van ontwikkeling moeten aangeven, een averechtsch begrip van voorzichtigheid zou de toekomst van Nederland moeten bepalen?

Na de opleving van ons nationaal bewustzijn in de laatste jaren is dat niet meer te verwachten. Ware dit het geval, hoe diep zouden wij dan ons moeten schamen tegenover onze zooveel verder ziende vaderen van 1839!

Mogen dan ook de Staten-Generaal eindelijk aan de roepstem van onze geëerbiedigde Koningin en van Hare Regeering gehoor geven en tot de onderneming van dit groote werk besluiten. Nog nooit was ons land zoo rijp voor zulk een daad.

Deze beslissing zou een aureool brengen om den arbeid van de thans spoedig scheidende Kamers van Volksvertegenwoordiging.

Amsterdam, 6 Januari 1917.

Het Dagelijksch Bestuur der Zuiderzee-Vereeniging:

Mr. G. Vissering, Voorzitter. Mr. H. Smeenge, Onder-Voorzitter. Dr. J. Kraus. L. Volker Azn. Jhr. Mr. P. van Foreest. Th. van Welderen Baron Rengers. Jhr. Mr. J. F. Backer, Penningmeester. Mr. C. J. Pekelharing, Secretaris, Nieuwendijk 121 Amsterdam.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings