← Table of contents
De afsluiting en droogmaking der Zuiderzee. Weerlegging van bezwaren

DEEL I. DE AFSLUITING EN DROOGMAKING DER ZUIDERZEE. (continued 2)

Reading edition

In het midden der vorige eeuw werd de aanleg van den Rijnspoorweg door de Volksvertegenwoordiging afgestemd, o. a. omdat daardoor vele ondernemingen als beurtschepen, vrachtwagens, enz. te gronde zouden gaan. Men glimlacht nu daarom, maar wil ter wille van een schamele visschersbevolking de aanwinst van een groote vruchtbare provincie niet!

Schadeloosstelling oude visschers.

Toen later toch de Rijnspoorweg is tot stand gekomen, is aan het personeel, verbonden aan de oude middelen van vervoer geen cent schadeloosstelling toegekend. Maar dat personeel zal in de vele nieuwe bestaansmiddelen, die de spoorweg schiep, wel spoedig ruime schadeloosstelling hebben gevonden.

Op de begrooting van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee in het Verslag der Staatscommissie, was een bedrag van 4½ millioen gulden uitgetrokken voor schadeloosstelling aan de oude visschers, enz., welke som in het aanhangig wetsontwerp op 6 millioen gebracht is, en toch werd soms op hoogen toon geëischt dat die som grooter moest zijn34).

De Zuiderzeevisschers zullen zich gedurende een werk dat 30 à 40 jaar duurt langzamerhand aan den nieuwen toestand aanpassen. Sommigen zullen gaan varen op de Noordzee en op de handelsvloot, vooral als daartoe voor goed voorbereidend onderwijs gezorgd wordt, waarop zij zeer gesteld zijn. Anderen zullen materialen gaan varen voor het groote werk, rijs, steen, enz. voor den afsluitdijk, enz. Acht men voor de oude visschers schadeloosstelling toch billijk, zoo geve men die. Kan aangetoond worden, dat 6 millioen niet voldoende is, dan geve men meer. Die post zal de kostenrekening der Zuiderzeezaak niet te zeer bezwaren.

Zoetwatervisscherij na de afsluiting.

In deze beschouwingen werd uitgegaan van de onderstelling, dat de Zuiderzeevisscherij geheel zal verdwijnen. Zeker zal zij verdwijnen in den tegenwoordigen vorm.

Maar wat zal de visscherij opleveren op het 145.000 HA. groote IJselmeer en in de 10.000 HA. polderwateren van het nieuwe gewest? Het is niet aan te nemen dat die onbelangrijk zal zijn. Die oppervlakte is grooter dan die van de tegenwoordige zoetwatervisscherij in geheel Nederland (134.000 HA.). Nu hangt wel de vischopbrengst niet alleen van de grootte van het vischwater af, maar zij zal toch aanzienlijk moeten zijn in die wateren.

De Zuiderzee-Vereeniging verzocht in 1905 aan de Nederlandsche Heidemaatschappij verslag te willen geven over de zoetwatervisscherij in het toekomstige IJselmeer en in de polderwateren der droogmakerijen. Deze maatschappij bracht in het volgend jaar haar zeer voorzichtig gesteld rapport uit35), waarin men o. a. leest dat paling en spiering het IJselmeer zullen blijven bevolken, bot misschien ook (is ook gebleven in het IJ), terwijl een nieuwe vischstand daaraan zal worden toegevoerd voornamelijk door den IJsel en het Zwarte Water. En ook: „Wanneer door een doelmatig bevisschen, waarbij waardevolle visschen gespaard worden, zoolang ze nog te klein zijn, en door het uitzetten van nieuwe marktwaardige vischsoorten gezorgd wordt, dat op het IJselmeer een rijke vischstand ontstaat en bewaard blijft, dan zal op het IJselmeer ongetwijfeld een bloeiend visscherijbedrijf kunnen worden gedreven”. Cijfers omtrent te verwachten opbrengsten worden echter niet genoemd.

Merkwaardig is dat de visscherij op het tegenwoordige Noordzee-Kanaal en zijn zijtakken, waarvan men het voortbestaan ook door de droogmaking der IJpolders bedreigd achtte, nu van meer beteekenis is dan die van weleer op het open IJ36). Zou dat niet eveneens het geval kunnen zijn in de afgesloten Zuiderzee?

VII. De economische, maatschappelijke en financieele zijde van de afsluiting en droogmaking.

Het nieuwe gewest zal in elk geval een landbouwgewest zijn bij uitnemendheid. Of ligging of bijzondere omstandigheden daarin ook belangrijke nijverheidsondernemingen zullen in 't leven roepen is mogelijk, maar daarop valt nog niet met eenige zekerheid te rekenen.

Bevolking in de nieuwe provincie.

Op 1 December 1909 was de bebouwbare oppervlakte van den grond in Nederland 2.433.686 HA., daaronder begrepen tuin- en warmoezerijgronden, kweekerijen en bosschen, die bebouwd werden door 504.171 beroepslandbouwers van het mannelijk geslacht, dus ongeveer één per 4,8 HA. Grasland, dat minder krachten vereischt dan bouwland, zal in de Zuiderzee-provincie waarschijnlijk niet veel voorkomen, nog minder dan in Zeeland, waar het ruim 23 percent der oppervlakte bedraagt. Rekent men voor het groot landbouwbedrijf één man per 4,5 HA., dan zullen dus in de nieuwe provincie ongeveer 45000 beroepslandbouwers noodig zijn, met hunne gezinnen een bevolking van 225.000 personen uitmakend;—door tuinbouw, kweekerijen, enz. zal dit aantal misschien nog iets grooter kunnen zijn.

Voorts zullen een groot aantal neringdoenden, handwerkslieden, ambtenaren, enz. in het nieuwe gewest zich moeten vestigen, zoodat de toekomstige bevolking, als de Zuiderzee een zuiver landbouwende provincie blijft, 250.000 à 300.000 bewoners zal bedragen. Ter vergelijking diene, dat de in hoofdzaak landbouwende Provincie Zeeland (181.000 HA.) 31 Dec. 1909 op een geheele bevolking van 235.000 inwoners buiten de landbouwers 47.734 werklieden, ambtenaren, enz. telde, waarvan 11.836 vrouwen.

Natuurlijk zal die bevolking er eerst langzamerhand binnentrekken. Doch ook niet zoo langzaam als vroeger op andere nieuwe gronden, waar in het begin de toestand nog veel te wenschen overliet. Bovendien wonen bij kleinere drooggemaakte oppervlakten de grondgebruikers, enz. voor een groot deel niet daarop, maar in de nabijheid er buiten.

Bewoonbaarmaking.

Het komt er niet alleen op aan de nieuwe gronden vóór de kolonisatie geschikt te maken voor gebruik, maar ook voor bewoning. „De vestiging in de Zuiderzeepolders”, zegt de Staatscommissie terecht, „moet niet bemoeilijkt worden door het denkbeeld, dat men er verplaatst is in eene, zij 't dan ook vruchtbare wildernis”.

Daartoe wil de Staatscommissie niet de woningen door den Staat laten bouwen, maar aan den verkrijger van minstens 20 HA. grond des gewenscht 70 percent van de werkelijke bouwkosten voorschieten voor woning en stalling, na goedkeuring van bestek en teekening,—terug te betalen bij annuiteiten binnen 20 jaar.

Ook wordt voorgesteld vóór de uitgifte der gronden een aantal gebouwen van openbaar nut te stichten, vooral omdat de eerste bewoners niet dadelijk talrijk genoeg zullen zijn om dat zelven te doen. Het ligt daarom in de bedoeling voor elke gemeente van 25000 HA. te bouwen één gemeentehuis, één post- en telegraafkantoor met bijkantoren, één groote school en 4 kleine, zoodat voor de acht gemeenten noodig zal zijn 8 × ƒ125000 = 1 millioen gulden, d. i. ƒ5.- per HA. (wel wat matig berekend!)

Om den gemeenten dadelijk eenige inkomsten te geven wil men, rekenend op 5 kerkdorpen per gemeente, aan elk 5 × 50 HA. grond geven om te kunnen uitgeven als bouwterreinen, naarmate de kommen der dorpen zich uitbreiden. Dit is dus een oppervlakte reservegrond van 1% van het geheel,—zoodat 2000 HA. minder zullen worden uitgegeven.

Gevreesde daling v. d. waarde der oude gronden.

Door een der leden van de Staatscommissie van 1892, die tegen het besluit der meerderheid stemde, Mr. van Nierop is indertijd gezegd:37) „het groot aanbod van grond overtreft de behoeften; dientengevolge zal de grond niet in cultuur gebracht kunnen worden, tenzij op zoo gunstige voorwaarden, dat elders storing ontstaat”.

De bewering dat het groote aanbod van grond de behoeften zal overtreffen is echter in strijd met de sedert vele jaren waargenomen feiten.

Tekort aan grond.

Niettegenstaande toch dat de gemiddelde toeneming van onzen bebouwbaren grond (zonder warmoezerijen, kweekerijen, boomgaarden en bosch) in de laatste 15 à 20 jaren 4000 à 5000 HA. 's jaars bedroeg, wordt niet alleen in de laatsten tijd, maar reeds tientallen van jaren geklaagd over het tekort aan grond. In nagenoeg alle deelen van het land kan men die klacht vernemen. Onze boerenbevolking is er aan gehecht te blijven in het bedrijf der vaderen. Maar bij de betrekkelijk veel sterker toename van de bevolking dan van den beschikbaren grond is het voor tal van boerenzoons die een eigen bedrijf wenschen niet mogelijk om hieraan te komen.

Vooral in sommige zandstreken is dit zeer moeilijk, omdat men er van uit de streken des lands met rijkeren bodem en meer welvarende bevolking mede komt bemachtigen wat er nog open komt; in dit opzicht doen b. v. de Zuid-Hollandsche eilanden de Veluwe concurrentie aan,—wat in elk geval bewijst dat er gebrek is aan grond.

Ook op de in de laatste jaren in Drente ontgonnen heidegronden (van 1908 tot 1914 ong. 8000 HA.!) hebben zich tal van landbouwers uit oude provinciën, vooral uit Holland, Zeeland, Friesland en Groningen gevestigd.

Een nadeelig gevolg hiervan is, dat de landprijzen en pachtprijzen dikwijls te hoog worden opgedreven, zoodat vooral in ongunstige landbouwjaren het bedrijf niet meer loonend is,—een klacht die men om zoo te zeggen overal vernemen kan.

Tal van boerenzoons moeten dus ambtenaar, onderwijzer, werkman, enz. worden of—en dit zijn meestal de minsten niet, omdat zij toonen behalve eenig geld, energie, en vakkennis te bezitten—zij verlaten als landverhuizers het vaderland, dat hen niet langer voeden kan. En zulk een verscheuring van den band tusschen bevolking en geboortegrond is toch zeker niet in het belang van den Staat.

Een eenvoudige redeneering verklaart trouwens gemakkelijk het bestaan van zulk een landhonger. Immers volgens de telling van Mei–Juni 1910 bedroeg toen het aantal landgebruikers (eigenaars en pachters) van meer dan 1 HA. land in Nederland ongeveer 209.000. Aannemende dat de bevolking jaarlijks met 1,4 percent toeneemt, dan zal deze beroepsgroep, als de verhouding tusschen de verschillende groepen niet door een of andere omstandigheid gestoord wordt, denzelfden aanwas vertoonen, dus zou het aantal landgebruikers dan met ruim 2900 moeten toenemen, terwijl de 10000 HA. Zuiderzeegronden die jaarlijks kunnen verkaveld en uitgegeven worden voor het groot landbouwbedrijf slechts ongeveer 500 nieuwe bedrijven zullen vereischen. En de 5000, in de laatste jaren zelfs tot 8 à 10000 HA. gestegen aanwas van gronden, op andere wijze verkregen, kan dan zonder bezwaar nog een ongeveer gelijk aantal landgebruikers aan zich trekken.

De Regeering meent ook, op grond van de door de Directie van den Landbouw verzamelde gegevens38), omtrent de ontginning van heidegronden, dat de vraag naar bebouwbaar land nog steeds toenemend is. In 1901 werden ontgonnen tot bouw- en grasland 871 HA. en tot bosch 540 HA.; in 1911 waren die cijfers resp. 7939 en 903 HA. In verband daarmede laat het zich aanzien, dat de gronden in de ontworpen inpolderingen, die van veel betere kwaliteit zijn dan ontgonnen heidegronden, thans spoediger zullen kunnen worden uitgegeven dan door de Staatscommissie en bij de indiening van het wetsontwerp 1901 werd gedacht.

Voldoend aantal landbouwers beschikbaar.

Dat het geheele aantal landbouwers (dus met de arbeiders) voor de nieuwe gronden ook steeds beschikbaar zal zijn, kan op dezelfde wijze aangetoond worden. Op 31 Dec. 1909 waren in ons land 504.000 mannelijke landbouwers, die dus bij gelijke toename als de overige bevolking jaarlijks met 1,4 × 5040 = ong. 7000 zouden moeten vermeerderen. En een aanwas van 15.000 à 20.000 HA. vereischt er slechts 3500 à 4500 's jaars.

Voor de Zuiderzeegronden zijn de noodige arbeiders als van zelf reeds vóór de uitgifte van die gronden aanwezig. Onze polderwerkers toch zijn dezelfde die op sommige tijden van het jaar als losse arbeiders boerenarbeid verrichten (maaien, graanoogst, bieten rooien) en zij die aan de verkaveling der nieuwe gronden hebben gewerkt, zullen daarna als vaste of losse arbeiders aldaar werk kunnen vinden in het landbouwbedrijf.

Hierbij verdient opgemerkt te worden, dat het aantal losse of seizoenarbeiders hoe langer hoe geringer wordt, dat zij in den hooitijd, bietentijd, enz. hoe langer hoe moeilijker te krijgen zijn. De voornaamste oorzaak hiervan is, dat hun bestaan te weinig vast, te veranderlijk en te weinig zeker is. Om in die tijden dan niet zonder werkkrachten te zitten schijnt men in sommige streken o. a. in Zeeland, in de Haarlemmermeer, enz. er meer en meer toe over te gaan, vooral in het groot-landbouwbedrijf om die menschen voor vast te houden: in slappe tijden worden zij dan gebruikt voor grondverbetering, slatting van slooten, enz. Dit is een voordeel èn voor het landbouwbedrijf èn voor die arbeiders. Het groot-landbouwbedrijf nu zal uitgeoefend worden in de Zuiderzee-Provincie en op die wijze werkt dus de afsluiting en droogmaking ook min of meer normaliseerend op het verschaffen van arbeid.

Geen werkloozen aan het einde van het werk.

Het wel eens geopperde bezwaar, dat na afloop van het werk veel volk werkloos zal worden, zal zich dus in 't algemeen niet voordoen.

Arbeidsloonen op oude gronden.

De Staatscommissie,—dus 20 jaar geleden en juist in een tijd dat het onzen landbouw, vooral door de lage graanprijzen slecht ging,—oordeelde, dat de arbeidsloonen op de zandgronden reeds vrij hoog waren en dat, als deze door meer vraag naar arbeidskrachten nog zouden stijgen, het bedrijf aldaar daaronder zou lijden.

Maar het voortbrengingsvermogen van die soort van gronden zoowel als de prijzen der producten zijn sedert dien tijd zeer gestegen, zoodat het door de Commissie genoemde bezwaar nu zeker veel minder zou wegen. En waar in sommige streken, vooral bij de boschcultuur de loonen der losse arbeiders wat zullen stijgen, daar is dit in 't algemeen niet te betreuren, als men weet dat die loonen dikwijls zoo laag zijn, dat het een raadsel mag heeten hoe men daarvan een menschwaardig bestaan kan leiden.

Vermoedelijke verkoopprijzen nieuwe gronden.

Om te bewijzen dat de verkoopprijzen van de nieuwe nieuwe gronden bij zulke groote aanbiedingen jaren achtereen zeer zullen worden gedrukt, heeft men zich o. a. beroepen op de prijzen gemaakt bij den verkoop der gronden in den Zuidplaspolder, in den Haarlemmermeerpolder, enz. Maar wij zagen reeds dat deze niet met Zuiderzeegronden mogen vergeleken worden, evenmin wat de bodemsoort als wat de afwatering, verkaveling, enz. betreft. Waar deze alle van zeer goede hoedanigheid waren, daar werden ook dadelijk hooge prijzen besteed, zooals in de IJpolders, waarmee de Zuiderzeegronden veel overeenkomst zullen hebben. Daar werden de gronden verkocht:

in Polder I (Wijkermeer) 1000 HA. tegen gem. ƒ2000 p. HA.

„ „ II 1200 „ „ „ „2046 „ „

„ „ III 1100 „ „ „ „2868 „ „

„ „ V en VI (waarin een strook veen), 334 HA. tegen gem. ƒ1800 p. HA.39).

Men zal misschien opmerken dat de drooggemaakte IJpolders slechts ruim 5500 HA.40) groot zijn, dat daarvan de prijzen niet gedrukt werden door het groote aanbod. Maar zou dit bij de Zuiderzeegronden wèl het geval zijn? De werkelijke waarde van den grond hangt niet af van eenige reeds daarvoor bestede koopprijzen. Zeer spoedig moet men wel inzien met zeer vruchtbare gronden te doen te hebben, waar alles voor hun gebruik op uitstekende wijze is voorbereid. En is het dan te denken, bij het bestaande tekort aan cultuurgrond en de nog steeds toenemende vraag daarnaar, dat men zulke gronden niet voor flinke koopsommen zal willen machtig worden, vooral als deze, zooals gezegd is, op verschillende wijzen zullen kunnen worden voldaan?

En mochten door een of andere oorzaak de aanbiedingen te laag worden geacht, dan is de Staat niet tot verkoop gedwongen, maar kan ze zoolang zelf doen bebouwen als hij dat noodig vindt.

Dat de nieuwe gronden dus alleen tegen zulke gunstige voorwaarden in cultuur gebracht zouden kunnen worden, dat elders storing ontstaat, is niet in te zien: door het ruime aanbod zullen de prijzen noch wegens te weinig vraag noch wegens te weinig arbeidskrachten blijvend worden gedrukt.

Grondwaarde en prijzen der producten.

Hierboven werd gesproken van de werkelijke waarde der gronden en misschien zal de opmerking worden gemaakt, dat deze niet alleen van den aard der gronden, maar ook van de prijzen der producten afhankelijk is. Maar men behoeft waarlijk niet te vreezen, dat de aanwinst der Zuiderzeegronden zelve invloed zal uitoefenen op die prijzen: wat zij voortbrengen immers is ten aanzien van de wereldproductie als een droppel in de zee. Van de geheele wereldtarweoogst in 1909 van 447351000 quarters (1 qu. = 2,9 HL.) bracht Nederland er 600000 voort en had nog ongeveer 4,5 maal zooveel noodig voor eigen gebruik; de behoefte neemt nog steeds toe door aanwas van bevolking, meer gebruik als veevoeder en voor de nijverheid. Nu zijn in ons land ongeveer 60.000 HA. met tarwe bezet, die in 1914 ruim 700.000 quarters opbrachten; al werd dus in de Zuiderzee-Provincie niets dan tarwe verbouwd en al bracht Nederland dan 4- à 5-maal zooveel voort als nu, dan kon dit van niet den minsten invloed zijn op de graanprijzen.

Die graanprijzen worden voornamelijk bepaald door den uitvoer van de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, het tweede tarweland,—alleen Rusland (met Polen en Siberië) levert nog iets meer,—en hoewel de bebouwde oppervlakte er nog toeneemt, neemt de uitvoer af wegens den groei der bevolking en der beschaving, zoodat daardoor eer verhooging dan verlaging van prijzen te verwachten is,—misschien kan de uitbreiding van den graanbouw elders, voornamelijk in Canada en in Argentinië, daarin verandering brengen.

Tarweverbruik in Nederland onafhankelijk v.h. buitenland.

Maar door de droogmaking der vruchtbare kleigronden in de Zuiderzee, zal Nederland in tijden als wij nu beleven zichzelf geheel van de noodige tarwe kunnen voorzien. Als van de Zuiderzeegronden 160.000 HA. met tarwe worden bebouwd, kunnen deze 160.000 × 50 = 8 millioen H.L. tarwe geven. Voegt men hierbij de ruim 2 millioen H.L. die Nederland nu voortbrengt, dan krijgt men eene hoeveelheid van ruim 10 millioen H.L., die nagenoeg voldoende is voor onze geheele behoefte.

Ontginning van woeste gronden.

Tegenstanders van de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee hebben meer dan eens de ontginning van woeste gronden daartegenover gesteld. Waarom niet liever onze woeste gronden in vruchtbaar land herschapen, zoo vragen zij dan, dan nieuwe gronden te gaan veroveren op den bodem der zee?

Maar waarom die tegenstelling? Beide zaken zijn hoogst nuttig. Waarom dan een van beide uitgesloten? En het tot stand komen van de eene schaadt toch de andere niet. Zelfs kan de eene de andere bevorderen. Veel zoogenaamde woeste grond immers is alleen te ontginnen voor boschbouw. En vóór den oorlog hoorde men vaak klagen, dat men in het binnenland geen voldoenden afzet kon vinden voor jong sparhout. In het nieuwe Zuiderzee-gewest zullen, vooral in den tijd van de eerste bewoning en bebouwing groote hoeveelheden van dat hout noodig zijn voor boonenhout, afrasteringen, bergen, zolders, dakhout, enz.,—wat dus de ontginning tot bosch zal steunen.

Bovendien wordt er soms geheel verkeerd geoordeeld over de ontginning van woeste gronden. Sommigen meenen dat men deze alle herscheppen kan in wat men wil. Het lijkt er niet naar! Vooreerst zijn er gedeelten die volstrekt onontginbaar zijn (loodzand, oerbanken, enz.): in het Rapport van de Heide-Maatschappij aan Gedeputeerde Staten van Drente over den aard der woeste gronden aldaar41) wordt o. a. meegedeeld, dat een groot gedeelte voor geen enkele cultuur, ook niet voor boschbouw, geschikt is. Het overgroot gedeelte van onze heidevelden dat ontginbaar is, is alleen geschikt voor bebossching. Maar eerst na vele jaren, 18 à 20 jaar, gaat aldaar aangelegd bosch een matige rente geven van het daarin gestoken kapitaal. Laag gelegen landen, als broekgronden, dalgronden en ook lage heiden, die men een goede afwatering kan geven, zijn bij goede behandeling veelal betrekkelijk spoedig tot grasland te maken en vele geven dan weldra goede rente,—zooals o. a. op vele plaatsen, voornamelijk langs de riviertjes in oostelijk Noord-Brabant, de aan de gemeenten toebehoorende en niets opleverende landen. Met andere, waaraan veel arbeid noodig is, gaat dit echter niet zoo voorspoedig. De hooger gelegen landen in diezelfde streek, die eerst na veel arbeid en bemesting tot bouwland zijn gemaakt, geven slechts dan een matige rente als de arbeidskrachten zeer goedkoop zijn, b.v. als zij 's winters door boeren met eigen volk bewerkt worden of door arbeiders die uit geldgebrek of uit verveling zich met uiterst lage dagloonen tevreden stellen. Elders ondernomen groote en goed geleide ontginningen schijnen echter ook een goed bestaan aan de gebruikers en bovendien een matige rente te geven. Zoo heeft de ontginning van het Zeijerveld onder Norg, groot 630 HA., 416 HA. bouw- en grasland en 164 HA. bosch opgeleverd—de rest werd ingenomen door wegen, kanalen en slooten, waarvan de kosten met inbegrip van het gebouwenkapitaal, het aankoopkapitaal (ƒ100.- de HA.) en de samengestelde rente daarvan en van de ingestoken kapitalen à 3½ percent, ƒ1100.- de HA. hebben bedragen,—waarbij echter nog de kosten van een verharden weg daarheen moeten gevoegd worden. De 15 boerderijen daarop gesticht zijn verpacht voor 32,5 à 55 gulden per HA. voor 6 jaar42).

Maar op de Zuiderzeegronden kan men jaren lang roofbouw drijven; bemesting zou zelfs in den eersten tijd schadelijk zijn. En zwaar zullen de vrachten kostelijke vruchten zijn die zij dadelijk opleveren.

Men ziet dus dat dooreengenomen het voortbrengingsvermogen van ontgonnen woeste gronden niet gelijkgesteld mag worden met dat van het te veroveren Zuiderzeegebied.

Maar toch, wie zou niet de ontginning van de tot nu geheel ongebruikt liggende oppervlakten gronds van harte toejuichen? Hoeveel goeds hunne ontginning in vele streken brengt, vooral ook voor den kleinen landbouwer en den boerenarbeider, hoe het geheele landbouwbedrijf, ook op de oude gronden, er door verbeterd wordt, armoede en werkloosheid er door worden weggenomen, de veestapel er door uitgebreid wordt, enz. kan men o. a. vinden in de Verslagen en Mededeelingen van de Directie van den Landbouw43).

Maar daarom kenne men de ontginning van de zoogenaamde woeste gronden niet een voorrang toe boven de droogmaking van een deel der Zuiderzee.

Dit zijn beide zeer nuttige zaken, die weinig of niets met elkaar te maken hebben. Waarom zouden wij ze dan niet beide uitvoeren met al den ijver en de toewijding die zij zoo ten volle verdienen?

Op merkwaardige wijze worden bovenstaande beschouwingen bevestigd in een brief uit New-York van den correspondent der Nieuwe Rotterdamsche Courant van 12 Sept. 1911, Avondblad C, waaruit blijkt, dat ook in voor den landbouw gunstige tijden zooals tegenwoordig, het bezwaar van het tekort aan grond sterk gevoeld wordt. Daarin wordt er op gewezen, dat de landverhuizing van Nederlanders naar (Noord-)Amerika in de laatste jaren toeneemt. Uit persoonlijke besprekingen met de landverhuizers bleek den schrijver, dat zij voor de groote meerderheid tot den landbouwenden stand behoorden en dat de oorzaak van hun vertrek uit het vaderland was: „uiterst hooge prijzen voor bouwland, aankoop van vruchtbaren grond voor groote gezinnen onbereikbaar, terwijl woeste heidevelden, enz. te kostbare en tijdroovende ontginning vorderen”. Ook vernam hij, dat het huren van bouwhoeven, dus het pachtersbedrijf, niet tot welstand kon voeren.

Maatschappelijke voordeelen.

Aan de uitvoering van het groote werk der afsluiting en droogmaking zijn nog eenige maatschappelijke voordeelen verbonden.

Vermeerdering arbeidsgelegenheid.

Vooreerst de vermeerdering der arbeidsgelegenheid44). Hierbij is het volgende wèl te onderscheiden.

Gedurende de uitvoering van het werk, doch buiten de verkaveling, enz. der gronden zal er veel werk komen voor eenige groepen van arbeiders, voornamelijk voor rijswerkers, voor de arbeiders in de grienden langs onze benedenrivieren, voor grondwerkers (polderjongens), metselaars en betonbewerkers, die vooral aan de groote sluiswerken op Wieringen veel arbeid zullen vinden, voor dijkwerkers (steenzetters, enz.), en niet het minst voor de schippers, die voor den afsluitdijk en de meerdijken ontzettende massa's klei, bazalt en anderen steen, eiken palen, enz. zullen hebben te vervoeren.

Ook de verkaveling en de bewoonbaarmaking der gronden, die dus gedeeltelijk met de uitvoering van de andere werken zal samenvallen, zal veel arbeid brengen voor werklieden van zekere beroepen, voor grondwerkers; voor metselaars, timmerlieden en smeden aan honderden bruggen, sluizen, duikers en gebouwen voor de stoomgemalen.

Aan het werk zelf in de beide eerste perioden zullen, naar de begrooting der Staatscommissie van voor 20 jaar, 45 millioen (dus nu minstens 55 millioen) gulden aan arbeidsloonen en scheepsvrachten worden betaald.

En eindelijk gedurende de blijvende vestiging of kolonisatie, eveneens ten deele met de beide genoemde soorten van arbeid elders samenvallend, moeten de woningen voor de vaste bevolking, gebouwen voor de boerderijen, enz. worden gebouwd. De hiervoor genoemde openbare gebouwen moeten vóór en na worden gesticht, samen voor ongeveer één millioen gulden. Het spreekt van zelf dat dan al naar de behoefte arbeidskrachten, vertegenwoordigend alle beroepen, zich in de nieuwe landen zullen neerzetten, voor een gedeelte voor goed; zonder hen is daar geen geordende maatschappij denkbaar.

Voordeelen v. d. nijverheid.

Ten andere is het gemakkelijk in te zien, dat onze nijverheid, vooral de steenbakkerij, vruchten van het groote werk zal plukken. Behalve voor 26 millioen gulden steen uit het buitenland, zal voor 118 millioen aan materialen uit Nederland zelf noodig zijn (begrooting 1892–1894). En bij de ontwikkeling van het nieuwe gewest zal aldaar behoefte bestaan aan steen, hout, steenkool, turf, landbouwwerktuigen, enz.; onze nijverheid daarbuiten zal er hare producten kunnen plaatsen en daarvan zeker nog geheel andere gevolgen kunnen ondervinden dan tegenwoordig de touwslagerijen, rookerijen en garnalenpellerijen bij het bestaan der Zuiderzee.

Idem voor verkeer en marktwezen.

De aanvoer van al die artikelen en nog veel meer en de afvoer der jaarlijksche producten van den landbouw, zal het verkeer per spoorweg, per as en per schip ook buiten het nieuwe gewest verlevendigen en de „villes mortes” langs de kusten van den ouden plas zullen marktplaatsen worden in de hedendaagsche beteekenis, nl. plaatsen van inkoop en doorvoer voor de welvarende bevolking van een rijke twaalfde provincie.

De kosten.

Verhooging der kosten in de laatste 25 jaar.

De cijfers van de berekeningen der kosten en van de geldelijke gevolgen, door de Staatscommissie van 1892 genoemd, zijn natuurlijk nu niet meer geldig maar moeten, vooral wegens de verhooging der arbeidsloonen, met een aanzienlijk bedrag worden vermeerderd.

Toch behoeft dit volstrekt geen bezorgdheid te doen ontstaan omtrent de uitvoerbaarheid van het werk uit een geldelijk oogpunt. Immers ook het productievermogen van den grond is door den grooten vooruitgang van den landbouw sedert dien tijd in niet mindere mate toegenomen. Nog ongeveer 10 jaar geleden kon men aannemen, dat een HA. goede kleigrond gem. 42 HL. tarwe opbracht,—nu mag men die opbrengst op 52 HL. stellen.

En waar toen de HA. 300.000 KG. suikerbieten gaf, levert die thans, mits naar de eischen der tegenwoordige wetenschap behandeld, wel 400.000 KG. op.

Het aanhangige regeeringsontwerp bevat een opgave van koopsommen van klei- en zandgronden, beide in 6 provinciën, die 1900–1909 gekocht en na 1900 weer verkocht zijn (bl. 15), waaruit blijkt dat de koopsommen van een HA. zeeklei in Nederland gem. gestegen zijn van ƒ1004.- in 1900–1909 tot ƒ1698.- nà 1909 en van zand resp. van ƒ528.- tot ƒ812.-. Op grond daarvan meent de Regeering nu een jaarlijksche zuivere opbrengst van ƒ80.- per HA. te mogen aannemen tegen slechts ƒ60.- in het wetsontwerp van 1907.

Raming der kosten.

In verband met de hier bedoelde algemeene stijging der prijzen is in 1914 een Staatscommissie benoemd om de ramingen der Staatscommissie van 1892 aan een nader onderzoek te onderwerpen. Door deze zijn de kosten van het geheele werk (zonder die voor de voorzieningen in de belangen der landsverdediging), die volgens de raming der Staatscommissie van 1892 179 millioen gulden zouden bedragen, geraamd op 222 millioen gulden.

Hierbij valt echter op te merken, dat de verhoogde raming niet uitsluitend het gevolg is van hoogere loonen en prijzen van materialen, maar ook in niet onbelangrijke mate van de omstandigheid, dat alle risico's die zich bij zulk een omvangrijk werk kunnen voordoen, nader zijn overwogen, ook aan de hand van hetgeen wordt meegedeeld in het Verslag van het meer uitgewerkt plan van de droogmaking van het Wieringermeer,—en dat meer speciaal de aandacht is gewijd aan de werken ontworpen binnen de beide het eerst aan de orde zijnde inpolderingen (NW. en ZW. droogmakerijen) en de daarmee in verband staande werken, als scheepvaart- en afwateringskanalen, enz. Daardoor kunnen meer dan vroeger groote tegenvallers bij de uitvoering als uitgesloten worden beschouwd, temeer omdat geen rekening is gehouden met de omstandigheid, dat waarschijnlijk bij eenige werken door een minder kostbare constructie of werkwijze bezuinigingen zullen worden verkregen.

De raming van de groote onderdeelen van het plan, wordt dan als nevenstaande tabel aangeeft.

Beperking van het plan.

In het aanhangig wetsontwerp wordt evenals in dat van 1901 voorgesteld nu alleen in de wet vast te leggen de afsluiting en de uitvoering van de beide westelijke polders. Later kan dus bij de wet het begin van uitvoering der beide oostelijke polders worden bepaald.

Maar deze laatste worden toch ook genoemd onder de uit te voeren werken en zij zullen reeds spoedig nadat aan den afsluitdijk begonnen is worden voorbereid.

De Regeering meent nl. dat het, in verband met de sedert 1901 veranderde omstandigheden met betrekking tot de waarde van en de vraag naar land, waarschijnlijk is, dat de droogmaking der vier polders in veel korteren tijd zal kunnen plaats hebben dan destijds werd verondersteld. Terwijl zij den werkduur voor den afsluitdijk alleen evenals vroeger op 9 jaar stelt, meent zij dat de droogmaking, enz. der Wieringermeer reeds in het 12e jaar (in plaats van in het 14e) zal zijn tot stand te brengen en die van den Hoornschen Polder in het 15e (in plaats van in het 18e). De uitvoering van dit beperkte plan, waardoor de afsluiting en een oppervlakte van ruim 74.320 HA. zal worden verkregen, zal een uitgave van 110 millioen gulden vereischen (zie boven),—dus ongeveer de helft van die voor het geheele plan.

Uit te voeren werken. Ram. St. Comm. 1892. Ram. St. Comm. 1914.

Benoodigd bedrag. Gezamenlijk bedrag. Benoodigd bedrag. Gezamenlijk bedrag.

De afsluiting.

I. De afsluitdijk met daarbij behoorende werken.

a. Afsluitdijk ƒ28.130.000 ƒ41.200.000

b. Werken op Wieringen „ 8.000.000 „ 8.700.000

c. Kan. Harl.–Piaam en verhooging zeedijk Piaam–Zurig „ 2.585.000 „ 3.550.000

d. Verhooging Balgdijk en verbetering van de havens „ 600.000 „ 600.000

e. Onvoorziene werken in verb. m. de afsl. en ter afronding „ 1.485.000 „ 950.000

———————— ƒ40.800.000 ———————— ƒ55.000.000

II. De verbetering v. h. Zwolsche Diep — „ 3.564.000 „ 5.000.000

III. De voorziening i. d. visscherijbelangen. — „ 4.500.000 „ 6.000.000

IV. De voorz. i. d. belangen der waterverversching v. Amsterdam en ter afr. „ 236.000 „ 250.000

De droogmaking.

V. De inpolderingen achter den afsluitdijk.

a. De Wieringermeerpolder ƒ12.700.000 ƒ15.950.000

b. De Hoornsche polder „ 22.850.000 „ 28.130.000

c. De Zuidoostelijke polder „ 61.850.000 „ 72.650.000

d. De Noordoostelijke polder. „ 32.500.000 „ 38.220.000

———————— „ 129.900.000 ———————— „ 154.950.000

Totaal ƒ179.000.000 ƒ221.200.000

Doordat dan vroeger tot de uitgifte van de drooggelegde gronden zal kunnen worden overgegaan, zal ook rentebesparing worden verkregen.

Nadere finantieele beschouwingen.

In verband met het bovenstaande zegt nu de Regeering „dat indien de duur van het werk—de afsluiting en de vier polders—op 30 jaar wordt gesteld, en wordt aangenomen dat de pachtopbrengst der vier polders resp. 15, 20, 25 en 35 jaar na den aanvang der afsluiting in mindering der kosten zou komen, de rente eener 4½ pct. leening van 222 millioen gulden—zijnde de totale raming—waarvan gemiddeld ƒ7.500.000 per jaar zou worden verbruikt, met rente op rente, gedekt zoude zijn bij een pachtopbrengst van gemiddeld ƒ80.- per HA.”

Hoewel nu een zuivere pacht van ƒ80.- de HA. zeker niet te hoog is te achten, zoo wil de Regeering, in aanmerking nemende de wisseling van omstandigheden, die zich zou kunnen voordoen, deze berekening niet als grondslag voor haar wetsvoorstel nemen. Wel stelt zij voor gedurende de eerste 14 jaar, wanneer nog geen rechtstreeksche baten zullen worden ontvangen, de renten van de dan op te nemen gelden tegen 4½ percent, uit de gewone middelen te betalen, benevens de renten van de gelden, noodig voor 's lands verdediging. Zij acht het niet wenschelijk om voor een langdurig tijdperk nu reeds verdere regelingen te treffen tot dekking der kosten.

Maar uit een ander blijkt toch dat de rente van het in het werk gestoken kapitaal door de baten ruimschoots gedekt wordt.

Bovendien genieten dan twee- à driehonderd duizend menschen een goed bestaan, terwijl de Staat de indirecte voordeelen daarvan geniet en ook van de afsluiting, voortvloeiende uit de verhoogde welvaart van de aan de Zuiderzee gelegen gewesten.

Uit deze beschouwing blijkt ook duidelijk waarom de Staat dit werk met gerustheid kan uitvoeren, waar het als onderneming aan particulieren misschien zou moeten worden ontraden. De Staat zal in elk geval nog goede winsten behalen.

Ook Mr. van Nierop erkent dat de Staat zich in dit geval op een geheel ander standpunt heeft te stellen dan particulieren dat kunnen doen. Maar ten slotte zegt hij: „De warmste voorstander van de droogmaking moet nog aantoonen, dat deze indirecte voordeelen van dien aard zullen zijn, dat het er niet toe doet of de kosten verscheiden millioenen meer of minder zullen bedragen en dat het voor de belastingschuldigen onverschillig zou zijn of zij gedurende de inpoldering belangrijke sommen aan rente zullen moeten opbrengen”.

Raming van de indirecte voordeelen der afsluiting.

Daar er ongetwijfeld aan dit groote werk risico verbonden is, is de hier gestelde eisch gerechtvaardigd, maar toch in zooverre onbillijk dat het zeer moeilijk, zoo niet onmogelijk is om de indirecte voordeelen in aantallen guldens kapitaal of rente uit te drukken.

Toch is het niet moeilijk in te zien, dat de ruime marge die Mr. Van Nierop verlangt om eventueele overschrijding der ramingen te dekken, inderdaad bestaat.

Om eenig denkbeeld te verkrijgen van de verhooging van het voortbrengend vermogen van Noord-Holland t. N. van het IJ, zou men kunnen stellen, dat van 150.000 HA. binnen de duinen 100.000 HA. belang hebben bij het zoet worden van het boezemwater en dat daardoor de opbrengst per HA. ƒ5.- stijgt. Voor Westfriesland schatte een zuivelconsulent die op ƒ10.- de HA. Men krijgt aldus ƒ500.000 's jaars of gekapitaliseerd tegen 4 percent 12½ millioen meerwaarde. Of neemt men het aantal runderen t. N. van het IJ aan op 140.000 en de hoogere opbrengst van elk beest op ƒ5.-—wat voor eenige jaren op het landbouwcongres te Hoorn niet te veel werd geacht—, dan krijgt men ƒ700.000 meer jaarlijksche opbrengst, dus 17,5 millioen meerwaarde.

Wat Friesland betreft, stellen wij dat 40.000 HA. buitenlanden daardoor ƒ10.- p. HA. 's jaars meer zullen opbrengen en dat van nog 160.000 HA. van het boezemgebied de jaarlijksche gebruikswaarde met ƒ5.- de HA. zal toenemen, dan komt men tot een hoogere opbrengst van ƒ1.200.000 's jaars—een meerwaarde van 30 millioen dus,—buiten de voordeelen voor de nijverheid, de scheepvaart en de visscherij.

Intusschen zijn deze cijfers natuurlijk altijd min of meer willekeurig. De Regeering noemt alleen die waarop het voordeel van zoetwateraanvulling en waterverversching ingevolge een onderzoek van den Zuiderzeebond in September 1897 zijn geschat en die voor Noord-Holland en Friesland samen ƒ680.000 's jaars zouden bedragen, dus gekapitaliseerd tegen 4½ percent een kapitaal van 15 millioen zouden vertegenwoordigen,—een schatting die m. i. zeker te laag is.

Maar bovendien moeten in rekening komen de andere indirecte voordeelen hiervoor genoemd, nl. die voor de waterkeering, waterloozing, enz. en vooral van de aanwinst van een groote vruchtbare provincie, waar zoovelen een goed bestaan zullen vinden, al worden die verminderd met hetgeen de Zuiderzee nu als vischwater oplevert. Is het nog noodig te trachten ook die onder cijfers te brengen?

De verlangde dekking voor eventueele tegenvallers is dus in ruime mate aanwezig.

Wel herhaalt de Regeering de zoowel door de Zuiderzee-Vereeniging als door de Staatscommissie uitgesproken meening: „dat de voordeelen van den afsluitdijk niet van dien aard zijn, dat het wenschelijk zou zijn om alleen met het oog daarop, geheel afgescheiden van een latere droogmaking, de afsluiting ten uitvoer te leggen”,—maar het blijft toch m. i. niet onmogelijk dat de waarde van die voordeelen de kosten van den afsluitdijk zeer nabij zullen komen of zelfs overtreffen.

Noodzakelijkheid van de uitvoering.

Men heeft wel eens de vraag gedaan: Waarom dit groote werk? Is het volstrekt noodig? Het antwoord op deze vraag is uit de voorgaande beschouwingen gemakkelijk op te maken. Naar aanleiding van de opmerking dat er wel meer zulke groote sommen (ook gedurende vele jaren) uitgegeven zijn, zooals 265 millioen gulden voor aanleg van Staatsspoorwegen, in 20 jaar tijds 259 millioen aan openbare werken, enz., zegt Mr. Van Nierop: „Deze werken strekten om te voorzien in een behoefte, die bevrediging eischte. Het openbaar verkeer vorderde den aanleg van spoor- en waterwegen”. En verder: „Al is het geen onderneming” (de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee), „zij is daarmede zeer verwant. Geen openbaar belang vordert haar uitvoering”.

Och kom! Werken ter bevordering van het openbaar verkeer en die tot afsluiting en droogmaking der Zuiderzee—er is immers geen onderscheid in het doel van die beide. Het verkeer bevordert men toch niet om het verkeer zelf! Het doel van beide soorten van werken is toch: de bestaansmiddelen uit te breiden of nieuwe te scheppen. Daarom en daarom alleen worden zulke werken tot stand gebracht. Zeker! Hadden wij dat aanleggen van spoorwegen nagelaten, dan zouden wij onze eigen belangen al zeer slecht hebben gediend, maar dit zal evenzeer het geval zijn als wij de afsluiting en droogmaking der Zuiderzee nalaten. Een wijs Regeeringsbeleid moet er niet alleen op gericht zijn te doen wat men onmogelijk kan nalaten, maar om van alle aanwezige middelen gebruik te maken om de welvaart van het land te verhoogen. En als een land de gelegenheid heeft om zijn innerlijke kracht en zijn internationale beteekenis belangrijk te doen toenemen, wordt dan „het openbaar belang” niet in hooge mate gediend door van die gelegenheid gebruik te maken?

Dat is niet alleen wijs Regeeringsbeleid, het is ook Regeeringsplicht.

In de Memorie van Toelichting bij het nu aangeboden wetsontwerp stelt de Regeering zich blijkbaar ook op dit standpunt, waar zij de vraag beantwoordt of er voor het Rijk voldoende reden voor de uitvoering van het groote werk bestaat en waarin zij zegt, dat al zou het werk misschien nog een geldelijke bate opleveren, dit op zichzelf voor het Rijk nog niet alleen de drijfveer mag zijn om het werk te ondernemen. En: „Hoofddoel moet zijn het vermeerderen van de algemeene welvaart door het scheppen van een beteren waterstaatstoestand in een belangrijk deel des lands, door de vergrooting van den vaderlandschen bodem met een aanzienlijke uitgestrektheid vruchtbaar land en door het openen van een uitgebreid arbeidsveld voor Nederlandsche nijverheid en werkkracht”.

Indijking bij kleine gedeelten zonder afsluitdijk.

Ten slotte. Vooral met het oog op de geldelijke en œconomische zijde van de Zuiderzeezaak heeft men meer dan eens het denkbeeld aanbevolen om den afsluitdijk weg te laten en al naar de behoefte binnen de Zuiderzee gronden geleidelijk in te dijken en droog te maken.

Voor zooveel daarmee bedoeld wordt het achtereenvolgens indijken van betrekkelijk kleine stukken45), is het gemakkelijk te begrijpen dat dit zeker de meest nadeelige wijze zou zijn om grond aan te winnen. Het betreft hier niet het leggen van nieuwe dijken op de oevers van nieuw aangewassen gronden, om deze van de zee af te sluiten, zooals in Zeeland en elders nu en dan geschiedt. Maar hier zouden zware en hooge afsluitdijken gelegd moeten worden op den bodem der Zuiderzee en de aldus afgesloten stukken moeten worden drooggemaakt. Hoeveel tienduizenden meters dijk zouden op die wijze moeten worden gelegd, voordat men b. v. 100.000 HA. had ingedijkt? Dat zou toch zeker millioenen guldens noodeloos in het water werpen zijn!

Bovendien zou men op die wijze na zekeren tijd een oppervlakte hebben aangewonnen, waarin wegen, spoorwegen, kanalen, enz. stuksgewijze aangelegd zijn en dus zeker niet zulk een goed geheel zouden vormen, als wanneer dat in eens had kunnen geschieden, terwijl ook in andere opzichten niet zulk een goed geheel zou zijn verkregen dan bij uitvoering in eens.

En hoe zou het dan met enkele minderwaardige veen- en zandgronden gaan? Wie zal b.v., ook in onzen tijd, bereid gevonden worden om met veel kosten de zandgronden op den bodem der Zuiderzee langs de Veluwe te gaan droogleggen? Bij droogmaking in eens kunnen zij echter mede binnen de groote Z.O. droogmakerij vallen, die overigens uit zeer vruchtbare kleigronden bestaat, en bezwaren de kosten hiervan weinig, zelfs al hadden zij in 't geheel geen waarde.

Achtereenvolgens indijken en droogmaken der 4 deelen zonder afsluitdijk.

Men kan echter nog anders handelen, nl. eenvoudig den afsluitdijk weglaten en achtereenvolgens de vier groote deelen gaan droogmaken, zooals dan ook èn door de Zuiderzee-Vereeniging èn door de Staatscommissie ernstig is overwogen en vergeleken met het plan met afsluitdijk.

Voor zulk een droogmaking zonder afsluitdijk is meer te zeggen dan voor een bij kleine gedeelten. De groote kosten van dien dijk, die in de eerste 9 jaar van het werk moet worden aangelegd, drukken dus door hunne renten sterk die van het geheel. Daartegenover staat echter dat dan de dijken der vier droogmakerijen niet meerdijken maar zeedijken moeten zijn, waarvan de kosten 61 millioen gulden hooger geraamd worden (Staatscommissie). Ook zullen dan de gemalen voor droogmaking en drooghouding het water hooger moeten kunnen opbrengen, dus kostbaarder zijn in aanleg en onderhoud (in aanleg ƒ3.367.000 meer). Ten slotte zouden de geheele kosten zonder afsluitdijk zijn (Staatscommissie): ƒ212.700.000, met rente ƒ279.000.000 en met rente op rente ƒ293.000.000,—alleen deze laatste som is iets minder dan die met afsluitdijk.

Het verschil in kosten kan dus niet beslissen.

Zwaarder weegt het argument dat door den afsluitdijk het werk tot één geheel gestempeld wordt: is eenmaal die dijk gelegd, dan moet men zoo spoedig mogelijk alle vier genoemde gedeelten droogmaken en zoo spoedig mogelijk alle gronden uitgeven.

Kwamen er eens tijdsomstandigheden, waardoor de voortgang zeer vertraagd of tijdelijk geschorst zou worden, dan konden daardoor verliezen geleden worden.

Maar juist dat groote geheel en wel zoodra mogelijk is het wat velen in de eerste plaats wenschen en dat daarom naar hunne meening mag en moet gewaagd worden.

Wat den een een bezwaar toeschijnt, vindt de ander juist een voordeel; de een deinst voor mogelijke verliezen terug, de ander durft het aan, ook al mochten zulke verliezen zich voordoen, het werk als één geheel aan te pakken en te voltooien.

Daarover valt moeilijk te redeneeren; dat is, om met de Staatscommissie te spreken, „voor een deel een quaestie van temperament”.

En dit argument van spoedig te moeten afwerken vervalt grootendeels, als men den afsluitdijk met bijkomende werken als een op zich zelf productief werk beschouwt, waarvan de kosten althans voor een groot gedeelte door de indirecte voordeelen zullen worden goedgemaakt, welk gedeelte dus niet ten laste van de volgende werken zal behoeven te worden gebracht.

En het zijn juist die groote voordeelen, die men mist bij een uitvoering zonder afsluitdijk.

De Staatscommissie kwam daardoor toch tot het besluit „dat een inpoldering met afsluitdijk te verkiezen is boven inpolderingen in de Zuiderzee zonder voorafgaande afsluiting”. Nu die voordeelen door nadere beschouwing meer en meer van groote beteekenis zijn gebleken, veel grooter dan waarop de Staatscommissie die schatte, is men zooveel temeer gerechtigd tot het besluit: Afsluiting en droogmaking volgens het plan van de Zuiderzee-Vereeniging-Staatscommissie.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings