IV.
Jacob de Jong translation · Edition 2

Spanje is een van de landen waarin zich nog in grooten getale die nomaden ophouden, die over geheel Europa verspreid zijn, en bekend onder de namen Bohémiens, Gitanos, Gypsies, Zigeuner, enz. De meeste hunner wonen, of liever leiden een zwervend leven in de zuidelijke en oostelijke provincies, in Andalusië, Estramadura (in het koninkrijk Murcia); velen zijn er in Catalonië. Deze laatsten komen vaak naar Frankrijk. Men ontmoet hen op al onze kermissen in het Zuiden. Gewoonlijk schacheren de mannen in paarden, dokteren zij het vee en scheren zij de muilezels, zij krammen ook pannen en koperwerk, om niet te spreken van smokkelen en andere ongeoorloofde praktijken. De vrouwen zijn waarzegsters, bedelen en verkoopen allerlei onschadelijke (of schadelijke) geneesmiddelen.
De physieke kenmerken der Zigeuners zijn gemakkelijker te onderscheiden dan te beschrijven en wanneer men er éen heeft gezien zou men onder duizend een individu van dat ras herkennen. Het gelaat, de uitdrukking vooral scheidt hen van de volken die hetzelfde land bewonen. Van daar de naam Calé, de zwarten, waarmede zij zichzelf dikwijls aanduiden*). Hun merkbaar schuine, groote, zeer donkere oogen zijn beschaduwd door lange en dikke oogharen. Hun blik laat zich alleen vergelijken met die van een wild dier. Men leest er tegelijkertijd stoutheid en beschroomdheid in en wat dat aangaat verraden hun oogen vrijwel het karakter van het volk, slim, stoutmoedig, maar bang uit den aard der zaak voor slagen, evenals Panurge*). De mannen zijn over het algemeen flink uit de kluiten gegroeid, slank en vlug; ik geloof niet dat ik er ooit een heb gezien die zwaarlijvig was. In Duitschland zijn de vrouwen vaak heel schoon, onder de Gitanas van Spanje is schoonheid uiterst zeldzaam. Als zij heel jong zijn kunnen zij doorgaan voor aardige leelijkerds; maar als ze eenmaal moeder zijn, worden zij afzichtelijk. Beide seksen zijn ongelooflijk vuil en wie de haren van een Zigeuner-matrone niet heeft gezien, kan zich moeilijk een denkbeeld daarvan maken, zelfs als hij zich die nog zoo ruw, smerig en stoffig voorstelt. In sommige groote steden van Andalusië besteden jonge meisjes, die er wat aardiger uitzien dan de anderen, meer zorg aan hun uiterlijk. Zij laten zich voor geld in dansen zien, die veel lijken op die welke bij ons op de publieke bals van het carnaval verboden worden. De Engelsche zendeling Borrow, schrijver van twee zeer interessante boeken over de Spaansche Zigeuners, die hij had ondernomen te bekeeren op kosten van het Bijbelgenootschap, verzekert dat het nooit voorkomt dat een Gitana zich geeft aan een man die vreemd is aan haar ras. Het komt mij voor dat er veel overdrijving is in den lof dien hij haar toezwaait om haar kuischheid. In de eerste plaats verkeeren de meesten in het geval van de leelijkerds van Ovidius: casta quam nemo rogavit*). Wat de mooie onder haar aangaat, zij zijn zooals alle Spaansche vrouwen, lastig in de keus van haar minnaars. Men moet haar behagen, verdienen. De heer Borrow voert als staaltje van haar deugd een feit aan, dat voor de zijne pleit, vooral voor zijn naïeveteit. Een onzedelijke kennis van hem, zoo vertelt hij, bood een mooie Gitana te vergeefs eenige onsen goud aan. Een Andalusiër, wien ik deze anecdote overbracht, beweerde dat de man meer succes zou hebben gehad wanneer hij eenige piasters had laten zien en dat aan een Zigeunerin goudstukken aanbieden een even slecht middel van overreding was als een paar millioen beloven aan een meid uit een herberg.—Hoe dit zij, het staat vast dat de Gitanas voor haar mannen een buitengewone toewijding aan den dag leggen. Er is geen gevaar of ellende die zij niet trotseeren om hen in hun nood bij te staan. Een der namen, die de Zigeuners zich geven, romé (echtgenooten), getuigt, dunkt mij, van den eerbied van het ras voor den gehuwden staat. In het algemeen kan men zeggen dat hun hoofddeugd vaderlandsliefde is, indien men aldus noemen kan hun trouw in de betrekkingen met individuen van dezelfde afkomst, hun bereidvaardigheid elkander te helpen, de onverbreekbare geheimhouding die zij elkander bewaren in compromitteerende zaken. Trouwens men merkt iets dergelijks op bij alle geheimzinnige vereenigingen die buiten de wet staan.
Eenige maanden geleden bezocht ik een Zigeunerbende in de Vogezen. In de tent van een oude vrouw, de oudste van haar stam, was een Zigeuner, die niet tot haar familie behoorde, door een doodelijke ziekte aangetast. Deze man had een hospitaal, waar hij goed werd verzorgd, verlaten, om te midden van zijn landgenooten te sterven. Reeds dertien weken was hij bedlegerig en hij werd veel beter behandeld dan de zonen en schoonzonen van hetzelfde gezin. Hij had een goed bed van stroo en mos met vrij zindelijke lakens, terwijl de overigen, ten getale van elf, sliepen op planken van drie voet lengte. Dit wat betreft hun gastvrijheid. Dezelfde oude, die zoo goed was voor haar gast, zeide mij in tegenwoordigheid van den zieke: Singo, singo, homte hi mulo: weldra, weldra, moet hij sterven. Trouwens, die menschen hebben zulk een ellendig leven, dat de dood niets schrikwekkends voor hen heeft.
Een merkwaardige karaktertrek van de Zigeuners is hun onverschilligheid in godsdienstige zaken. Niet dat zij vrijdenkers of sceptisch zijn. Nooit hebben zij zich voor godloochenaars uitgegeven. Integendeel: zij hebben den godsdienst van het land dat zij bewonen, maar met de verandering van land nemen zij ook een anderen godsdienst aan. Ook de bijgeloovigheden die bij ruwe volken in de plaats komen van godsdienstige gevoelens zijn hun vreemd. Hoe zouden ook menschen bijgeloovig kunnen zijn, die meestal leven van de lichtgeloovigheid van anderen. Toch heb ik bij de Spaansche Zigeuners een eigenaardigen afschuw opgemerkt voor de aanraking van een lijk. Weinigen zouden voor geld een doode naar het kerkhof willen brengen.
Ik zeide dat de meeste Zigeunerinnen aan waarzeggen doen. Zij doen dat zeer goed. Maar winstgevend is voor hen vooral de verkoop van toovermiddelen en minnedranken. Niet alleen bewaren zij pooten van padden om onbestendige harten vast te houden, of poeder van zeilsteen om bij onverschilligen liefde te wekken; zij doen, zoo noodig, machtige bezweringen om den duivel te dwingen haar hulp te verleenen. Verleden jaar vertelde een Spaansche dame mij de volgende geschiedenis. Zij ging op zekeren dag door de Alcala-straat, zeer treurig en in gedachten. Een Zigeunerin, op het voetpad neergehurkt, riep haar toe: Schoone dame, uw minnaar heeft u bedrogen.—Het was de waarheid.—Zal ik hem weer tot u doen terugkeeren? Men begrijpt met welke vreugde het voorstel werd aangenomen en welk vertrouwen iemand moest inboezemen, die aldus met éen oogopslag hartsgeheimen raadde. Daar het onmogelijk zou zijn geweest bezweringen te doen in de drukste straat van Madrid, werd er voor den volgenden dag een afspraak gemaakt.—Niets is gemakkelijker dan den ontrouwe weer aan uw voeten te brengen, zeide de gitana. Heeft u bij geval een zakdoek, een sjerp, een mantille, die hij u gaf?—De dame gaf haar een zijden halsdoekje.—Naai nu met roode zijde een piaster in een hoek van het doekje. In een anderen hoek een halven piaster; hier een piécette, daar een stuk van twee realen. Nu in het midden een goudstuk; het best zou zijn een dubloen.—De dubloen en de rest worden in het doekje genaaid.—Geef mij nu het doekje, ik zal het klokslag van middernacht naar het Campo Santo brengen. Gaat u met mij mee, als u mooi wilt zien heksen. Ik beloof u dat u al morgen den ontrouwe zult weerzien.—De Zigeunerin ging alleen naar het Campo Santo, want de dame was te bang voor heksen om haar te vergezellen. Ik laat het aan u over te raden of de arme verlaten minnares haar halsdoekje en haar ontrouwe heeft teruggezien.
Ondanks hun armoede en een zekeren weerzin dien zij inboezemen, staan de Zigeuners bij de weinig ontwikkelde menschen een beetje in aanzien en zij zijn daar zeer trotsch op. Zij gevoelen zich de meerderen in verstand en verachten innig het volk dat hun gastvrijheid verleent.—De Vreemdelingen zijn zoo dom, zeide mij een Zigeunerin uit de Vogezen, dat er heelemaal geen verdienste in steekt hen beet te nemen. Onlangs werd ik op straat door een boerin aangeroepen. Ik treed haar woning binnen. Haar kachel rookte en zij vroeg mij een bezwering om die te doen trekken. Ik begin met mij eerst een goed stuk spek te laten geven. Daarna prevel ik eenige woorden in rommani. Je bent dom, zeide ik, je bent dom geboren, dom zul je sterven.... Toen ik dicht bij de deur was, zeide ik in goed Duitsch tot haar: Het onfeilbaar middel om te voorkomen dat je kachel rookt, is die niet aan te maken. En ik zette het op een loopen.
De geschiedenis der Zigeuners is nog een vraagstuk. Men weet wel is waar dat hun eerste, zeer weinig talrijke benden zich in het oosten van Europa vertoonden tegen het begin van de vijftiende eeuw; maar men kan niet zeggen waar ze vandaan komen, of waarom zij naar Europa kwamen, en, wat merkwaardiger is, men weet niet hoe zij zich in korten tijd zoo verbazend vermenigvuldigd hebben in verschillende, ver van elkander verwijderde staten. De Zigeuners zelf hebben geen tradities bewaard over hun oorsprong en zoo de meesten onder elkaar van Egypte spreken als van hun primitief vaderland, dan is het omdat zij een zeer lang geleden over hun verspreid verhaal hebben aanvaard.
De meeste orientalisten die de taal der Zigeuners hebben bestudeerd, houden het er voor dat zij uit Indië afkomstig zijn. Inderdaad schijnen een groot aantal stammen en vele grammaticale vormen van het rommani te worden teruggevonden in talen, afgeleid van het Sanskriet. Men begrijpt dat de Zigeuners op hun lange zwerftochten vele vreemde woorden hebben overgenomen. In alle dialecten van het rommani vindt men een aantal Grieksche woorden: bijv.: cocal, been, van κοκκαλον; petalli, hoefijzer van πεταλον; cafi, spijker, van καρφι, etc. Thans hebben de Zigeuners bijna evenveel verschillende dialecten als er benden van hun ras gescheiden van elkander bestaan. Overal spreken zij de taal van het land dat zij bewonen gemakkelijker dan hun eigen, waarvan zij zich slechts bedienen om zich in het bijzijn van vreemdelingen vrij met elkaar te kunnen onderhouden. Vergelijkt men het dialect der Zigeuners in Duitschland met dat van de Spaansche Zigeuners, sedert eeuwen niet met elkaar in verbinding, dan vindt men een zeer groot aantal gemeenschappelijke woorden; maar de oorspronkelijke taal is overal, hoewel in verschillende mate, aanmerkelijk gewijzigd door de aanraking met meer ontwikkelde talen, waarvan deze nomaden gedwongen waren zich te bedienen. Het Duitsch aan den eenen kant, het Spaansch aan den andere, hebben het wezen van het rommani zoodanig veranderd, dat het voor een Zigeuner van het Zwarte Woud onmogelijk zou zijn een gesprek te voeren met een van zijn broeders in Andalusië, hoewel zij slechts eenige zinnen behoeven te wisselen om te begrijpen, dat beiden een dialect spreken afgeleid van dezelfde taal. Sommige zeer veel gebruikte woorden zijn, geloof ik, aan alle dialecten gemeen; zoo beteekent in alle woordenboeken die ik heb kunnen vinden: pani water, manro brood, mâs vleesch, lon zout.
De telwoorden zijn bijna overal dezelfden. Het Duitsche dialect lijkt mij veel zuiverder dan het Spaansche, want het heeft een aantal primitieve grammaticale vormen behouden, terwijl de Gitanas die van het Castiliaansch hebben aangenomen. Er zijn intusschen enkele uitzonderingen die getuigen van de vroegere overeenkomst der talen.—De verledene tijden van het Duitsche dialect worden gevormd door ium te voegen bij de gebiedende wijs, die altijd de stam van het werkwoord is. In het Spaansche rommani worden alle werkwoorden vervoegd als de Castiliaansche werkwoorden van de eerste vervoeging. Van de infinitief jamar, eten, zou men geregeld moeten maken jamé, ik heb gegeten; van lillar, nemen, lillé, ik heb genomen. Intusschen zeggen sommige oude Zigeuners bij uitzondering: jayon, lillon. Ik ken geen andere werkwoorden die dezen antieken vorm hebben behouden.
Nu ik aldus pronk met mijn povere kennis van het rommani moet ik enkele woorden van het Fransche argot noemen die onze dieven aan de Zigeuners hebben ontleend. Les Mystères de Paris*) hebben aan de fatsoenlijke menschen geleerd dat chourin mes beteekent. Dat is zuiver rommani; tchouri is een van die woorden, die allen dialecten gemeen zijn. Meneer Vidocq noemt een paard grès; ook dat is een Zigeunerwoord gras, gre, graste, gris. Dan is er nog het woord romamichel dat in Parijsch argot Zigeuner beteekent; het is de verbastering van rommané tchavé, Zigeuner jongens. Maar een woordafleiding waarop ik trotsch ben, is die van frimousse, gelaat, gezicht, woord dat alle studenten gebruiken of in mijn tijd gebruikten. Vooraf zij opgemerkt dat Oudin, in zijn merkwaardig woordenboek, in 1640 firlimouse schreef. Nu beteekent firla, fila in het rommani gelaat, mui wil hetzelfde zeggen: het is precies het Latijnsche os. De combinatie firlamui is onmiddellijk begrepen door een Zigeuner-purist en ik houd die voor overeenkomstig met den geest van zijn taal.
Dit is, dunkt mij, meer dan genoeg, om den lezers van Carmen een gunstige meening te geven van mijn studies in het rommani. Ik besluit met een spreekwoord dat hier van pas is: En retudi panda nasti abela macha: Tusschen gesloten lippen, kan een vlieg niet glippen.