V.
Reading edition
De tuin als speelplaats voor kinderen.
Wanneer men een kleinen tuin en een huis vol kinderen heeft, dan zegt het heel wat om te zorgen dat alles goed in orde blijft, in den tuin zoowel als in huis. En nu gebeurt het nog al eens, dat men juist aan een huis met tuin de voorkeur geeft met het oog op de kinderen, opdat dezen zomer en winter, als het weêr het maar eenigszins toelaat, kunnen genieten van de frissche lucht, en het hun daarbij niet aan de noodige lichaamsbeweging behoeft te ontbreken, terwijl men ze toch steeds in zijn onmiddellijke nabijheid en in 't oog heeft.
Is men nu wat heel ruim in deze opvatting, dan loopt de tuin, inzonderheid als die niet groot is, de paden niet zeer breed zijn en er geen ruime speelplaats is, inderdaad groot gevaar, en men kan dan gerust zeggen dat de kosten en moeiten daaraan in 't voorjaar besteed, nutteloos waren, daar reeds, vóórdat de zomer op de helft is, de tuin zijn aantrekkelijk aanzien, door verwaarloozing verloor.
Hierin schuilt geen overdrijving; wel stem ik gaarne toe, dat de uitzonderingen hierop zeer talrijk zijn; maar laat die tot over de helft loopen, dan blijven er nog genoeg gevallen over, die schijnbaar de uitspraak wettigen dat zulke menschen geen tuin waard zijn.
Ik zeg schijnbaar, want inderdaad is het veelal precies andersom. In vele gevallen stellen ze er niet minder prijs op dat alles er steeds keurig uitziet, en ze hebben daar ook heel wat voor over, maar hun kinderen en dezer gezondheid gaan boven alles, en zij zijn heilig overtuigd dat men onmogelijk dezen vrij in den tuin kan laten omspringen, en dien toch zoo keurig in orde kan houden, als het behoort en als zij het zelve wel zouden wenschen. Zij schikken zich in wat zij onvermijdelijk achten, en rekenen zich in elk geval gelukkig dat ze voor hun jonge gasten frissche lucht en ruimte hebben.
Een zeer sprekend voorbeeld daarvan zag ik niet lang geleden. Een mijner kennissen had een groot huis gekocht, waarachter een vrij uitgestrekte tuin lag, die echter als zoodanig bijna niet meer te herkennen was. Hij aarzelde geen oogenblik dien tuin in het voorjaar geheel te doen vernieuwen, ging daarbij op zeer onbekrompen wijze te werk, daar hij, die vroeger geen tuin had, dien nu zeer netjes wenschte; bediende zich van goede werkkrachten en kocht zonder aarzelen alles, wat men zeide noodig te hebben. Het gevolg hiervan was dan ook dat die tuin, toen de lente dáár was, niets te wenschen overliet en de jaloezie wekte van niet weinigen. Ik zag dien toen ook, en moest erkennen dat men er van had gemaakt wat er, zonder pronkerigen opschik, met mogelijkheid van te maken was, en dat die tuin, nú reeds fraai, bij goed onderhoud, na weinige jaren een ware lusthof zou zijn.
Zonder die gelegenheid te zoeken, kwam ik er toevallig ook eens in den nazomer, en het was toen inderdaad bedroevend te zien hoe daar was huisgehouden. Van de grasbanden was slechts hier en daar een stuk overgebleven. In een der vrij breede paden was een schommel en in een ander een wipplank geplaatst, waaromheen letterlijk alles vertreden was. Zelfs door de bloemperken was geloopen, stengels en takken waren gebroken, ja zelfs geheele planten uit den grond gerukt, in één woord, de keurig afgewerkte tuin van het voorjaar was in die halve wildernis met geen mogelijkheid meer te herkennen.
Ofschoon ik er niet van houd aanmerkingen te maken, was de toestand daar toch zoodanig, dat ik niet nalaten kón op te merken, hoe jammer het was, dat de kinderen daar zoo te keer gegaan hadden. Ja, de eigenaar vond dit ook, maar wat het zwaarste was, meende hij, moest ook het zwaarste wegen. Hij zou dat gaarne alles steeds in orde zien, hij was een liefhebber van orde, en op zijn eigen kamer, maar ook daar alléén, waar de kinderen niet mochten komen, liet die niets te wenschen over, maar de tuin was in de eerste plaats voor de kinderen.
—De jongens moeten er in kunnen ravotten naar hartelust, en als ze er steeds aan moeten denken, waar ze hun voeten zetten, is het plezier er voor hen af; de meisjes hebben plezier in bloemen; ze gebruiken die voor bloemmandjes, ze teekenen ze, en nu gaat het toch niet aan haar het plukken te verbieden. De lust en het opgewekte leven der kinderen gaat bij mij boven alles.
Tegen dit beginsel valt niet veel in te brengen; het is maar de vraag wat men door dit ravotten naar hartelust verstaat en of kinderen die aan tucht, al is dit geen uiterst strenge tucht, gewoon zijn, iets minder zullen genieten, wanneer zij, in den tuin spelende, er op letten waar ze hun voeten zetten. Zoo ken ik iemand, die maar even tien kinderen heeft, waarvan het oudste niet meer dan 13 à 14 jaar oud is. Achter zijn huis, waarin, de speelkamer niet uitgezonderd, keurige orde heerscht, is een zeer kleine tuin, die er altoos even netjes uitziet; en toch, als iemand er van houdt om zijn kinderen ter wille te zijn, zelf met hen te stoeien en hun lustige spelen in den tuin aan te moedigen, is hij het.
't Is eenvoudig verschil van opvatting omtrent de wijze van opvoeding en de toepassing daarvan, en we hebben ons hier niet bezig te houden met de vraag welke opvatting de beste of de ware is.
Waar we ons echter wel mede hebben bezig te houden is deze vraag: kan hij, die een kleinen tuin bij zijn huis heeft, dien wellicht zoo inrichten, dat hij aan zijn kinderen de gelegenheid geeft en hun volle vrijheid laat daarin te ravotten naar hartelust, en er toch als tuin nog plezier van hebben, zonder de jaarlijks terugkomende kosten van bijna geheele vernieuwing?
Ziedaar een vraag die gewoonlijk door schrijvers over tuinaanlegkunst en door meer of minder ervarene aanleggers over 't hoofd wordt gezien. Dit komt voornamelijk hierdoor, dat de eersten, zoo ze zich al met kleine tuinen bezighouden, daarbij altijd het aesthetische beginsel op den voorgrond stellen, zonder te letten op het doel, dat de eigenaars er van in sommige gevallen voornamelijk beoogen; terwijl de laatsten zich geen tuin kunnen denken zonder een tuinaanleg naar de gewone opvatting, zoodat zij dan ook steeds een aanleg maken, en het niet bij hen zou opkomen daarbij af te wijken van vaste gewoonten.
Denkt men zich dan ook op klein terrein, en ik stel mij hier weder een oppervlakte van 40 bij 15 Meter, dus op verre na niet het kleinste, voor, een tuin in den gewonen zin, dan is het antwoord op de bovengestelde vraag stellig ontkennend.
In een tuin, gelijk wij dien in de vorige hoofdstukken bedoelden, mogen de kinderen niet bandeloos rondspringen; mogen ze niet over 't gras, vooral niet over de grasbanden, ook niet op de perken loopen; mogen ze niet plukken, al naar 't hun in den zin komt; in één woord, ze moeten zich daarin aan tucht gewennen, anders bederft de boel, en te spoediger, naarmate zij daarbij ruwer te werk gaan.
Zegt men nu: ik wil mijn kinderen daar volle vrijheid laten en offer daaraan gaarne de sierlijkheid van den tuin op, maar toch zou ik dien wel gaarne steeds zooveel mogelijk in orde zien, dan kan men dien wensch zeer goed bevredigen, als men het er van 't begin af naar inricht; men kan den kinderen een ruimere gelegenheid geven om zich ongedwongen te vermaken, en heeft er dan maar geregeld een weinigje de hand aan te houden; het denkbeeld van een eigenlijken aanleg moet men dan echter loslaten, van een aanleg althans in den gewonen zin.
Ik meen dat het geheel in de bedoeling met dit zeer oppervlakkige boekje ligt, om ook diegenen hiertoe op den weg te helpen, die in dit geval verkeeren, want juist onder de eigenaars van kleine tuinen treft men er velen aan, die er hartzeer van hebben, hun tuin, waar ze toch overigens wel schik in hebben, nadat die pas opnieuw in orde gebracht is, weder te zien bederven, maar die toch nog liever den tuin bedorven zien, dan dat zij—altijd naar hunne opvatting—de vreugde en 't genot hunner kinderen bederven; terwijl ik nog zwijg van hen, die te achteloos zijn om daar het oog op te houden, en zich teleurgesteld gevoelen, wanneer de onvermijdelijke gevolgen daarvan niet uitblijven.
Laat ons eens zien hoe we dit het best inrichten, en, mag dit dan ook zoo onæsthetisch zijn als het wil, ik twijfel er geen oogenblik aan of men zal de doelmatigheid ervan erkennen.
Wij nemen hier dus weder aan dat we tot onze beschikking hebben een langwerpig vierkant stuk grond, en wel van 40 Meter lengte bij 15 Meter breedte. Weet men hoe dit voor dit doel is in te richten, dan zal men die inrichting ook wel naar omstandigheden voor een grooter of kleiner grondvlak kunnen wijzigen.
Schets van een kleinen tuin als kinderspeelplaats ingericht.

Nu begint men met hiervan aan het achtereinde 10 Meter af te nemen, welke ruimte meer bepaald voor kinderspeelplaats wordt bestemd. Dit is dus een oppervlakte van 150 vierk. Meter. In een der hoeken maakt men een afdak of beter nog een koepeltje, bestemd niet alleen voor vluchthaven bij een plotseling opkomende regenbui, maar ook voor tochtvrije rustplaats en tevens tot berging van verschillende losse voorwerpen.
Om deze speelplaats plant men aan drie zijden kloek groeiende opgaande boomen, op de nevensstaande schets door sterretjes aangewezen. Plaatst men die op 4 Meter afstand, dan zullen ze vrij spoedig luwte en schaduw, in elk geval een gewenschte dekking geven. Iepen zijn voor dit doel goed geschikt; Platanen mogen hiervoor, om het stuiven der haartjes in het voorjaar (zie bladz. 29), niet aangeraden worden.
Men zorge bij de inrichting vooral dat deze plek niet nat kan zijn, en legge daarom den grond eenigszins tonrond. Ligt hij in het midden een Decimeter hooger dan aan de kanten en voorts goed gelijk, dan zal het regenwater er ook geregeld afloopen, en het er, zelfs kort na een zware bui, weer droog zijn. Dit is een voornaam punt, waarop men dus reeds bij het begin goed moet letten.
Verder kan men de droogte goed bevorderen door over den gelijk gemaakten grond een flinke laag fijn gruis van cokes uit te spreiden, en er daarna goed met een zwaren grasrol over heen te gaan, zoo men dien kan krijgen; anders moet dit cokesgruis goed vast getrapt worden. Hiertoe moet men geen koolasch gebruiken, immers als men het bedoelde gruis kan verkrijgen. Koolasch heeft op verre na zulk een goed effect niet, omdat men er te veel grove slakken en asch in vindt; de slakken worden er uitgeharkt en de asch geeft voor dit doel niets. In cokesgruis is geen asch en zijn ook geen groote stukken. Aan de gasfabriek is het doorgaans voor een bagatel te verkrijgen, en er is geen beter middel dan dit om paden droog en vast te maken.
Zoodra dit gesloten is, dat na eenige weken, vooral wanneer het intusschen flink regende en men het wat beloopen had, het geval zal zijn, spreidt men er een tamelijk dikke laag fijn grint over. Hierdoor krijgt men een zachte, bijna stofvrije oppervlakte, die zelfs bij regenachtig weer betrekkelijk droog is. Schelpen deugen voor dit doel niet, daar ze te scherp zijn en de kinderen zich, bij struikelen of vallen, eraan kunnen verwonden. Wit zand is ter bestrooiing ook ondoelmatig; bij droog en heet weer wordt het te warm, het weerkaatst het zonlicht te zeer en stuift als het wat waait in de oogen. Fijn grint is zacht genoeg voor dit doel, mits het niet te dun uitgestrooid wordt; het is in alle opzichten rustiger.
Hier is voldoende ruimte voor een schommel, een wipplank, of wat men er anders wenscht, terwijl er ook gemakkelijk plaats te vinden is voor een zandhoop, die voor kleine kinderen veelal gewenscht wordt.
Hetgeen er nu van den grond overschiet heeft een lengte van 30 Meter, waarvan nog 2 Meter voor een straatje afgaan. We hebben dus nog maar 28 Meter lengte bij 15 Meter breedte en ook hier moet op veel ruimte gerekend worden, zoo we althans zooveel mogelijk willen voorkomen dat het gras vertreden wordt. En toch is dit nog wel zoo in te richten, dat het volstrekt niet popperig wordt, en er uit het huis gezien lief uitziet, ook goede gelegenheid voor het genot van de buitenlucht biedt.
Een middenvak kan hier niet komen, want dit zou, zoo we twee zeer breede paden maakten, te klein worden of wel deze worden, met het oog op het bijzondere doel, te smal. Maar dit behoeft ook niet. We planten vlak in het midden een boom, waarvan we kunnen verwachten dat hij reeds in een paar jaren schaduw genoeg geeft om er onder te kunnen zitten. Hiervoor is ontegenzeglijk een Kastanjeboom (nu geen dubbelbloemige maar een gewone, omdat die flinker groeit) het best, en voorts plaatsen we dicht bij het huis, op het midden der breedte, een voetstuk waarop een beeld of beter nog een groote vaas, groot genoeg om er een sierplant en enkele afhangende bloeiende planten in te kunnen zetten. Een rustieke bloemmand is ook goed.
Vervolgens bepalen we de grenzen voor twee aan elkander gelijkvormige zijrabatten, die op twee plaatsen ongeveer 6 en op het midden, juist waar de boom geplant is, 4 Meter breedte hebben.
We houden dan in het midden een pad over, dat op de beide smalste plaatsen 3 à 3½ Meter breedte heeft, terwijl het zich juist in het midden tot een pleintje verbreedt, ruimte genoeg biedende om er een tuintafel en eenige stoelen te kunnen plaatsen, zonder dat die de passage te nauw maken. Bij het huis kan men in die zijrabatten een paar bloemperken aanleggen, en voor hetzelfde is gelegenheid voorbij den boom, terwijl verder deze rabatten met een paar niet te groot wordende boomen of boomheesters, met bloemheesters en vaste planten worden bezet, waarover in de vorige hoofdstukken is gesproken. Langs de rabatten legt men een breeden grasband, dus van geheele zoden; dit is beter in verhouding tot de breedte van het pad, dan wanneer men halve zoden gebruikt; men heeft toch niet zooveel gras noodig dat dit een bezwaar zou zijn.
Op deze wijze verkrijgt men een aangename zitplaats midden in den tuin, en is men tevens dicht bij de speelplaats, wat voor zorgzame moeders, vooral van kleine kinderen, een groote geruststelling is.
Het zal, vooral daar, waar men de kinderen geheel naar hun zin laat huishouden, op die speelplaats veelal niet zeer ordelijk zijn, reden waarom het zaak is, die aan het gezicht te onttrekken, waarmee men bovendien aan de jonge gasten zeker een dienst bewijst.
Wanneer men nu het breede binnenpad, een Meter of acht voorbij den boom in tweeën splitst, dan houdt men in het midden een vrij groot stuk over en dit geeft een goede gelegenheid voor een winter en zomer groenen achtergrond, terwijl het tevens het gezicht op de speelplaats maskeert. Hier plant men van achteren een dubbele rij „Arbor Vitae's” (Thuja occidentalis), b. v. met een rij Aucaba's er voor. Is de grond er goed, dan zou men er ook Rhododendron's voor kunnen planten. Als men die nu niet te klein neemt, dan krijgt men aldus een fraai gesloten geheel, en plaatst men er dan in 't voorjaar bloeiende planten vóór, liefst zulke die, eenmaal geplant, voor den geheelen zomer goed zijn, b.v. Zonale-Geraniums, dan zal dit van de rustplaats onder den boom af een fraai gezicht opleveren.
Eenvoudiger inrichting dan deze is niet denkbaar, en toch beloof ik U, dat het gezicht daarop, ook uit het huis, lief zal zijn, waarbij natuurlijk verondersteld wordt dat het goed wordt afgemaakt.
Dat beschadiging door kinderen ook hier niet uitgesloten is, spreekt van zelve, maar toch is daar al zeer weinig aanleiding toe, mits er geen roekelooze moedwil in 't spel komt, waartegen niets veilig is.
Ook afgescheiden van de speelplaats is er ruimte in overvloed om zich te bewegen, en al zal het gras den voetdruk der jonge gasten toch wel eens voelen, 't zal meer uitzondering dan regel zijn, en dan hindert het niet. Achterin zijn de twee paden, die direct op de speelplaats uitkomen, nog 2 Meter breed, zoodat het ook daar zoo'n vaart niet zal loopen, en moet men dan al hier en daar een gedeelte van een grasrand in 't voorjaar vernieuwen, zoo beteekent dit zeker al zeer weinig.
Richt men het aldus of op soortgelijke wijze in, dan kan hij, die er wat wilde jongens op nahoudt en dezen toch in den tuin liefst maar naar hartelust wil laten ravotten, toch van zijn kleinen tuin nog plezier genoeg hebben, zonder zich bloot te stellen aan een telkens opkomend gevoel van ergernis.
Vruchtboomen moet men daar liefst niet inbrengen, en bij de keuze der planten liefst zoodanige nemen, die een stootje kunnen velen. Men moet in dit geval consequent zijn, en toonen dat men het ernstig meent, dat de tuin voornamelijk voor de kinderen dient. Wat men er dan verder zelf van geniet, dat heeft men toe; het kan echter meer zijn dan men allicht vermoedt.
Dat dit beginsel, met behoud van een ruim speelterrein, ook nog op een veel kleinere ruimte kan toegepast worden, begrijpt men. Zelfs wanneer het stuk goed tien Meter minder lengte heeft, kan men het, met een kleine wijziging nog op dezelfde manier inrichten.
Een afzonderlijk en afgesloten speelplaats acht ik echter in gevallen als de hier bedoelde bepaald noodzakelijk. Men houdt toch altijd nog wel zooveel over, dat men daar met wat inschikkelijkheid het woord „tuin” voor kan gebruiken. Klein wordt die zeker, maar met kleine tuinen hadden wij hier ook eigenlijk alleen te doen.—