IV.
Reading edition
Het onderhoud van den Tuin.
Velen meenen, althans zij geven aanleiding om dit te gelooven, dat, wanneer in het voorjaar alles aan een tuin is gedaan, wat strekken kan om dien een fraai en proper aanzien te geven, zij de rest wel aan de Natuur kunnen overlaten.
Nu, dat kunnen ze ook, maar dan zal deze aan dat stukje grond spoedig een geheel ander aanzien geven, stellig weinig in overeenstemming met onze opvatting van orde en zindelijkheid.
De Natuur mag vrij en onbelemmerd heerschen buiten, en wat zij dan schept is altijd mooi, veel mooier dan wij het met veel moeite en kosten kunnen maken; maar dat is dan geen tuin. Dáárin moet de eigenaar heer en meester wezen; hij gebruikt daartoe haar goede gaven, maar hij gebruikt ze overeenkomstig zijn bedoelingen. En de Natuur schikt zich daarin, maar zij is terstond gereed hare rechten te hernemen, zoodra wij er niet langer de hand aan houden.
„Er de hand aan houden”, dat is het rechte woord. Iedereen weet wat men daardoor te verstaan heeft; iedereen begrijpt dus wat ik met het onderhoud van een tuin bedoel.
Men moet er de hand aan houden, en niets soms twee, drie weken achtereen alles maar stilletjes laten groeien en bloeien, denkende dat het dan mooi genoeg is; want, zeker, dán zal het mooie er spoedig af zijn.
Kan de eigenaar van een kleinen tuin dien zelf in orde houden?
Voor het meerendeel zeker; zelfs geheel, wanneer hij niet tegen eenige lichaamsinspanning opziet, en zich er op toelegt sommige handgrepen te leeren, die tot de bijzonderheden van het tuinbouwvak behooren. Wil hij het eerste niet of kan hij het niet, en heeft hij geen tijd of lust voor het laatste, dan zal hij in het voorjaar gedurende enkele dagen de hulp van een goed werkman moeten inroepen; wat er later te doen valt, moet men echter zooveel mogelijk zelf trachten te doen.
Dit is om verschillende reden wenschelijk. Eerstens kan men dan alles—en zoo heel veel is het niet—zeer geregeld doen, en blijven niet sommige dingen ongeregeld lang liggen en men houdt den tuin dan veel netter in orde, dat vooral voor een kleinen tuin van beteekenis is; ten tweede wordt de belangstelling daardoor gaandeweg grooter, en heeft men van het groeien en bloeien veel meer voldoening; terwijl vooral de stadbewoner of hij die stil leeft, daarin een dagelijksche gelegenheid vindt voor een gezonde lichaamsbeweging in de open lucht.
Het eerste wat reeds vroeg in 't voorjaar, als het niet vriest, moet gebeuren, is den tuin opknappen. Men begint met het snoeien van de heesters en vruchtboomen, als men die heeft, wat niet maar een inkorten is der takken op goed geluk, maar waarbij men dient te weten wat men doet; waarom men sommige heesters in het voorjaar liever niet moet snoeien, enz.
Over het snoeien hier in bijzonderheden te treden kan ik niet; hiertoe ga men te rade bij een deskundige, of raadplege men een meer uitgebreid tuinboek. Alleen merk ik op, dat men er op moet letten welke heesters vroeg in 't voorjaar bloeien, en men dezen eerst moet snoeien nà den bloei, daar men anders te veel bloemen opoffert; immers deze bloeien geregeld uit de jonge takken, en snijdt men die nu vóór den bloei in, dan verwijdert men de aanstaande bloemen. Dit is iets, waar men met een weinigje opmerkzaamheid zelf gemakkelijk achter kan komen.
Ook moet men vroeg in 't seizoen de Rozen nog stil laten staan en dezen niet snoeien, voordat men mag aannemen, dat er geen vorst meer te verwachten is. Worden de Rozen nadat ze reeds gesnoeid zijn nog door vorst getroffen, dan is er veel kans dat de takken een eind insterven. Het begin van April is hiervoor vroeg genoeg.
Die nu reeds vroeg in 't voorjaar zijn tuin in orde wil hebben, harke dat snoeisel terstond bijeen en neme het op, waarna de rabatten en de met heesters bezette perken geschoffeld en netjes aangeharkt worden, en hetzelfde met de paden geschiedt.
Is het gras plaatselijk dood gegaan of leelijk geworden, wat vooral in stadstuinen licht kan gebeuren, dan moet men dat niet laten zitten, in afwachting of het mogelijk nog goed zal uitgroeien. Daartoe zijn de graszoden te goedkoop, en wanneer men er jaarlijks de hand aan houdt zal het zoo erg niet zijn, dat men niet aan een halve roê graszoden genoeg zou hebben. Met 72 zoden kan men toch, als men ze doorsnijdt, 144 voet beleggen, dat is ten naastenbij vijftig Meter. Zoo houdt men dit sieraad van den tuin goed in orde met weinig kosten. Laat men het daarentegen te lang liggen, dan bederft men het effect en heeft men er later veel meer aan te doen. Is de tuin goed licht, en wordt het gras niet plaatselijk gestadig betreden, dan blijft het goed, en heeft men het in 't voorjaar maar wat met een hark uit te kammen, om er een frisch aanzien aan te geven. Men ziet dan tevens na of de kanten zuiver zijn en steekt ze geregeld af.
Dit alles doet men liefst zoo vroeg mogelijk, en wel, als het weer het toelaat, reeds in 't laatst van Februari. Al maakte men vóór den winter alles nóg zoo goed in orde, toch blijkt, wanneer de vorst voorbij en de sneeuw gesmolten is, dat de winter eigenaardige sporen in den tuin achterliet. De grond is op- en losgevroren; er zijn takken uit de boomen of uit die der buren afgewaaid; dorre, pas zeer laat afgevallen bladeren liggen hier en daar in hoeken gestoven of zitten van onderen tusschen de heesters geklemd, in één woord, het ziet er nog winterachtig uit, en juist dit moet men zoo spoedig mogelijk veranderen. Heeft men nu in 't begin van Maart alles in orde, dan maken de eerste voorjaarsbloemen een veel bevalliger effect. De Sneeuwklokjes zijn er zóó vroeg bij, dat men ze met den besten wil niet vóór kan wezen, maar anders is het met Crocussen en iets later met Tulpen. Deze komen ook wel vroeg, maar toch niet zoo vroeg, of men kan wel zorgen haar in een opgeredderden boel te ontvangen; maar dan moet men er natuurlijk zelf niet te laat bij wezen. En het is opmerkelijk hoeveel vriendelijker deze er uitzien, als de omgeving met dien bloei in overeenstemming is. Men ontvangt dan echte lente-indrukken, ook al talmt de lente vervelend lang.
Het is juist dán, dat een tuin achter of vóór het huis, ook al is het weer nog te guur om er in te wandelen, voor de meeste menschen, wier leven opgaat in de stadsdrukten en in hun maatschappelijke bemoeiingen, groote waarde heeft. Het lapje grond zij zóó klein, dat men bijna verlegen is het een tuin te noemen, men ziet er toch het leven, na een doodschen slaap, weer met jonge en frissche kracht ontspruiten; men ontvangt er een groet der Natuur, en haar glimlach vaagt vele sombere gedachten en herinneringen weg.
Hoe netter de tuin dan is, hoe vriendelijker die glimlach, hoe helderder de zon dan schijnt te wezen, en komen ook al gure buien het werk verstoren, ja een sneeuwlaag het geheel tijdelijk aan het oog onttrekken, de orde is weer spoedig hersteld, en wat men dàn reeds gehad heeft mag pure winst gerekend worden.
Heeft men in Februari en 't begin van Maart alles aldus in orde gebracht, dan kan men het stil laten liggen tot tegen April, als men er maar om denkt de Rozen te snoeien voordat zij gaan uitgroeien. Dit is een kleine moeite, en, als men een snoeischaar of secateur heeft, doet men in zoo'n tuin in een uur al heel wat.
In het laatst van Maart, soms ook iets later, ziet men zijn vaste of overblijvende planten na. Licht is er een die men wil verplaatsen, omdat in den vorigen zomer bleek dat zij op een andere plaats beter zou staan. Ook wil men er allicht een scheuren, teneinde er meer planten van te krijgen. Men wacht hiermede liefst totdat ze goed teeken van leven geven, d. w. z. tot zij beginnen uit te groeien. Het vroeger te doen kan wel geen kwaad, maar men moet dan geoefend zijn, om te zien of ze al dan niet leven, terwijl men, wanneer men ze wil scheuren of verdeelen, als zij gesproten zijn beter kan zien wat men heeft en vooral wat men doet.
Het ééne werk volgt nu vrij geregeld op het andere, en, bijaldien men in een kleinen tuin alles maar geregeld en op zijn tijd verricht, zal men het best afkunnen. Tegen het midden van April is het tijd om te zaaien. Dit vroeger te doen is niet raadzaam, wijl men dan gevaar loopt dat de jonge en teere kiemplantjes door nachtvorst verloren gaan. Het midden van April, zelfs de tweede helft van deze maand, is nog vroeg genoeg. Langer dan tot Mei moet men daar echter in geen geval mede wachten, althans voor zoover het de éénjarige of gewone zaadplanten betreft. Ook de tweejarigen kan men in 't begin van Mei zaaien; dit kan echter even goed nog een paar maanden later geschieden.
Is het een groeizaam voorjaar, dan zal men reeds vóór Mei het gras moeten maaien. Ook dit kan men gemakkelijk zelf doen, wijl de grasmaaimachines tegenwoordig zoo goed ingericht zijn, dat een dame ze kan hanteeren. Men wete echter wel, dat men met zulk een machine niets kan uitrichten, wanneer men het gras te hoog liet opgroeien. Men moet het reeds maaien, zoodra er goed leven in blijkt te zijn; dán gaat dit spoedig en gemakkelijk, het gras wordt er temeer gesloten door en het onkruid verdwijnt, wijl dit tegen dat telkens afmaaien niet opgewassen is. Ik zeg telkens afmaaien, want uit het bovenstaande blijkt dat men het na het eerste maaien, óók niet lang mag laten worden; hooger dan 3–4 c.M. moet het niet worden, zoodat men er wekelijks eens met de machine over moet gaan, 't welk dan weinig tijd kost en volstrekt geen inspanning van beteekenis vordert. Het afgemaaide gras beteekent dan niet veel. Houdt men het zeer kort, dan ziet men het niet eens liggen, en kan het ook wel blijven liggen. Is het wat te veel daartoe, dan harkt men het weg of veegt men het, zoo het gazon dicht en goed gesloten is, met een bezem bijeen.
Hoe opwekkend het gezicht op het in het voorjaar groenende gras ook is, toch wordt het eigenlijk pas mooi, wordt het, gelijk het in een tuin behoort te zijn, nadat het voor den eersten keer werd gemaaid en de kanten goed scherp werden afgestoken.
De eerste ontwikkeling van het gras is meestal ongelijk; gewoonlijk toch zijn verschillende grassoorten dooreen gegroeid, waarvan de ééne zich in het voorjaar vroeger en krachtiger ontwikkelt dan de andere; na het eerste maaien wordt het beter en het zal ook wel niet meer in 't oog loopen, wanneer het maaien geregeld wekelijks geschiedt.
Dit kan voor een kleinen tuin onmogelijk een wezenlijk bezwaar opleveren, tenzij men het niet zelf met een machine wil doen en een tuinman met dit werk belast. Deze gebruikt liever een zeis, en om het gras goed met de zeis te kunnen maaien, moet het wat langer zijn, en kan men er wel drie à vier weken mede wachten. Ook op die wijze onderhoudt men het goed, maar men krijgt er toch nooit zulk een dicht, gelijk en mollig tapijt van, als wanneer men er dikwijls met een machine overheen gaat.
't Is waar, met een goede grasmachine (grasperkscheerders noemt men ze ook) is licht ƒ25 gemoeid, maar, wanneer men die niet laat verwaarloozen heeft men ze ook voor lang, en rekent men nu dat men toch zeker voor het maaien van het gras in een kleinen tuin telkens een gulden zal moeten geven, dan is men er al vrij spoedig en heeft men voortdurend een netteren tuin. Een niet te ontkennen bezwaar is echter dat men er niet overal mede terecht kan ze goed te scherpen. Hieromtrent dient men zich dus vooraf gewisheid te verschaffen, anders zit men er later meê.
Ik sprak over het onderhoud van het gras iets uitvoeriger, wijl dit, net en goed onderhouden, hoofdzaak is voor elken tuin en voor een kleinen tuin inzonderheid. Men moet dan ook dit maaien of kort houden voortzetten tot zoo laat in het najaar, dat men ziet dat er volstrekt geen groei meer in is.
Door het in Februari te oversproeien met dunne gier zal men een goeden groei ervan bevorderen, terwijl ook de kleur dan veel donkerder is.
Ook met water besproeien in den zomer, is, bij voortdurende droogte, in de meeste gevallen zeer nuttig; op sommige plaatsen, waar de grond zeer zandig en uit den aard droog is, zelfs bepaald noodzakelijk. Heeft men water van een waterleiding tot zijn dispositie, dan levert die besproeiing volstrekt geen bezwaar op, en moet men het, bij aanhoudende droogte, in geenen tuin verzuimen. Men heeft hiervoor verplaatsbare sproeiers, die aan een tuinslang verbonden worden en over een oppervlakte van p.m. 10 Meter in doorsnede het water gestadig als een dichten regen verspreiden. Door die b.v. om het halfuur te verplaatsen kan men den grond gemakkelijk goed vochtig houden; men rekene er daarbij op de slang niet te kort te nemen.
Deze wijze van besproeien is veel doelmatiger dan dit te doen met een straalpijp, ten eerste wijl dit laatste veel bewerkelijker is en vooral ook wijl de besproeiing daarmede nooit zoo gelijkmatig en afdoende geschiedt.
Heeft men geen waterdruk, dan zijn zulke toestellen natuurlijk ook niet te gebruiken, en wordt de besproeiing heel wat lastiger. Men moet het dan met een gieter doen, en het laat zich hooren dat men zich dan ook alleen tot het strikt noodzakelijke beperkt, of zelfs genoodzaakt kan zijn het geheel na te laten. Dit hangt dan van omstandigheden af. Op humusgronden, hetzij die lichter of zwaarder zijn, is het gras tegen de grootste hitte en droogte bestand; het mag er dan ook al tijdelijk niet mooier op worden, het zal toch, onmiddellijk nadat het heeft geregend, weer opleven; op schrale zandgronden kan het echter gevaar loopen van met wortels en al te verbranden. Men kan dit echter goeddeels voorkomen, door er geregeld elken winter een dunne laag goed verkruimelden mest over te strooien. Toch is, zelfs bij dezen maatregel, besproeiing in den zomer ver van overbodig, ofschoon dan ook misschien niet absoluut noodzakelijk.—
In de eerste dagen van Mei bezorge men de bloemperken; immers voor zooverre men die bestemde voor Geraniums, Fuchsia's en dergelijken, die er in het voorjaar als jonge planten op geplaatst moeten worden, gelijk dit, de Rozenbedden uitgezonderd, over 't algemeen het geval is. Vroeger moet men dit niet doen, omdat dan het weer nog niet te vertrouwen is en één koude nacht alles kan bederven.
Reeds in Mei zullen enkele vaste planten allicht zoo hoog worden, dat ze door wind of slagregen kans loopen omver geworpen te worden. Dan, maar ook niet vroeger, zet men er een stok bij, die altijd iets korter moet zijn dan men berekent dat de plant hoog zal worden. Hetzelfde doe men later bij enkele zaadplanten en bij de Dahlia's. Bij deze laatsten, zoomede bij Zonnebloemen, Stokrozen en andere kruidachtige, hoogopgroeiende planten plaatse men een stevigen stok van ongeveer 1½ Meter, tenzij men weet dat de Dahlia's tot een laag blijvend ras behooren. Er zijn er toch die in 't geheel geen steunsel behoeven, en waar dit niet noodig is moet men het ook achterwege laten.
Over het algemeen neme men als vasten regel aan, dat de stokken, die in vele gevallen onvermijdelijk zijn, zoo min mogelijk in 't oog mogen loopen, waarom het ook zaak is ze groen te verven, maar dan geen gedraaide en vooral geen roode of witte kopjes er op. Dit staat afschuwelijk en verraadt, wat men er ook van moge zeggen, in dit opzicht althans een weinig gekuischten smaak.
Van nu af houde men aan alles zeer geregeld de hand, waarbij het schoonhouden van de perken en paden, na de zorg voor het gras, allereerst in aanmerking komt.
Wanneer men een tuin goed schoon houdt, en dus aan het onkruid den tijd niet gunt om te bloeien, allerminst om zaad voort te brengen, zal men er ook gaandeweg minder last van krijgen, maar geheel vrij van onkruid komt men toch nooit, daar voortdurend zaden door den wind, ook door de vogels, van elders worden aangevoerd. Maar het wordt heel wat anders, als men dit tot zaad laat komen, in welk geval er soms jaren noodig zijn om de nakomelingen daarvan onder de knie te krijgen.
En er zijn onkruiden, juist de meest verspreide, die reeds zaden in overvloed hebben uitgestrooid, eer men er nog erg in heeft dat ze bloeien. Dit zijn vooral het éénjarige Beemdgras (Poa annua) en de Muur (Alsine media); ook mag men gerust het gemeene Kruiskruid (Senecio vulgaris) hierbij rekenen, dat nog te gevaarlijker is, wijl de vederlichte zaadkorreltjes overal heenwaaien.
Niets echter is gemakkelijker dan dit te voorkomen, daar men het zich slechts tot gewoonte behoeft te maken minstens eens om de twee weken de perken en de paden te schoffelen en aan te harken, wat toch in elk geval aanbeveling verdient, wijl pas geharkte paden er veel aangenamer uitzien dan die, waarvan de aarde door den regen vastgeslagen is.
Voor dit schoffelen neemt men een drogen, zonnigen dag waar, omdat het kleine onkruid, dat allicht tusschen de tanden van den hark ontsnapt, dan verbrandt, terwijl het anders, bij vochtig weer, zich licht weder met de worteltjes in den grond vasthecht, en het is juist dit kleine onkruid, waartegen men gestadig strijd moet voeren.
De paden harkt men vanzelf meer aan; die wat keurig op zijn tuin is, doet dit elken morgen.
Hiervan heeft men de meeste voldoening, wanneer men ze bestrooit met fijn grint, hetwelk trouwens wel als het beste middel te beschouwen is om de paden zooveel mogelijk vrij van onkruid en droog tevens te houden. Heeft men er bij den eersten aanleg een laag van een paar cM., over gestrooid, dan zal men later jaarlijks alleen daar wat noodig hebben, waar veel geloopen wordt en de grond te hard werd om dien goed te kunnen schoffelen. Het bovenlaagje moet los blijven, maar ook niet meer dan het bovenlaagje, zoodat men er vooral niet te veel grint op mag uitstrooien, wijl dit het begaan ervan bemoeilijkt. Een pad, dat matig begrint is, laat zich gemakkelijk schoffelen en aanharken, welk laatste een aangename ochtendbezigheid is, voor iemand die schik in zijn tuin heeft.
Heeft men een bloemperk waar in Augustus het mooie afraakt, dan moet men dit veranderen, wijl het dan den tuin niet meer tot sieraad strekt. Er zijn licht in 't najaar bloeiende planten te verkrijgen, om het te vernieuwen. Asters b.v. komen hiervoor goed te pas.
Is de zomer voorbij, heeft een vroege vorst de Dahlia's, Heliotropen, Geranium's, enz. bedorven, dan is het zaak een flinke opruiming te houden; de vaste planten snijdt men af, de Dahlia's, Canna's en de Knol-Begonia's neemt men op; sierplanten in potten bergt men, waar men er gelegenheid voor heeft, en het afgevallen blad harkt men steeds bijeen; het dient allicht voor een enkele plant, die dekking behoeft.
Velen hebben de gewoonte om, als 't in October guur wordt, te zeggen: de tuin geeft nu toch niets meer, laat den boel dus nu maar rusten tot het voorjaar. Dit is zeer verkeerd gezien. De tuin kan ten allen tijde wat geven, dus ook in den herfst, ook in den winter, maar natuurlijk in elk seizoen niet hetzelfde. Daartoe is, en ik kan er niet genoeg op drukken, vóór alles netheid, zindelijkheid en orde noodig, ten allen tijde. Zelfs in den winter is het gezicht op een goed onderhouden tuin verkwikkend en niet minder in den herfst, die toch nog kleuren, zelfs nog bloemen geeft. Men leere van wat elk jaargetijde ons beschikbaar stelt het rechte gebruik te maken; men zal er zijn tuin te meer om gaan waardeeren, en de uren daaraan besteed allesbehalve tot de verlorene, maar wel degelijk tot de goed gebruikte rekenen.