← Table of contents
Atheensch Jongensleven

II (continued 2)

Reading edition

Vooreerst moet het onderricht in het lierspel den knapen de bekwaamheid geven om lyrische poëzie te waardeeren. Lyrische liederen-poëzie namelijk zonder lier, zooals wij die kennen, zou zulk een Atheensche jongen zich niet gemakkelijk hebben voorgesteld. Dat er eens eene lyriek zou bestaan, bestemd om voorgelezen, niet voorgezongen te worden, om in stilte te worden genoten, niet met de ooren, doch met de oogen, dat heeft noch die jongen noch zijn vader vermoed. De Grieken van Pericles’ tijd zijn niet enkel een volk van dichters, maar ook, wat zij steeds geweest waren, een volk van zangers. Herders, roeiers, maaiers, wachters, allen hadden hun liederen—helaas, dat alleen heel flauw en gansch uit de verte, op den achtergrond der literaire poëzie, daarvan een weerklank nog tot ons komt! Want de zang had in het leven der oude Grieken een ruime plaats. Niet alleen zong de eentonige welluidendheid van het wiegelied hun kinderen in slaap, zooals de onze; ook in het klaaglied van den threnos brachten zij zingend hun laatsten groet aan de lijkbaar. Menig Athener vond de welluidendste uiting van zijnen rouw hierin, dat hij een citherspeler deed beitelen op de grafzuil van een hem dierbaren afgestorvene. Het was derhalve geen wonder, zoo niet slechts eene keur van letterkundig ontwikkelden, maar alle burgers die de poëzie van hun volk liefhadden de overtuiging huldigden, dat men den knaap slechts ten halve het leven leerde verstaan, als men hem de lier niet in de hand gaf. Het gevoel voor poëzie is bij de Grieken met muzikaal inzicht ten nauwste verbonden, en dàt inzicht—zoo meenden althans ten tijde van Pericles nog de meeste vaders—kan eenen jongen niet te vroeg worden gegeven. De muzikale opvoeding moet in hem het besef doen rijpen, dat de toon van zijn eenvoudig instrument aandeel heeft in de bekoring der poëzie. Zijn spel moet het woord des dichters voorbereiden in het praeludium en dragen in het accompagnement, en de klank der melodie, door hem met aandacht bewaard, zal meehelpen om ook de gedachte van den dichter zuiver en in den juisten vorm te bewaren.

Deze overtuiging huldigen ook zelfs die Staten van het oude Hellas waar het literaire onderwijs overigens weinig in aanzien was. Te Sparta bijv. hebben wetgevers en bestuurders het langen tijd ernstig in twijfel getrokken, of het wel wenschelijk was de knapen, zonder onderscheid, door leesonderwijs in de gelegenheid te stellen kennis te maken met alles wat geschreven was: een goed soldaat immers heeft aan mondelinge commando’s genoeg. Toch heeft dat zelfde Sparta niet slechts de elegische krijgsliederen van Tyrtaeus in eere gehouden, maar bovendien werd geen feest van Apollo Karneios gevierd, of de Spartaansche meisjes zongen in beurtreien de welluidende Partheniën (jonkvrouw-zangen) van hunnen Alcman onder muzikale begeleiding. En in deze functie der muziek, in de groote beteekenis van het snarenspel bij de godsdienstige feesten lag de tweede gewichtige aanleiding voor de zorgvuldige muzikale opvoeding der Atheensche knapen. Elk dezer jongens weet, hoe eervolle eischen op de godenfeesten zullen kunnen worden gesteld aan zijne bekwaamheid in het lierspel. In de verdere bespreking van de Atheensche opvoeding zal ons dit duidelijk genoeg blijken. Eerst moeten wij trachten ons van de schoolsche liermuziek zelve eenigszins een denkbeeld te maken.

Een Grieksche, althans een Atheensche jongen zou zich zijne voorouders, en de helden van zijn geslacht, of zelfs de heroën uit het epos dat hij op school leest, niet goed kunnen voorstellen als menschen die geen muziek verstonden. Toch maakte hij, te recht of ten onrechte het oude afmetend naar zijn eigen tijd, onderscheid bij de scènes die hij las. Wanneer hij hoorde, hoe bij het feestmaal der Vrijers van Penelope de heraut placht binnen te komen en de kitharis in handen placht te geven aan Phemios „die door den nood gedwongen zangersdienst deed bij de Vrijers”, of wanneer hij gedacht, hoe aan den maaltijd der Phaeaken de heraut den welbeminden zanger binnengeleidde, Demodocus, „dien de muze zeer lief had en wien zij de gave van het lied had geschonken daar hij het licht der oogen moest derven”, en hoe dan de heraut zorgvuldig aan een pilaar waartegen Demodocus’ stoel leunde, de phorminx van den blinde boven diens hoofd ophing en hem deed gevoelen, hoe hij die tastend met de hand zou kunnen vinden, dan wist onze jonge Athener twee dingen, vooreerst dat hij in beide die scènes te doen had met ongeveer dezelfde kunst waarvoor men hem zelven de muziek wilde leeren. Niet dat hij dan even als Phemios en Demodocus epische stukken, van het „Trojaansche paard” of van „Agamemnons twist”, met lier-accompagnement zal leeren voordragen: Homerus zingt men in zijn tijd niet meer, zooals die Aoiden deden—die er al zingend ook nog wel eens wat bij dichtten!—Homerus reciteert men op de wijze zooals hij het de rhapsoden heeft zien doen, in fraaie feestkleedij, met een krans op het hoofd en een staf in de hand, of zooals hij ’t zelf doet, desnoods den rhythmus aangevend met de hand. Maar overigens weet hij dit zeer wel: bij deze oude Aoidenvoordrachten was evenmin sprake van eigenlijk muzikale praestatie als in het onvergetelijke tooneel, zoo levendig beschreven in het Negende boek der Ilias, wanneer laat in den avond Achilles, in de eenzaamheid van zijn jongen wrok neerzit voor zijne tent alleen met Patroclus, en, terwijl deze ernstig toeluistert, bij den klank der phorminx zingt van de „daden der Vaderen”.

De knaap, die dat gedenkt, weet ook wel hoe de oude phorminx er uitziet. Hij heeft te dikwijls op drinkschalen en vazen de voorstelling gezien van Achilles’ leeruren bij Chiron „den uitnemendste aller Centauren”; zou hij niet, als eens zijn verrassing over dien braven, gebaarden leermeester met zijn goedaardige gezicht en zijn forsche, bijna wilde paardenlichaam wat bedaard was, telkens weer met gespannen aandacht hebben nagegaan, hoe de centaur de jonge vingers van Achilles leidde over de snaren van het vier- of zevensnarig instrument?

Vier- of zevensnarig? Het is niet onwaarschijnlijk dat de Atheensche jongen die vraag met evenveel onzekerheid heeft gedaan als wij. Want zijn Homerus zegt het hem niet en de schilderingen op schalen, voortbrengselen van de kunst zijner eigene tijden, hebben toch ook niet de ware autoriteit; bovendien laten die schilders niet zelden op hunne tafreelen evenzeer de snaren van de phorminx weg als b.v. de pees van den boog.—Maar het allerminste wat wij van des knapen citharist mogen verwachten is toch wel dat hij den jongen leert, hoe de instrumenten er vroeger uitgezien hebben en ten zijnen tijde uitzien! Mij dunkt, dat zal een Atheensch muziekmeester ongeveer aldus hebben gedaan: „Vooreerst”, zal hij hebben gezegd tot zijne leerlingen, „moet ge bedenken dat, als Homerus van een citharis spreekt dit ongeveer het zelfde is als onze lier, en dat er tusschen de citharis van Paris en de phorminx van Achilles ook geen groot verschil kan geweest zijn. Wilt ge weten, of die oude citharis ook in bouw met onze lier overeenstemt, let dan maar eens op hoe juist op de lier in mijne hand toepaslijk is wat in de Homerische Hermes-hymne wordt verteld van de wijze waarop Hermes de lier heeft uitgevonden: hoe hij de schildpad grijpt en haar schild openbreekt, hoe hij staafjes zet binnen in het rugschild, nadat hij het vleesch daar geheel heeft uitgesneden, hoe daarover een stuk huid wordt gespannen en dan in de openingen van dat zelfde schild twee andere staven worden gestoken—in mijne lier zijn die van hoorn. Die twee staven vereenigde Hermes door een juk, en van dat juk af spande hij op zijn klankbodem de snaren uit darmen bereid.—„Hoevele?”—Ja, in den Hymnus staat „zeven.” Maar dat zal toch wel zijn omdat de zanger van dezen hymnus zelf al een zevensnarige lier bezat. Wie het eerst bij onze oudste vaderen de lierkunst heeft uitgevonden, hetzij Apollo—zooals ook in de homerische hymnen wel wordt gezegd—hetzij Hermes, die heeft geen zevensnarige lier gekend, maar een viersnarige!”

Het is een hachelijke onderneming de fictie, alsof we een Atheenschen citharist sprekend vermogen in te voeren, al te lang voort te zetten. Hij heeft zijn’ leerling allerlei te beduiden, dat wij hier alleen uit de verte kunnen aanwijzen, daar wij ons op het gebied der muzikale techniek, als onbevoegden, niet willen wagen. Vooreerst zal toch de meester aan deze knapen wel hebben doen hooren, hoe eigenlijk de toonschaal van de zevensnarige lier gelegen was. Hij zal hun gewezen hebben dat de oude viersnarige lier met hare vier noten in drieërlei aard kon zijn samengesteld, daar zij bij eene samenstelling van snaren, welke ongeveer onze ef g a weergaven, een ander karakter had dan wanneer het kleine interval (ef) in het midden lag (d ef g) of op het eind (c d ef); hij zal hun hebben doen hooren, hoe die eerste toongroep (de Dorische) tot ernstiger muziek zich leende dan de tweede (de Phrygische) of de derde (de Lydische). Minder bezwaar dan deze theoretische uiteenzetting zal ’t hem gekost hebben den jongens duidelijk te maken hoe schraal dit accompagnement was, en hen te laten zien hoe—waarschijnlijk door de inventie van den Lesbischen dichter-zanger Terpander—in de zevende eeuw de toonschaal was uitgebreid door de vereeniging van twee tetrachorden-schalen, zoodat men een zevensnarige tonenreeks op het instrument verkreeg (ef g a bes c d).

Of nu hiermee de lier, die hij zijn leerling in de hand legde, volkomen in overeenstemming was, weten wij niet; zelfs is ons onbekend, in hoever deze kleine Atheensche jongens reeds hebben geleerd den rijkdom der tonen te vermeerderen door met den vingerdruk de snaren te verkorten, zooals bij ons vioolspel geschiedt. De vazenschilderingen toonen ons wel duidelijk dat de meesters zoowel als de knapen dikwijls met de vingers in plaats van met het zoogenaamde plectrum (het staafje) de snaren aanraken, maar wanneer men let op de plaats waar zij met den vinger de snaar beroeren, is het wel duidelijk dat dit een eenvoudig tokkelen en niet een verkorten van de snaar is; het is dus vingerspel naar den ouden trant, naast slaan met het plectrum volgens de nieuwe manier.

Overigens vraagt het eigenlijke doel dezer oude liermuziek niet eene zoo rijke modulatie van tonen. Eigenlijke instrumentale muziek is bestemd voor de cither (kithara). De cither, die dus den ouden naam had behouden waarmee in de homerische poëzie het eenvoudiger instrument was aangeduid, is door haren bouw (haar houten klankbodem en hare holle armen aan weerszijden van de snaren) die later in den afgeleiden vorm van den psalter aan onze harp zou nabij komen, geschikter voor klankvolle muziek; zij is in de handen van den virtuoos, hetzij hij een lied zingt bij zijn muziek, hetzij hij zwijgend voordraagt, het ware instrument voor de technische muzikale voordracht, en deze wordt grootendeels overgelaten aan de musici van beroep, althans niet op school onderwezen.

Ook hier—en in meerdere mate nog dan bij het literaire onderwijs—deed zich in de bewegingsvolle tijden van den Peloponnesischen oorlog eene zeer sterke wijziging van inzicht gevoelen. Een ouderwetsch man is tevreden als zijn zoon een oud lied op de oude wijze zingt. De regels van het vers aldus recitatief voordragend dat iedere sylbe goed wordt verstaan, verheft hij, verdeelt hij en accentueert hij die voordracht door het aanslaan van zijne lier, zoo vaak versbouw en zinsnede het verlangen: zoo verduidelijkt zich de cadence, zoo zingt de jambe helderder, zoo huppelen de dactylus en de anapaest vlugger.

Maar die voordracht zelve moest ondanks het protest der conservatieven wel veranderen bij de ontzaglijke vlucht, die in de vijfde eeuw de kunst zelve der in het openbaar gezongene poëzie had genomen. Er ligt een wonderbaar snel afgelegde weg tusschen den statigen bouw der voorname Pindarische strofen en de onrustige modulatiën van een dithyrambendichter als Timotheos. Zelfs indien wij ons bepalen tot de chorische lyriek van de drie groote tragici kan ons die snelheid van ontwikkeling niet ontgaan. Welnu, indien de taak van den citharist inderdaad niet alleen was om zijn jongen leerling te wijzen, hoe hij aan tafel zijne lier moest gebruiken als hij op zijne beurt ging zingen:

In de myrten zal ik mijn zwaard verbergen

Zooals Harmodios en Aristogeiton—

doch indien zijne propaedeuse den knaap tevens vatbaar moest maken om als een verstandig toeschouwer toe te luisteren in den schouwburg, ja zelfs misschien op zijne beurt mee te zingen in deze nieuwe koormuziek, dan had ongetwijfeld de muziekleeraar van den Pericleïschen tijd een vrij wat uitgebreider en moeilijker taak te vervullen dan zijn collega van Aeschylus’ dagen. Meer en meer had in die eeuw de muziek geleerd, de rol haar oudtijds toebedeeld als al te bescheiden te beschouwen. Alleen maar draagster van het woord te zijn en in haren rhythmus zich te laten binden door zoo enge middelen als de slechts tweevoudige afwisseling van lang en kort toeliet, dat was haar niet genoeg: haar eisch was, zoo noodig de lettergreep niet slechts een kwart-noot of een halve noot aan te houden, maar zelfs een heele noot. En op dien zeer begrijpelijken eisch volgde weldra een tweede: de toondichter vorderde voor zich het recht, het lied van den poëet te behandelen naar dezelfde methode die in het operalibretto vóór de dagen van Richard Wagner gold, en hij rekte en knipte en ontwrichtte het woord, om te voldoen aan zijn tremolo’s en alle verdere modulatiën.

Voor een jongen uit het allerlaatst van de vijfde eeuw was het dus een vrij belangrijke vraag, welke richting in de muziek zijn vader was toegedaan. Streng conservatief, zoodat hij van deze virtuositeit dergelijke gevaren voor de zedelijke opvoeding van zijn zoon vreesde als Plato, die al deze schijnbegeleiding uit den booze achtte en er even ernstig tegen waarschuwde als tegen de zuiver instrumentale muziek, in des wijsgeers oogen zoo verwerpelijk „omdat ze maar al te licht ontaardt in de vage vertolking van duistere, droomerige depressie of van zinlijke verbeelding”? Of flink geavanceerd als de zoon van Strepsiades in het blijspel van Aristophanes, zoodat hij zelfs Aeschylus ouderwetsch noemt en gezwollen? Het best zou hij het zeker getroffen hebben, indien Aristophanes zelf zijn vader of zijn leeraar was, want die zou hem hebben kunnen leeren de nieuwe muziek tegelijk kunstmatig na te volgen en in hare overdrijving te bespotten.

Over een ander onderdeel van het onderwijs in de muziek, het zangonderricht, kunnen we na ’t geen over de cither is gezegd kort zijn; de zang is namelijk met het lierspel geheel één. Maar kort na de Perzische oorlogen kwam het fluitspel te Athene in de mode, niet als technische begeleiding alleen door musici van beroep gegeven bij offerplechtigheden, dansen en theatervertooningen, waar de fluit wisselt met de harpbegeleiding, doch ook als liefhebberij voor gewone burgers en weldra als vak van onderricht; en zoo ziet men dan ook op verschillende schalen die schoolscènes weergeven den welbekenden dubbelen aulos (die in den klank meer van onze clarinet dan van de fluit had) in de handen van den Atheenschen jongen. Weldra stellen de burgers van Athene er eene eer in, als hun naam wordt genoemd onder de medewerkers in een Dionysisch koor van fluitspelers, en men vindt het de moeite waard van eenen of anderen grooten staatsman te vertellen, wie zijn meester—dan toch zeker zijn privaatonderwijzer—in het fluitspelen was geweest.—Maar deze liefhebberij voor het fluitspel is eene mode geweest en als zoodanig spoedig verdwenen. Misschien werd de techniek, vooral bij het gelijk behandelen der beide fluiten, voor dilettanten gaandeweg te zwaar, misschien dachten velen over de zaak als Alcibiades, die zijnen leermeester het instrument voor de voeten wierp dat den speler dwong een zoo leelijk gezicht te trekken en hem bovendien verhinderde te praten onder het spel. In elk geval heeft zeker omstreeks het einde van den Peloponnesischen oorlog de lier, althans in de school het terrein, dat zij tijdelijk aan de fluit had moeten afstaan, weer heroverd.

De vraag, of in deze afschaffing van een vrij jong leervak ook moet worden gezien de practische uiting van eene veldwinnende vrees voor overlading van het onderwijs, kan nauwelijks bevestigend worden beantwoord. Het zal in eene volgende afdeeling van dit hoofdstuk blijken dat integendeel in de eerste jaren van de vierde eeuw de leeftijdsgrens voor het onderwijs tegelijk met zijne eischen is gestegen; bovendien achtte men het gevaar voor schade, door de geestelijke inspanning aan de gezondheid toegebracht, wel opgewogen door de groote zorg aan de gymnastische oefening gewijd.

Bij de Atheners—zooals ook elders in Griekenland—is deze gymnastische oefening der jeugd in haren eersten oorsprong natuurlijk niet het gevolg eener theorie. Zonder twijfel: de „harmonische ontwikkeling van lichaam en geest”, het mens sana in corpore sano, hebben de Grieken wel begeerd. Maar in hare geschiedenis was de eisch tot gymnastiek deze, de jonge burgers te maken tot rappe krijgers, en tot schoone medespelers in al de reiën, de dansen en de tournooien, die Grieksche staten ter eere van hunne goden plachten te houden. Maar toen, bij de ontwikkeling van den Staat in zijne onderscheidene standen, de gymnastiek evenals het verdere onderwijs meer los werd gemaakt van hare oorspronkelijke, practische bedoeling, toen stond begrijpelijkerwijze meteen de deur open voor het gevaar dat de lichamelijke opvoeding de overhand zou krijgen, dat de gymnastiek athletiek zou worden, d.w.z. die eigenlijke athletiek welke menschen fokt die voor niets anders leven dan voor enkele op zich zelf staande en onnutte krachtpraestaties. Ook Plato heeft ze reeds gekend, de krachtmenschen met gezwollen spierbundels en leege hersenen, de beroeps-worstelaars, die leefden op een bepaald dieet, maar die in den oorlog het moesten afleggen tegen den eersten den besten goed-geoefenden ephebe. Ja, lang reeds vóór Plato was over de athletiek een met hartstochtelijkheid gestreden twist uitgebroken. Hoe spot reeds de oude Xenophanes met den man die vooraan zit aan den eeremaaltijd alleen omdat hij—of misschien zijn paard—het vlugst heeft geloopen, terwijl hij zelf, de wijsgeer-dichter, als een rondreizend zanger voor een kleine gave zijn lied moet voordragen. Geheel anders daarentegen spreekt Pindarus! Is niet de athleet door zijne hymnen verheerlijkt als de roem en eer der stad die hem het leven schonk?

De Grieken zijn bespiegelend van aard en debatlustig, en zoo zou zelfs eene vluchtige bloemlezing der beschouwingen vóór en tegen de gymnastiek bij de Atheners, in den bloeitijd van het drama en met name door Euripides, die zelf geen voorstander van de gymnische kunsten was, ten tooneele gebracht, ons veel te ver voeren. Meer dan de lectuur van zulke controverse meeningen zegt ons trouwens eene plaats uit Xenophons Anabasis, die iederen oud-gymnasiast in de herinnering is gebleven, en die bewijst hoezeer de lust tot het athletische spel den Grieken in ’t bloed zit. Toen Xenophons soldaten, het restje der welbekende Tienduizend, na maanden van moeite en gevaar de langbegeerde zee weerzagen, toen vielen zij niet slechts elkaar weenend in de armen, maar zij bekrachtigden ook hunne vreugde door plechtige geloften aan de goden, en zij vervulden die belofte door offers en door een geregelden gymnischen Agon. Xenophon, dezen Agon vermeldend, vindt het zelfs de moeite waard er bij aan te teekenen, wie als opperste scheidsman daarbij heeft gefungeerd.

In de regelmatige toepassing der gymnastiek als deel van het lager onderwijs hebben de Atheensche vaders zeker wel even goed als hunne dichters en theoretici van tijd tot tijd geweifeld. De bittere vraag van Euripides: „heeft ooit een man zijn vaderland gered omdat hij een krans met zijne vuisten had veroverd?” bracht daartoe evengoed het hare bij als de ervaring dat een zoon van niet al te vermogende ouders datgene moest leeren wat hem, als hij volwassen zou geworden zijn, kon beschermen tegen den honger. Maar toch mag men als algemeene waarheid aannemen dat, voorzoover het onderwijs aangaat, de gymnastiek nooit op den achtergrond is gedrongen. De Hellenen hebben altijd met trots gevoeld, dat zij volstrekt niet alleen door geestelijke voortreffelijkheid zich van de barbaren onderscheidden, doch ook door die liefde voor lichamelijke inspanning die de verstandelijke faculteiten schraagt en verfrischt. Men begaat geen anachronisme, indien men tot toelichting van die meening Lucianus citeert. De Anacharsis van den geestigen essayist van Samosata, die door zijne eigene Syrische afkomst zoo bijzonder goed in staat was het onderscheid tusschen Grieken en barbaren, zelfs toen in de tweede eeuw onzer jaartelling nog bestaande, waar te nemen, bevat een uitnemend geschreven gesprek tusschen Solon en zijn Scythischen gastvriend Anacharsis. De Atheensche wetgever staat met Anacharsis te kijken naar eene palaestra (een gymnastiekschool in de open lucht) waar de jongens zich volgens de eischen der techniek oefenen in het worstelen. „Hoe nu, Solon”, roept Anacharsis, „zijn die jongens gek? Zooeven wreven ze elkaar nog zoo vriendschappelijk met olie in, en nu gooien ze elkaar in de modder, lichten elkaar beentje en ’t scheelt niet veel of de een zal den ander worgen! En die sukkel van een meester staat er bij en lachend prijst hij den knaap die zijne kameraden het hardst heeft aangepakt!”—Het kost Solon weinig moeite om aan den Scythischen vreemdeling de beteekenis van het worstelen duidelijk te maken. Trouwens, Lucianus was een veel te ervaren journalist om in den breede uit te weiden over zaken die al zijne lezers evengoed wisten als hij. Het „nut der gymnastiek” was een geliefdkoosd onderwerp voor de schrijvers van dergelijke kleine schetsen als èn Lucianus èn Philostratus gaarne publiceerden; en hoezéer in hun eigen tijd nog, bepaaldelijk als hygiënische maatregel, de gymnastiek in eere was, blijkt o.a. op merkwaardige wijze uit een paar losgescheurde bladen van een „korte handleiding voor het technisch worstelen”—die enkele jaren geleden in Aegypte zijn opgegraven, en die een reeks van korte kommando’s aan twee worstelende knapen behelzen.—Meer zorg echter is door Lucianus aan de beantwoording van een tweede vraag van Anacharsis besteed.

„Ik begrijp niet—zoo had de Scyth droogjes opgemerkt—waarom iemand, als hij een olijfkrans wil hebben, niet eenvoudig een twijg van een boom snijdt en zich die om het hoofd bindt zonder zich eerst daarvoor in de maag te laten schoppen.” Deze woorden van Anacharsis zien op de poging door Solon gedaan om hem eerbied in te boezemen voor den eereprijs die soms bij zulk een worstelstrijd het doel kon zijn, en geven aan Solon gelegenheid om de belangrijke vraag naar de zedelijke waarde van de eerzucht in Atheenschen, d.i. ook ten opzichte van de educatie in gunstigen zin, te beantwoorden, en om daarnaast nog eens de leer in het licht te stellen die Athene groot had gemaakt, n.l. deze, dat door de juiste en evenredige staling van de lichaamskracht de geestkracht wordt gesterkt en de overtuiging wordt gewekt dat het ware evenwicht voor den mensch niet in de rust doch in de inspannende beweging is gelegen.

In den goeden tijd is die leer het fundament der Atheensche gymnastiek. Wat nu echter het onderwijs in die gymnastiek betreft, moet men onderscheid maken tusschen twee soorten van gymnastiekinrichtingen: de palaestrae en de gymnasia.

De kleine jongen die thuis door zijn balspel zijne vlugheid, en wellicht bij de school door touwtrekken en dergelijke spelen zijne spierkracht heeft geoefend, gaat daarna—omstreeks zijn tiende jaar—gymnastiek leeren. Daartoe zendt zijn vader hem naar eene palaestra. Zulk eene palaestra is eene particuliere gymnastiekschool, als zoodanig niet per se voor het publiek toegankelijk. Wanneer dus in het begin van Plato’s Lysis de vrienden van Socrates hem op straat aanroepen en vragen om mee te gaan naar een nieuw gebouwde palaestra, welker deur openstaat en waar zij zonder verlof te vragen binnenwandelen, dan volgt daaruit nog niet dat eene palaestra eene publieke plaats is, of dat de Staat tot instandhouding dier inrichtingen iets doet. De gymnastiekmeester (paidotribes) is de eigenaar van zulk eene school en hij ontvangt, evenals de grammatist en de citharist, schoolgeld voor zijn onderwijs. Dat dus—zooals Plato het herhaaldelijk in zijne dialogen schildert—Socrates en de zijnen met de grootste vrijheid in die scholen binnen gaan en met de jongens—toch zeker in de pauze of na afloop van het onderwijs—zitten te praten, is eenvoudig het gevolg van eene vaste gewoonte. De palaestra kan worden gesloten, maar de paidotribes komt te gemoet aan de algemeene begeerte der burgers om op hunne wandeling naar ’t gymnastizeeren te komen kijken; en hij heeft daar gelijk in, want zoo worden de jongens geprikkeld om zich op hun best te vertoonen, en wordt in de concurrentie het aanzien zijner school bevorderd.

De gymnasia daarentegen zijn geene particuliere inrichtingen van onderwijs, maar groote, publieke gebouwen met niet al te beperkt terrein. In den Hellenistischen tijd zijn het—zoo o.a. te Perganum—ware sportpaleizen geworden, met leeszalen, badplaatsen enz., doch ook reeds te Athene in den bloeitijd dienden ze niet slechts als oefenplaats voor al die talrijke spelen waarmee de volwassen Atheners zich bezighouden, doch ook tot school voor de athleten van beroep; voorts hielpen ze mee om te voorzien in de behoefte aan schaduwrijke terreinen en koele zuilengangen, die in de zomerhitte voor eene stad als Athene onmisbaar waren. De sophisten zijn er zeker van, daar een gehoor voor hunne rhetorische pronkredenen bij elkaar te zullen vinden; daar nestelen zich de philosofen in een hoekje, daar komen ook de zakenmenschen elkaar zoeken, als zij hunne handelsvrienden niet meer op de markt of in de openbare badplaatsen vinden.

Maar de schooljongen gaat naar de palaestra: natuurlijk vindt hij ook hier, naar gelang van de offervaardigheid zijns vaders, eene fraaiere of eenvoudiger inrichting. Maar op zijn minst is het toch altijd wel een open plek gronds, versierd met een paar statuen, vooral met een standbeeld van dien Hermes, den beschermer der athletiek, te wiens eere jaarlijks de jonge gymnasten feestvieren en de paedagogen, zooals we zagen, een beker extra drinken. En om de met fijn zand bestrooide worstelplaats heen staan natuurlijk banken, voor de jongens om uit te rusten, en voor Socrates en zijne vrienden om bij de oefening toe te zien.

Alleenheerscher in deze school is nu de gymnastiekmeester. Paidotribes heet hij met een bescheiden naam, want oorspronkelijk zal dat woord wel doelen op het inwrijven met olie, dat aan het worstelen voorafgaat, en dat hij als een deel der techniek ook aan de jongens moet leeren, vóór ze het als in den Anacharsis van Lucianus elkander, of zich zelven kunnen doen. Maar hij heeft alles te zeggen en zijn ambt is een post van vertrouwen, niet ongeëerd, daar men hem somtijds, als hygiënist, in éénen adem met den geneesheer noemt. Hij heeft te beslissen, welke oefening voor ieder zijner leerlingen geschikt is, wat de schoonheid kan bevorderen, wat te zwaar is voor het gestel van den een, wat niet inspannend genoeg voor de gemakzucht van den ander, en als teeken van zijne waardigheid draagt hij, staande in het midden zijner knapen, een langen stok, die dienstig is om te dirigeeren als ook—zoo ’t noodig is—om duchtig te disciplineeren.

Eene deskundige beschrijving, die streng scheiding maakt tusschen de werkzaamheden van palaestra en gymnasium is bezwaarlijk te geven, ook omdat de paedotribe zonder twijfel bevoegd was zelf die grenzen min of meer te wijzigen en misschien zelfs, van tijd tot tijd, voor bepaalde oefeningen zijne leerlingen in een gymnasium te brengen, als de ruimte in zijne palaestra te beperkt was—natuurlijk de oudere, want nog veel meer dan in de school van den grammatist is bij den paedotribe, in verband met de ontwikkeling van het knapenlichaam, indeeling in groepen en klassikaal onderwijs eene zaak die van zelf spreekt.

Onze ouderwetsche dansmeesters noemden zich niet ongaarne „professeurs de danse et de maintien”. Dit laatste is zonder twijfel wel een van de dingen geweest, waarmee dadelijk in de palaestra wordt begonnen. Aristophanes, die in alles over achteruitgang klaagt, vindt wel dat de paedotriben van zijn tijd er lang niet genoeg meer op letten, dat de jongens die ze onder hunne leiding hebben fatsoenlijker zitten, maar de afbeeldingen op de prijsvazen en schotels stellen ons dienaangaande vrij gerust: zooals daar in school en palaestra de jongens staan, zoo staat alleen wie ’t geleerd heeft. Maar marcheeren dan, en dansen? Hierover zwijgen, zooals zoo vaak, onze literaire getuigenissen, en als op de keurige vazen een sierlijke jongen of ephebe danst, staat er niet bij geschreven dat hij het van zijn paedotribe heeft geleerd. Intusschen, de Atheners zijn van ouds een dansend volk, al zijn ze niet allen zulke dansers als die Hippokleides van wien Herodotus ons vertelt. Door den tyran Clisthenes van Sicyon was Hippokleides uit vele mededingers tot schoonzoon verkozen, en op merkwaardige wijze uitte hij zijne vreugde hierover. „Aan het dessert”—, zoo vertelt Herodotus met die ironische woordkeus, die zonder eene syllabe van afkeuring alles weet te zeggen door onthouding—„boeide Hippokleides al de anderen zeer. Eindelijk liet hij een fluitspeler komen en begon te dansen; en in zijn dansen schepte hij zelf wel veel behagen, doch Clisthenes begon zich over de zaak ongerust te maken. En toen nu in ’t eind Hippokleides een tafel liet aanschuiven en daarop eerst Laconische figuren vervolgens Attische ging dansen, ja ten slotte boven op tafel op zijn hoofd ging staan en met zijne voeten allerlei „handbewegingen” maakte, toen riep Kleisthenes uit: „O Hippokleides, gij hebt uw huwelijk verdanst!”

Reeds alleen omdat de dans van Hippokleides niet beantwoordt aan het allereerste voorschrift: dat alle onderricht in de palaestra tot strekking hebben moet, welvoeglijkheid en voorname gratie te kweeken, mogen wij er niet aan denken den paedotribe van Hippokleides aansprakelijk te stellen voor den onwelvoeglijken dans van dezen. Maar die „Attische dansfiguren”, die kan Hippokleides toch licht in de palaestra hebben geleerd. De waarschijnlijkheid van dansonderwijs toch ontleenen wij aan de herhaalde afbeelding van beroepsfluitspelers op palaestra-tafreelen—waar zij ook het springen door hun spel verlevendigen—en de groote wenschelijkheid van zulk onderricht moet ieder erkennen, die bedenkt bij hoevele feesten de hulp van jonge dansers werd ingeroepen. Het is waar—voor eene dramatische vertooning, bijv., waren die knapen maandenlang onder leiding van den man die het koor zou leveren en besturen bijeen, en werden zij op zijne kosten geoefend. Maar reeds deze regel van gemeenschappelijk instudeeren veronderstelt eene algemeene geschiktheid die zeker nergens beter dan bij de paedotribe kon worden verkregen.

Behalve bij dit dansonderricht gaat zeker de lijst van al hetgeen in de palaestra werd onderwezen, in de meerderheid der gevallen parallel met den rooster der vrije oefeningen eener hedendaagsche gymnastiekschool. Ook zonder dat wij er uitvoerig verslag van geven, zal men wel begrijpen dat het springen—de hoogsprong, de vèrsprong, de sprong met halters—bij de Atheensche jongens in hooge eere was. Het hardloopen ook: en al zal dit wel niet, of althans niet volledig, in de gymnastiekschool zelf zijn geoefend, de paedotribe moet daartoe zijne jongens zeker van tijd tot tijd in het stadium hebben gebracht. De stadiumloop van ruim 180 meter is daarbij een eerste termijn. Maar straks wordt de loop verdubbeld in den diaulos, waarbij de hardlooper moet leeren in volle vaart zich te wenden, en eindelijk komt de dolichos van zeven, tien en zelfs twintig stadiën. Meer dan een half uur gaans! Hierbij is natuurlijk geen sprake meer van rennen. Het is de kunst om in gelijkmatigen draf zijne geheele baan door te loopen en dan niet hijgend en—zooals Plato zegt—met de ooren op de schouders aan te komen. Niet voortdurend wordt daarbij, zooals bij den aanvang zeker gebeurt, gezocht naar een harden, stevigen bodem. Neen, de kunst is te leeren hardloopen zonder hinder van het terrein te ondervinden, nu eens in ’t mulle zand, dan weer op drassige landen, ook zeker niet altijd naakt. Want voor de besten dezer jonge dravers zal er een tijd aanbreken, dat ze zullen meedoen aan den wedloop in volle rusting als zwaar gewapenden. Dan zullen ze zich burgers kunnen toonen dien Atheenschen hardlooper Phidippides waardig, die binnen twee dagen tijds het bericht van de overwinning bij Marathon overbracht van Athene naar Sparta.

De groote discus zal aan deze jonge knapen waarschijnlijk nog niet in handen zijn gegeven. Toch is er sprake van discus-wedstrijden voor knapen, wellicht met een kleiner formaat van schijf. En deze oefening zelve was voorzeker eene voortreflijke afwisseling na de bovengenoemde exercitiën van de longen en de borstspieren. Sterk worden de vingers door het vastknellen van de platte schijf, ruim de borst, en lenig het schoudergewricht door het achterwaarts strekken van den gespannen arm. En eindelijk, als de discuswerper met forsche kracht den arm naar voren brengt en de schijf laat schieten, dan komen plotseling de spieren van zijn geheele lichaam in werking, daar hij moet verhoeden dat hij plat voorover valt, zijne schijf achterna.

Of het vuistgevecht ook al in deze jongensschool werd onderwezen is onzeker; althans stellig niet de bij wedstrijden van volwassenen zoo geliefde strijd van het pankration, combinatie van boksen en worstelen die èn heftig èn gevaarlijk was en zeer zeker niet bevorderlijk voor die bevallige lenigheid, welke voornamelijk in de palaestra werd gezocht. Maar wel was ook reeds bij die jonge knapen het worstelen in eere. Dit spel eischt den heelen man, niet slechts lichamelijk doch ook geestelijk; want men moet zelfbeheersching hebben om eerlijk te worstelen. Als een bewijs van Alcibiades’ fierheid haalt Plutarchus aan dat deze, als jongen in een worstelwedstrijd voelend dat hij het onderspit ging delven, zijnen tegenstander in de hand beet. „Foei Alcibiades”, riep deze, „je bijt als een meisje.”—„Neen, als een leeuw,” antwoordde Alcibiades.—Maar ik hoop hartelijk dat de paedotribe dezen jongen leeuw bij zijne manen heeft gegrepen en zijne koninklijke ooren heeft doen tintelen.

Met zorg en voorbereiding wordt het worstelspel ingestudeerd. Eerst is het slechts een schijngevecht, waarin de meester figuur voor figuur en greep voor greep aan zijne jongens leert, hen nauwkeurig instrueert, welke manier van beentje-lichten mogelijk, of schadelijk, of ongeoorloofd is, waar men zijne tegenpartij moet aangrijpen, hoe zelf de voeten zetten en wat dies meer zij. En daarna komt de echte worsteling, eerst tusschen leerlingen van den zelfden meester, straks zeker in concurrentie met jongens uit een andere palaestra, om te kijken wiens methode de beste is. Dan gaat men vechten, soms in ’t droge zand, soms—om de zaak nog moeilijker te maken—op een opzettelijk losgehakt en met plassen water modderig gemaakt terrein. De jongens zijn van te voren naakt uitgekleed en door eene kundige hand goed ingewreven met olie, zoodat ze glad als alen zijn en dus zeer moeilijk te grijpen. Worstelen ze nu in ’t zand dan is natuurlijk hun eerste gebaar, wanneer ze op elkaar zijn toegetreden, dat ze zich bukken en elkaar met handen vol zand bestrooien. Is de grond modderig, dan is dit hulpmiddel van zelf uitgesloten. Hierbij komt nog dat ze zelf op den glibberigen bodem veel lichter uitglippen, en eindelijk, als ze te zamen op den grond vallen, blijft door het slijk de voor den tegenstander zoo lastige gladheid onverminderd bestaan.

Iedere rechtgeaarde worstelpartij heeft minstens twee perioden, die natuurlijk door allerlei toevalligheden kunnen worden verkort of gewijzigd. Eerst komen de knapen op elkaar af en grijpen elkaar bij de polsen en met de gebogen koppen tegen elkaar staan ze te wringen, te drukken, te dringen en te trekken tot een van beiden de kans schoon ziet om zijn arm als een gordel om ’t lijf van den ander te slaan en hem te „werpen” of, als ’t moet, met hem neer te storten. En dan wordt op den grond de strijd voortgezet. Nu valt de een in ’t zand, dan ligt de ander onder, tot eindelijk tot driemaal toe de schouders van een van beiden tegen den bodem gedrukt zijn en het pleit is beslecht.

Het heet, dat gewoonlijk voor den geheelen cursus door den paedotribe een vaste som werd ontvangen. Niet zonder waarschijnlijkheid heeft men op grond daarvan verondersteld, dat ook voor de „afgestudeerden” de toegang tot deze worstelschool niet was gesloten. En dat lag in den aard der zaak. Naar niets kijken de Atheners liever dan naar die slanke worstelende jongens. Is het dan wonder dat ook die oudere knapen nog eens mee komen doen in de palaestra, ofschoon zij eigenlijk in het gymnasium te huis behooren? Daar moeten zij immers de leiding missen van hun trouwen en beproefden leermeester, den paedotribe!

Omtrent het schoolleven der Atheensche knapen uit den bloeitijd der stad brengt ons alzoo, blijkens het hierboven bijeengebrachte, eene niet al te vluchtige bestudeering van de geschriften, inscripties en vazen uit de oudheid bewaard wel eenigermate op de hoogte. Maar de schijn zou kunnen worden gewekt, dat voor deze Atheensche jongens inderdaad, in anderen zin dan van Alphen ’t bedoelde, „het spelen leeren” was geweest en hun geheele leven in de school en in de palaestra voorbij ging. Toch was dit geenszins het geval. Terwijl aan den eenen kant—zooals wij reeds herhaaldelijk zagen,—de persoonlijke vrijheid om de uren buiten de school doorgebracht geheel in te richten naar persoonlijke voorkeur, bij deze knapen veel beperkter was dan in onzen tijd, namen zij, hetzij actief hetzij als toeschouwers, veel meer dan in onze maatschappij aan schooljongens wordt vergund, deel aan de openbare feesten en vooral aan de godsdienstige plechtigheden van het volk. De zuinige vader uit Theophrastus’ „Characteres”, had niet geheel ongelijk toen hij zeide dat zijn jongen in de maand Anthesterion veel meer te zien kon krijgen buiten de school dan daarbinnen. Wij voor ons betwijfelen wel of het zoo heel goed voor den knaap was, dat alles te zien. Het anthesteriënfeest zelf heeft elementen genoeg die misschien den jongen beoefenaar der onvolprezen „sophrosyne” weer een aardig eindje op den weg dier deugd achteruit konden zetten. Het begin was het minst hachelijk. Als aan den vooravond van dit lentefeest in de familie de wijnvaten van ’t vorige jaar worden open gemaakt, en door heer en slaven feestelijk worden geprobeerd, dan heeft in ieder geval de huisvader het in zijne hand gehad om de opgewondenheid door en over den goed geslaagden wijn niet verder te laten komen dan hij met de eukosmia in overeenstemming achtte. Maar in de volgende dagen wordt de carnavals-vreugde in het openbaar gevierd bedenkelijker van karakter. De publieke feestmalen door den tweeden Archont bij deze gelegenheid aangericht, zijn voor die jongens, die door hun vaders zijn meegenomen, verre van stichtelijk. Om nog te zwijgen van het meer dan gemengde gezelschap dat bij die feestviering mee aanzat: welken invloed moet het op zulk een’ knaap hebben gehad, als hij getuige mocht zijn dat zijn vader den prijs behaalde, die voor den vlugsten en kloeksten tempelier was uitgeloofd? Of hoe moet het den jongen hebben aangedaan, die immers ook zelf als een echt feestgenoot den ganschen dag bekranst meeliep op straat, als hij heel de stad vervuld zag van groote en kleine bacchanaliën?

Het Anthesterionfeest is er een uit velen, en mag daarom wel als voorbeeld worden vermeld. Als we den zeer gevulden feestkalender van Athene nagaan en voor ieder feest, waarbij zulks geoorloofd is, de jongens meenemen—die natuurlijk tot den traagsten rekenaar toe deze rekening wel in hun hoofd hebben—dan brengen wij hen vele dagen op straat, en dikwijls in meer dan vroolijk gezelschap. Dit laatste zullen in de vijfde eeuw vele vaders misschien niet zoo erg hebben gevonden als wij: zelfs Plato oordeelt over „lichte dronkenschap” minder streng dan onze tijdgenooten. Maar er is geen twijfel aan, dat ten opzichte van de jongensvrijheid juist in Plato’s dagen de „moderne” opvattingen weer in discrediet kwamen, en te gelijk daarmee een verschil van opvatting tusschen de aristocratische en de meer democratische kringen ontstond.

Intussen en was er een groot aantal feesten en godsdienstige plechtigheden bij welke voor zoodanige bedenkingen geene aanleiding was; dat waren voornamelijk die godenfeesten, aan welke de knapen werkzaam deelnamen. De lessen bij den citherspeler genoten, verzekeren hun eene plaats vooraan in den stoet, wanneer in den plechtigen optocht die aan de Dionysiën voorafgaat, het overoude beeld van Dionysos wordt overgebracht naar diens tempel, en op de Dionysiën zelf zingen zij met hunne stamgenooten mee in het koor van den wedstrijd der knapen.

Van den zelfden aard is hunne deelname bij allerlei bijzondere en openbare feesten. Wanneer er een oom of een broer trouwt, dan mag de kleine jongen—en hij alleen, omdat hij nog een reine knaap is—naar de Enneakrounos gaan, om uit die bron het water voor het heilige bad te halen. Een Panathenaeën-optocht, waaraan geen jongens meedoen, laat zich nauwelijks denken, en in menigen eeredienst brengt heiliger werkzaamheid den knaap buiten den kring van zijne school en wijdt hem in in de geheimenissen van den godsdienst. Men behoeft daarbij nog niet terstond te denken aan eene opleiding voor een bepaald priesterschap. Wel teekent ons ongetwijfeld Euripides het ideaal van een ernstig jong Atheensch priester in die treffende figuur van Io, den geloovigen nadenkenden tempeldienaar van Apollo, die met mystieke innigheid zijnen God vereert en diens tempel rein houdt, doch ook zonder voor den tempeldienst bestemd te zijn, verrichtten jonge Atheners naar de rechten van hun geslacht—want meestal gold zoo iets voor hooge eer,—in den cultus diensten tot bijstand van den priester, zooals o.a. Euripides als knaap door de phyle, tot welke hij behoorde, werd benoemd als wijnschenker bij het koor, dat in de maand Thargelion ter eere van Apollo danste vóór het heiligdom van dien God. De gewichtige beteekenis dezer functiën mogen wij niet voorbijzien. De tempeldienst der Grieksche Goden is zoo rijk aan diepzinnige symbolen, en de tempelgebouwen zelf zijn in hunne architectuur zoo afwisselend en leerrijk, dat het verkeer met de priesters die aan het hoofd van de verschillende tempels stonden een even begeerlijke als belangrijke taak voor deze knapen was. Niet het minst voorwaar in de dagen toen nieuwe levensbeschouwingen den ouden godsdienst in gevaar brachten. De priesters toch, meest mannen van aanzien en goeden stand, niet zelden ook, wanneer zij bij keuze benoemd waren, door de indrukwekkende schoonheid hunner persoon bij uitnemendheid geschikt om indruk te maken op hunne jonge volgelingen, hebben het zeker dikwijls voortreflijk verstaan, aan die knapen den dieperen zin te openbaren van den ritus dien dezen zelf meehielpen volvoeren, hen dikwijls geholpen de ernstige poëzie van den ouden godsdienst anders te leeren begrijpen dan de eenvoudige grammatist het hen had geleerd, en eindelijk in een’ tijd van veldwinnend rationalisme diep in hunnen geest de overtuiging geplant, dat Athene geen Athene meer zou zijn, indien men de stad beroofde van den glans harer tempels.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings