HOOFDSTUK II.
Reading edition
Lincoln wordt tot kandidaat voor de wetgevende vergadering benoemd.—Hij wordt winkelier en postmeester, later landmeter.—Zijne regtsgeleerde studiën.—Op het Congres.—De strijd over de verkiezingen in 1854.—Een belangrijk verschil in den Senaat.—Bezoek aan Kansas en New-York.—Redevoering in het Cooper-Instituut.—Een merkwaardig voorval.
Na de terugkomst van Lincoln uit het leger verwonderde het hem niet weinig, toen hij vernam, dat er een voorstel van zijne vrienden en bewonderaars uitgegaan was om hem tot lid van de wetgevende vergadering te benoemen. Ofschoon hij nog maar negen maanden in het graafschap gewoond had, wilde men een schrander man, een tweeden Henry Clay, op het stembiljet zetten, en hij werd een kandidaat geacht, die wel zou slagen.
De keus viel voornamelijk op hem om de volgende reden. De generaal Jackson had in het vorige jaar bij de verkiezingen in het graafschap eene groote meerderheid van stemmen verkregen, en men verwachtte nu, dat de populariteit, die Lincoln zich verworven had, een voldoende waarborg zou zijn, dat hij wel zou slagen. De stemming over een kandidaat viel uit, zoo als men verwacht had. Het moet een oogenblik van regtmatigen trots geweest zijn voor den jongen man, die nog pas uit de bosschen gekomen was, toen hij zijn behoeftig leven, in ligchaamsarbeid doorgebragt, kon vergelijken met den toestand, waarin hij zich thans bevond, nu hij waardig geacht werd om zitting in den raad te nemen naast de staatslieden van zijn nieuwen staat, die gedurig in aanzien toenam. Hij nam de aangebodene kandidatuur aan met de dankbaarheid en geestdrift der jeugd. De uitslag der stemming viel echter niet gunstig voor hem uit; er werden te New-Salem slechts twee honderd zeven en zeventig stemmen op hem uitgebragt, en dit was niet te verwonderen, daar het getal kandidaten voor het lidmaatschap van de wetgevende vergadering in het geheel acht bedroeg. Dit was de eenige maal, dat Lincoln bij eene dergelijke gelegenheid de nederlaag geleden heeft.
Veranderlijkheid en ondernemingsgeest zijn eigenaardige karaktertrekken van de bewoners van het verre Westen. Ook aan Lincoln waren zij niet geheel vreemd, en zoo vinden wij hem dan omstreeks dezen tijd als winkelier en als dorps-postmeester werkzaam. Hij deed krachtige pogingen om in zijn nieuw bedrijf vooruit te komen, doch gebrek aan kapitaal noodzaakte hem eindelijk om den handelsstand te verlaten en een nieuw arbeidsveld te zoeken.
Niet in 't minst afgeschrikt door zijn tegenspoed, wendde hij vervolgens pogingen aan om zich de kennis der regtsgeleerdheid te verwerven. Te dien einde leende hij eenige boeken van een vriend, en maakte zich vertrouwd met de beginselen van het vak, waarin hij later met zoo veel roem werkzaam geweest is.
Ondertusschen verwaarloosde hij ook zijne overige studiën niet. Hij oefende zich ijverig in de spraakkunst, terwijl hij al meer en meer gelegenheid kreeg om zijne lectuur uit te breiden, dan tot dusverre het geval geweest was. Het was zijne gewoonte om uittreksels te maken van ieder boek, dat hij las,—eene gewoonte, die strekte om hem het gelezene des te dieper in het hoofd te doen prenten, alsook om hem vaardigheid in het stellen te geven.
Hij had het nog niet zeer ver in de studie der regtsgeleerdheid gebragt, toen hij in kennis kwam met John Calhoun, later president van de Wetgevende Vergadering van Lecompton (Kansas), die hem het voorstel deed om zich toe te leggen op het landmeten. Lincoln nam dit voorstel aan en maakte terstond een begin met het beoefenen dezer wetenschap, zoowel in de theorie als in de praktijk. Hij ging met Mr. Calhoun dikwijls opmetingen in den omtrek doen en vestigde zich al spoedig als landmeter. Hierin was het geluk hem meer dienstig dan tot dusverre het geval geweest was. Hij wijdde zich aan zijn vak met zijn gewonen ijver en zijne gewone standvastigheid, en kreeg spoedig overvloed van werk. Hij maakte zelfs naam in zijn vak, maar beoefende dit niet veel langer dan een jaar.
Na verloop van dien tijd, in Augustus 1834—twee jaren, nadat Lincoln voor het eerst kandidaat voor de Wetgevende Vergadering gesteld was, en toen hij nog pas den leeftijd van vijf en twintig jaren bereikt had—werd hij andermaal tot kandidaat voor de Wetgevende Vergadering van Illinois benoemd. Het vooruitzigt op de zegepraal was nu veel zekerder dan vroeger, want Abraham Lincoln was een zeer populair man geworden. Hij was de eerste geweest om dienst te nemen, de laatste om de dienst te verlaten, zoodat men hem beschouwde als iemand, die zich als militair onderscheiden had. Hij was een uitstekend landmeter, een vrij goed regtsgeleerde, in één woord, een man in zijn opkomst, in den westerschen zin des woords. Wat meer zegt, hij was algemeen geacht om zijn gezond verstand, zijne grootheid van ziel en zijne onberispelijkheid van wandel.
De hoop op een voor Lincoln gunstigen uitslag der stemming werd thans niet teleurgesteld. De dag der verkiezing kwam; er werd een groot aantal stemmen uitgebragt en Lincoln met eene groote meerderheid verkozen.
Op deze wijze begon het politieke leven van den nederigen en edelen man, die eindelijk den hoogsten eerepost kreeg, welke het Amerikaansche volk kan begeven. Ten gevolge van zijne verkiezing nam hij zitting in de Wetgevende Vergadering van Illinois.
Gedurende de eerste zitting nam hij het besluit om de studie der regtsgeleerdheid voort te zetten. In deze vergadering maakte hij kennis met zijn ambtgenoot, John T. Stuart. Hij werd driemalen als lid van de Wetgevende Vergadering herkozen, namelijk in 1836, in 1838 en in 1840. Wij behoeven wel niet te zeggen, dat hij zich met ijver van de hem opgedragene taak kweet. Dat hij met een gunstigen uitslag werkte voor de belangen van hen, die hem verkozen hadden, is zeker. De scherpziende en praktische mannen, die gewoonlijk de »eerste kolonisten” van eene landstreek uitmaken, waren er geen menschen naar om zich door den schijn te laten misleiden; zij beoordeelden den boom naar zijne vruchten, en dat Lincoln zoo dikwijls herkozen is, mag wel als een bewijs aangemerkt worden, dat hij trouw is gebleven aan zijn ijver en braafheid. Het was gedurende de uitoefening der pligten, aan zijn ambt verbonden, dat hij voor het eerst in kennis kwam met Steven A. Douglas. Weinig konden de beide mannen toen gissen, in welke betrekking zij binnen kort tot elkander en tot hun land zouden staan. Douglas was, even als Lincoln, zelf de bewerker van zijne fortuin. De staat Illinois ontving hen beiden in een nederigen stand, en deed hun, als eene welverdiende eer, eene loopbaan van staatkundigen roem intreden, welke nooit uit de historiebladen van Amerika zal uitgewischt worden.
Lincoln verkreeg in 1836 een regtsgeleerden graad, begaf zich in April 1837 naar Springfield, en begon de regtsgeleerde praktijk in vereeniging met Mr. Stuart.
Wij willen eene enkele bijzonderheid uit zijn leven als advokaat mededeelen. Er was een moord gepleegd. Een jong man, Armstrong genaamd, de zoon van hoogbejaarde ouders, waarvoor Abraham Lincoln vele jaren geleden gewerkt had, werd van het plegen dier misdaad beschuldigd. Hij werd in hechtenis genomen en verhoord: er werd een duchtig bewijs tegen hem gevonden, en hij werd naar de gevangenis overgebragt om daar zijn verhoor af te wachten. Zoodra Mr. Lincoln met de zaak bekend werd, rigtte hij een vriendelijken brief aan Mrs. Armstrong, waarin hij zijne vrees te kennen gaf, dat haar zoon een scherp verhoor zou moeten doorstaan, en waarin hij tot eene vergelding voor de welwillendheid, hem bewezen, toen hij in armoedige omstandigheden verkeerde, zijne diensten om niet aanbood. Een naauwkeurig onderzoek deed den advokaat tot de overtuiging komen, dat de jonge man het slagtoffer eener zamenzwering was, en hij besloot om de behandeling der zaak te vertragen, totdat de eerste opgewondenheid wat bedaard zou zijn. De dag van het verhoor kwam echter eindelijk en de beschuldiger getuigde bepaald, dat hij den beschuldigde het mes in het hart van den vermoorden man had zien steken. Hij kon zich al de bijzonderheden nog best herinneren: de moord was des avonds omstreeks half tien gepleegd, en de maan scheen helder. Lincoln beoordeelde al de verklaringen der getuigen met de meeste naauwkeurigheid, en bewees eindelijk, dat de maan, die volgens den beschuldiger toen helder geschenen had, eerst een uur nadat de moord gepleegd was opkwam. Andere tegenstrijdigheden werden door hem aangewezen, en binnen een half uur nadat de leden der jury de regtszaal verlaten hadden, keerden zij terug en deden de uitspraak: »niet schuldig.”
De gevangene en zijne moeder hadden het vonnis in angstige spanning afgewacht. Niet zoodra waren de gewigtige woorden »niet schuldig” van de lippen van den voorzitter gekomen, of de moeder viel in de armen van haren zoon in onmagt. Hij drukte haar aan zijn hart en trachtte haar tot bewustzijn terug te brengen.
»Waar is Mr. Lincoln?” riep hij uit, snelde daarop de zaal door en greep zijn bevrijder bij de hand met een hart, te vol om zich in woorden te kunnen ontlasten.
Het was de tijd van het ondergaan der zon, en zij bevonden zich bij een raam, dat op het westen uitzag. Lincoln liet zich de warme dankbetuiging van den gevangene welgevallen, en wierp toen een blik door het raam naar den westelijken gezigteinder, die door de zon verguld werd.
»De zon is nog niet ondergegaan,” zeide hij op een deelnemenden toon, »en gij zijt vrij.”
Lincoln bleef voorspoedig en wijdde de volgende zes jaren aan de studie der regtsgeleerdheid en aan de verdediging van beschuldigden toe. Ieder nieuw geval scheen den roem van zijne regtsgeleerde bekwaamheid nog te doen toenemen. Verscheidene van zijne collega's aan de balie te Springfield waren merkwaardige mannen. Daaromtrent zegt een schrijver, die goed bekend is met de personen en de omstandigheden van die verzameling van groote en bijzondere mannen, die de hoofdstad van Illinois tot het strijdperk voor hunne verschillen maakten:
»Het zou moeijelijk vallen om in eenige stad van het Westen van Amerika op het tijdstip, waarvan ik gesproken heb, eene verzameling van mannen te vinden, met gelijke bekwaamheden bedeeld als die, welke te Springfield te zamen pleitten, en twistten en voor de verkiezingen wedijverden. Logan, een van de schitterendste typen van een regtsgeleerde, die het Westen ooit opgeleverd heeft; M'Dougal, die later El Dorado gezocht heeft; Bissell en Shields en Baker, wapenbroeders en ambtgenooten in den raad, de bloem van het Westen en de schitterendste toonbeelden van westersche welsprekendheid; Trumbull, toen en ook nu nog met een kalmen en schranderen geest bedeeld; Douglas, een man met een vurig gemoed, een groote geestkracht, een onvergelijkelijken moed en eene onverzadelijke eerzucht; Lincoln, toen, even als later, bedachtzaam en eerlijk en braaf, zich bewust van zijne groote bekwaamheden en reeds de zegepraal vooruitziende van de beginselen, die hij voorstond.”
Inderdaad, dat mogt wel eene vereeniging heeten van groote mannen, waarvan ieder bestemd was om eene voorname rol in de geschiedenis van zijn land te spelen.
De belangstelling, die Lincoln in de politieke gebeurtenissen van den dag toonde, alsmede zijne steeds toenemende overtuiging van het gewigt daarvan niet alleen voor den staat, waarin hij woonde, maar voor het geheele land, dreven hem al spoedig in den maalstroom der politiek. Gedurende den hevigen strijd, die er in 1844 over de verkiezing van een President gevoerd werd, wist hij den staat Illinois voor zijne belangen te winnen. Zijne bewondering van Henry Clay, waarvan hij reeds vroeg doordrongen was, oefende gedurende zijn later leven geen geringen invloed op hem uit.
Zijn afkeer van de slavernij—voor welker afschaffing hij eens zulk een ijverig voorvechter zou worden—openbaarde zich reeds in het jaar 1837. De leden der Wetgevende Vergadering van Illinois hadden, even als die der meeste nieuwere Westelijke staten, geene gelegenheid laten voorbijgaan om hunne »Zuidelijke broeders” te bevredigen door het nemen van besluiten ten gunste van de slavernij en het geven van andere bewijzen van sympathie. Doch in het zittingsjaar 1837, toen Lincoln een van de vertegenwoordigers uit het graafschap Sangamon was, weigerde deze zijne goedkeuring te hechten aan dergelijke maatregelen, die de slavernij in de hand moesten werken. Hij maakte dan ook met zijn ambtgenoot uit Sangamon gebruik van een constitutioneel voorregt, door het indienen van het volgende protest, hetwelk op den derden Maart 1837 in het Huis voorgelezen werd:
»Daar er in de beide Huizen van het Generaal-Congres gedurende de tegenwoordige zitting besluiten genomen zijn ten opzigte van de slavernij, achten de ondergeteekenden zich bij dezen gedrongen om tegen dezen maatregel protest aan te teekenen.
»Zij meenen, dat de instelling der slavernij zoowel onregtvaardig als onstaatkundig is; maar dat de verspreiding van gevoelens over de afschaffing daarvan eer strekt om hare nadeelen te vermeerderen dan te verminderen.
»Zij meenen, dat het Congres der Vereenigde Staten geene magt heeft om zich, volgens de bestaande Constitutie, te bemoeijen met de zaak der slavernij in de verschillende staten.
»Zij meenen, dat het Congres der Vereenigde Staten wel de magt heeft om, volgens de bestaande Constitutie, de slavernij in het district Columbia af te schaffen; maar tevens, dat die magt niet moet worden uitgeoefend, dan alleen op verzoek van de bevolking van het genoemde district.
»Het verschil dat tusschen deze meeningen en die, welke in de bovengemelde besluiten heerschen, bestaat, is de reden van de indiening van dit protest.
»Dan. Stone, »A. Lincoln, „Vertegenwoordigers uit het graafschap Sangamon.”
Bij de verkiezing van 1844—waarvan wij reeds met een enkel woord gewaagd hebben—was de tariefkwestie aan de orde van den dag. De naam van Lincoln werd op alle vergaderingen tot de benoeming van een kandidaat, door de Whigs gehouden, genoemd, terwijl van democratische zijde John Calhoun1) aanbevolen werd. Calhoun werd toen beschouwd als de bekwaamste voorvechter van zijn partij in Illinois. Zij trachtten dien staat voor hunne belangen te winnen door het houden van redevoeringen, waarbij zij gewoonlijk een zeer talrijk gehoor hadden. De verkiezingsstrijd bewees, hoe naauwkeurig Lincoln de zaak van alle kanten bekeken, hoe grondig hij de geschiedenis en de politiek bestudeerd had. Hij gaf daarbij niet alleen proeven van zijne redenaarstalenten, maar ook van zijne bekwaamheid als geleerde en staatsman. Hij sprak met die bepaaldheid en die helderheid, welke in redevoeringen, tot het volk gehouden, altijd de meeste uitwerking doen. Zijn spreektrant was gemeenzaam, alsof hij tot een grooten vriendenkring sprak—een trek in zijne welsprekendheid, welke een van zijne eigenaardige kenmerken geworden is. Wij zeggen welsprekendheid, en toch zou zij moeijelijk zoo kunnen genoemd worden in den Ciceroniaanschen zin van het woord. Juist dat gemeenzame in zijne redevoeringen, die eenvoudigheid van zijn betoogtrant en die schijnbaar onuitputtelijke voorraad van anecdoten en vertelseltjes, welke hij altijd ter zijner beschikking had, bragten er het hunne toe bij om zijne redevoeringen indruk te doen maken. En toch werden zijne eenvoudige woorden uitgesproken met een vuur en een kracht, die zijne toehoorders niet alleen boeide, maar ook hun oordeel bestuurde, en weinige mannen hebben zich ooit verdienstelijker gemaakt door het verbreiden hunner beginselen. Hij werd nu beschouwd als de besliste voorvechter van de Whig-partij en de Whig-politiek in den staat, en zou al spoedig nog in een gewigtiger betrekking optreden, en wel als vertegenwoordiger van zijn district op het Generaal-Congres der Vereenigde Staten.
Lincoln werd in 1846 door het district Illinois naar het congres afgevaardigd, en nam daarin zitting op den eersten Maandag van December des jaars 1847.
Mr. Winthrop van Massachusetts werd tot Redenaar van het Huis verkozen. In dit Huis waren de grootste talenten uit het land bijeen, en gedurende de zittingen van dat jaar heerschte er zoo veel geestdrift, als er misschien ooit te Washington geheerscht heeft. Aan de zijde van Lincoln stonden, als Whigs, mannen als Collamer, Tallmage, Ingersoll, Botts, Clingman, Stephens, Toombs en Thompson; terwijl anderen, niet minder beroemd, maar in politieke gevoelens van hen verschillende, tegenover hen stonden, van welke wij mogen vermelden Wilmot, Bocock, Rhett, Linn, Boyd en Andrew Johnson—de laatstgenoemde in lateren tijd zijn bondgenoot en medehelper in het groote werk van de herstelling der Unie, en nu zijn opvolger op den presidentszetel. Zulke schitterende sterren als Webster, Calhoun, Dayton, Davis, Dix, Dickinson, Hale, Bell, Crittenden en Corwin vormden eene groep, zoo als men slechts zelden bijeengezien heeft.
Lincoln was de eenige vertegenwoordiger van Illinois, die onder de vaan der Whigs gekozen was, terwijl zijne zes ambtgenooten allen democraten waren.
Hij kweet zich van zijne nieuwe verpligtingen op de uitstekendste wijze, en bragt bij elke gewigtige kwestie niet alleen zijne stem vóór of tegen uit, maar was ook altijd gereed om zijn gevoelen met woorden te staven, waarbij hij steeds die bekwaamheid en scherpzinnigheid aan den dag legde, die hem gedurende zijn geheele leven gekenmerkt hebben.
Ofschoon Lincoln zich bij de meerderheid der Whig-partij aansloot in zijn verzet tegen de oorlogsverklaring aan Mexico, ondersteunde hij altijd ieder voorstel of besluit, dat de bevordering van de belangen, de welvaart en de eer van het leger, dat ten strijde getrokken was, ten doel had. Op den 22sten December bragt hij, in een van zijne redevoeringen, ten hunnen gunste, eene reeks besluiten bij en leverde eene scherpe kritiek van de redenen, die aanleiding tot den oorlog gegeven hadden. In latere jaren werd tegen Lincoln door hen, met wie hij in politieke gevoelens verschilde, de beschuldiging ingebragt, dat het hem aan waarachtige vaderlandsliefde ontbrak, daar hij tegen den oorlog met Mexico gestemd had. Deze beschuldiging werd met de meeste scherpte voorgedragen door Douglas in de eerste van hunne discussiën in het jaar 1858. Lincoln antwoordde: »Ik behoorde reeds sedert lang tot de Whig-partij, en toen de democratische partij eene poging deed om mij over te halen tot de meening, dat de oorlog naar regt en billijkheid door den President begonnen was, mogt haar dit niet gelukken.... Maar wanneer hij (Douglas) eene beschuldiging tegen mij inbrengt, dat ik den soldaten, die hun goed en bloed in den oorlog met Mexico ten offer brengen, onderstand heb willen onthouden of hen op de een of andere wijze tegenwerken, dan slaat hij, om mij zoo zacht mogelijk uit te drukken, den bal geheel mis, zoo als eene inzage van de verslagen der zittingen hem ten duidelijkste zal leeren.”
De loopbaan van Lincoln als lid van het Congres, hoe kort ook, was uiterst belangrijk en schitterend en is wel waardig om door den beoefenaar der staatkunde naauwkeurig bestudeerd te worden.
In de kwestie van de afschaffing der slavernij in het district Columbia stelde Lincoln een levendig belang en nam er een werkzaam aandeel in. Een zekere Mr. Gott had in het Huis een voorstel gedaan tot het nemen van een besluit tot afschaffing van den slavenhandel in het genoemde district. Hierop stelde Lincoln een amendement voor, om een besluit te nemen niet tot afschaffing van den slavenhandel, maar van de slavernij in het district. Het voorstel, door hem gedaan, hield in, dat geen slaaf ooit in het district mogt ingevoerd worden, uitgezonderd in geval ambtenaren der regering zich om staatszaken een tijd lang in het district moesten ophouden, in welk geval zij voor zich en hun gezin de noodige dienstboden zouden mogen medebrengen. Het belette, dat iemand, in het district wonende of later daarin geboren, buiten dit district in slavernij gehouden zou worden. Het verklaarde, dat alle kinderen van slavinnen, na den eersten Januarij 1850 in het district geboren, vrij zouden zijn, maar naar regt en billijkheid door de eigenaars van hunne moeders onderhouden en opgevoed zouden worden, en dat alle slavenhouders in het district den prijs, dien de slaven waard waren, uit de schatkist zouden krijgen, en dat de slaven daarop vrij zouden zijn.
De kwestie omtrent de »Territoriën”2) kwam bij verschillende gelegenheden ter sprake. De voorwaarde van Wilmet was in de zitting van het vorige jaar behandeld; maar deze kwam op het congres van het loopende jaar weder herhaaldelijk ter sprake, toen er pogingen aangewend werden om deze voorwaarde insgelijks toe te passen op het grondgebied, dat men van Mexico verkregen had, en op Oregon. Zoo dikwijls die zaak in het Huis besproken werd, vond zij een verdediger in Lincoln, die dan ook bij gelegenheid van zijn geschil met Douglas verklaarde, dat hij zich daarover herhaalde malen ten gunste daarvan uitgelaten had. Zoo toonde hij zich in 1847 dezelfde voorvechter van de vrijheid der »Territoriën”, die hij later tijdens den strijd over Kansas was.
Eene andere gelegenheid, waarbij de slaven-kwestie door het Huis behandeld werd, was in de vermaarde zaak van Pacheco. Het gevoelen, door de meerderheid omhelsd was, dat slaven volgens de Constitutie als »eigendom” moesten beschouwd worden, en dat zij, wanneer zij ten dienste van den staat gebezigd werden, daarvoor moest betaald worden. Het beginsel dat aan het wetsontwerp ten grondslag lag, was dan ook hetzelfde als dat, hetwelk de slavenhouders op zoo verschillende wijzen hebben trachten te handhaven. Gelijk zij dit later door eene beslissing van het Hoogste Geregtshof hebben pogen door te drijven, zoo trachtten zij dit nu door het Congres te doen erkennen. Lincoln verzette zich daartegen op het Congres met even veel kracht als hij er zich later tegen aankantte toen het den meer bedekten, maar niet minder gevaarlijken vorm van eene regterlijke uitspraak aannam.
Bij andere zaken welke op het Congres ter sprake kwamen, sloot Lincoln zich als Whig bij de overige voorstanders van zijne partij aan. Hij meende, dat het Congres regt had om zich met de verbetering van rivieren en havens te bemoeijen. Hij verklaarde er zich voor om de landen, aan den staat behoorende, niet aan speculanten, maar aan landbouwers te verhuren; en dat wel tegen zoo laag mogelijke prijzen; hij verklaarde zich voor een beschermend tarief en voor het afschaffen van het vrijheidsstelsel.
In 1848 was Lincoln afgevaardigde der Whig-partij en drong met kracht en klem op de benoeming van generaal Zachary Taylor tot President aan. Tijdens den strijd over de verkiezingen trachtte hij de staten Indiana en Illinois ten gunste van den kandidaat, door hem aanbevolen, te stemmen.
In 1849 werd hij door de Wetgevende Vergadering van Illinois als kandidaat voor een lid van den Senaat der Vereenigde Staten gesteld, doch moest toen het onderspit delven voor generaal Shields, daar de democraten de meerderheid in dien staat uitmaakten. De hevigheid van den vorigen strijd over de verkiezing van een President werd nog vermeerderd door den wensch om insgelijks eene Wetgevende Vergadering te verkiezen, die een democraat naar den Senaat der Vereenigde Staten zou afvaardigen. Lincoln bezocht Massachusetts eens gedurende den oorlog, en was tegenwoordig bij de conventie van den staat Massachusetts op uitnoodiging van enkelen die er op aandrongen, dat hij de goede verstandhouding tusschen de partij welke de slavernij met geweld wilde onderdrukken, en tusschen de Whig of »behoudende” partij, zou trachten te herstellen. Hij sprak in die vergadering echter niet, behalve te New-Bedford, waar hij een der gelukkigste pogingen tot verzoening aanwendde.
Gedurende de vijf jaren, die op den verkiezingsstrijd van 1848 volgden, bemoeide Lincoln zich slechts weinig met staatszaken. Hij nam zijne regtsgeleerde praktijk met ijver en voorspoed waar, en vermeerderde zoowel zijn roem als zijne fortuin. Zijne belangstelling in staatszaken, hoe levendig zij ook wezen mogt, hield hem niet van de balie terug. Maar de intrekking van de minnelijke schikking omtrent Missouri wekte hem weder uit zijne schijnbare werkeloosheid op. Illinois werd andermaal een slagveld voor den strijd der vrijheid, en de stoutmoedige aanvoerder, die de voorhoede van het leger reeds vroeger tegen de inbreukmaking op de regten der slaven in slagorde had geschaard, bleef niet doof voor de stem, die hem tot verdediging hunner regten riep. Het vroegere kontrakt, dat door de onvermoeide pogingen van Henry Clay gesloten was en vast stond als de zeeduinen van Holland om de woede van den alles verzwelgenden vloed te beteugelen, liep gevaar om aan stukken gescheurd te worden, en het schoone land, voor immer tot vrijen arbeid bestemd, zou weder in duisternis en doodsschaduw worden gedompeld. Daartegen druischte de geheele natuur van Lincoln aan. Wat beteekenden vrede en roem en fortuin, wanneer het land door verraad en listige kunstgrepen aangevallen werd? De krijger stelde al zijne eigene belangen ter zijde, gordde zijne wapenrusting aan en trok voort, even als Peter de Kluizenaar, om bij zijn volk het gevoel van schaamte op te wekken over de krenking hunner regten en het aan te sporen tot den strijd, opdat het Heilige graf hunner vrijheid niet door de Zuidelijke Moslemim en de Noordelijke Tartaren zou overweldigd worden.
De hevige politieke strijd van dat jaar had zijn ontstaan inzonderheid aan Lincoln te danken, en de overwinning, waarmede deze strijd bekroond werd, die aan Illinois zijne eerste republikeinsche Wetgevende Vergadering gaf, en Lyman Trumbull tot haren afgevaardigde bij den Senaat der Vereenigde Staten maakte, was inzonderheid aan de buitengewone inspanning zijner krachten te danken.
In 1854 bood de zoogenaamde anti-Nebraska (later republikeinsche) partij, aan Lincoln de benoeming tot gouverneur aan. Hij wees deze af, zeggende: »Neen, ik ben daar de man niet voor; Bissell zal een beter gouverneur zijn dan ik, en gij kunt hem met gerustheid verkiezen daar hij zich vroeger altijd als een echt democraat heeft doen kennen.”
Zoo woog zijne ingenomenheid met zijne partij en met de beginselen door haar voorgestaan, weder zwaarder bij hem, dan de begeerte om hun vaandrager en aanvoerder te worden.
In de eerste vergadering van de republikeinsche partij, op den 17den Junij 1856 te Philadelphia gehouden, werd de naam van Abraham Lincoln op de lijst der candidaten voor het ambt van Vice-President geplaatst: hij stond vlak onder William L. Dayton en kreeg honderd stemmen. Door die vergadering werden John C. Fremont en William L. Dayton tot kandidaten verkozen, en nu nam Lincoln een werkzaam aandeel in de daarop volgende verkiezingen. Aan het hoofd van de kandidatenlijst der republikeinsche partij van Illinois stond de naam van Lincoln, ofschoon de democraten door meerderheid van stemmen de overhand behielden.
De hevige geschillen in den Senaat van Illinois, tusschen Mr. Douglas aan den eenen kant en Mr. Lincoln aan den anderen, welke aanleiding gaven tot die debatten, welke eene belangrijke plaats in de geschiedenis der politiek van Amerika innemen, werden in den zomer van 1858 gevoerd.
Douglas had zich de vijandschap van de regering op den hals gehaald; doch zijn invloed, zoowel in als buiten Illinois, bleef nog ontzettend groot. Ten gevolge van zijn afval van de politiek zijner partij, die zich toen openlijk voor de instandhouding der slavernij verklaarde, en van den lof, dien hij bij verscheidene republikeinen ingeoogst had, was hij waarschijnlijk nog krachtiger dan te voren. Natuurlijk werd er onder deze omstandigheden een man van niet alledaagsche bekwaamheid en niet alledaagschen invloed op de publieke meening vereischt om tegen den »kleinen reus” (Douglas) in het strijdperk te treden. Als kandidaat der republikeinsche partij voor lid van den Senaat der Vereenigde Staten, en als iemand, die zich bij de behandeling van de zaak der Territoriën zoo gunstig had doen kennen, werd Lincoln beschouwd als een man, aan wien de voorstanders der vrijheid de verdediging hunner zaak gerust konden toevertrouwen. Diensvolgens werd hij door de republikeinsche Wetgevende Vergadering, welke op den 2den Junij 1858, te Springfield, bijeenkwam, verkozen.
In het ontworpen spiegelgevecht tusschen de beide kandidaten was Lincoln de eerste, die den handschoen toewierp, en wel in een kort briefje, gedateerd van den 24sten Julij, waarin hij de bepaling verzocht van den tijd, waarop zij met elkander in het strijdperk zouden treden. De uitdaging werd aangenomen, en de voorwaarden waarop, de plaatsen waar en de dagen, wanneer de strijd zou plaats hebben, vastgesteld.
Het is niet mogelijk om iets meer dan een vlugtig overzigt van deze beroemde debatten te geven. Het was de uitspraak van de pers en van het geheele land, dat Lincoln bij iederen strijd de overhand behield op zijn talentvollen tegenstander, en het is zeer waarschijnlijk, dat de meerderheid aan den eerstgenoemde den palm der overwinning toekende.
Die politieke strijd, welke Lincoln in 1848 met den Senator Douglas voerde, was misschien de zwaarste proef, waarop iemands gematigdheid kon gesteld worden. Lincoln echter deed zich niet alleen als een uitstekend redenaar en een bekwaam staatsman kennen, maar bewees ook, dat het mogelijk is om den hevigsten politieken strijd te voeren, zonder tot hatelijke personaliteiten en scherpe aanvallen af te dalen. Het getuigenis van iemand, die Lincoln en dien geheelen strijd gevolgd heeft, staat ons borg, dat er, niettegenstaande de verzoeking, waaraan hij gedurig blootgesteld was, geene enkele personaliteit tegen zijn tegenstander, geen enkel hard woord over zijne lippen gekomen is. Zijn gematigde aard maakte, dat hij het beneden zich achtte om zijne toevlugt tot zulke wapenen, die maar al te vaak in een politieken strijd gebezigd worden, te nemen, en menschen van een heftiger aard konden hun spijt niet verkroppen, dat hij zijn tegenstander te zacht en te beleefd behandelde. Lage personaliteiten en vuile lasteringen zijn zeker wel het laatste wat men aan Abraham Lincoln kan ten laste leggen. Zijn hart was te edel en zijne zelfbeheersching te groot om aan iets dergelijks toe te geven. De adel van zijn hart heeft zich gedurende zijn ganschen levensloop evenzeer geopenbaard als zijne gematigdheid, zijn zelfvertrouwen en zijn geestkracht.
In het dagelijksch leven was Lincoln kinderlijk eenvoudig. Hij hield van een goed diner, en at met den meesten eetlust, maar zijne tafel was altijd eenvoudig. Hij dronk nooit eenige bedwelmende dranken, en zelfs geen glas wijn. Hij was ook geen liefhebber van rooken.
Judah Benjamin, van Louisiana, een van de bekwaamste senatoren der Zuidelijke staten, later staatssecretaris in het kabinet van Jefferson Davis, zwaaide in den loop van eene redevoering, waarin hij gelegenheid vond om de beroemde debatten tusschen Douglas en Lincoln te bespreken, hoogen lof aan den laatstgenoemde toe. Sprekende over de vragen, die door Douglas aan zijn tegenstander voorgesteld werden, en over de antwoorden, die zij uitlokten, merkte Benjamin aan:
»Het is onmogelijk, mijnheer de president! om, al verschilt men ook met dien man in meening, die openhartigheid en vrijmoedigheid niet te bewonderen, waarmede deze antwoorden gegeven werden: er was daarin niets dubbelzinnigs, niets ontwijkends.”
Gedurende den strijd met Douglas bragt Lincoln de volgende hulde aan de Acte van Onafhankelijkheidsverklaring:
»Welaan, landgenooten! wanneer gij stellingen geleerd hebt, die in strijd zijn met den grootschen inhoud der Acte van Onafhankelijkheidsverklaring; wanneer gij het oor geleend hebt aan inblazingen, die ten doel hebben om hare grootheid te verkleinen of hare schoone evenredigheid te erkennen; wanneer gij geneigd zijt om te gelooven, dat alle menschen niet met elkander gelijk staan in het genot van die onvervreemdbare regten, welke door dat bewijsstuk onzer vrijheid opgesomd zijn, laat mij u dan smeeken om terug te keeren—terug te keeren tot die fontein, wier wateren bij het bloed der omwenteling ontspringen.
»Gij moogt met mij doen al wat gij verkiest, als gij slechts die heilige beginselen voorstaat. Gij moogt mij niet alleen de nederlaag doen lijden voor den Senaat, maar gij moogt mij zelfs ter dood brengen. Want, terwijl ik geene onverschilligheid voor wereldsche eer wil veinzen, moet ik toch verzekeren, dat ik tot dezen strijd aangespoord ben door iets hoogers dan door de zucht tot het verkrijgen van een eervol ambt. Wat gij met mij doet is onverschillig, maar vernietigt toch niet dat onsterfelijk zinnebeeld der humaniteit—de Acte van Amerika's Onafhankelijkheidsverklaring.”
De dag der verkiezingen was eindelijk daar. De uitslag der volksstemming was als volgt: voor den republikeinschen kandidaat 126,084; voor de democraten van Douglas 121,940; voor de kandidaten van Lecompton 5,091 stemmen. Doch bij de stemming voor senator, die in de wetgevende Vergadering plaats had, werd Douglas verkozen. Niettegenstaande dezen uitslag, hadden de pogingen van Lincoln gedurende de debatten veel bijgedragen om een groot getal stemmen op hem te vereenigen; en zijne partij behoefde het niet te betreuren, dat hare keus op hem gevallen was.
Lincoln bragt na het einde der geschillen over de keuze van een senator en vóór het begin van den verkiezingsstrijd in 1860 verscheidene bezoeken aan andere staten. Hij hield in het volgende jaar verscheidene redevoeringen in Ohio, en bezocht ook Kansas, waar hij met de meeste geestdrift ontvangen werd. In Februarij 1860 was hij te New-York en hield eene redevoering in eene republikeinsche club, waardoor hij zich verscheidene vrienden verwierf in eene streek, waar zij reeds bij duizenden geteld werden. Het was de schoonste redevoering, die tot dusverre door den uitstekenden redenaar uitgesproken was en de aandacht van mannen van allerlei stand trok.
Waarschijnlijk gedurende dit bezoek had er een treffend voorval plaats, hetwelk door een onderwijzer der zondagsschool, waar het gebeurde, op deze wijze verhaald wordt:
»Onze zondagsschool was op zekeren sabbatmorgen reeds begonnen, toen ik een man van een slanken ligchaamsbouw en een gunstig voorkomen het vertrek zag binnentreden en onder ons plaats nemen. Hij luisterde met gespannen aandacht naar onze oefeningen, en zijn gelaat verried zulk een waarachtige belangstelling, dat ik naar hem toeging en hem verzocht om eens een hartig woordje tot de kinderen te willen rigten. Hij voldeed aan dit verzoek met blijkbaar genoegen, ging voor de banken der kinderen staan en hield eene eenvoudige toespraak, welke alle jeugdige hoorders aanstonds zoozeer boeide, dat de diepste stilte in het vertrek heerschte. Zijne taal was uitnemend schoon, en de toon waarop hij sprak, verried het diepste gevoel. Op de gezigtjes der kleinen, die hij rondom zich zag, stond somberheid te lezen, toen hij woorden van waarschuwing tot hen rigtte, maar zij werden spoedig opgeklaard, toen hij hun op de schoone toekomst wees, die hun wachtte. Een paar malen wilde hij met spreken ophouden, maar het dringend verzoek: »ga voort! och, ga voort!” dwong hem om den draad zijner rede weder op te vatten. Toen ik naar de gespierde ligchaamgestalte van den vreemdeling keek, en mijne aandacht vestigde op zijn gelaat, waarop vastberadenheid te lezen stond, gepaard aan gevoel ten gevolge van den indruk des oogenbliks, gevoelde ik eene onweerstaanbare nieuwsgierigheid om iets naders van hem te vernemen, en toen hij het vertrek verliet, verzocht ik hem, zijn naam te mogen weten. Hij antwoordde daarop vriendelijk: »Ik ben Abraham Lincoln, van Illinois.””
Abraham Lincoln werd nu algemeen erkend als een van de bekwaamste, eerlijkste en meest besliste voorstanders van de republikeinsche partij. Zijne bekende populariteit alsmede zijne vroegere verdiensten wezen hem dan ook aan als den meest geschikten kandidaat van zijne partij voor de ophanden zijnde verkiezing van een President. Hij werd het eerst voor den hoogen post van President genoemd in de republikeinsche vergadering van den staat Illinois, waar een democraat uit het graafschap Macon twee keurig versierde palen aan de vergadering voorstelde, waarop de volgende woorden geschreven stonden:
»Abraham Lincoln, de houthakker, kandidaat voor het presidentschap in 1860. Dit zijn twee palen, welke in 1830 vervaardigd zijn door Thomas Hanks en Bram Lincoln, wiens vader de eerste pionnier in het graafschap Macon geweest is.”
Deze eigenaardige en geschikte zinnebeelden ter afbeelding van de eereposten, welke de Amerikaansche democratische instellingen aan de nederigste burgers aanboden, gaven aanleiding tot eene algemeene toejuiching. Lincoln, die bij dit tooneel toeschouwer was, werd dringend uitgenoodigd om eene redevoering te houden. Hij stond van zijne zitplaats op, erkende, dat hij dertig jaren geleden een houthakker geweest was, en zeide, dat men hem verzekerd had, dat die beide palen, welke men in de vergadering gebragt had, met zijne eigene bijl gehouwen waren.
In den herfst van 1859 hield Lincoln, tengevolge van uitnoodigingen, die hij uit verschillende staten gekregen had, verscheidene krachtige redevoeringen ten gunste der republikeinsche beginselen. Van een daarvan, welke hij op den 27sten Februarij 1860 in het Cooper-Instituut te New-York hield, hebben wij reeds gesproken. Deze redevoeringen droegen slechts bij om de overtuiging te versterken, die zich sedert 1854 al meer en meer onder het volk verbreid had, dat Mr. Lincoln—»de brave Bram,” zoo als hij algemeen genoemd werd—de man was voor President, als het volk zijn kandidaat kon benoemen Toch waren er slechts weinigen, die dachten, dat hij werkelijk zou verkozen worden.
De republikeinsche nationale vergadering kwam op den 16den Mei 1860 in de »Wigwam” in Chicago bijeen. Niet minder dan tienduizend personen waren in dit gebouw tegenwoordig, terwijl eene digte volksmenigte den toegang daartoe versperde en zich in den omtrek ophield, daar zij niet meer in de zaal kon komen.
Op Donderdag morgen kwam de vergadering ten tien ure weder bijeen en bij de vaststelling der bepalingen werd goedgevonden, dat eene meerderheid van stemmen voldoende zou zijn ter benoeming van kandidaten.
De commissie tot het nemen van besluiten gaf daarvan kennis, en deze mededeeling werd met geestdrift begroet, terwijl de ontzaggelijke menigte toeschouwers van hare zitplaatsen opstond en hare goedkeuring herhaalde malen door luide toejuichingen deed blijken.
Het was spoedig duidelijk geworden, dat de twee personen, die bij de verkiezing in aanmerking zouden komen, de heeren Seward en Lincoln waren. Er werd voorgesteld, dat de vergadering terstond tot de benoeming van kandidaten zou overgaan, doch het gevoelen, dat men dit tot den volgenden dag zou uitstellen, behield de overhand. Ware het voorstel om terstond tot de benoeming over te gaan goedgekeurd, dan is het meer dan waarschijnlijk, dat Seward zou benoemd zijn, daar zijn persoon door de vergadering toen nog boven dien van Lincoln scheen gesteld te worden; doch gedurende den avond droegen verscheidene omstandigheden het hare bij om de verkiezing van Lincoln meer en meer waarschijnlijk te maken. Er heerschte bij de volgende zitting der vergadering eene groote opgewondenheid, en de belangstelling van alle aanwezigen was buitengewoon.
Bij de eerste stemming verkreeg Seward 173½ stemmen tegen 102, welke op Lincoln uitgebragt werden, terwijl de overige tusschen andere personen verdeeld waren. Bij de tweede stemming deelde de President der afgevaardigden van Vermont, wier stemmen eerst verdeeld geweest waren, mede: »De staat Vermont brengt zijne tien stemmen uit op den jongen reus van het Westen, Abraham Lincoln.” Men begon in de vergadering reeds te bemerken, wie de man der keuze zou zijn. Bij deze stemming kreeg Seward 184½ en Lincoln 181 stemmen; en bij de derde stemming vereenigden zich op Lincoln 230 stemmen, en dus bijna de meerderheid. Hierop deelde Mr. Carter van Ohio mede, dat er door Ohio vier stemmen meer op Mr. Lincoln zouden uitgebragt worden, hetgeen de opgewondenheid der vergadering ten top voerde. Daar nu de keus zeker was, beijverde de eene staat na den anderen zich om de eerste te zijn in het uitbrengen van zijne stemmen op Lincoln. Het geheele getal stemmen, dat moest uitgebragt worden, bedroeg 466, waarvan er dus 234 noodig waren tot eene keuze. Drie honderd vier en vijftig vereenigden zich op Abraham Lincoln, die dus wettig verkozen was.
Toen de luide toejuichingen, waarmede deze benoeming begroet werd, eenigzins bedaard waren, trad Mr. William Evarts van de stad New-York te voorschijn en deed het voorstel, dat men Lincoln nu met eenparige stemmen zou verkiezen. Dit voorstel werd ondersteund door Mr. Andrews van Massachusetts, en werd aangenomen, zonder dat er zich eene enkele stem tegen verhief.
De opgewondenheid, welke er op de benoeming volgde, deelde zich van de leden der vergadering aan de toehoorders, die zich binnen het gebouw verzameld hadden, mede en verspreidde zich van daar als een loopend vuurtje naar de volksmenigte, die buiten stond. Bij het einde der opmerkingen van Mr. Evarts werd er een levensgroot portret van Lincoln in de zaal gebragt en met een oorverdoovend gejuich begroet. Het gebouw dreunde van de juichkreten van de verheugde duizenden, die daarin verzameld waren, en die juichkreten werden door de menigte, die zich in de straten bevond, herhaald. Te midden van het gebulder van het kanon, het wapperen der vlaggen en de vrolijke toonen der militaire muziek, werd het berigt omtrent de volkskeuze langs de metalen draden met bliksemsnelheid van Maine tot Kansas, overgebragt.
Men verhaalt het volgende omtrent de wijze, waarop Mr. Lincoln zijne benoeming ontving:
Gedurende de zitting der vergadering bevond hij zich te Springfield. Hij had het telegraafkantoor nog pas verlaten, nadat hij de uitslag der beide eerste stemmingen vernomen had, en was met eenige vrienden op het bureau van het »State Journal” in gesprek gewikkeld, toen de derde stemming aan den gang was. Binnen korten tijd werd de uitslag daarvan op het telegraafkantoor ontvangen. De generale opzigter, die aldaar juist tegenwoordig was, schreef op een strookje papier: »Mr. Lincoln! gij zijt bij de derde stemming benoemd,” en liet dit terstond door een jongen naar Lincoln brengen. Deze tijding werd in het bureau van het »Journal” met uitbundige toejuichingen begroet, maar Lincoln sprak geen enkel woord. Hij stak het papier in zijn zak, stond op, en zeide, voor dat hij het vertrek verliet: »Er is beneden in dit huis eene vrouw, die dit wel graag zal willen weten. Ik zal dus naar beneden gaan om het haar te vertellen.”
De tijding van deze benoeming was zeer welkom aan hen, die tot de republikeinsche partij behoorden. Niet alleen erkenden zij in Abraham Lincoln een man van een onbesproken gedrag en eene onbevlekte eerlijkheid, maar ook iemand, in wien het waarachtig democratische element van het vrije Amerika leefde, een vriend der vrijheid, een voorstander van regt en billijkheid, en een edel, talentvol staatsman, uit het hart des volks gesproten. Zij stelden een onbepaald vertrouwen in hem, als in iemand, die geheel met hunne beginselen instemde. Bij den verkiezingsstrijd van 1840, toen generaal Harrison verkozen werd was er meer leven gemaakt; maar de geestdrift van 1860 was redelijker en meer algemeen, en verried het vaste voornemen om zich door niets uit het veld te laten slaan, al mogt ook de magt der slavenhouders met eene geheele omverwerping bedreigd worden.
Het werkzaam aandeel, door de democratische vergadering van Charleston in Zuid-Carolina, welke op den 23sten April 1860 bijeenkwam, in de verkiezingen genomen, is een beslissend bewijs, dat deze staat den triumf der republikeinsche partij wenschte, ten einde de afscheiding der slavenstaten, waarvan reeds zoo lang sprake geweest was, eindelijk tot stand te brengen. De benoeming van Lincoln toch door de vrije staten schijnt hen aangespoord te hebben, om de meest overdrevene meeningen omtrent de instandhouding der slavernij uit te spreken, ten einde verdeeldheid in de rijen der democraten te bewerken, want als deze zich op één kandidaat vereenigd hadden, zou dit noodwendig de nederlaag der republikeinen ten gevolge gehad hebben. De ultra's der Zuidelijke politiek deden geene moeite om hunne bedreigingen van eene afscheiding te verbergen, ingeval de partij der vrije staten de overwinning behaalde, ofschoon de Noordelijke democraten in de vergadering niet konden gelooven, dat aan die bedreigingen ooit gevolg zou gegeven worden. Maar al had men dit ook meer algemeen geloofd, dan is het nog de vraag, of dit Lincoln in de volksgunst zou hebben doen dalen. Want zij, die hem ondersteunden, stonden op den hechten grond van de door God gewilde gelijkheid van menschenregten. Zij waren vast in de overtuiging, dat de vrijheid voortaan haren schepter moest zwaaijen over het geheele land, en dat de slavernij beperkt moest blijven tot die staten, welke door hare instandhouding reeds een vloek op zich geladen hadden.
De uitslag van de daarop volgende stemming in 1860 was, dat Mr. Lincoln 491,275 stemmen meer ontving dan Mr. Douglas, 1,018,499 meer dan Mr. Breckinridge, en 1,275,821 dan Mr. Bell; en de afloop der stemming, dien ten gevolge door het Congres openbaar gemaakt, was, dat er het volgende aantal stemmen was uitgebragt:
Op Abraham Lincoln, van Illinois 180
Op John C. Breckinridge, van Kentucky 72
Op John Bell, van Tennessee 39
Op Stephen A. Douglas, van Illinois 12
De volgende staten bragten hunne stemmen op Mr. Lincoln, uit: Maine, New-Hampshire, Vermont, Massachusetts, Rhode-Island, Connecticut, New-York, Pensylvanië, Ohio, Indiana, Illinois, Michigan, Iowa, Wisconsin, Minnesota en Californië,—dus in het geheel zestien staten.
De bedoeling van het Amerikaansche volk met de benoeming van Abraham Lincoln tot zijn oppersten regent was, de uitbreiding der slavernij in de Territoriën te keer te gaan en hare magt te vernietigen, daar deze bestendigd dreigde te worden. De gevolgen van die benoeming zijn geheel anders geweest, dan men zich had voorgesteld. Mogelijk zou de Noordelijke bevolking zich meer door hare vrees dan door hare overtuiging hebben laten leiden, als zij had kunnen vooruitzien, dat de waanzinnigheid van het Zuiden ten toppunt zou stijgen in den vreeselijken strijd, die het geheele land geteisterd heeft; maar kan er thans nog twijfel bestaan, nu de afloop der bloedige worsteling tusschen vrijheid en slavernij reeds duidelijk te zien is, dat zij het middel geweest is tot bereiking van hoogere doeleinden,—dat de uitslag van den verkiezingsstrijd van 1860 eene zaak was, die door de Voorzienigheid ten beste gekeerd is?
Hij, wiens doen enkel majesteit is, heeft volken zoowel als personen in zijne hand; en dat Hij toegelaten heeft, dat de gebeurtenissen van 1860–1861 tot een burgeroorlog aanleiding gegeven hebben, dit moet wel met de een of andere goddelijke bedoeling geschied zijn. Eenige geslachten later zal de wereld met verwondering en ontzetting staren op de verschrikkelijke vuurproef, welke de Unie doorgestaan heeft, maar als zij dan als de vrucht van dien strijd mag beschouwen een volk van vrije menschen, die beven bij de gedachte aan de misdaden hunner vaderen, door het koopen en verkoopen van menschen vleesch en bloed gepleegd,—dan zullen toch die offers als niet te groot beschouwd worden.