HOOFDSTUK XLII
Reading edition
De inktvisschen.
Gedurende eenige dagen verwijderde de Nautilus zich hoe langer hoe meer van de Amerikaansche kust. Waarschijnlijk wilde hij niet in de golf van Mexico of in de zee der Antillen komen; echter zou het hem daar met aan water ontbroken hebben, want de gemiddelde diepte dezer zeeën is 1804 meter; doch waarschijnlijk beviel deze streek vol eilanden, en waar het van stoombooten wemelde, niet aan kapitein Nemo.
Den 16den April hadden wij Martinique en Guadeloupe, op omstreeks dertig kilometer afstand, in het gezicht. Een oogenblik zag ik de hoogste bergtoppen. Ned Land, die er op rekende in de golf van Mexico zijn plan ten uitvoer te brengen, door of naar het land te vluchten of een der talrijke booten te bereiken, die den dienst tusschen de verschillende eilanden doen, was zeer teleurgesteld; de vlucht was zeker mogelijk geweest, als Ned Land zich buiten weten van den kapitein van de sloep had kunnen meester maken, maar midden in den Oceaan was daar geen denken aan.
Ned Land, Koenraad en ik hadden daarover een vrij lang gesprek: sedert zes maanden zaten wij op den Nautilus opgesloten; wij hadden 68000 kilometer afgelegd, en, zooals Ned Land zei, zag het er niet naar uit, dat dit nog spoedig zou eindigen. Hij stelde mij dus iets voor, waar ik in het geheel niet verdacht op was; het was: den kapitein duidelijk deze vraag te stellen of hij dacht ons voor onbepaalden tijd bij zich aan boord te houden. Zulk een poging stuitte mij tegen de borst; volgens mijn meening zou het niets uitwerken; wij behoefden niet te rekenen op den kapitein van den Nautilus, maar op ons zelven. Bovendien werd die man sinds eenigen tijd somberder, meer teruggetrokken en minder gezellig. Hij scheen mij te mijden; ik ontmoette hem maar zelden. Vroeger schepte hij er vermaak in mij de onderzeesche wonderen te verklaren, doch nu liet hij mij aan mijn studiën over, en kwam niet meer in den salon.
Welke verandering had er met hem plaatsgehad? Waarom? Ik had mij niets te verwijten; hinderde hem misschien onze tegenwoordigheid? Echter behoefde ik er niet op te rekenen, dat hij de man er naar was om ons de vrijheid terug te geven.
Ik verzocht Ned dus mij eerst eens te laten nadenken, voordat ik handelde. Indien deze poging niet slaagde, kon zij slechts zijn achterdocht opwekken, onzen toestand onhoudbaar maken en de plannen van den Amerikaan benadeelen. Ik zal er nog bijvoegen dat ik op geenerlei wijze onze slechte gezondheid als bewijs kon aanvoeren; als men die ellendige oogenblikken onder de ijsbank van de Zuidpool uitzondert, dan was onze gezondheid nooit beter geweest. Het krachtig voedsel, de zuivere lucht, de geregelde levenswijs, de gelijkmatige temperatuur, dat alles weerde elke ziekte, en voor iemand, die geen heimwee had naar de genoegens op het land, voor iemand als kapitein Nemo, die zich te huis gevoelt, die door middelen, welke voor ieder behalve voor hem, geheimen zijn, zijn doel zocht te bereiken, voor zoo iemand begreep ik zulk een bestaan. Maar wij hadden niet met de menschheid gebroken. Ik voor mij wilde mijn zonderlinge en nieuwe studiën niet met mij te gronde doen gaan. Nu heb ik het recht een boek over de zee te schrijven, ik wilde dit vroeger of later het licht doen zien.
Wat had ik b.v. hier bij de Antillen, op tien meter onder de oppervlakte, door de ramen van den salon nog een aantal bijzonderheden voor mijn oogen, die ik in mijn dagboek kon opteekenen! Allerhande soorten van vreemdsoortige en gedrochtelijke dieren wemelden daar door elkander, en ik zou zeker nog veel meer gezien hebben als de Nautilus niet naar de diepte was gegaan, en zich zelfs tot op 3500 meter had laten zinken.
Den 20sten April waren wij weer op een gemiddelde diepte van 1500 meter; de Lucaische eilanden lagen toen het dichtst bij ons; zij liggen daar als een hoop steenen aan de oppervlakte der zee. Daar verhieven zich hooge onderzeesche klippen, rechte rotswanden op breeden grondslag, waartusschen zwarte afgronden lagen, in welker diepte ons electrisch licht zelfs niet kon doordringen. Die rotsen waren met reusachtige zeeplanten bedekt, die in een wereld van Titans te huis behoorden.
Van de groote planten, waarvan ik met Ned en Koen zat te praten, kwamen wij natuurlijk op reusachtige zeedieren. Het eene dier is blijkbaar bestemd om het andere te verslinden. Door de ramen van den bijna stilliggenden Nautilus zagen wij evenwel niet veel anders dan kleine beesten, toen Ned Land mijn aandacht vestigde op een schrikkelijk gewemel tusschen het groote en hooge zeewier.
"Welnu," zei ik, "dat zijn de ware grotten voor inktvisschen en het zou mij niet verwonderen, als wij eenige van die monsters zagen."
"Hoe?" vroeg Koenraad, "inktvisschen van de klasse der koppootigen?"
"Neen," antwoordde ik; "inktvisschen van zeer groote afmeting. Maar vriend Ned heeft zich zeker vergist, want ik zie niets."
"Dat spijt mij," hernam Koen; "ik zou van aangezicht tot aangezicht wel eens een van die inktvisschen willen zien, waarover ik zoo dikwijls heb hooren spreken, en die heele schepen naar de diepte kunnen slepen. Die beesten noemt men krakens…."
"Kraak jij die noot zelf maar," zei de Amerikaan met een spottend gezicht.
"Krakens," ging Koen voort, zonder op de aardigheid van zijn makker te letten.
"Men zal mij nimmer doen gelooven," zei Ned Land, "dat zulke dieren bestaan."
"Waarom niet?" antwoordde Koen, "wij hebben wel aan den eenhoorn van mijnheer geloof geslagen."
"Wij hadden ongelijk, Koen."
"Zonder twijfel, maar sommigen gelooven er zonder twijfel nog aan."
"Wel waarschijnlijk, Koen, maar ik geloof aan het bestaan van zulke monsters niet, voordat ik ze zelf heb gedood."
"Gelooft mijnheer dus niet aan reusachtige inktvisschen?" vroeg Koenraad.
"Kom, wie heeft daar ooit aan geloofd, voor den duivel!" riep de Amerikaan.
"Zeer veel menschen, vriend Ned."
"Geen visschers toch; misschien geleerden."
"Neen, Ned, visschers en geleerden beiden."
"Maar ik, die tot u spreek," zei Koenraad met het ernstigste gezicht van de wereld, "herinner mij zeer goed dat ik een groot schip door een voelarm van zulk een koppootig weekdier naar beneden heb zien slepen."
"Heb jij dat gezien?" vroeg de Amerikaan.
"Ja Ned!"
"Met je eigen oogen?"
"Met mijn eigen oogen."
"Kom, loop heen."
"Op St. Malo;" antwoordde Koenraad met onverstoorbare kalmte.
"In de haven?" vroeg Ned spottend.
"Neen, in de kerk," antwoordde Koen.
"In de kerk!" riep de Amerikaan uit.
"Ja, vriend Ned, het was een schilderij waarop de inktvisch was afgebeeld."
"Mooi zoo!" barstte Ned Land het uit van 't lachen, "mijnheer Koen houdt mij geducht voor den gek."
"Waarachtig, hij heeft gelijk," zei ik. "Ik heb van dat schilderstuk hooren spreken; maar het tafereel is uit een legende genomen; en je weet wat men van die legenden uit de natuurlijke geschiedenis moet denken! Bovendien als men over monsters spreekt, dan gaat men in zijn verbeelding aan het afdwalen! Niet alleen heeft men beweerd dat zulke monsters schepen naar den afgrond konden meeslepen, maar zekere Olaus Magnus spreekt van een koppootig weekdier, dat een kilometer lang was en meer op een eiland dan op een dier geleek. Men verhaalt ook dat de bisschop van Nidros eens een altaar op een groote rots bouwde; toen de mis gedaan was, begon de rots zich te bewegen en verdween in zee; de rots was een inktvisch."
"En is dat alles?" vroeg de Amerikaan.
"Neen," antwoordde ik. "Een andere bisschop Pontoppidam van Bergen, spreekt ook van een inktvisch waarop een regiment ruiterij kon manoeuvreeren!"
"Die oude bisschoppen konden goed liegen!" zei Ned Land.
"Eindelijk nog vertellen natuurkenners uit de oudheid van monsters, wier bek op een golf geleek, en die te groot waren om door de straat van Gibraltar te komen."
"Mooi zoo!" lachte de Amerikaan.
"Maar wat is nu van al die verhalen waar?" vroeg Koenraad.
"Niets, mijn vrienden, niets althans wat de grenzen der waarschijnlijkheid te buiten gaat, om aan fabels of legenden te gelooven. Doch er moet voor de phantazieën van die vertellers een oorzaak, of ten minste een voorwendsel bestaan. Men kan niet ontkennen dat er inktvisschen van zeer groote afmeting bestaan, doch zij zijn toch altijd kleiner dan walvisschen. Aristoteles spreekt van een inktvisch van vijf ellebogen, dat is 3,1 meter. Onze visschers zien er dikwijls, die langer zijn dan 1,80 m. De museums van Triëst en Montpellier bewaren skeletten van inktvisschen, die twee meter lang zijn. Bovendien zouden, volgens de bewering van natuurkenners, dieren die maar twee meter lang zijn, voelarmen van negen meter hebben, en dat is genoeg om er een vreeselijk monster van te maken."
"En vischt men ze nu nog wel eens op?" vroeg Ned Land.
"Al vangen zij er geen, dan zien de zeelieden ze toch van tijd tot tijd. Een van mijn vrienden, kapitein Paul Bos uit Hâvre, heeft mij dikwijls verzekerd dat hij een van die reusachtige monsters in de Indische Zee ontmoet had. Maar het verwonderlijke feit, dat geen twijfel aan het bestaan van die reusachtige dieren toelaat, is eenige jaren geleden in 1861 gebeurd."
"Wat is dat dan?" vroeg de Amerikaan.
"In 1861 zag de bemanning van de Alecton ten N. W. van Teneriffe, op ongeveer dezelfde breedte waar wij ons nu bevinden, een monsterachtigen inktvisch in het zog van het schip zwemmen. De kapitein Bouguer naderde het dier en men viel het met harpoen en geweer aan, doch zonder goed gevolg, want kogels en harpoenen gingen door het beest heen, waarvan het vleesch zoo week was als gelei. Na vele vluchtelooze pogingen gelukte het der bemanning een strik om den staart van het weekdier te werpen. Deze strik gleed vast tegen de staartvinnen en bleef daar zitten. Men beproefde toen om het monster aan boord te hijschen, maar de zwaarte van het dier was zoo groot, dat de staart door het knellen van het touw er afscheurde en het beest zonder dit sieraad in zee viel."
"Dat is dan toch een feit," zei Ned Land.
"Ontwijfelbaar, wakkere Ned; ook heeft men daarom voorgesteld dien inktvisch 'de inktvisch van Bouguer' te noemen."
"En hoe lang was hij?" vroeg de Amerikaan.
"Was hij geen zes meter ongeveer lang?" vroeg Koenraad, die aan een raam naar de kloven in de rotsen stond te kijken.
"Juist," antwoordde ik.
"Had hij geen acht voelarmen rondom den kop zitten," hernam Koenraad, "die als een slangennest in het water door elkander krioelden!"
"Juist."
"Had hij geen verbazend groote oogen, die boven op den kop stonden?"
"Ja, Koenraad."
"En zag de bek er niet uit als die van een papegaai, maar veel grooter?"
"Inderdaad, Koenraad."
"Welnu, als mijnheer mij niet kwalijk neemt," antwoordde Koenraad dood bedaard, "dan is hier, zoo niet de inktvisch van Bouguer, dan toch éen van zijn broertjes."
Ik keek Koenraad aan; Ned Land vloog naar het venster.
"Wat verschrikkelijk beest!" riep hij.
Ik keek op mijn beurt, en kon een gevoel van afgrijzen niet onderdrukken. Voor mijn oogen spartelde een vreeselijk monster, dat waard was om in de legenden der wonderwereld een plaats in te nemen.
Het was een inktvisch van kolossale afmetingen, van acht meter lengte. Hij zwom in de richting van den Nautilus met verbazende snelheid achteruit. Hij staarde ons met zijn groote bleekgroene oogen aan. Zijn acht voelarmen, of liever zijn acht pooten, die aan den kop vastzaten, en waarom deze dieren koppootigen genoemd worden, waren tweemaal zoo lang als het lichaam, en kronkelden als de slangen op het hoofd der Furiën. Men zag duidelijk de tweehonderd zuignappen, die aan den binnenkant der voelarmen zaten en er als half bolvormige vliesjes of blaasjes uitzagen. Soms drukte hij die zuignappen tegen het glas en veroorzaakte daardoor een kleine luchtleegte. De bek van dit monster was zoo hard als hoorn, en opende en sloot zich in vertikale richting. De tong, hoornachtig en met eenige rijen tanden gewapend, kwam trillend van tusschen deze nijptang te voorschijn. Welk een speling der natuur, een weekdier met een vogelbek! Het spilvormige en in het midden opgezwollen lichaam vormde een vleezige massa, die waarschijnlijk 20 of 25000 kilogrammen woog. De kleur veranderde bijzonder snel, naarmate van de woede van het dier, en ging van lichtgrijs over tot bruinrood. Waarom werd het dier nijdig? Zonder twijfel op den Nautilus, die grooter was dan hij, en waarop zijn voelarmen en zuignappen geen vat hadden. En toch, wat zijn de inktvisschen monsterachtig, welk eene macht in hun bewegingen, welk een levenskracht heeft de Schepper hun gegeven, daar zij drie harten hebben!
Het toeval deed ons dit dier ontmoeten, en ik wilde de gelegenheid niet laten voorbijgaan om dit staaltje der koppootige weekdieren nauwkeurig te bestudeeren. Ik overwon het afgrijzen, dat mij het gezicht van dit beest inboezemde, en begon het met een potlood uit te teekenen.
"Het is misschien hetzelfde als dat van de Alecton," zei Koenraad.
"Neen," antwoordde de Amerikaan, "deze is in zijn geheel, en de ander had zijn staart verloren."
"Dat is geen reden," antwoordde ik. "De voelarmen en de staart van deze dieren groeien telkens opnieuw aan, en in zeven jaren tijds heeft de staart van den inktvisch van Bouguer zeker tijd genoeg gehad om aan te groeien."
"Bovendien," antwoordde Koenraad, "als dit dier het al niet is, dan is het misschien een van deze hier."
Werkelijk verschenen andere dieren voor het andere raam. Ik telden er zeven. Zij begeleidden den Nautilus, ik hoorde het krassen van hun bek tegen den ijzeren buitenwand van het schip. Wij werden op onze wenken gediend.
Ik vervolgde mijn werk. De monsters bleven met zulk een juistheid van beweging in ons vaarwater, dat zij onbeweeglijk schenen te zijn.
Plotseling hield de Nautilus stil. Een schok deed het vaartuig trillen.
"Hebben wij gestooten?" vroeg ik.
"Dan zitten wij in ieder geval toch niet vast," zei de Amerikaan, "want wij drijven."
De Nautilus dreef zonder twijfel, maar ging niet meer vooruit. De schroef draaide niet meer; een minuut ging voorbij. Kapitein Nemo kwam met zijn stuurman binnen. Ik had hem sinds eenigen tijd niet meer gezien. Hij zag er somber uit. Zonder tot ons te spreken, misschien zelfs zonder ons te zien, ging hij naar het raam, bekeek de inktvisschen en zei iets tot zijn stuurman. Deze verwijderde zich; de ramen werden gesloten en het licht aan het plafond werd ontstoken.
Ik trad op den kapitein toe.
"Een fraaie verzameling inktvisschen," zei ik, op den lossen toon van een liefhebber, die voor een aquarium staat te kijken.
"Zeker, mijnheer de natuurkenner," antwoordde hij; "en wij zullen ze eens gaan bevechten!"
Ik keek den kapitein aan, en meende niet goed gehoord te hebben.
"Bevechten?" vroeg ik.
"Ja, mijnheer. De schroef zit vast, ik geloof dat de voelarmen van een van die dieren er tusschen zit; daarom kunnen wij niet vooruit."
"Wat zult gij dan doen?"
"Naar boven stijgen en al dat ongedierte vernielen."
"Dat is niet gemakkelijk."
"Zeker niet, want de electrische kogels werken niets uit in dat weeke vleesch, waar zij geen tegenstand genoeg vinden om te springen. Maar wij zullen ze met bijlen aanvallen."
"En met den harpoen, mijnheer," zei de Amerikaan, "als gij ten minste mijn hulp niet versmaadt."
"Ik neem die aan."
"Wij zullen u vergezellen," zei ik, en den kapitein volgend, begaven wij ons naar de middeltrap.
Daar stonden een tiental mannen met enterbijlen in de hand, ten aanval gereed. Koen en ik namen ieder een bijl, Ned Land greep een harpoen.
De Nautilus was ondertusschen aan de oppervlakte der zee gekomen. Een der matrozen stond op de bovenste trede en maakte de schroeven van het luik los. Maar deze waren ternauwernood los, of het luik sprong met vreeselijk geweld open, zeker door de voelarmen van een der inktvisschen opengerukt.
Aanstonds kwam een van die voelarmen als een slang door de opening, en twintig anderen kronkelden daarboven. Met een bijlslag hieuw de kapitein den vreeselijken voelarm af, die kronkelend langs de trappen naar beneden gleed.
Op het oogenblik dat wij de een op den ander drongen, om het plat te bereiken, kronkelden twee andere voelarmen door de lucht, grepen den man die vóor den kapitein stond, en slingerden hem met onweerstaanbaar geweld in de hoogte. De kapitein stiet een kreet uit en sprong naar buiten; wij ijlden hem na.
Welk een tooneel! De ongelukkige, door een voelarm gegrepen en door de zuignappen vastgehouden, werd door deze vreeselijke slang heen en weer geslingerd; hij steunde, stikte en riep: "help! help!" Deze in het Fransch gesproken woorden deden mij verstomd staan. Ik had dus éen, misschien wel meer landgenooten aan boord! Die hartverscheurende kreet zal mij mijn leven lang in de ooren klinken!
De ongelukkige was verloren. Wie kon hem aan dit geweld ontrukken! Kapitein Nemo wierp zich echter op den inktvisch en sloeg hem met de bijl nog een voelarm af. Zijn stuurman streed woedend met andere monsters, die tegen den Nautilus opkropen. De geheele bemanning was aan het rondhakken. Ned Land, Koen en ik hieuwen er ook dapper op los in die vleezige massa's. Een vreeselijke muskusstank verspreidde zich. Het was ijzingwekkend!
Een oogenblik meende ik dat de ongelukkige, die door den inktvisch gegrepen was, zou worden bevrijd. Er waren reeds zeven van de acht armen afgehouwen. Een enkele nog zwaaide het slachtoffer als een veertje heen en weder, en kronkelde in de hoogte; maar op het oogenblik dat kapitein Nemo en zijn stuurman zich op het dier wilden werpen, spoog het een straal zwartachtig vocht uit, dat zich in een zak, die aan het onderlijf zit, afscheidt. Wij werden er door verblind. Toen het voorbij was, was de inktvisch verdwenen en daarmede mijn ongelukkige landgenoot!
Hoe woedden wij toen tegen die monsters! Wij waren ons zelven geen meester meer. Tien of twaalf inkvisschen waren op het plat of tegen de zijden van den Nautilus opgekropen. Wij sprongen tusschen al die slangen heen en weer, die op het dek in bloed en zwart vocht lagen te rillen; het scheen dat die glibberige voelarmen, evenals de koppen van de hydra, telkens weer aangroeiden. Met elken stoot drong de harpoen van Ned Land in een der oogen van een inktvisch, en stiet het er uit; maar plotseling werd mijn stoutmoedige makker omver geworpen door den voelarm van een der monsters, dien hij niet had kunnen vermijden.
Hoe is het mogelijk dat mijn hart van aandoening en afgrijzen niet gebarsten is! De vreeselijke bek van den inktvisch opende zich boven Ned. De ongelukkige zou in tweeen worden gescheurd. Ik snelde hem te hulp; maar de kapitein was mij voorgekomen. Zijn bijl verdween tusschen de beide verschrikkelijke kaken, en Ned Land, op wonderdadige wijze gered, sprong overeind en stak zijn harpoen in het drievoudig hart van het monster.
"Ik was u dit nog schuldig," zei de kapitein tot den Amerikaan; Ned boog, zonder te antwoordden.
Deze strijd had een kwartier geduurd. Het grootste aantal der monsters was overwonnen, verminkt of doodgeslagen, de overigen lieten eindelijk hun aanval varen en verdwenen onder de golven.
Kapitein Nemo zag rood van het bloed; hij stond onbeweeglijk bij de lantaarn, beschouwde de zee, die een van zijn makkers had verzwolgen, en dikke tranen rolden hem langs de wangen.
HOOFDSTUK XLIII
De Golfstroom.
Niemand onzer zal ooit het vreeselijk tooneel van dien 20sten April vergeten; ik heb het opgeschreven onder den indruk eener hevige gemoedsbeweging. Later heb ik dat verhaal nog eens nagezien; ik heb het Koenraad en den Amerikaan voorgelezen; zij vonden het feit nauwkeurig genoeg beschreven, doch zeiden dat het den indruk nog niet genoeg terug gaf. Om zulke tafereelen te schilderen, zou men de pen van een onzer uitmuntendste dichters, van den schrijver der "Travailleurs de la mer" moeten bezitten.
Ik zeide dat de kapitein weende, toen hij de zee beschouwde; hij was erg aangedaan. Het was zijn tweede makker, dien hij sinds onze komst aan boord verloor. En welk een dood! Deze vriend was verpletterd, verstikt, in elkander gedrukt door den vreeselijken arm van den inktvisch, wellicht later tusschen de ijzerharde kaken verbrijzeld, en zou niet met zijn makkers rusten onder het kalme water in een koralen graf!
Te midden van die worsteling had de wanhoopskreet, door den ongelukkige geuit, mij het hart verscheurd. De arme Franschman had zijn vreemdsoortige taal op dit oogenblik vergeten, om in zijn moedertaal een laatsten kreet te slaken! Ik had dus een landgenoot onder de bemanning van den Nautilus, die met lichaam en ziel aan kapitein Nemo gehecht was, en evenals hij den omgang met de menschen ontvluchtte! Was hij de eenige Franschman in die vreemdsoortige vereeniging, die duidelijk uit menschen van verschillenden landaard was samengesteld? Dit was nog een van die onoplosbare raadsels, welke mij zonder ophouden voor den geest kwamen!
Kapitein Nemo ging weer naar zijn kamer en gedurende eenige dagen zag ik hem niet. Naar het vaartuig te oordeelen, waarvan hij de ziel was, en dat al zijn indrukken ondervond, moest hij treurig, wanhopig zelfs, en besluiteloos zijn. De Nautilus voer niet meer in bepaalde richting. Het schip kwam en ging, of liet zich als een dood lichaam door de golven voortwiegen. De schroef was weer vrij, en toch bediende het er zich ter nauwernood van. De kapitein voer onzeker; hij kon de plek van den pas geleverden strijd niet verlaten, de zee, die een van de zijnen verzwolgen had!
Zóo gingen er tien dagen voorbij. Het was eerst den derden Mei, dat de Nautilus weer in rechte lijn naar het Noorden voer, nadat wij vooraf bij het kanaal van Bahama de Lucaïsche eilanden nogmaals in het gezicht hadden gehad. Wij volgden toen den loop van den grooten zeestroom, die zijn oevers, zijn eigenaardige visschen en bijzondere temperatuur heeft; dit is de Golfstroom.
Het is inderdaad een stroom, die vrij te midden van den Atlantischen Oceaan golft, en wiens water zich bijna niet met dat van de wereldzee vermengt. Het is een stroom van zout water, veel zouter dan dat van den omringenden Oceaan. De gemiddelde diepte is een kilometer, de breedte zestig kilometer. Op sommige plaatsen bereikt de stroom een snelheid van vier kilometer in het uur. De onveranderlijke watermassa is grooter dan die van alle stroomen van den aardbol bij elkander.
De oorspong van den Golfstroom, door Maury ontdekt, is in de golf van Gascogne. Daar vormt hij zich, hoewel er dan nog weinig verschil in warmtegraad en kleur bestaat. Hij wendt zich naar het Zuiden, gaat langs de westkust van Afrika, ziet zijn golven door de stralen der zon in de verzengde luchtstreek verwarmen, stroomt dan door den Atlantischen Oceaan, bereikt kaap Roque op de kust van Brazilië, en verdeeld zich dan in twee takken, waarvan de een het warme water van de zee der Antillen opneemt. Dan begint de Golfstroom zijn rol te spelen, door het evenwicht te herstellen tusschen de verschillende temperaturen, en het water van de heele luchtstreek in aanraking te brengen met het water der koudere streken. Verhit in de golf van Mexico, stroomt hij noordwaarts langs de kust van Noord-Amerika naar New-Foundland, en wijkt dan oostwaarts af door toedoen van den kouden stroom, die uit de Davisstraat komt; daarna gaat de golfstroom door den Oceaan langs een loxodromische lijn, verdeelt zich om streeks 43° N.B. in twee takken, waarvan de een door toedoen van den noordoostpassaat naar de golf van Gascogne en de Azoren terugkeert, en de ander de luchtgesteldheid op de kusten van Ierland en Noorwegen verzacht, zelfs tot Spitsbergen doorstroomt, waar de temperatuur van het water tot vier graden daalt en dan de open poolzee vormt.
Het was in dezen stroom, dat de Nautilus op dat oogenblik voer. Als hij het kanaal van Bahama verlaat, is de Golfstroom 56 kilometer breed en 350 meter diep, en stroomt met een snelheid van acht kilometer in het uur. Deze snelheid neemt geregeld af naarmate hij verder noordwaarts gaat, en het is te wenschen dat deze regelmatigheid blijft bestaan, want als die snelheid, zooals men wel eens heeft meenen op te merken, en die richting zich wijzigden, dan zou het klimaat in Europa wel eens zulk een verandering kunnen ondergaan, dat de gevolgen er van niet te berekenen zijn.
Tegen den middag stond ik met Koenraad op het plat. Ik deelde hem eenige bijzonderheden omtrent den Golfstroom mede. Toen ik geëindigd had, verzocht ik hem, de hand eens in het water te steken. Koenraad deed het en was verwonderd geen enkele gewaarwording van warmte of koude te voelen.
"De oorzaak is," zei ik, "dat de temperatuur van het water van den Golfstroom, als hij de golf van Mexico verlaat, bijna niet verschilt van die van ons bloed. Deze Golfstroom is een groote warmteaanbrenger, waardoor sommige kusten van Europa met een eeuwigdurend groen zijn bedekt. En als wij Maury mogen gelooven, zou deze stroom, zoo men hem geheel kon benutten, hitte genoeg opleveren, om een stroom ijzer, zoo groot als de Amazonenrivier of de Missouri, in voortdurenden staat van gloeihitte te houden."
Op dat oogenblik was de snelheid van den Golfstroom 2.25 M. per seconde. De stroom is zóo te onderscheiden van de omringende zee, dat het opeengedrongen water als het ware over dat van den Oceaan heenstroomt, en dat van den Golfstroom en het koudere zeewater ongelijk van hoogte is. Bovendien is het water donkerkleurig en sterk zouthoudend, en steekt door de zuivere indigokleur tegen het omringende groene zeewater bijzonder af. De grensscheiding tusschen dit water is zoo juist afgebakend, dat de Nautilus op de hoogte van de Carolinen met den voorsteven in den Golfstroom was, terwijl de schroef nog de golven van den Oceaan doorkliefde.
Deze stroom sleept een gansche wereld van levende wezens met zich. De argonauten, die in de Middellandsche Zee nog al eens voorkomen, zwommen er bij groote troepen. Allerhande soorten van visschen, roggen, haaien enz. spartelden verder om ons heen, en 's nachts lichtte het water van den Golfstroom zóozeer, dat het in licht met onze lantaarn wedijverden, vooral als ons stormachtig weder dreigde, zooals nog al dikwijls gebeurde.
Den 8sten Mei waren wij op de hoogte van kaap Hatteras, bij de Noordelijke Carolinen. De Golfstroom is daar 300 kilometer breed en 200 meter diep. De Nautilus bleef in het onzekere rondvaren; alle waakzaamheid scheen aan boord te zijn opgeheven. Ik moet bekennen dat onder zulke omstandigheden de vlucht kon gelukken. De bewoonde kust toch bood overal een veilig toevluchtsoord aan. De zee werd onophoudelijk doorkruist door een groot aantal stoombooten, die tusschen New-York of Boston en de golf van Mexico dienst doen, en nacht en dag bevaren door schoeners, die op de Amerikaansche kust voor kustvaart worden gebruikt. Wij konden dus wel verwachten goed te worden ontvangen. Het was derhalve een gunstige gelegenheid, niettegenstaande de dertig kilometer, die den Nautilus van de kusten der Vereenigde Staten scheidden.
Een noodlottige omstandigheid echter werkte de plannen van den Amerikaan tegen: het weder was zeer slecht; wij waren in die streken waar stormen dikwijls voorkomen en de cyclonen ontstaan, die door den Golfstroom worden veroorzaakt. Het was in een zeker verderf loopen, zich in een kleine boot op zulk een zee te wagen; Ned Land moest dit bekennen; derhalve kropte hij zijn leed op, want hij had een hevigen aanval van heimwee, waarvan de vlucht hem alleen had kunnen genezen.
"Mijnheer," zei hij eens, "daar moet een einde aan komen. Ik wil eindelijk weten waar ik mij aan te houden heb. Uw Nemo gaat hoe langer hoe verder van land af, en trekt weer naar het noorden. Doch ik verklaar u, dat ik genoeg van de Zuidpool heb en ik hem niet naar de Noordpool zal volgen."
"Wat wilt gij dan, Ned, want een vlucht is op het oogenblik toch onmogelijk?"
"Ik blijf bij mijn meening; wij moeten den kapitein er over spreken. Gij hebt niets gezegd, toen gij in de buurt van uw land waart; nu wil ik spreken, nu wij in de wateren van het mijne zijn. Als ik er aan denk dat de Nautilus over weinige dagen op de hoogte van Nieuw-Schotland zijn zal, en dat daar bij Newfoundland een groote golf gevonden wordt, waar de St. Laurens uit stroomt, en dat die St. Laurens mijn stroom is, de stroom van Quebec, mijn geboortestad; en als ik aan dat alles denk, dan stijgt mij het bloed naar het hoofd, en mijn haren rijzen te berge. Kijk, mijnheer, ik zou nog liever in zee springen dan hier blijven: ik stik!"
Het geduld van den Amerikaan was blijkbaar ten einde. Zijn krachtige natuur kon zich aan deze langdurige gevangenschap niet gewennen. Zijn gezicht veranderde bij den dag. Zijn karakter werd hoe langer hoe somberder; ik gevoelde wat hij lijden moest, want ik begon ook heimwee te krijgen. Er waren bijna zeven maanden verloopen, zonder dat wij iets van het land hadden gehoord. Bovendien begon ik de zaken op geheel andere wijze te beschouwen, nu de kapitein zich zoo afzonderde en zijn humeur, vooral sedert den strijd met de inktvisschen, zoo veranderd was. Ik gevoelde niet meer dezelfde geestdrift als in de eerste dagen. Men moest een Vlaming zijn als Koenraad, om zich in dien toestand te schikken, een toestand, die goed was voor walvisschen of andere zeebewoners. Ik geloof waarlijk, dat als die goede jongen kieuwen in plaats van longen had gehad, hij een uitstekende visch zou geweest zijn.
"Welnu, mijnheer?" hernam Ned, toen hij zag dat ik niet antwoordde.
"Welnu, Ned, wilt gij dat ik aan kapitein Nemo vraag, welke plannen hij met ons heeft?"
"Ja, mijnheer."
"En dit niettegenstaande hij het al gezegd heeft?"
"Zeker. Ik verlang een bepaalde beslissing. Spreek voor mij alleen en in mijn naam, als gij wilt."
"Maar ik ontmoet hem zelden; zelfs mijdt hij mij."
"Een reden te meer hem op te zoeken."
"Ik zal hem ondervragen, Ned."
"Wanneer?" vroeg de Amerikaan aandringend.
"Zoodra ik hem ontmoet."
"Mijnheer Aronnax, wilt gij dat ik hem ga opzoeken?"
"Neen, laat mij begaan; morgen …,"
"Vandaag," zei Ned Land.
"Goed, vandaag zal ik hem opzoeken," antwoordde ik, daar de Amerikaan met zelf te gaan, alles zou bedorven hebben.
Ik bleef alleen. Toen de zaak beslist was, besloot ik er dadelijk een einde aan te maken. Ik heb liever dat iets achter den rug is, dan dat het nog geschieden moet. Ik kwam weer in mijn kamer; ik hoorde in die van den kapitein loopen; ik mocht dus de gelegenheid van hem te spreken te krijgen niet laten ontglippen. Ik klopte aan de deur, maar kreeg geen antwoord. Ik klopte nog eens, en draaide toen de kruk om; de deur ging open. Ik trad binnen. De kapitein zat voorovergebogen aan de tafel en had mij niet gehoord. Besloten niet heen te gaan voor ik hem ondervraagd had, naderde ik; hij hief plotseling het hoofd op, fronste de wenkbrauwen en zei op ruwen roon:
"Gij hier! wat wilt gij?"
"U spreken, kapitein"
"Maar ik ben bezig, mijnheer, ik werk. De vrijheid, die ik u geef om u af te zonderen, mag ik die zelf niet hebben?"
De ontvangst was niet zeer aanmoedigend, maar ik was besloten alles aan te hooren, ten einde alles te beantwoorden.
"Mijnheer," zei ik koeltjes, "ik heb te spreken over een zaak, die geen uitstel lijdt."
"Welke, mijnheer?" vroeg hij op spottenden toon. "Hebt gij een ontdekking gedaan, die mij nog ontgaan was? Heeft de zee u nieuwe geheimen geopenbaard?"
Hij was ver van de wijs, maar voordat ik kon antwoorden, wees hij mij op een handschrift, dat voor hem op de tafel lag, en zei op ernstigen toon:
"Hier ligt een handschrift in verscheiden talen, mijnheer Aronnax, Het behelst het overzicht van mijn studiën over de zee, en zoo God wil, zal het niet met mij te gronde gaan. Dit handschrift, door mij onderteekend, en aangevuld met de geschiedenis van mijn leven, zal in een hermetisch gesloten kistje worden geborgen. De laatst overlevende van ons aan boord van den Nautilus, zal het in zee werpen, en dan kan het gaan waarheen de golven het voeren willen."
De naam van den man! Zijn levensgeschiedenis, door hem zelven geschreven! Zijn geheim zou dus eenmaal ontsluierd worden? Maar op dat oogenblik zag ik in die medeeling alleen een middel om het gesprek te beginnen.
"Kapitein," antwoordde ik, "ik kan de gedachte slechts goedkeuren, die u aldus doet handelen. De vrucht uwer studiën moet niet verloren gaan; maar het middel, dat gij daartoe aangrijpt, schijnt mij kinderachtig. Wie weet werwaarts de winden dit kistje zullen heenvoeren en in welke handen het zal vallen? Zoudt gij niet iets beters kunnen uitdenken? Kunt gij, of kan een uwer manschappen …."
"Nooit, mijnheer," zei de kapitein, terwijl hij mij haastig in de rede viel.
"Maar ik en mijn makkers zijn gereed dit handschrift te bewaren, en als gij ons de vrijheid hergeeft…."
"De vrijheid!" zei kapitein Nemo, terwijl hij opstond.
"Ja, mijnheer, en het is daarover dat ik u kwam spreken. Sedert zeven maanden zijn wij bij u aan boord, en nu vraag ik u heden in naam mijner makkers en van mij zelven, of het uw plan is ons altijd bij u te houden?"
"Mijnheer Aronnax," zei kapitein Nemo, "ik zal u heden hetzelfde antwoord geven als voor zeven maanden: hij, die in den Nautilus komt, verlaat hem niet meer."
"Het is dus slavernij, waartoe gij ons veroordeelt?"
"Noem het zooals gij wilt."
"Maar de slaaf behoudt toch overal het recht om de vrijheid te herkrijgen! Welke ook de middelen zijn, die zich daarvoor aanbieden, hij mag ze allen aangrijpen."
"Wie weigert u ditzelfde recht?" antwoordde Nemo. "Heb ik er ooit aan gedacht u door een eed aan mij te binden?"
De kapitein keek mij aan, terwijl hij de armen over elkander sloeg.
"Mijnheer," zei ik, "het zou noch in uwen, noch in mijnen smaak vallen om voor de tweede maal op dit onderwerp terug te komen. Maar omdat wij er nu eenmal mee bezig zijn, kunnen wij het ten einde toe behandelen; ik herhaal u dat hier niet alleen sprake is van mijn persoon. Voor mij is studie een hulpmiddel, een krachtige afleiding, een wegslepend iets, een hartstocht, die mij alles doet vergeten. Evenals gij ben ik iemand, die gaarne eenzaam en vergeten leef, in de geringe verwachting van eens aan het nageslacht de vruchten mijner studiën na te laten, door middel van een kistje, dat ik aan de gril van golven en wind zou toevertrouwen. In éen woord, ik kan u bewonderen en zonder verdriet volgen in een rol, die ik slechts in sommige opzichten begrijp; maar uw leven heeft nog andere gezichtspunten, waardoor ik het beschouw, als omringd van moeielijkheden en geheimzinnigheden waarmede mijn makkers en ik niets te maken hebben. En zelfs als ons hart voor u heeft kunnen kloppen, bewogen als het was door innige droefheid, of getroffen door grootsche of moedige daden, hebben wij zelfs het geringste bewijs van dit medegevoel in ons hart moeten terugdringen, een medegevoel, dat het gezicht van het schoone en goede in ons opwekt, hetzij dit komt van een vriend of van een vijand. Welnu, het is dit gevoel, dat wij vreemd zijn aan al wat u betreft, dat onze toestand hier onhoudbaar en onmogelijk maakt, zelfs voor mij, maar vooral onmogelijk voor Ned Land. Ieder mensch is waard dat men aan hem denkt, alleen omdat hij mensch is. Hebt gij u zelven wel afgevraagd, welke wraakzuchtige plannen zucht naar vrijheid en afschuw van slavernij in een karakter als dat van den Amerikaan kunnen doen rijpen, wat hij kan denken, pogen, beproeven?…."
Ik hield op; kapitein Nemo was opgestaan.
"Laat Ned Land al denken en beproeven wat hij wil, het kan mij niets schelen! Ik heb hem niet opgezocht; het is niet voor mijn genoegen dat ik hem aan boord houd! Wat u betreft, mijnheer Aronnax, gij zijt een van die menschen die alles kunnen begrijpen, zelfs het stilzwijgen. Ik heb u niets meer te antwoorden. Laat deze eerste maal, dat gij mij over die zaak komt spreken, ook de laatste zijn, want een tweede maal zou ik u zelfs niet kunnen aanhooren."
Ik ging heen. Van dien dag af was onze toestand zeer gespannen; ik deelde ons gesprek aan mijn beide makkers mede.
"Nu weten wij," zei Ned, "dat er van dien man niets te hopen is. De Nautilus nadert Long-Island; wij zullen dus vluchten, hoe het weer ook moge zijn."
Maar de lucht werd hoe langer hoe dreigender; er waren voorteekenen van een naderenden orkaan; het zwerk werd melkachtig wit; in plaats van kleine wolkjes, rezen aan den gezichteinder dikke zwarte wolken, en dreven snel voort. De zee begon hol te staan en groote golven te vormen. De vogels verdwenen, met uitzondering van de stormvogels; de barometer daalde sterk en duidde een sterke drukking van den dampkring aan; het mengsel in het stormglas loste op door den invloed van de electriciteit, waarmee de dampkring verzadigd was. De worsteling der elementen was aanstaande.
Op den 18den Mei barstte de storm los, juist toen de Nautilus op de hoogte van Long-Island op eenige kilometers van New-York was. Ik kan dien strijd der elementen beschrijven, want in plaats van naar de diepte te gaan, wilde kapitein Nemo door een onverklaarbare gril, den storm aan de oppervlakte trotseeren. De wind woei uit het zuid-westen; eerst was het een flinke bries, die met een snelheid van 15 meter in de seconde woei; deze vermeerderde tegen drie uren des namiddags tot 25 meter; het was de snelheid van den storm.
Kapitein Nemo bleef onwrikbaar op het plat zitten. Hij had zich om het midden van het lichaam vastgesjord, om door de groote golven, die over hem heen sloegen, niet weggeslagen te worden. Ik was ook op het plat komen zitten, en had mij eveneens vastgebonden, terwijl ik gedeeltelijk den storm, gedeeltelijk dien onvergelijkelijken man bewonderde, die het hoofd bood aan zulk een orkaan!
De woeste zee werd door de regenvlagen gezweept; ik zag geen van de kleine golven meer, die zich in de laagte tusschen twee groote gewoonlijk vormen. Niets als lange donkerkleurige baren, wier kruinen zich dreigend verhieven. Zij werden hoe langer hoe hooger, en schenen als in woede elkander te vervolgen. Nu eens lag de Nautilus op zijde, dan stond hij recht overeind, slingerde en stampte verschrikkelijk. Tegen vijf uur viel de regen bij stroomen neer, doch wind noch golven werden er door tot bedaren gebracht. De orkaan woedde met een snelheid van 45 meter in de seconde, dat is ongeveer 160 kilometer in het uur. Als een orkaan zóo hevig is, dan werpt hij huizen omver, licht daken op, verbreekt ijzeren hekken, en kan zelfs 24-ponders van hunne plaats brengen. En toch rechtvaardigde de Nautilus in dien storm het gezegde van een bekwaam scheepsbouwmeester, die eens zei: "Er is geen goed gebouwd vaartuig, dat aan de woede der zee geen weerstand kan bieden." Het was geen vaste rots, waarop die golven zouden breken, maar wel een stalen spil, die zich kon bewegen en aan een roer gehoorzaamde, en zonder tuig of masten, de woede der elementen straffeloos kon trotseeren.
Ik bekeek de vreeselijke zeeën zoo nauwkeurig als onze toestand dit toeliet. Zij waren tot zelfs vijftien meter hoog, 150 tot 175 meter lang, en rolden voort met een snelheid van vijftien meter in de seconde. De watermassa en de kracht ervan nam toe met de diepte van het water. Ik begreep toen welke rol de golven speelden, daar zij lucht opnemen en die met geweld naar de diepte der zee dringen, waar ze met de zuurstof dus het leven aanbrengen. De kracht van die golven heeft men berekend; zij kan zich zelfs verheffen tot 27000 kilogrammen op den vierkanten meter; wanneer zij ergens tegen aanklotsen. Het waren zulke baren, die op de Hebriden een rotsblok van 48000 kilogrammen hebben omvergeworpen, of die in den storm van 23 December 1864 een gedeelte van de stad Yeddo omverwierpen, en met een snelheid van 200 kilometer in het uur, dienzelfden dag nog de kust van Amerika bereikten.
Gedurende den nacht nam de hevigheid van den storm nog toe. De barometer daalde, evenals in 1860 op het eiland Bourbon, gedurende een cykloon tot 710 m.M. In de schemering zag ik aan den gezichteinder een groot schip, dat met den storm worstelde; het voer onder halven stoom, om zich op de golven overeind te houden; waarschijnlijk was het een van de stoombooten van de lijn van New-York naar Liverpool of Havre. Het verdween weldra in de duisternis.
Om tien uur 's avonds stond de hemel in vuur; vreeselijke bliksemstralen doorkliefden de lucht; ik kon het schitterend licht aan de oogen niet uitstaan, terwijl kapitein Nemo het zonder blikken beschouwde, en als 't ware den stormwind in zich opnam. Een vreeselijk gebulder vervulde de lucht; het was een geraas dat ontstond door het gebrul der golven, door het geloei van den storm en het ratelen der donderslagen. De wind barstte aan alle kanten tegelijk los, en de cykloon, die in het oosten onstond, keerde daarheen door het noorden, westen en zuiden terug, juist andersom als met zulke draaiende stormen in het zuidelijk halfrond het geval is.
O, wat rechtvaardigt die Golfstroom zijn naam: het vaderland der stormen te zijn! Hier worden die vreeselijke cyklonen gevormd, door het verschil in de temperatuur van de luchtlagen, die boven de stroomen liggen.
Op den regen volgde een stroom van vuur; de regendruppels veranderden in vurige vonken; men zou gezegd hebben dat kapitein Nemo een hem waardigen dood had willen sterven, en hij daarom gaarne door den bliksem getroffen wilde worden. Bij het ontzettend stampen en slingeren van den Nautilus, verhief deze zich een oogenblik met de voorpunt in de lucht, en ik zag er evenals van een bliksemafleider tal van vonken afspringen.
Dood moede en bijna machteloos, kroop ik langzaam naar het luik; ik opende het en ging naar den salon. Toen kreeg de storm zijn grootste kracht; het was onmogelijk op de beenen te blijven staan. Kapitein Nemo kwam tegen middernacht binnen; ik hoorde dat de vergaarbakken vol water werden gepompt, en de Nautilus zonk langzaam onder het vlak der zee.
Door de geopende ramen van den salon zag ik groote visschen als spoken schuw voorbijsnellen; enkele werden onder mijn oogen door den bliksem getroffen. De Nautilus daalde nog altijd; ik dacht dat wij op vijftien meter diepte in kalm water zouden zijn, maar neen, de bovenvlakte was in al te heftige beweging; wij moesten de kalmte in een diepte van vijftig meter opzoeken. Maar welk een rust, welk een kalmte heerschte ook daar! Wie zou gezegd hebben, dat op dat oogenblik een orkaan woedde aan de oppervlakte van den Oceaan?!