← Table of contents
Yougo-Slavia

III. ARM SERVIË.

Reading edition

Illustration from Yougo-Slavia

De Servische socialistische partij, vertegenwoordigd door den heer D. Popowitch, secretaris dier partij en den afgevaardigde T. Katzlerowitch, heeft den 10en November 1917 aan den secretaris van het Hollandsch-Scandinavische Comité te Stockholm, den heer Camille Huysmans, een gedenkschrift overhandigd, dat de onweerlegbare documenten bevat der Austro-Hongaarsche en Bulgaarsche wreedheden, bedreven op de burgerlijke bevolking van Servië.

Dit gedenkschrift werd gepubliceerd onder den titel: Les Souffrances d'un peuple en, voorzien van een inleiding van Camille Huysmans, in dit jaar door de Librairie Kundig te Genève uitgegeven.

In het Zwitsersche appèl, op de eerste bladzijde van Les Souffrances afgedrukt, stellen 46 mannen van beteekenis, waaronder de bekende professor O. Nippold te Bern, de vraag: „zal de beschaafde wereld niet de middelen en den weg vinden om paal en perk te stellen aan dit afschuwelijk schrikbewind?”

Als het doel van dit werk is daartoe de beschaafde wereld op te eischen, dan is het, naar mijne meening althans, tevergeefs geschreven. Ingrijpen in dit afschuwelijke régime der Oostenrijkers en der Bulgaren kan niemand. En zonder dit ingrijpen zal noch de Oostenrijker, die er niet tegen opzag zijn eigen bevolking uit te moorden, te knevelen, te mishandelen en te berooven, alleen omdat ze Servisch is, noch de Bulgaar, deze Tartaar, die de manieren van de Duitschers in België heeft afgekeken, van zijn schrikbewind afzien. Aan een misdaad stelt men geen paal en perk, zoolang men zich niet van den misdadiger meester maken kan.

Maar, al wordt dit doel niet bereikt, toch is met dit boek een goed werk verricht. Want hier worden de schuldigen gebrandmerkt. En straks, als er over den vrede onderhandeld zal worden, zal men hen herkennen aan hun brandmerk.

De heeren Popowitch en Katzlerowitch hebben een tijdlang gezucht onder het wreede regime van de Oostenrijkers, tot zij kans zagen het land te verlaten. En oogenblikkelijk daarop hebben zij de documenten, die zij verzameld hadden, gepubliceerd. Het werk geeft dan ook slechts een opsomming van misdaden, bedreven door Oostenrijkers en door Bulgaren, met hier en daar een conclusie; het geeft geen aaneengeschakeld verhaal, dat meesleept door schrijverstalent. Het is ook niet noodig. Want deze eenvoudige opsomming laat zelfs het hardste gemoed niet ongeroerd.

Ik kan het werk der beide Servische socialisten aanbevelen; het geeft de waarheid en niets dan de waarheid, zonder overdrijving. Ik kan dit beweren, omdat ik zelf langen tijd verblijf hield in dit deel van Servië, dat door de Bulgaren is bezet en waar ik deze heeren aan het werk heb gezien, tot de Duitschers ontdekten, dat ik gevaarlijk kon worden en mij gevangen namen.

Om nu de opsomming, die „Les Souffrances” ons geeft, aan te vullen en te versterken, te versterken vooral, doe ik u hier het verhaal mijner ervaringen:

Servië was een rijk land.

Dit klinkt paradoxaal voor ons, Hollanders, die steeds in de meening verkeerden, dat Servië een ongecultiveerd bergland was, met een bevolking zonder behoeften en die van den Serviër gehoord hadden, dat hij even gerust op den harden grond van een landweg of van een armzalige schuur sliep als wij in een goedverwarmde kamer in een zacht bed en dat hij leven kon van droog brood en uien.

Het is waar: de Servische boer leeft zeer sober en kent geen luxe, volgens onze opvattingen althans. En nochtans was Servië rijk. Levensmiddelen waren er steeds in overvloed te vinden en hongersnood, zooals wel eens in het rijke Roemenië voorkwam, was den Serviër onbekend. Hij bezat een prachtigen veestapel: ossen, koeien, schapen en varkens. Het vleesch was in Servië goedkoop. Tarwe, rogge, maïs groeiden er welig en het brood was er voortreffelijk. Het pluimvee: kippen, ganzen, eenden, kalkoenen, was er ontelbaar. Eieren waren er spotgoedkoop. Aan vruchten: pruimen, appelen, peren en druiven, was geen gebrek. De wijn was er voortreffelijk. En de pakhuizen en de winkels der Servische kooplui waren immer tot berstens toe gevuld met de producten der industrie, die van buiten moesten worden ingevoerd. Gebrek kan er bij ons nooit ontstaan, al duurt de oorlog nog zoo lang, zei de Serviër. Hij zou gelijk gehad hebben, zoo hij slechts zijn vijanden buiten de landpalen had kunnen houden.

Servië was rijk, maar thans, nu het in de handen van Oostenrijkers en Bulgaren is geraakt, is het o zoo arm geworden. Want zijn rijkdom is gestolen en geroofd, door Duitschers, door Bulgaren en door Oostenrijkers, die het land hebben leeggehaald en de bevolking tot den bedelstaf gebracht.

Wij strijden niet tegen het Servische volk, maar tegen den Servischen koning en zijn leger, zei de veldmaarschalk Mackensen in een proclamatie, die hij op de hoeken der straten van de Servische steden liet aanplakken.

Ja, waarlijk, excellentie, ge hebt de geheele bevolking niet over de kling gejaagd, dat is waar, maar ge hebt ze naakt laten uitschudden en gij, uwe soldaten en uwe waardige bondgenooten hebben goede sier gemaakt van hetgeen Servische arbeid op Servischen bodem had voortgebracht en, toen gij met uw staf het land verliet om uw rooftocht voort te zetten, toen liet ge den honger in Servië achter. Ge hebt niet alle Serviërs vermoord, doch ge hebt ze zoo diep in de ellende gestort, dat zelfs de schitterende Servische zon de duisternis uit hun ziel niet meer verdrijven kon.

Toen de Duitschers het Servische land betraden, stonden ze verstomd over zijn rijkdom. Men had hun verteld, dat de Serviërs zeer dapper waren, maar dat het Servische land arm, o zoo arm was. Toen ze kwamen, ontdekten ze, dat de Serviërs werkelijk zeer dapper waren, maar dat het land rijk was. En thans? De Serviërs zijn even dapper gebleven, maar het land is arm geworden. Waar een Hun en een Tartaar hun voet gezet hebben, groeit zelfs geen gras meer!

De Duitschers, Oostenrijkers en Bulgaren waren nog geen maand in Servië, of het land was leeggehaald. Verdwenen was de veestapel. Leeg waren de magazijnen en de winkels. Berlijn at Servische ossen en de Duitsche soldaten deden zich te goed aan Servische varkens, Servische schapen en Servisch pluimvee.

Men requireerde, men roofde en men stal; alles wat waarde had, was naar de gading der veroveraars.

Duitschers, Oostenrijkers en Bulgaren requireerden. Op echte en op valsche bons. Want valsche bons werden ook afgegeven. Ik heb een bon gezien, uit vele andere valsche, onderteekend met: „Königpeterzahlt”, afgegeven aan een Serviër natuurlijk, die geen woord Duitsch verstond. De echte bons werden door de Duitschers betaald in Marken en met 20 tot 45 pCt. korting op de prijzen, die zij zelf bij de requisitie hadden vastgesteld. Ook de Bulgaren betaalden met.... wissels op de eeuwigheid.

Men requireerde niet alleen, men roofde ook. De woningen van Nisch bijvoorbeeld, die door de Serviërs verlaten waren bij den intocht der Bulgaren, werden door de Bulgaren leeggehaald en de meubelen en kleeren der gevluchte bewoners publiek verkocht, hetzij in Nisch of elders. De opbrengst der geroofde goederen verdween.... ik zal maar zeggen in de Bulgaarsche schatkist.

Vaten met wijn, met cognac, wagenvrachten manufacturen, comestibles werden door de Bulgaren geroofd en de koopmansboeken der eigenaars werden verbrand.

Ik was door de Duitschers gevangengenomen en achter slot en grendel gezet in een groote particuliere woning in Nisch, die tot gevangenis was ingericht. Wegens den toestand mijner gezondheid veroorloofde men mij echter mij vrij op de binnenplaats mijner gevangenis te bewegen, bewaakt natuurlijk door Duitsche soldaten met geladen geweren.

Deze binnenplaats was aan de voorzijde afgesloten door het tot gevangenis ingerichte gebouw, aan de achterzijde door een tweetal zeer groote magazijnen. In deze magazijnen hadden de Bulgaren de geroofde goederen van een mij bekenden koopman opgeslagen; goederen, die naar mijne schatting eene waarde van 40 tot 50 duizend gulden vertegenwoordigden. Ze werden heel nauwkeurig door Bulgaarsche officieren met hun ondergeschikten geïnventariseerd en daarna bij wagenvrachten weggesleept.

Op zekeren dag, toen de geheele voorraad zoo goed als ingeladen was en ik op de binnenplaats van mijn gevangenis wandelde, kwam een Bulgaarsch officier op mij toe en sprak mij aan.

„Monsieur, parlez-vous français?” vroeg hij mij.

„Mais oui, monsieur”, antwoordde ik.

„Je voulais demander quelque chose au Feldwebel, ayez la bonté de le traduire.”

„Le Feldwebel n'est pas ici, monsieur.”

„C'est dommage.”

Na een oogenblik nagedacht te hebben ging hij voort:

„Nous voulons exécuter un acte, en quoi votre présence nous gêne.”

Ik had genoeg van het Fransch van den Bulgaar en antwoordde kort:

„Je quitterai la cour.”

„Groote goden, wat een ezel,” dacht ik, maar ik verliet de binnenplaats en.... zocht een plaatsje op, van waaruit ik ongezien kon waarnemen, welke daad, waarbij ik hinderlijk was, de Bulgaren te verrichten hadden.

Er werd een brandstapeltje gemaakt van stroo, papier en wat droog hout. Het werd aangestoken en toen het goed oplaaide, kwamen Bulgaarsche soldaten met groote koopmansboeken aandragen, trapten ze aan stukken en wierpen ze in het vuur.

„Aha,” zei ik tot mezelf, „de heeren vernietigen de bewijzen van hun diefstal, en, als na den oorlog de eigenaar den Bulgaarschen staat een proces wil aandoen om de waarde van de gestolen goederen vergoed te krijgen, zal hij geen enkel bewijs kunnen leveren.”

Er is, door de Bulgaren vooral, ontzettend gestolen in het bezette gebied; iederen dag kwamen er wagonladingen met gestolen goederen te Sofia aan en de Bulgaarsche couranten somden met welgevallen den buit op, die weder was binnengehaald. De Tartaar stond te likkebaarden.

Deze diefstallen schijnen de Bulgaren in hun eigen oogen niet te onteeren, want de Sobranja—de Bulgaarsche volksvertegenwoordiging—nam een wet aan, waarbij de goederen van hen, die het land verlaten hadden, uit vrees voor de Bulgaren natuurlijk, tot Bulgaarsch staatseigendom werden verklaard. En ik heb het bijgewoond, dat iemand, die in twee steden eigendom bezat, het moest aanzien, dat zijn eigendom in een der steden tot staatseigendom werd verklaard, omdat hij daar niet aanwezig was.

De minister van handel had vroeger reeds een besluit genomen dat alle in beslag genomen Servische boeken—en het waren boeken, die men èn particulieren èn boekhandelaars ontnomen had—tegen 15 centimes per kilo zouden worden verkocht voor de papierfabricatie.

Men bracht het Servische volk tot den bedelstaf door roof; men liet het echter nog op andere wijze verarmen. Want men overstroomde het land met Oostenrijksch papiergeld dat straks, als de vrede zal worden geteekend, door het bankroet van de Donau-Monarchie, volkomen waardeloos zal zijn.

Het Servische papiergeld werd door de Bulgaren plotseling waardeloos verklaard, toen zij nauwelijks een maand het Servische gebied in hun bezit hadden.

Er liep in Servië zeer weinig groot bankpapier om; biljetten van 100 dinaren (franc) zag men er zelden. Doch talrijk waren de biljetten van 10 dinaren, die in handen van iedereen waren. Men kan zich dus denken welk een geweldigen slag de Bulgaren de bevolking van het door hen bezette gebied toebrachten; ineens was de geheele bevolking straatarm geworden. Nisch was wanhopig.

Wij konden aanvankelijk zelfs niet gissen, waarom de Bulgaren zulk een maatregel namen. Het Servische papier was behoorlijk gedekt en al had de vijand zich niet meester kunnen maken van het goud en zilver der Nationale Bank, een overeenkomst zou toch wel te treffen geweest zijn om de Servische bevolking voor een ramp te behoeden. Maar zelfs al ware zulk een overeenkomst niet mogelijk geweest, dan nog had de Bulgaarsche regeering haar toevlucht niet tot zulk een noodlottigen maatregel mogen nemen. Het is een domheid de bevolking van een land, dat men annexeeren wil, tot den bedelstaf te brengen. Een volk van bedelaars is geen aanwinst voor een staat.

We ontdekten echter spoedig wat er achter den Bulgaarschen maatregel stak, want enkele dagen nadat de Servische bankbiljetten waardeloos verklaard waren, zaten de hotels en koffiehuizen van Nisch vol met Spaansche Joden uit Sofia, die er de bankbiljetten van 10 dinaren kwamen opkoopen tegen den prijs van 4 levs (franc). En als men nu weet, dat het niet zoo gemakkelijk was om in dien tijd van Sofia naar Nisch te reizen en dat men daarvoor de bijzondere toestemming noodig had van Sofianer autoriteiten, dan is de gevolgtrekking, dat Sofia zaken wilde doen en speculeeren met de ellende en op den wanhoop der Serviërs, niet gewaagd. Kort daarop stelde Sofia den prijs der Servische bankbiljetten van 10 dinaren vast op, naar ik meen, vijf levs.

Zeer groote zaken zullen de Bulgaren met hun manoeuvre wel niet gemaakt hebben, want de Serviërs waren verstandig genoeg om zich zoo weinig mogelijk om het voorschrift der Bulgaren te bekommeren. Groot nadeel leden alleen zij, die met koopen niet wachten konden en geen ander geld dan Servisch tot hun beschikking hadden. Dit waren juist de minst vermogenden. De boeren bezaten echter veel zilver en ofschoon ook dit geld, volgens het voorschrift der Bulgaren, in waarde sterk gereduceerd was, zij leden er niet veel onder, omdat zij geen ander geld wilden aannemen dan juist Servisch en niemand van hen ook ander geld bekomen kon. En ik heb den tijd gekend, in den zomer van 1916, dat het waardeloos verklaarde bankpapier van 10 dinaren in Servië hooger in prijs stond dan tien kronen van de Oostenrijksche onderdrukkers.

Aanvankelijk begreep ik niets van al de maatregelen van geweld, die de Bulgaren tegenover de Servische bevolking namen; eerst later ontdekte ik systeem in hun barbaarschheid en dat elke maatregel slechts een deel uitmaakte van een systeem, dat leiden moest naar één groot, afschuwelijk doel, zooals het alleen in de hoofden van geraffineerde Aziaten, van 19e eeuwsche Hunnen, kon opkomen: de uitroeiïng van de Servische bevolking. Haar tot den bedelstaf brengen, was slechts één der maatregelen, de anderen waren: onderdrukking van het Servische nationale leven, uitroeiïng van de dragers van dit leven, zooals de geestelijkheid, interneering van de mannelijke bevolking, om ze in den vreemde langzaam te doen sterven en, wijl men toch niet zooals in den tijd van Herodus, alle kinderen kon gaan vermoorden, het zenden van Bulgaarsche schoolmeesters en Bulgaarsche schoolmamsels naar het bezette gebied, om van de Servische kinderkens Bulgaarsche te maken.

Men doorzocht de woningen der Serviërs naar Servische boeken en Servische schilderijen; men haalde alle Servische boekwinkels leeg en vroeg er niet naar, of men den eigenaar ruïneerde; alles wat Servisch was, moest worden vernietigd, al waren het slechts onschuldige boeken.

De Serviërs kregen Bulgaarsche namen; de zakenlui moesten hun Servischen firmanaam omdoopen in een Bulgaarschen.

Het zal alles tevergeefs zijn; het helpt niet of men den Serviër een Bulgaarschen rok aantrekt.

Wat helpt het of men thans Servische boeken vernietigt? Ze zullen altijd gedrukt worden.

Wat geeft het of Popowitch thans Popoff heet? Onder den Bulgaarschen naam verschuilt zich een Servische ziel.

Wat helpt het of men Servische kinderen Bulgaarsch laat leeren door Bulgaarsche schoolmeesters? Ze hebben Servische moeders.

Wat helpt het of men den Serviërs de afbeeldingen hunner heiligen ontneemt en hun Sint-Save in den ban doet? Hun Slawafeest zullen ze niettemin blijven vieren, waaraan men den Serviër herkennen kan.

Doch de Bulgaren denken met een Tartaarsch assimileeringssysteem, ondoordacht, tergend en wreed, hun doel te bereiken en van de Serviërs Bulgaren te maken. Wat den Duitschers niet gelukt is in Polen en in Elzas-Lotharingen, den Magyaren en Duitschers niet in de Donau-Monarchie, dat zou een Tartaro-Bulgaar gelukken in Servië?

De Servische geestelijken zijn naar Bulgarije gebracht, te voet, midden in den winter, in de sneeuw. Hoevelen zijn er aangekomen? En hoevelen zijn onderweg vermoord? Ge kunt, lezer, de namen van de vermoorden lezen in: „les Souffrances”. Barbaarsch, vindt ge niet? Maar niettemin bezitten de Bulgaren een edelmoedige ziel, volgens Paskoff.

Men kan zich denken welk soort van bestuur de Bulgaarsche regeering naar het bezette gebied zond. Want voor dit soort werk, zooals de Bulgaren in Servië wilden ondernemen, is zelfs niet iedere Bulgaar geschikt.

De burgemeester van Nisch moet, volgens de getuigenis van een Bulgaar, een gewezen kroeghouder zijn; hij ranselde het volk met een zweep af. De prefect van Nisch, Iwanoff, was, volgens de getuigenis van een anderen Bulgaar, Savadjan (in: La Bulgarie en guerre) redacteur van een blaadje, dat van tijd tot tijd verscheen met chantage-doeleinden; hij was reeds vroeger door de Bulgaarsche justitie veroordeeld wegens afpersing. De prefect van Monastir heette Boyadjieff en was door zijn vader, den generaal, uit het ouderhuis gejaagd als onverbeterlijk, waarvan deze in de pers mededeeling had gedaan. Op de dorpen was het leven der Serviërs in handen gegeven van Bulgaarsche gendarmen, een zeer lief volk.

Er zijn niet veel mannen meer te vinden in het door de Bulgaren bezette gebied. Waar ze gebleven zijn? Men heeft ze naar Bulgarije gebracht en ook naar Klein Azië. Men laat ze er allerlei werk verrichten; ze sterven bij tientallen tegelijk van ellende en gebrek. Juist, wat de Bulgaren verlangen.

Of alle Servische mannen, die bijvoorbeeld uit Nisch en omgeving verdwenen zijn, ook gedeporteerd of geïnterneerd zijn? Wie zal het ons vertellen? Och, roepen de Nischers uit, als de vesting eens spreken kon? En schuw kijkt hij de oude Turkenvesting aan, waarin zoo'n naamloos leed geleden wordt en hij siddert als hij er aan denkt, wat er met hen gebeurt, die er werden opgesloten.

De vesting en de Nischewa, het snelstroomende riviertje dat in Bulgarije ontspringt, door Nisch stroomt en zich in de Morawa stort, ze zullen beide ten eeuwigen dage door de Nischers vervloekt worden. Want beide verbergen in zich ontzettende geheimen. Als de Nischewa droog liep, zei ons eens een Nischer, dan zoudt ge ontdekken dat haar bed met menschenlijken is geplaveid. En er is geen Nischer te vinden, die thans visch uit de Nischewa zal eten, ondanks zijn honger.

Er wonen in het door ons bezette gebied geen Serviërs, beweren de Bulgaren; de bevolking is er Bulgaarsch en het land is indertijd ten onrechte bij Servië gevoegd. Het zouden dus eigen landgenooten zijn, die door de Bulgaren vermoord worden. En het zijn er niet weinigen. Men zegt, dat de Bulgaren twintig duizend menschen in het bezette gebied over de kling hebben gejaagd. Het cijfer is niet te controleeren, thans niet, maar dat het er velen, ontelbaar velen zijn, daarover kan geen twijfel bestaan.

Is het onder zulk een régime niet verklaarbaar dat een bevolking, tot den bedelstaf gebracht, gekneveld en geplaagd, die het moet aanzien dat vaders, broeders en zelfs moeders en zusters in koelen bloede door de Bulgaarsche bestiën worden vermoord, uit vertwijfeling naar de wapens grijpt, die verborgen zijn, om er den geweldenaar mede neer te slaan? En dat de Serviërs zich beginnen te verzetten?

Het verzet tegen de Bulgaren is een tijdlang zeer hevig geweest en ook zeer gevaarlijk en ging ten slotte over in een formeelen opstand. Op het einde van Maart van het vorige jaar kregen de inwoners van Nisch bevel hunne huizen gedurende twintig dagen niet te verlaten; huis aan huis werd er doorzocht. De kanonnen rolden door de straten van het stadje en in de verte donderde het geschut.

Er was oproer uitgebroken in Prokoeplje, ten Westen van Nisch, dat zich snel had uitgebreid over Koeschoemlija en zelfs over Leskowats. De Bulgaren zonden onmiddellijk talrijke troepen met kanonnen en mitrailleusen, waartegen de opstandelingen natuurlijk geen stand konden houden; het oproer werd in bloed gesmoord, talrijke dorpen werden met den grond gelijk gemaakt en de inwoners: mannen, vrouwen, kinderen en grijsaards door de Bulgaren vermoord.

Tandenknersend en het hart vol wrok, gerechten wrok, maar schijnbaar kalm, draagt de Serviër zijn naamloos leed. Fier houdt hij het hoofd omhoog, vol moed, trots ellende en honger, want het geloof, dat de dag van vergelding komen zal, leeft onverwoestbaar in hem voort.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings