Het passiespel op de Marquesaseilanden.
Reading edition
De roem van de passiespelen te Oberammergau is door de heele wereld verbreid, en waar ook maar een kerk is opgericht of een kapel, waar ook zendingsposten te vinden zijn, daar is wel nu en dan een rondreizend leeraar opgetreden, die voor de verbaasde gemeente in woord en beeld of met behulp van stereoscoop of kinematograaf voor oogen stelde, hoe in dat bovenbeiersch Alpendal eenvoudige boeren de levens- en lijdensgeschiedenis van den Heiland en Verlosser voorstellen. Er zal wel geen enkele vertooning van dien aard zoo bekend wezen als die, welke alle tien jaren te Oberammergau terugkeert.
Ook over andere kerkelijke plechtigheden, over grootsche optochten en grootsche processies, die men in Italië kan zien, over tooneelvoorstellingen, aan den bijbel ontleend, gehouden in spaansche en zuid-amerikaansche schouwburgen, is in alle talen gesproken en geschreven; maar over het passiespel van de fransche zending op het eiland Hiwaoa in de Stille Zuidzee, een van de groep der Marquesaseilanden, is nog weinig tot de buitenwereld doorgedrongen.
Interessant is daarom wat de heer Arthur Abrecht uit New York daarover in “Ueber Land und Meer” dezer dagen meedeelde. Hij zegt, dat waarschijnlijk niet meer dan een dozijn blanken zich er op kunnen beroemen, ooggetuigen van dit belangwekkend schouwspel geweest te zijn. In Frankrijk, waarheen in de berichten van de zendingsposten er melding van kan zijn gemaakt, weet men, dat daar ergens in het zuidelijkste Zuiden van den Stillen Oceaan, verweg in de buurt van Australië, wilden, kannibalen misschien wel, een zoogenaamd passiespel opvoeren; maar overigens is de roem van de merkwaardige plechtigheid niet buiten de koraalriffen doorgedrongen, die de rotsachtige oevers van Hiwaoa omzoomen.

Rauga in de rol van Pontius Pilatus.
En toch wordt er nu al bijna vijftig jaren met Paschen een passiespel opgevoerd. Katholieke zendelingen zijn er mee begonnen, en bij de eerste voorstellingen waren ook zij de dragers der rollen. Van de verschillende zendingsposten op de eilanden in de buurt kwamen ze over; een ware vloot van koopvaardijschepen, voor het doel met opzet gehuurd, verzamelde zich om Hiwaoa, en nadat de stille week voorbij was, gingen de predikers weer heen, ieder naar zijn moeilijk werk, blij, een zaad te hebben uitgestrooid, waarvan ze zich wel wat goeds voorspelden, maar waarvan ze toch niet wisten, hoe de oogst zou uitvallen.
De gedachte, die de zendelingen had bewogen, aan de wilde, donkerkleurige menschen het leven van Jezus in beeld voor te stellen, was eenvoudig de opvolging der leer, dat aanschouwingsonderwijs meer goed doet dan enkel woorden, en dat men door het oog meer leert dan door het oor. Al spoedig kon men enkele kleinere rollen laten bezetten door inboorlingen, tot belooning voor hun overgang tot het Christendom. Het duurde daarna niet lang, of ook de grootere rollen konden door de wilden worden gespeeld, en de zendelingen konden er zich toe bepalen, régisseurs, koorleiders en costumiers te leveren.
Toen eerst bleek, welk groot succes men met deze voorstelling bereikte, hoe voortreffelijk ze haar doel vervulde, door in eenvoudige, primitieve beelden de geschiedenis van den timmermanszoon van Nazareth nader te brengen tot het hart en het verstand van de wilden. En zelfs nog tegenwoordig, nu de menschen al zooveel jaren gewend zijn aan den jaarlijkschen terugkeer van de plechtige feestelijkheid, is de moreele werking merkbaar.
Het passiespel wordt thans nog op hetzelfde tooneel opgevoerd, waarop de zendelingen indertijd optraden. Het is een soort van natuurlijk amphitheater midden in de kolonie van hutten, die het dorp Hiwaoa vormt en die rondom den katholieken zendingspost is gelegen. De gebouwen der zending, lage huizen van koraalsteen en gegalvaniseerd ijzer, vormen twee kanten van een vijfhoekig plein. Aan twee andere kanten staan dicht opeen rijen vijgenboomen en broodboomen, ware reuzen, waarvan de ver in het rond afhangende takken samen met de knoestige, over den grond kruipende wortels een bijna massief houten terras vormen. Honderden toeschouwers vinden er gemakkelijk plaats. Daarbij gaat het juist zoo toe als in de beschaafde wereld. De deftigen zitten in het parterre; de inboorlingen klimmen in de takken en kijken van die “galerij” uit naar het wondere spel. Het tooneel zelf is een vastgestampt stuk land, waarlangs op den voorgrond en aan welks beide zijden zich een stroomend beekje met kristalhelder water kronkelt, waarvan de golfjes in het zonlicht glinsteren met lichtjes, die het voetlicht op het tooneel kunnen vervangen.
Achter het tooneel verrijst een met klimplanten begroeide rotswand, die zoo steil is, dat de régisseur op dit tooneel niet licht iemand “door het midden” zal laten opkomen. Links heet de in een halven kring om het tooneel stroomende beek Boventarula, rechts heet ze Benedentarula, en de tusschen de coulissen op hun “woord” wachtende medespelenden zijn voor de blikken der toeschouwers verborgen door hooge broodboomen, die aan weerszijden tot het water reiken.
Voor de muziek zorgt een orgel, dat zijn ouderdom noch tracht te verbergen, noch weg te cijferen en een klagelijk geluid laat hooren, als de vingers van den zendeling of van een zendelinge over de vergeelde toetsen glijden; dan een klarinet en een aantal tamtams of trommen van uitgeholde boomstammen, waar men zoo aandoenlijk op kan trommelen, dat men de tranen er van in de oogen krijgt. Onder de door dit orkest voortgebrachte tonen der Marseillaise gaat het gordijn omhoog voor het eerste tooneel “Christus en de kinderen”. Dat is natuurlijk slechts figuurlijk gesproken, want een gordijn heeft men op Hiwaoa niet. Als de opvoering begint, komt Christus, een pikzwarte Christus, eenvoudig van den kant der Boventarula op het tooneel, de kinderen duiken achter de broodboomen vandaan aan den kant der Benedentarula op en ze ontmoeten elkaar midden op het tooneel.
Dan legt de Christus ieder de hand op het zwarte hoofdje en naar de Benedentarula trekt hij af met de kleinen achter zich aan. Evenmin als een gordijn heeft men blanketsel noodig. De kinderen spelen in het meer of minder complete toilet, waarin men ze dagelijks op den weg kan zien. Voor Jezus speelt een inboorling, wiens naam Lurau is. Lurau gaat door voor den behendigsten parelduiker en haaivisscher op de Marquesaseilanden. Als hij zijn lang krullend haar flink in de olie heeft gezet en glad gemaakt heeft, zijn baard heeft verzorgd, maakt de forsche zwarte man in zijn lang en slepend kleed van sneeuwwit mousseline eerder den indruk van een Christus dan veel vertooners van den Heiland, die men in de passiespelen in Zuid-Amerika ziet optreden.
De Europeaan, die van kindaf gewend is, zich de lichtgestalte van den Verlosser op zijn wijze voor te stellen, wordt in zijn illusie wreed gehinderd, als daar de goede Lurau met een stralenkrans op zijn geoliede haren verschijnt, een ornament, dat hij blijkbaar met veel moeite en geduld uit een blik van cakes heeft uitgesneden. Want Christus moet een stralenkrans hebben, redeneeren de zwarten, en dien moet men zien, want heeft hij dien ook niet op alle plaatjes, die in de kerk, de kapel en de school hangen? Daarom hebben ook de zendelingen die concessie gedaan, en Lurau draagt zijn glinsterenden, vergulden blikken ring in het haar. Tijdens de week van den Goeden Vrijdag, zoolang de passiespelen duren, is de voorsteller van Christus op het tooneel en in het dagelijksche leven waardig en deftig, een waar model van deugd; later is hij.... nu, net als al zijn zwarte broeders en zusters.
Het tweede tooneel stelt de boete van Magdalena voor. Deze dame komt in een lichtroode “holokau”, dat is een licht, los en eenvoudig huiskleed, op het tooneel (rood om haar zondigheid zinnebeeldig voor te stellen) van den Boventarulakant. Ze ziet Christus, die in een nis van den rotsachtergrond uitrust, werpt zich voor hem neer, om haar boetvaardigheid te toonen. Christus staat op, heft de knielende omhoog en brengt plotseling een sneeuwwitte “holokau”, die een goede Voorzienigheid met opzet voor dit doel ergens in de plooien van zijn gewaad verborgen heeft, te voorschijn, en zegent de boetvaardige zondares, reikt haar het witte gewaad over, en zij trippelt met een breeden grijns op het vetglanzige gezicht naar den Benedentarulakant, verwisselt achter den beschermenden stam van een zwaren broodboom in een oogenblik haar kleeding, en het tooneel eindigt daarmee, dat Magdalena aan den bovenkant verdwijnt, van geluk stralend in haar sneeuwwit gewaad, vrij van alle zonde en schuld. Deze rol wordt bijna ieder jaar door een andere inboorlinge gespeeld.
Voor het tooneel van het Heilig Avondmaal heeft men zich noch Leonardo da Vinci’s schilderij ten voorbeeld genomen, noch dat van een anderen meester, en het gevolg is, dat het Avondmaal op Hiwaoa ook zeer wezenlijk verschilt van de gewone opvatting. Ja, er wordt zelfs niet in zoo ver naar historische getrouwheid gestreefd, dat het maal aan een tafel wordt gebruikt. Op den grond van het tooneel zet men op een “tafellaken” van bananenbladeren een, wat de hoeveelheid betreft, koninklijk maal neer, bestaande uit broodvruchten, bananen, pataten en kokosnoten. Ieder gaat zitten als een Turk met gekruiste beenen en nuttigt zwijgend en met veel ijver zooveel van de opgehoopte voorraden, als hij binnen vijf minuten vermag in te nemen. Dan eerst begint men te spreken.

Maria Magdalena na hare boete.
Als het “Avondmaal” voorbij is, wordt het overschot eenvoudig in de daarvoor als voorbeschikte Tarula geworpen, die dan ook zoo vriendelijk is, het in snellen loop weg te voeren. Daarna volgt de voetwassching van de jongeren. Lurau waadt in de rivier, zorgvuldig er op lettend, dat zijn kleed niet nat wordt; hij gaat op een steen zitten, en de een na den ander treden zijn leerlingen op hem toe en ieder laat zich door zijn Heer en Meester met een stuk zeep en een harden, van het buitenomhulsel eener kokosnoot vervaardigden borstel beide voeten behoorlijk afwrijven.
Het meest realistische, het aangrijpendste tableau van alle passiespelen, onverschillig waar ze worden opgevoerd, is het tooneel “Christus geneest de melaatschen”, zooals dat op Hiwaoa wordt gegeven. Want hier treden in dit tooneel werkelijke leprozen op. In de eerste tijden der passiespelen liet men ook deze rollen door gezonden spelen; maar het is aan de overredingskunst der zendelingen nooit gelukt, de arme kerels te overtuigen, dat het beter was, zich aan dat gebruik te houden, hoewel er waarlijk geen gebrek is aan melaatschen, die naar genezing verlangen. Want wat ze op het tooneel zien, is voor hen Evangelie; wat daar gebeurt is voor hen het leven; ze vergeten, dat in het sneeuwwitte gewaad van den Heiland hun vriend Lurau is gestoken; ze zien enkel Jezus. Als ze aanschouwen, hoe hij de melaatschen geneest, hoe ze zich opheffen uit de ellende en hem juichende omringen, dan vragen ze, waarom, als de man zoo’n wonderkracht heeft, gezonden te genezen, die het toch in het geheel niet noodig hebben, terwijl er zooveel zieken geholpen zouden kunnen worden? Met die beschouwing wendden zich eenige lepralijders op een dag tot de zendelingen, en dezen wisten, als ze niet de geheele werking en de groote bekoring van het passiespel wilden te niet doen, geen anderen uitweg, dan dat ze overeenkwamen, bij de volgende opvoering een half dozijn lepralijders, van wie een besmetting nog het minst viel te verwachten, te laten meespelen.
De vrome waan moet naar de mededeelingen van de zendelingen bij eenige zieken maanden van te voren ware wonderen hebben uitgewerkt, zoodat hun toestand veel verbeterde. En sedert zoo een paar van die ongelukkigen door hun deelneming aan het passiespel hun leven met een paar weken of maanden verlengd hebben gezien, hebben de zendelingen niet meer den moed, aan de leprozen, die zich aanmelden, het optreden in dit tooneel te verbieden. Tegenwoordig komen ze in zoo grooten getale toegestroomd, dat men genoodzaakt is, ze in verschillende afdeelingen te splitsen en elke afdeeling op een anderen avond te laten optreden. Overigens verzekert ook de zendingsarts, dat sinds de invoering van dit zonderlinge gebruik de sterfte onder de melaatschen op het eiland merkbaar geringer is geworden en dat tot nu toe door de altijd toch bedenkelijke toenadering tusschen melaatschen en gezonden geen ernstige gevolgen zijn ontstaan. Daartoe zal ook wel de kunst van den dokter het hare hebben bijgedragen, want bij voorbeeld moet de goede Lurau zich na iedere opvoering onderwerpen aan een kuur, waarbij hij met formalin duchtig wordt doorgerookt.

Johannes de Dooper, in het kostuum van zijn rol.
Een der belangwekkendste karakters van de passiespelen is Judas. Van het eerste begin af was het het streven van de zendelingen, aan de inboorlingen de goede en de minder goede eigenschappen der handelende personen zoo drastisch mogelijk voor te stellen. Met dat doel heeft men dikwijls voor Judas Ischariot een bekenden misdadiger laten optreden. Die apostel des Heeren moet dan ook in de meeste gevallen zijn naam en karakter alle eer aan hebben gedaan en niet minder dan zes acteurs voor deze rol moeten beproefd hebben, de beurs met de dertig zilverlingen—in dit geval mexicaansche zilveren dollars, die op het eiland als munt gelden—te doen verdwijnen. Om de verdere spelers van de rol niet in verzoeking te brengen, hebben de zendelingen een probaat middel toegepast, want tegenwoordig verschachert op Hiwaoa Judas Ischariot zijn Heer voor de in de beurs geborgen scherven van een gebroken koffiekopje of van een of ander oud stuk aardewerk. Voor vier jaren hadden ze een Judas, een zekeren John Bascard, zoon van een australischen koopman en een inboorlinge, die juist in de strafkolonie een tijd moest vertoeven, omdat hij een parelvisscher had bestolen. Deze apostel van Jezus maakte van de hem geboden tijdelijke vrijheid op die wijze gebruik, dat hij op den tweeden avond der passiespelen in het onbewaakte zendingshuis inbrak, alles stal, wat hem het meenemen waard leek, zich met de actrice van de Magdalena in een roeiboot naar een in de baai voor anker liggend koopvaardijschip begaf, daar den waker, die alleen aan boord was, in het water gooide, en daarna met zijn Magdalena, zijn gestolen buit en het schip, dat hij geheel alleen bestuurde, naar een ander eiland vluchtte, terwijl het passiespel met twee plaatsvervangers voor de bedoelde rollen moeilijk ten einde werd gebracht.
De rol van Pontius Pilatus wordt sedert twintig jaren door een oud dorpshoofd, Rauga, gespeeld. Zijn costuum bestaat uit een met glinsterende knoopen bezetten uniformrok, een broek en een cylinderhoed. De wapenrok en de cylinder hebben, hoe belachelijk de combinatie ook is, hun reden van bestaan en beter zou Pontius Pilatus op Hiwaoa moeilijk kunnen zijn uitgedost. Want de zendeling en de fransche soldaat zijn de verhevenste persoonlijkheden, die de wilde zich kan voorstellen. Iets hoogers bestaat er absoluut niet. Dus welk een geweldig heerscher moet diegene wezen, die de kenmerken van deze beide grootmachten mag dragen. Vandaar de rok van den soldaat en de hooge hoed van den zendeling. En deze combinatie maakt op het kinderlijke gemoed der inboorlingen dieperen indruk dan de toga, de met den romeinschen adelaar gekroonde helm of welk ander eereteeken, dat Pilatus kan hebben gedragen, ook zou hebben kunnen maken. De zwarte broeder, die Johannes den Dooper voorstelt, moet zich met een iets eenvoudiger uitmonstering tevreden stellen, namelijk met den cylinderhoed, omdat hij immers net als de zendelingen doopt, en een afgedragen gekleede jas. Voor het overige draagt deze Johannes, die er inderdaad zoo uitziet, alsof hij van sprinkhanen en wilden honig leeft, een lendendoek. Voilà tout.
Ruth Ingalls, sinds drie jaren de tooneelspeelster, die de moeder van Jezus, Maria, voorstelt, is een half blank meisje, wier afstamming onbekend is. Ze heeft de gestalte van een Juno, het gelaat van een Helena en de manieren van een groote dame. Haar wijze van optreden is onweerstaanbaar, innig bekoorlijk. Ruth is ongeveer vijf-en-twintig jaar oud, vijftien jaren jonger dan Lurau, wiens moeder ze voorstelt, en ze is sinds haar tiende jaar, toen een orkaan haar met het wrakhout van een kustschoener van Tahiti aan het strand van een der eilanden wierp, de bijzondere beschermelinge en ook lieveling der zendelingen. Wie en wat ook haar ouders geweest zijn, de pleegouders van Ruth Ingalls hebben het haar aan een goede opvoeding niet laten ontbreken; ze is ook een goede Christin, en haar onvermoeid werken in de school van de zending is voor de zendelingen oneindig veel waard. Ruth’s vertolking van de rol der Moeder Gods moge een weinig naïef wezen, maar is bijzonder krachtig van werking op de toeschouwers, en haar optreden is feitelijk het eenige bij de geheele opvoering, waar men ook maar bij benadering den naam van kunst aan zou kunnen geven.
