← Table of contents
Wandelingen door België

XV

Reading edition · Edition 2

Dat kleine plein Notger is bijna uitgehouwen in den steilen heuvel, den Publemont, die met zijn tuin en bosschages, met de langs zijne helling gebouwde huizen en het plein Saint-Pierre op de hoogte, zelf eenigermate den indruk maakt van een monumentale trap in den stijl van Piranese. Zulk een trap bestaat echter ook in de werkelijkheid: een weinig verder, in de straat Hors-Château kunt gij haar zien, stijgende, altijd stijgende, immer hooger, tot de esplanade van de citadel, van waar men een der schoonste uitzichten heeft over Luik en het Maasdal, aan de eene zijde tot aan de Ardennen, aan de andere tot aan den Sint-Pietersberg bij Maastricht en de vlakke velden van Limburg.

De oude bisschoppelijke stad heeft ook nog in haar kerken de herinnering bewaard aan haar verleden en haar geestelijk karakter. Wel maakt misschien geene enkele der kerken van Luik dien ernstigen, aangrijpenden, verheffenden indruk als de wondervolle kathedralen van de vlaamsche gewesten, maar toch onderscheiden zij zich door onvergetelijke schoonheden van anderen aard. Sint-Paulus, na de verwoesting van Sint-Lambert tot hoofdkerk verheven, kenmerkt zich uitwendig door de edele eenvoudigheid en soberheid van de eerste periode der gothiek. De velerhande versierselen en ornamenten, die later de bogen der contreforten als in een soort van kantwerk zullen herscheppen, hebben de majestueuse eenvoudigheid en harmonie der architektonische lijnen nog niet op den achtergrond gedrongen. Ge bewondert de fraaie, fijn bewerkte balustraden, die de zijschepen en de kroonlijst van het hooge middenschip versieren; maar bovenal treft u het groote aantal der vensters die slechts door smalle contreforten gescheiden zijn: het schip van Sint-Paul heeft, zou men zeggen, geen muren: het is indrukwekkend, vermetel en tevens vol licht en lucht. Dienzelfden indruk ontvangt ge ook als ge het heiligdom binnentreedt: van alle kanten stroomt het volle licht in de prachtige kathedraal.

Boven de slanke bogen der veertien pilaren van het middenschip loopt eene galerij rustende op cilindervormige zuiltjes, en dan stijgt het gewelf omhoog met groote stralende vensters tusschen de ribben, die zich verlengen en elkander kruisen. Op die kruispunten schitteren gouden en purperen knoppen; de vakken zelven zijn geheel beschilderd in den stijl van de eerste helft der zestiende eeuw. Wij aanschouwen, hoog boven onze hoofden, een mystieken tuin: takken en bladeren en bloemen en loofwerk, zoo als uwe oogen hier beneden nooit aanschouwden, vormen daar kransen en slingers en een weefsel van groen en kleuren, waartusschen fabelachtige vogels met gouden pluimage zweven, apen en eekhorens dartelen. Deze soort van dekoratie verhoogt niet weinig het poëtische karakter de kerk, die schier den indruk maakt van een reusachtig paviljoen, vol licht en kleur en zonneschijn, en met een tentdak van kostbare weefsels bedekt. In de muren van het transept opent zich aan iedere zijde een reusachtig venster, schitterende in al de kleuren van den regenboog. Het venster in het rechter transept is modern: het schilderwerk verbeeldt het visioen van Sinte-Juliana, abdisse van Cornillon, nabij Luik, en de instelling van het feest van het Heilige-Sakrament (Fête-Dieu), dat ten jare 1426 voor het eerst in [331] de Sint-Maartenskerk te Luik werd gevierd. Paus Urbanus IV, die zelf kanunnik van de kathedraal was geweest, beval, achttien jaren later, de viering voor de geheele Christenheid. Het linkervenster, uit de helft der zestiende eeuw, vertoont de kroning der Madonna.—Zoo staat zij daar, schitterende van licht en kleur, de prachtvolle kerk, een gewrocht van drie verschillende stijlen, met haar fraaie koorstoelen, haar koperwerk, haar Christus in het graf, een werk van den beeldhouwer Delcour; haar bas-reliefs, en bovenal haar prachtigen preekstoel, een meesterstuk van houtsnijkunst van G. Geefs, versierd met vijf marmeren standbeelden van de hand van denzelfden meester.

Wie het volmaaktste gewrocht van de flamboyante gothiek wil zien, die ga de Saint-Jacques bewonderen. Het is alsof de gothiek, voor haar ondergang, nog een werk heeft willen scheppen, dat der verbaasde wereld het bewijs zou leveren, wat zij ook in haar ouderdom en ontaarding vermocht. Saint-Jacques is het wonder van Luik: deze kerk vereenigt in zich al de betooverende schoonheid en bevalligheid van deze laatste periode der gothiek, zonder dat haar de gebreken aankleven, die in andere gebouwen, tot denzelfden stijl behoorende, zoo dikwijls den goeden smaak ergeren.

Baldric II, de opvolger van Notger, in twist geraakt met graaf Lambert van Leuven, leverde hem op den 10 October 1013 slag; de bisschop moest zwichten en verloor in het gevecht driehonderd zijner manschappen. De dood van zoo vele menschen bekommerde den prelaat zoozeer, dat hij dag noch nacht rust had. Een zijner vrienden, een italiaansch bisschop, die juist te Luik vertoefde, gaf hem den raad een kerk te bouwen, om zijne schuld voor God te boeten. Baldric was daartoe aanstonds bereid; de plaats voor het nieuwe heiligdom werd bepaald en de kerk zelve in 1030 gewijd; vervolgens verliepen er nog twee-en-twintig jaren eer de gebouwen der abdij voltooid waren, die weldra rijk en beroemd werd. Na velerlei lotgevallen werd de kerk door Jan van Beieren aangewezen als bewaarplaats der archieven van het bisdom, en als de plaats waar de twee burgemeesters van Luik moesten worden verkozen. Desniettegenstaande liet men het gebouw aan verval ten prooi, zoo zelfs dat in 1513 het gewelf instortte en de graftombe van den stichter vernielde. Nu was men wel gedwongen den bouw van de nieuwe kerk te bespoedigen, waarmede reeds in de vorige eeuw een aanvang was gemaakt. Het bewonderenswaardige heiligdom, dat wij thans voor ons zien, werd den 13 Maart 1552 gewijd. Het had, in vervolg van tijd, minder te lijden door omwentelingen en oorlogen, dan door de onverantwoordelijke nalatigheid zijner beheerders. Koning Leopold I bezocht de kerk in 1832; en aan zijne werkdadige tusschenkomst is het te danken dat dit weergaloos monument gaandeweg, met zeldzamen takt, kennis en smaak, weder in zijne oude glorie werd hersteld. Deze reeds in 1833 aangevangen, zoo uiterst moeilijke restauratie is eerst thans voltooid.

Eene beschrijving van deze kerk te geven is, voor mij althans, onmogelijk. Het is te vergeefs, technische termen of onbestemde uitdrukkingen te gebruiken, de epitheta te vermenigvuldigen, vergelijkingen te ontleenen aan de natuur of het werk van menschenhanden: niets kan een denkbeeld geven van dit wonder, dat u veeleer aan een juweel van goudsmeedkunst dan aan een gebouw van steen doet denken. De indruk, dien ge bij het binnentreden van dezen weergaloozen tempel ontvangt, is zoo overweldigend, dat ge eenige oogenblikken als verbijsterd om u staart, meenende eensklaps in een tooverwereld te zijn overgeplaatst, niet wetende of ge droomt of waakt. En wanneer ge, van de eerste verbazing bekomen, om u heen ziet en uw blik dwaalt langs die pilaren en bogen, langs die muren, waar elke steen bijna is uitgebeiteld als de fijnste kant, en overal de sierlijkste lijnen en vormen, bloemen, loofwerk, arabesken, medaillons, bas-reliefs, beelden, de aandacht trekken; als ge opziet naar dat rijk beschilderde gewelf, waarvan de prismatische ribben elkander kruisen als de mazen van een reusachtig netwerk; als ge de volle pracht van dat goud en purper en azuur, van dat wonderbaar kleurenspel, van die heerlijke lichteffecten hebt gevoeld: dan staat ge daar zwijgend, onvermogend om in woorden uit te spreken wat in uw gemoed omgaat. Andere kerken mogen indrukwekkender, majestueuser zijn: eene betoovering als van deze Saint-Jacques is zeker maar het deel van weinigen. Hier is alles in volkomen harmonie: ge gevoelt het, na dit wonder te hebben gewrocht kon de middeleeuwsche kunst niets meer voortbrengen; zij had het hoogste geleverd waartoe zij in staat was. De heerlijke gothiek heeft haar taak volbracht, haar laatste woord gesproken: zij gaat onder in een apotheose. De renaissance, die haar opvolgt, brengt een ander ideaal, opent een nieuw tijdvak in de historie. Hoe men daarover nu ook denke, zooveel is zeker, dat eene kunst, die in haar stervensure nog een monument scheppen kan als de Saint-Jacques van Luik, bewezen heeft recht te hebben op eene eerste plaats onder de hoogste en edelste kunstvormen van alle tijden.

Sint-Maarten, minder rijk versierd maar indrukwekkender door de grootsche afmetingen van haar schip, is even oud als Sint-Jacques en schijnt van haar hoogen heuveltop alle andere kerken van Luik te beheerschen. De oorspronkelijke kerk werd in 962 door den bisschop Heraclius gesticht; deze werd in 1312, bij een geweldig oproer, verwoest. De verbitterde burgerij vervolgde in haar woede tweehonderd edellieden, die zich van het stadhuis hadden pogen meester te maken en die eene schuilplaats hebben gezocht in de kerk van Sint-Maarten. Toen het dolzinnige gepeupel de deuren van het heiligdom niet kon openbreken, werd de kerk in brand gestoken...... Het tegenwoordige gebouw werd in 1542 voltooid. De soberheid der dekoratie werkt mede om dien indruk van ernst en grootschheid te weeg te brengen, die u aanstonds treft. Twee rijen achtkantige zuilen, aan de hoeken met cilindervormige halve zuilen versierd, verdeelen de kerk in drie schepen, door zijkapellen omzoomd. Het koor vooral maakt door [332] zijne breedte en hoogte en door zijne uitmuntend beschilderde groote ramen een in waarheid verrassenden indruk. Even als bij de Saint-Paul en de Saint-Jacques, ziet men ook bij de Sint-Maarten een stuk van een onvoltooid gebleven toren.

Dit gemis van een toren schijnt welhaast eene eigenaardigheid der luiksche kerken te zijn: ook de schoonste onder haar ontberen dat zoo karakteristieke, zoo echt religieuse sieraad, zich slank en vertrouwend ten hemel beurende, als een fakkel, een hymne in steen, de mystieke Jacobsladder, waarlangs engelen op en neder klimmen en waarlangs de ziel tot God omhoog zweeft. Terwijl overal in Vlaanderen de kerk haar gebeeldhouwde steenen spits opheft in de blauwe lucht, steken hier slechts enkele oude massieve, gedrongen romaansche torens, onverwoestbaar als de rots, een weinig boven de daken uit. Omwentelingen en beroeringen, misschien ook gebrek aan geld, hebben belet dat de andere kerken in ten hemel stijgende torens haar natuurlijke voltooiing vonden. Naar men zegt bestaat het plan, om naast de Saint-Jacques een toren in denzelfden stijl te bouwen. Geen schooner en edeler sieraad ware voor Luik te bedenken. Overigens is men te Luik rusteloos bezig met het restaureeren, het bijwerken, het opschilderen en mooi maken van de kerken; zelfs moet erkend worden dat men daarin soms wat te ver gaat, tot schade van de eerwaardigheid.

Daarom is het goed een blik te werpen op de overoude tempels, streng en strak en als het ware gemummifieerd in hun eeuwenheugenden steenen mantel: Sint-Jan de Evangelist, Sint-Denys, verder Sint-Bartholomeus. Terwijl de eeuwen rondom alles hebben veranderd en medegevoerd, staan zij daar nog, de eerbiedwaardige kerken, als onkwetsbaar door den tand des tijds. Zij hebben nog bijna ongeschonden haar oorspronkelijk voorkomen, haar antiek romaansch karakter behouden; ja, soms zelfs nog gedeelten van den eersten bouw. Zoo bezit Sint-Jan, eene stichting van den geweldigen bisschop Notger, nog haar ouden byzantijnschen toren, en heeft zij nog, hoewel in de achttiende eeuw geheel herbouwd, den achtkantigen vorm bewaard, aan den dom van Aken ontleend. In deze kerk ziet men het grafteeken van Notger, wiens gebeente in de sakristie wordt bewaard.

Al deze kerken, oude en jongere, bezitten schatten en kostbaarheden, relikwieën en gewijde voorwerpen, die men niet verzuimen mag te zien. In de Sint-Paulus zal men u ivoren beeldwerk, triptyken, borduursels van goud en zijde toonen, benevens een borstbeeld van Saint-Lambert in verguld koper, een meesterstuk van smeedkunst; en de beroemde groep van Sint-George, van echt goud, voorstellende Sint-George, in staande houding en volle wapenrusting, met de eene hand zijn helm oplichtende en met de andere den schouder aanrakende van den hertog van Bourgondië, die geknield ligt en een soort van koker in de hand houdt, waarin een vinger van Sint-Lambert is verborgen. Karel de Stoute vereerde dit geschenk aan de kerk van Luik, bij wijze van boetedoening voor de gruwelen, bij de inneming der stad, in 1468, door zijne soldaten en op zijn bevel bedreven. Maar onder al deze kunstschatten is er wellicht geen, dat de vergelijking kan doorstaan met dat verwonderlijke doopvont, dat oorspronkelijk in de kathedraal van Sint-Lambert was geplaatst, maar sedert naar de romaansche kerk van Saint-Barthélémy is overgebracht, waar het nog steeds voor het toedienen van het sakrament des Doopsels gebruikt wordt. Het doopbekken wordt gedragen door ossen, die ter halverlijve uit het benedengedeelte te voorschijn komen en die voortreffelijk van bewerking zijn. Op de wanden van de kuip zelve zijn in relief tafreelen afgebeeld uit het Nieuwe Testament, allen op den doop betrekking hebbende. De vervaardiger van dit doopvont, de koperslager Lambert Petras, van Dinant, was ongetwijfeld een groot kunstenaar: hoe zou het hem anders gelukt zijn, zooveel natuurlijk leven, zooveel uitdrukking en diep gevoel te leggen in de kleine figuren, zoo juist en knap van teekening. Ge kunt het nauwelijks gelooven, dat dit kunstwerk uit het jaar 1112 dagteekent. Sommige figuren, met name de twee jongelingen over wie het heilige water wordt uitgegoten, hebben reeds de bevalligheid, de individualiteit van de eerste voorloopers der renaissance; de draperieën vallen in natuurlijke plooien om de gestalten, die zich met losheid en sierlijkheid bewegen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings