I. Inleiding.
Reading edition
Langzamerhand zijn wij er aan gewend geraakt, dat de vrouwen aan het openbare leven deelnemen en in allerlei ambten en beroepen, die vroeger alleen door mannen weiden uitgeoefend, zich een eerlijke broodwinning en een eervolle positie hebben weten te verwerven. Dat een vrouw even goed als een man dokter, tandarts, leerares, advocaat, plantkundige, enz. kan zijn, niemand trekt het meer in twijfel; de feiten hebben reeds bewezen, dat zij in alle beroepen, die zij tot dusverre heeft weten te veroveren, eene eigen en misschien ook eigenaardige plaats inneemt, die vroeger onbezet was gebleven en van welk gemis de maatschappij toen de verkeerde gevolgen moet hebben ondervonden. Het succes, dat de meeste vrouwen in haar beroep hebben, is wel een bewijs, hoe noodig en nuttig zij zijn en de dezer dagen door mij gehoorde verzuchting van een tandarts, dat zijne vrouwelijke collega’s zich maar behoeven te vestigen om onmiddellijk een stroom patiënten te zien opkomen, terwijl de heeren-tandartsen soms jaren moeten wachten, eer zij eenige naam en patiënten hebben verworven, zegt, ons in dit opzicht genoeg. De vrees, die vroeger algemeen gekoesterd werd, dat vrouwen, door het uitoefenen van betrekkingen, die men, dom en ondoordacht, alleen voor mannen geschikt achtte, tot mannen zouden worden, is langzamerhand, nu men de feiten voor zich ziet, verdwenen.
’t Zou toch ook al te dwaas zijn, dat eene vrouw hare hoofdharen zou verliezen, of een snor en, baard zou krijgen, haar stembanden en bekken van vorm zouden veranderen, alleen omdat zij wat meer en ander werk doet dan “men” voor haar geschikt acht. Nu lacht ieder om zoo’n veronderstelling, die toch vroeger door zeer wetenschappelijke mannen als een gevolg van het booze drijven der vrouwen om universiteiten te willen bezoeken en daar zich te willen bekwamen voor een wetenschappelijk beroep, als mogelijk en waarschijnlijk werd voorgesteld. Thans maakt men alleen nog de tegenwerping “niet uiterlijk, maar innerlijk zal de vrouw van wezen veranderen als zij haar huis verlaat en aan het openbare leven deelneemt.”
Dit valt niet te loochenen, maar is het te betreuren? Zou het meisje van voorheen nog een passende kameraad voor den man van heden zijn? Het hedendaagsche meisje, dat geleerd heeft in eigen onderhoud te voorzien, dat vergaderingen bezoekt om haar kennis te verrijken, dat men kan vinden in onze openbare bibliotheken, op de banken van herhalingsscholen en andere inrichtingen van onderwijs, dat vaak met en naast den jongeling werkt en studeert, is niet meer gelijk aan het meisje van een halve eeuw geleden, dat met een handwerkje voor het venster zat te droomen, hoopvol wachtend op den man, die haar met zijn hart en hand een werkkring kwam aanbieden. Maar wie durft beweren, dat het hedendaagsche meisje minder aantrekkelijk is geworden voor den hedendaagschen man, kent den waren toestand niet. Want immers ook de mannen zijn veranderd en zij, die met hun tijd hebben medegeleefd, verwachten van hunne vrouwen iets anders dan onze grootvaders van onze grootmoeders. Dat de ouderwetsche vrouwen van het type van een halve eeuw geleden over ’t algemeen voor den man met den dag onaantrekkelijker worden, dat ondervindt de ouderwetsche vader met eenige huwbare dochters maar al te zeer. De zekerste weg om een man voor hen te vinden is, ze een vak te laten leeren en er nieuwerwetsche, in eigen onderhoud voorziende vrouwen van te maken.
Wij raken langzamerhand aan zulke nieuwe toestanden gewend. Wanneer zij verkeerd waren, zouden wij er spoedig de nadeelige gevolgen van ondervinden en dan zouden zij van zelf weder te niet gaan. Dat zij blijven bestaan en in omvang toenemen, is een bewijs, dat zij voor de maatschappij goed zijn en in den tijdgeest passen. Alle bezwaren, die zich vroeger bij het schrikbeeld; “een zelfstandige vrouw” aan ons opdrongen, blijken spookbeelden te zijn in het licht der feiten; zij vonden hun oorsprong in dom vooroordeel en behoudzucht.
In dat stadium verkeert nu nog bij velen het vrouwenkiesrecht. Men is zoo bang, dat vrouwen door het zwart maken van een stip op het stembriefje heelemaal van de wijs zullen raken en totaal van wezen zullen veranderen. Met hand en tand verzet men zich tegen de spoedige totstandkoming van eene hervorming, die toch komen moet, die niet is tegen te houden, omdat zij ligt in de lijn, waarin de maatschappij zich voortbeweegt, de steeds toenemende democratiseering van den staat. Met het tegen vrouwenkiesrecht aangevoerde onweerlegbare argument, “dat mannen mannen en vrouwen vrouwen zijn” hebben Lord Cromer en Austin Chamberlain zich doen kennen als Engelands grootste denkers van dezen tijd en heeft onze landgenoot en geestverwant, de heer Hans, getoond, in denkkracht voor deze groote geesten niet onder te doen. Dat de vrouwen het kiesrecht juist vragen, omdat zij vrouwen zijn en willen blijven en zich aanmatigen beter dan de mannen te weten, welke werkzaamheden voor haar aard en aanleg het best passen; dat zij, juist omdat zij vrouwen zijn en anders dan mannen, meenen te moeten medewerken in het bestier van de huishouding van den staat, wil die huishouding geschikt gemaakt worden voor een gezonde samenleving van mannen, vrouwen en kinderen, dat is een kleinigheid, die zulke groote geesten over het hoofd hebben gezien. Maar als men geen ander argument kan vinden, als alle bezwaren die tegen vrouwenkiesrecht zijn aangevoerd, zoodra zij kalm besproken worden, als sneeuw voor de zon verdwijnen, dan grijpt men naar een argument, dat in al zijn eenvoud aantoont, dat er tegen de invoering van vrouwenkiesrecht geen argumenten zijn aan te voeren.
Indien men zonder vrees voor tegenspraak gerust kan zeggen, dat de landen, waar de democratie het verst gevorderd is, vooraan staan in ontwikkeling en beschaving, dan nemen de Scandinavische volken het hoogste cultuurstandpunt in van de Europeesche Staten. In alle landen van Scandinavië bestaat naast een algemeen mannenkiesrecht vrouwenkiesrecht in een of anderen vorm. Als wij eens nagaan, hoe daar deze nieuwigheid werkt, wat de vrouwen met haar politieke rechten tot stand brengen en hoe zij die rechten gebruiken, dan kan dat mogelijk medewerken om de vreesachtigen bij ons wat kalmer te stemmen omtrent deze hervorming en hen misschien er nog toe brengen van tegenstanders voorstanders te worden.