Note 2 — XXIX.
Reading edition
Een meer van middelmatige uitgestrektheid strekte zich voor zijne blikken uit, met een amphitheater van heuvels, die nog geene bergen konden worden genoemd: daar kronkelden talrijke en vruchtbare valleien met hare ondoordringbare bosschen van de verschillendste boomen; de élaïs met bladeren van vijftien voet lang op een stam met scherpe doornen bezet, stak boven allen uit; de bombax verspreidde zijne zaden door den wind, de pendanus, die “Kenda” der Arabieren, verspreidde zijne balsemgeuren tot aan de streek, welke de Victoria doortrok; de papayer met handvormige bladeren, de boom, die de Soedan-noot voortbrengt, de baobab en de banaanboomen voltooiden dezen weelderigen plantengroei van de streken tusschen de keerkringen.—“Daar zijn de dieren,” zeide Joe, “de menschen zijn niet ver af.”—“Welke prachtige olifanten!” riep Kennedy uit. “Zou er geen middel zijn een weinig te jagen?”—“Hoe zouden wij stil kunnen houden met een zoo hevigen luchtstroom? Neen, getroost u nog een weinig de marteling van Tantalus2, later zult gij u daarvoor schadeloos stellen.”