DURVEN?
Reading edition
Naar aanleiding van mijn „Dood-eenvoudig IV” ontving ik de volgende brief.
Geachte Heer Ligthart,
U durft.
Dit zeg ik niet, omdat u den moed toondet, in den vorigen jaargang een paar anonyme briefkaarten te doen afdrukken, waarin de schrijver zich zeer krenkend uitliet over uw ambt. U is wijs genoeg, om te weten, dat zulke uitingen zich altijd keeren tegen den schrijver. Die publicatie acht ik meer een bewijs van uw menschenkennis dan van uw moed. Zulke bestrijding maakt altijd de positie van den aangevallene sterker. De schrijver met zijn tartend „U durft toch?”4) kende u niet.
Maar u durft in de practijk der opvoeding. Daarin durft u waarlijk verder te gaan, dan ik ooit gezien heb. Dat u aan een dertienjarige hoogere-burgeres de zelfstandige beslissing laat over haar arbeid en haar ontspanning, dat is mij inderdaad een waagstuk, dat ik u niet zou durven nadoen en ik denk hier de overgroote meerderheid der ouders aan mijn zijde te hebben.
Ik heb ook kinderen van dien leeftijd en toevallig bezoekt er ook een de H. B. S. Het is een flinke en heusch niet ongehoorzame jongen, maar ik verzeker u, als ik hem de vrijheid liet, om te gaan fietsen wanneer hij wilde, dat hij daarvan dan al spoedig een veel te ruim gebruik zou maken en er weinig van zijn werk terecht zou komen. Hij is gewoon mij alles te vragen, stoort zich gelukkig aan mijn weigering of toestemming, al bevalt de eerste hem niet immer, en bevindt zich daar wel bij. Ik houd er de hand aan, en ik mag gerust zeggen: met goede gevolgen. Op de lagere school is hij geregeld overgegaan, en op de middelbare school gaat alles ook naar wensch: zijn werk is steeds af en zijn cijfers zijn goed. Maar ik ben er gansch niet zeker van, dat zulks het geval zou wezen, wanneer ik hem, naar uw advies, maar gaan liet. Tal van voorbeelden zijn er toch, hoe jongens en meisjes op H. B. S. en Gymnasium mislukken, doordat de ouders te veel vrijheid laten. De jongelui gaan naar het sportterrein, maken fietstochten, zitten in clubs, doen precies wat ze willen—dat is natuurlijk nooit: lessen leeren—en het eind draagt den last. Er komen slechte rapporten, er volgt zittenblijven, ten slotte verwijdering of zakken.
Uw stukje opvoedings-practijk komt mij uiterst gevaarlijk voor. Het is een loopen over het slappe koord. Slechts een enkele brengt het kunststuk er heelhuids af, honderden tuimelen naar beneden. Er zullen ouders zijn, verleid door het „dood-eenvoudige”, die bij allerlei verzoeken hunner kinderen antwoorden: Dat moet je zelf maar weten. Dan zijn zij er van af. De methode is waarlijk dood-eenvoudig, en voor de opvoeders zeer gemakkelik. Maar die ouders zullen bedrogen uitkomen. De kinderen die het zelf moeten weten, zijn te jong, om het zelf te weten. Ze hebben de kracht niet, om zich tegen de verzoeking staande te houden. Ze beseffen de noodzakelijkheid niet van hun geregeld en nauwgezet arbeiden. Ze hebben nog niet een voldoend ontwikkeld plichtsgevoel. En ze doen, wat ze laten—ze laten, wat ze doen moesten.
Daarom achtte ik het mijn plicht, tegen uw methode ernstig te waarschuwen.
Van uw bekende en gewaardeerde gastvrijheid, waarop ik rekenen durf, maak ik gaarne gebruik, om mijn waarschuwing onder de oogen uwer lezers te brengen. Als jarenlang trouw lezer weet ik, dat u aan tegenstanders „het onweersproken woord” laat. Maar ditmaal zou ik het toch op prijs stellen, wanneer u, mocht u hiertoe aanleiding en lust hebben, wat dieper op de zaak inging en mij even onomwonden te woord wilde staan als Dr. A. De kwestie is, dunkt mij, een ernstig overwegen waard.
Hoogachtend,
Uw dw. lezer
G. de Haan.
Gaarne wil ik op dit schrijven antwoorden, te liever, omdat het zeker de mening van zeer velen vertolkt. De heer De Haan windt er geen doekjes om, waar hij mijn metode gevaarlik noemt en vreest dat ze honderden zal doen tuimelen. Het verheugt mij, dat hij het daarom zijn plicht heeft geacht, tegen die metode te waarschuwen. Dat hij het in zo krachtige en besliste bewoordingen heeft gedaan, zonder ook maar een ogenblik kwetsend te worden, bewijst wel dat men zakelik kan strijden zonder persoonlik te krenken, een kunst, die bizonderlik in het worstelperk der opvoeding moet worden beoefend. Laat ik mij aan hem spiegelen, waar ik beproeven ga mijn zienswijze te verdedigen.
Twee uitingen troffen mij in de brief. Aan het slot spreekt de schrijver van een gastvrijheid, waarop hij rekenen durft. Dit is een durven op grond van ervaring. Hij wist wel, dat die gastvrijheid hem niet zou worden geweigerd. Hij vertrouwde er op met volmaakte zekerheid. Dit vertrouwen, deze ervaring, deze zekerheid ontnamen aan zijn durven al het durven.
Wat zou hij ervan zeggen, als mijn durven—of eigenlik het durven van die vader in mijn schetsje—ook niet de geringste moed vereiste, omdat het gegrond was op ervaring? Die man maakte toch immers in 't minst niet de indruk van een waaghals of een held? Hij was heel kalm en volkomen zeker van zijn zaak. Hij zette zijn opvoedkundig fortuin niet op één kaart, noch zijn kind op 't slappe koord. Hij ontwikkelde zijn kracht in een paar simpele vragen en dwong het kind door 't kind zelf. En dit deed hij met zulk een gemak, dat hij blijkbaar dit instrument meer bespeeld had.
Deze opmerking brengt me tot de twede uiting. De schr. vreest slechte gevolgen, wanneer hij de jongen, naar mijn advies, „maar gaan liet”.
Doch waar heb ik dat ooit geadviseerd? Een kind maar laten gaan. Dat is nog erger dan de Rousseausche zorg, om het schaap te vondeling te leggen. Zo'n vondeling krijgt in het vondelingenhuis altans nog een soort opvoeding. Maar laten gaan? Wat zijn de mensen toch slechte lezers of partijdige formuleerders. Nooit heb ik aangeraden: Laat uw kind maar gaan. Precies omgekeerd heb ik meermalen gezegd: Laat de kinderen tot u komen en verhinder ze niet. Volg hierin Christus na. Stoot ze niet van u, trek ze aan, houd de armen voor hen geopend, koester ze met uw liefde, leid ze met uw wijsheid, vorm ze met uw willen. De kinderen laten gaan? En dat zou ik geadviseerd hebben? Zie, zo verkeerd vatten zelfs welwillende lezers iemands uitingen op. Wat moet er dan van de kwaadwillende verwacht worden? En deze welwillende schrijver komt gelukkig met zijn bezwaren nog in ons blad, gunt en vraagt me zelfs nadere toelichting. Maar wat moet het gevolg zijn, wanneer kwaadgezinde en ergdenkende critiek zich in andere bladen verkneukelt in haar lasterlike voorstellingen? Dan vormen zich in sommige lezerskringen totaal valse meningen, tot schade van de zaak waarom het gaat. Het doet er natuurlik niets toe, of men omtrent een persoon bedriegelik voorgelicht wordt. Maar het is van ernstige betekenis, met het oog op het belang der kinderen, wanneer een opvoedingsrichting verkeerd wordt gekarakteriseerd. En dit geschiedt, wanneer de handelwijze van de vader in het schetsje wordt gelijk gesteld met de „Laat-maar-gaan”-metode.
De „Laat-maar-gaan”-metode wordt gevolgd, waar niet met de kinderen wordt meegeleefd, waar men dientengevolge de kinderen niet kent, en ze, al of niet, met tussentijdse afstraffingen, in vrijheid laat verwilderen. Die tussentijdse afstraffingen veranderen niets aan de aard dezer onmetode der zorgeloosheid. Of een vader zo nu en dan al eens duchtig opspeelt en ranselt, als er eenmaal een kwaad gebeurd is, dat maakt hem nog niet tot een zorgzaam leider. Die uitbarstingen herstellen de verwaarlozing niet. Hij laat zijn kinderen gaan, totdat er iets ernstigs voorvalt, en dan treedt hij op. Dit is natuurlik mis en dit is nooit door mij aanbevolen. Dit is toch immers ook niet de tactiek van de vader der hogere-burgeres? Hij kende zijn kind door en door, nog beter dan de moeder het kende. Hij leefde als 't ware in het kind. Hij begreep haar daden, zag haar gemoedsbewegingen, koos zijn middelen, voorkwam haar afdwalingen, bewaarde 't kind voor de zonde, spaarde zichzelf het straffen, en sterkte het weifelende meisje in willen en doen. Is dit het kind maar laten gaan? De geachte schrijver weet wel beter.
Er is juist een treffende overeenkomst tussen het optreden van de heer De Haan en dat van die vader. Namelik: Dat beiden zich met hun kind bemoeien. En hierin staan ze naast elkaar tegenover de laat-maar-gaan-mensen.
Wat is echter het verschil?
Dat de heer De Haan, gelijk hij het zelf aanschouwelik uitdrukt, er „de hand aan houdt”, terwijl de ander 't zonder hand klaarspeelt. De eerste bemoeit zich met alle bizondere plichten van het kind, de laatste alleen met het algemene feit der plichtsvervulling. En dan kiezen beiden nog verschillende middelen.
„Hij is gewoon mij alles te vragen, stoort zich gelukkig aan mijn weigering of toestemming, en bevindt zich daar wel bij.”
Ik prijs de jongen gelukkig met zo'n vader, en de vader met zo'n kind. Het ware te wensen, dat het nergens minder was. Maar wanneer de jongen nu eens niet in de gelegenheid was, alles te vragen? Wanneer Vader eens voor lange tijd op reis moest, ernstig ziek werd, stierf? Het kan voor niemand goed wezen, dat zijn geweten bij een ander gedeponeerd ligt. Ook niet voor een kind. Dat is een ding, dat ieder voor zichzelf moet hebben, gelijk elk uurwerk zijn veer. Vragen kan tweeërlei doel hebben: het kan op inlichting, op raad uitgaan, of op verlof. Het eerste kan natuurlik niet verkeerd zijn, al is het van een oudere niet altijd wijs gevraagde inlichting en raad te verschaffen, wanneer die door geestelike traagheid worden verzocht: laat de kinderen vinden, wat ze zelf kunnen zoeken. Doch het twede neemt verantwoordelikheid af, bestendigt afhankelikheid, voedt niet op tot zelfstandigheid—de deugd, die in 't belang van 't kind zo spoedig mogelik moet worden aangekweekt. Wie zijn kind alles laat vragen, doet het altijd zwemmen op kurken. En hoe, als het nu onverwacht door 't water moet en de kurken zijn niet bij de hand?
De heer De Haan, en de zeer velen aan zijn zijde, zullen, vertrouw ik, het zwakke punt van hun kracht zien. Nu wil ik echter niet in hetzelfde euvel vervallen, als waarvan ik zelf de dupe werd, en door verkeerd lezen de tegenstander onrecht aandoen. Ik wil nog verder gaan en de schrijver niet aan zijn woorden houden, doch naar zijn zuiverste bedoeling trachten te begrijpen. En dan moet ik zeker dat woord „alles” niet letterlik opnemen. De jongen zal zijn vader wel niet „alles” behoeven te vragen, hij zal bij zeer veel dageliksche plichten wel weten wat hij doen moet en alleen bij min of meer belangrijke wijzigingen in het dagprogramma zijns vaders wil vernemen. Hij oefent zich dus wel degelik in zelfstandigheid, maakt door stage gehoorzaamheid van zijn plicht een goede gewoonte, en zal, eens te water gaande, op de kurken dier goede gewoonten veiliger drijven dan op zijn eigen nog zwakke beenen.
Is het wonder dat ik, te midden van zoveel karikatuur van „vrije opvoeding”, het kind gelukkig prijs, dat aldus wordt gebonden? Verre te kiezen deze leiband-metode boven een vrijheid, die niets anders is dan volslagen ongebondenheid en die het kind roerloos laat zwalken in een zee vol blinde klippen. En hier blijkt het, dat de heer De Haan en die vader het nog verder met elkaar eens zijn dan in het zich bemoeien met het kind: beiden willen het kind binden, en aldus leiden.
Maar nu komt het verschil: de eerste bindt het kind zo lang mogelik met uiterlik gezag, met wat ik zou willen noemen: een moreel mechanisme, met zedelike werktuiglikheid, en de laatste wil zo spoedig mogelik binden door zedelik gevoel, door de innerlike tirannie van het geweten. Het is, als ik goed zie, de grote tegenstelling tussen de vrijheid van het alleseisende christendom, en de vormelike gehoorzaamheid aan de voorschriften van het wettiese gezag.
Deze formulering van het onderscheid schijnt zuiver, en toch zou de heer De Haan zich juist op deze formulering kunnen beroepen, om zijn positie verkiezelik boven de andere te achten. Is het, kan hij vragen, dan niet echt christelik, wanneer het kind in liefde en vertrouwen zijn vader blindelings gehoorzaamt? Is dit zelfs niet de eis van het christendom, dat de mens, zonder redeneringen, de wil volbrengt van zijn Hemelsche Vader? Gehoorzaamheid voortvloeiend uit volmaakt vertrouwen—kan het christeliker?
Ja, het kan christeliker. Paulus zegt: „Ik vermag alles in Christus, die mij kracht geeft.” Dat is niet de stille, vertrouwenvolle gehoorzaamheid. Het is meer. Het is de geest van liefde, van heiligheid, het is de Christusgeest, wonende, werkende in Paulus. Het is God in de mens. Het is de Goddelike bezieling.
Nu willen we hier niet pogen te ontleden, wat wij onder God verstaan. Voor ons doel is het genoeg, als wij bij deze naam ons vaag iets bewust worden van volmaakte heiligheid en liefde. En dan zeggen we: beheerst worden door die geest, gedwongen worden door die geest, gelijk deze in Christus tot ons gekomen is, dat is zuiver christelik.
Men mag zich niet achter Christus verschuilen, om iedere gehoorzaamheid aan ouderlik voorschrift christelik te noemen, zelfs niet als die gehoorzaamheid geschiedt in volmaakt vertrouwen. Rooverskinderen kunnen ook hun ouders vertrouwen en in gehoorzaamheid aan hun bevelen op roof en moord uittrekken. Christelik wordt de opvoeding pas, als het kind in zijn vader de Christengeest gehoorzaamt, zich steeds helderder bewust wordt wat deze van hem vordert, en het zijn vader missen kan, omdat het Christus in zich heeft, omdat Diens krachten in hem werken.
Daarom is christelike opvoeding: gewetenscultuur. „Zonder Mij kunt gij niets doen,” zei Christus zelf. Zijn geest van heiligheid en liefde moet heersen, en zonder deze wordt de opvoeding een niet gevaarloze werktuiglikheid.
Gebondenheid aan een gezaghebber buiten of aan een heerser binnen ons—ziedaar het eerste onderscheid in het hangende geding. De voorrang van de laatste wordt al verzekerd, doordat hij de mens overal verzelt.
Een twede verschilpunt kwam uit in de zelfwerkzaamheid der zedelike natuur, waartoe de vrijheid verplicht, de vrijheid onder leiding. Gehoorzamen aan een uitwendig machthebber is voor de overgrote meerderheid zoveel gemakkeliker, dan onderwerping aan eigen plichtsbesef. Het laatste, met zijn gelegenheid tot ontduiken, maakt de strijd dikwels zo zwaar. Aan een gezag buiten ons, dat zijn machtsmiddelen kan aanwenden, onttrekt men zich niet licht. Slavernij is op slot van rekening bij een goed meester, voor velen een begeerlike toestand, en dit ondanks al het geschreeuw om vrijheid.
Hoe willig onderwerpen de mensen zich aan de tirannie der mode. Zijn er velen, die, tegenover haar, eigen zelfstandigheid kunnen handhaven? Hoe veilig voelen millioenen zich in de schoot der kerk. Als de priester het maar weet, is 't hun genoeg, en gaarne volgen ze de voorschriften. Hij draagt de verantwoordelikheid en zij zijn zalig in hun gehoorzaamheid. Niet verplicht worden tot een keuze, het is bewaard worden voor de strijd.
Maar, al is het waar, dat het trouw volgen van voorschriften goede gewoonten aankweekt, voor afdwalen behoedt, en een zekere stugge kracht ontwikkelt, het is ook waar, dat deze een morele consolidatie, maar geen zedelike stijging is. Die wordt alleen door strijd bewerkt. Móéten kiezen, móéten beslissen, móéten doorzetten—kúnnen dwalen, kúnnen weifelen, kúnnen opgeven—ziedaar voorwaarden voor zedelike groei. En dus vordert de zedelike opvoeding een vrijheid, die—berekend naar zijn krachten—het kind tot kiezen, beslissen, doorzetten verplicht.
Gelijk bij alles moet er evenredigheid zijn tussen taak en kracht. Niemand denkt er aan een zuigeling met bruine bonen te voeden, een zesjarige de worteltrekking te doen uitvoeren, een tienjarige met honderd kilo te belasten. Zo behoort ook de verantwoordelikheid in overeenstemming te zijn met leeftijd, aanleg, bereikte hoogte. De heer De Haan merkte op, dat kinderen die nog te jong zijn om op eigen benen te staan, gesteund moeten worden. Men kan het hiermee eens zijn en toch menen, dat dit steunen geen dragen mag wezen, dat kruipende kinderen hun spieren ontwikkelen, en zij wel door kruipen, maar niet door gedragen-worden tot lopen komen.
Gewetenscultuur is misschien wel een der moeilikste opvoedingsplichten. Zeker is ze een der voornaamste. Maar nooit vervullen we deze plicht naar behoren, als we dit wondere orgaan van de geestelike natuur buiten werking houden. Vroeg beginnen, héél vroeg, met het doen dragen van kleine verantwoordelikheden; met het schenken—neen, het verplichten tot zekere zelfstandigheid; met het verlenen—neen het noodzaken tot zekere vrijheid; dit is, naar mijn ervaring, de weg, waarlangs het geweten zichzelf voedt en versterkt. Mits op die weg de „Zon der gerechtigheid” schijnt.
Er is in onze tijd een schreeuwen naar vrijheid en zelfstandigheid. Ik begrijp niet, hoe iemand zich daarover bekommerd kan maken. Ik zou zeggen: Is het u ernst, hier hebt ge vrijheid, hier hebt ge zelfstandigheid. Doe uw plicht en draag de verantwoordelikheid. Waarom zijn velen zo bang, aldus te spreken? Is het, omdat zij niet begonnen zijn, en dageliks voortgaan, met gewetenscultuur? In deze ligt de oplossing der politieke, der sociale vrijheid—misschien wel der hele sociale kwestie. Want deze is in hoogste instantie een opvoedingsprobleem.
DE KORTSTE WEG.
Ontdek het kind zijn sluimerende kracht, En breng die tot ontwikk'ling door waardeeren, Dan zal de lust in d'arbeid hem regeeren En hebt ge uw „deugniet” 't rustigst in uw macht.