← Table of contents
Verhaal van het vergaan van het jacht de Sperwer

Note 119 — Journaal

Reading edition

Wat haer huijsen ende huijsraet aangaet, onder de grooten sijn veel fatsoenlijcke maer onder den gemene man slechte huijsen, door dien yder na sijn sin niet magh timmeren; niemand vermagh sijn huijs met pannen decken sonder consent vanden gouverneur soo datse meest met korck, riet ofte stroo gedeckt sijn, staen al tsamen met een muijr ofte pagger van malcanderen gescheijden; d’huijsen staen op houte pilaren, d’muijren worden onder van steen gemaeckt ende boven worden houtjes cruijs wijs over malcanderen gebonden van buijten en van binnen met cleij en sant effen gestreeken en van binnen met wit papier geplackt; d’vloeren vande camers zijn onder gelijck een oven, daer sij inde winter dagelijcx onder stooken ende geduijrigh warm119 zijn, soo datse beter keggels als camers gelijck zijn; d’vloer met geolijt papier beplackt; de huijsen hebben maer een verdiepingh, boven met een cleijne soldering, daer sij eenige cleijnigheden bergen cunnen; de edelluijden hebben voor haer huijsen altijt een besonder huijs daer sij haer vrunden ende bekenden onthaelen ende logieren, nemen daer oocq haer vermaeck ende doen ’t gene sij te verrichten hebben, waer voor gemeenelijck een groote plaets, vijver ende thuijn is, versiert met veele bloemen ende andere rarigheden, van boomen en clippen; d’vrouwen woonen inde agterhuijsen alsoo se van niemand mogen gesien worden; de coopluijden ende traije120 borgers hebben gemeenlijck ter sijden haer huijs een catel121 om haer dingen te doen en luijden van aansien te onthalen twelc gemeenlijck met tabacq en arrack geschiet; hare vrouwen mogen vrij bij ydereen comen praten ende op gast maelen gaen, dog sitten altijt bijsonder ende [25]tegen de mans over; veel huijsraet wort bij haer niet gevonden, als ’t gene sij dagelijcx gebruijcken; daer sijn veele tap ende vermaeck huijsen, alwaerse gaen om de hoeren te hooren en sien dansen, singen en op instrumenten spelen; des somers gebruijcken sij de bosschagie ende groene boomen daer toe, om den tijt door te brengen; van herbergen ofte logijs plaetse voorden reijsenden man weten niet, die bijden wegh rijst ende het avont wort, gaet maer binnen de muir van ’t een of ’t ander huijs sitten (als het geen edelman is), ende geeft soo veel rijs als hij eten wil, die den hospus terstont laet kooken ende met toespijs opschaffen moet; in veel dorpen gaet het met beurte bij d’huijsen om, sonder daer yets tegen te seggen122; opden grooten wegh nade Conincx stadt leggen post ende pleijster huijsen, soo voor de groote als gemeene man om te vernachten; d’edelluijden ende die vant land reijsen, die d’andere wegen passeeren worden bij d’opper-hooffden vande buerte daerse vernachten de cost ende slaep plaets bestelt.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings