Note 130 — INLEIDING.
Reading edition
Voor de Oost-Indische Compagnie moet het moeilijk te verduren zijn geweest dat het monopolie van den handel met een land als Korea in andere handen was dan de hare en zij bleef er op bedacht hierin verandering te brengen. Het “ontdecken van Corea”130 moest aanvankelijk echter achterwege blijven door gebrek aan daarvoor geschikte schepen en zal later zijn opgegeven op grond van de kennis welke was opgedaan omtrent de gezindheid der bevolking, waarover misschien meer tot ons zou zijn doorgedrongen als de journalen waren bewaard gebleven van de schepen welke in de zeventiende eeuw tusschen Formosa en Japan in de vaart zijn geweest. De vijandige houding en het krachtige optreden der kustwacht toen het schip “de Hond” in 1622 in de wateren van Korea verzeild geraakte131, moet afschrikkend hebben gewerkt en de bemanning van de fluit “de Patientie” werd daar in 1648 niet vriendelijker bejegend132. De Compagnie zal er van hebben afgezien hare schepen aan zulke ontmoetingen bloot te stellen voor het najagen van zeer twijfelachtige voordeelen; het antwoord van haar Opperhoofd te Firando op de hem in 1637 gedane vraag133 omtrent de kansen van een tocht naar Korea, luidde zoo weinig bemoedigend dat bij de Bataviasche Regeering niet de lust kon opkomen zulk een avontuur te wagen. Wat dit Opperhoofd toen over “de gelegentheijt van Corea” schreef134, had hij blijkbaar vernomen van Japanners en in Japan verblijvende Koreanen; zijn bericht is—voor zooveel ons bekend is—het oudste dat over dit land in Compagnie’s papieren wordt aangetroffen en daarom zeker de aandacht waard135.