Note 11 — Bijlagen
Reading edition
Omme van UEds missive van poinct tot poinct te beantwoorden soo seggen aanvanckelick dat nademaal den Coopman Daniel Six in den jare 1667 binnen Jedo zijnde (voor de Rijxraden) de verlossing van de noch verblevene Nederlanders in Correa versocht hadde, soo heeft het hem zijnen schuldigen plicht geacht te wesen desen jare 1669 daar weder verschijnende, dierwegen bij de Commissarissen als voor de Rijxraden danck te seggen: ’t welk Hare Hoogheden uijt den naam van de Keijserlicke Maijesteijt aangenomen en sooveel wij bemercken conden, vergenoegingh gegeven heeft maar aangesien UEdle van gevoelen zijn dat men dese saeck (alsoo van bijsondere voorval is) bij een gemeene danckseggingh der Opperhoofden gedaan, niet en behoorde te laten berusten, maar dat UEdle bijsonderlick uijt UEdle naam daarvoor ordineert danckbaarlick gedaan te werden, soo hebben ’t bijsonder genoegen welke UEdle over die weldaat zijt scheppende den Nangasackisen Gouverneur laten bekent maken, die zulx wel bevallen en naar ’t Jedose Hoff overgebrieft heeft. Den E. de Haas11 sal (met Godt de voorste in Jedo verschijnende) UEdle goede intentie met de gerequireerde omstandigheden (’t zij voor den Keijser selven off voor de Rijcxraden, naer dat de Commissarissen en Nangasackisen Gouvernr zulx raatsaam achten zullen) verder trachten te effectueren.