Note 7 — Bijlagen
Reading edition
10 Aug. 1668.
p. In deliberatie geleijt sijnde, is goetgevonden en geresolveert dat seeckere acht personen die den tijt van 13 jaren in Corea gevangen geweest en nu van daar herwaarts overgekomen sijn, door Commissarissen uijt dese Vergaderingh sullen werden gehoort, wegen de hoedanigheijt, constitutie en gelegentheijt dier landen, waartoe, mitsgaders om de pretensien bij die luijden gemoveert te examineren en de Vergaderingh daar omtrent te dienen van hare consideratien en advis, werden mits desen versocht en gecommitteert d’Heeren Munter, Fannius, Lodesteijn en den Advocaat van de Compe. met adjunctie van d’Heer Thijssz., uijt de Hooftparticipanten.
11 Aug. 1668.
q. Gehoort sijnde het rapport van de Heeren Commissarissen hebbende in gevolge van de resolutie van gisteren voor haar bescheijden en geexamineert het volck in Corea gevangen geweest sijnde, soo oock gelesen het request bij deselve gepresenteert, tenderende om te hebben betalinge van de gagie haar volgens haar sustenue competerende van de tijt dat in Corea gevangen sijn geweest, wesende dertien jaren en 28 dagen, is na voorgaende deliberatie mitsgaders lecture van het 42 en 51 articul van den artijckelbrieff, goetgevonden dat all vooren hier op te resolveren, het schriftelijck rapport door deselve overgelevert sal werden gelesen en geexamineert, waartoe de gemelte Heeren Commissarissen mits desen worden versocht en gecommitteert.
13 Aug. 1668.
r. Gehoort sijnde het rapport van de Heeren Commissarissen hebbende in voldoening van de resolutie van den 11n deser nagesien en geexamineert het verbaal gehouden van het gepasseerde en toedracht van saacken in Corea geduerende de aanhoudinge en gevanckenisse van die daer jongst van daan gekomen sijn, vervattende met eenen de constitutie van het lant aldaar, en de handel die daar soude cunnen vallen, waar op sijnde gedelibereert, is goetgevonden en verstaan dat de Generaal en de Raden sal werden aangeschreven dat men hier niet vreemt daar van soude wesen dat, door een besendinge derwaerts te doen, onderstaan wierd off men daar tot den handel soude cunnen werden geadmitteert, verstaande soo den Generaal en de Raden geen andere consideratien daar tegen mochten hebben. Noch is geresolveert dat men de voorsz. luijden, sijnde seven in getale, uijt commiseratie tot een gratuiteijt sal doen hebben een somme van vijfthien hondert en dertigh guldens, te verdeelen als volgt:
Govert Denijs uijtgevaren voor quartier Mr à ƒ 14 pr mt. ƒ 300.
Jan Pietersz uijt voor bootsgesel tot ƒ 11 ƒ 250.
Gerrit Jansz tot 9 gl. ƒ 200.
Cornelis Dircksz tot 8 gl. ƒ 180.
Dionijs Govertsz tot 5 gl. ƒ 150.
Benedictus Clercq tot 5 gl. ƒ 150.
Mattheus Ybocken voor derde barbier tot 14 gl. ƒ 300.
——
ƒ 1530.