← Table of contents
Van Batavia naar Atjeh, dwars door Sumatra

Front matter

Reading edition

Roma Sacra.
Roma Sacra.

Naar het Fransch van F. Bernard.

Een weg op Java. Buffelkarren.
Een weg op Java. Buffelkarren.

Een weg op Java. Buffelkarren.

Batavia, 7 April.

Morgen zullen wij uit Batavia vertrekken. Ik heb bijna den geheelen dag in de stad rondgeloopen, want ik wil het beeld van deze plaats diep in mijn geheugen prenten. Later zal ik onder den donkeren europeeschen hemel in den winter ’t schitterend vizioen oproepen; dan zal ik de wandeling van vandaag nog eens overdoen en in de gesloten huiskamer, beschut voor den scherpen wind en den ijskouden regen, zal ik het indolente leven van dit schoone land opnieuw genieten.

Een koelie te Batavia.
Een koelie te Batavia.

Een koelie te Batavia.

Ik kom zoo juist na het gewone zware middag-maal uit het hôtel. De straten zijn ledig. De copieuse rijsttafel maakt de Europeanen suf; ieder gaat slapen of rusten in de ruime slaapkamers met een minimum van kleeding. De Maleiers zelf zoeken ook de schaduw en spelen of babbelen, neergehurkt aan den voet der boomen of op de steenen der verlaten galerijen. Een dos-à-dos, het ongemakkelijke, javaansche rijtuigje, voert mij zachtjes aan door de lanen. Hier is het Koningsplein; de groote grasvlakte breidt haar groen tapijt uit tot aan de lijn van mooie boomen vóór en rondom het Museum. De huizen zijn in ’t groen verscholen; men ziet maar nauwelijks hier en daar een stukje witten muur of een groot, ingedeukt dak. Zelfs de winkels verbergen bescheiden hun uitstallingen in tuinen aan den weg.

Boven op een begroeiden heuvel ziet men de citadel van prins Frederik met de oude wallen en de steenen bijgebouwen, verscholen weer als een kostbaar sieraad in een étui van groen fluweel. De Tji Liwong slaat er een band omheen van rood oker. Dat riviertje, waarin kokospalmen, zich vooroverbuigend, spiegelen en waar prachtige bamboezuilen naast oprijzen, is zeer ongelijk van stemming. Wanneer de geweldige regens neerstorten op de flanken van den Salak en den Gedeh vullen plotseling de snelvlietende wateren de nauwe bedding. Oudtijds werden bij zoo’n aanval de benedenwijken van de stad met slijkerige golven overstroomd; maar thans is ’t grillige riviertje beteugeld en tot rede gebracht; de sluis van pasar Baroe houdt ’t niveau op behoorlijke hoogte; kanalen stellen de Tji Liwong bovendien met de Kali Baroe in gemeenschap en met de Krokot, en een wijde doorgang voert het heftig stroomende water rechtstreeks naar de zee.

Al die kanalen, natuurlijke en kunstmatige waterwegen, loopen door de stad. Dat van Rijswijk wordt ingesloten tusschen twee roode muren, en ’s avonds gaan de javaansche vrouwen en meisjes er baden. Zij gaan langzaam langs de trappen naar beneden, de sarong, reikend tot onder de armen, bedekt de borst, en als de kabaja eenmaal is afgelegd, komen fijne, ronde schouders te voorschijn en fraaie, gevulde vormen. De Hollanders, die, als de zon onder is, lui langs den weg flaneeren, wijden niet veel aandacht aan het schouwspel, en amusant is het, de tegenstelling op te merken tusschen die wandelaars met hun bleeke gelaatskleur en flegmatieke bewegingen, in hun toegeknoopte europeesche kleêren, en de gebronsde inboorlingen, die, luidruchtig spelend, ’t slijkerige water op doen spatten.

Nu, na den middag, is alles verlaten en stil. Boven de sluis breidt de rivier haar klaren, stillen spiegel uit. Het weêr is drukkend en de warmte hinderlijk. De schitterende zon werpt onbewegelijke schaduwen neer; de glinsterende bladeren bewegen zich niet en ’t koeltje, dat strakjes naar de verre vulkanen melkwitte nevels voor zich uit zal stuwen, is nog niet opgestoken. Zacht word ik voortgereden, als door een tuin, tot Meester Cornelis. Dat is een voorstad van Batavia aan twee zijden van een weg, omzoomd met de prachtigste boomen. Hier ziet men de laatste uitloopers van de bergen. Verderop en tot aan Buitenzorg rijst de grond gestadig; men ziet geen scherpe kammen, geen vooruitspringende rotsen, geen indrukwekkende kloven, maar afgeronde, zachte vormen en lange hellingen, waar de rijstvelden als op groene terrassen tegen aan liggen.

Dit kalme land heeft nochtans tragische dagen gekend. Hier had in 1811 de beslissende slag plaats, waardoor de Engelschen met één slag het gansche eiland veroverden. De nieuwe stad Weltevreden, pas door Daendels in het leven geroepen, moest worden ontruimd, en men moest zich haasten, om in Meester Cornelis een versterkt kamp op te slaan, dat door zijn gebrekkige, voorloopige inrichting niet hardnekkig kon worden verdedigd.

Nu wij die herinnering hebben opgeroepen, doemt er een heldenhistorie uit het verleden op. Op dit wonderschoone land hebben allerlei veroveraars bij beurten het oog laten vallen.

Eerst waren het de Hindoes in de duistere tijden, door legenden aan de vergetelheid onttrokken.

Hadji Saka, vorst van Astina, komt aan wal op een woest eiland, Noesa Kindang, waar Raksasa’s wonen, en fabelachtige zegepralen volgen hem op zijn weg. En plotseling verrijst het rijk Brambanan; prachtige steden komen als uit den grond op, en de “Duizend Tempels” verkondigen de grootheid van de nieuwe goden.

Het rijk valt uiteen bij den dood van den held; elk zijner zonen regeert over een provincie, en weldra zetten bloedige oorlogen tusschen de broeders heel Java in vuur en vlam. Zij duren door verschillende geslachten voort. Eens zocht Tandoeran, koning van Papajaran, door zijn broer verslagen en verjaagd, een schuilplaats in ’t onmetelijk woud, dat groeit in de vallei van Kediri; drie trouwe dienaars hebben hem gevolgd; zij zullen voor hem de bittere vruchten van den modjoboom plukken en de vorst, door een orakel plotseling terecht gewezen, sticht op die verlaten plek de nieuwe hoofdstad Modjopahit, d.w.z. bittere boom. Dan volgt de snelle ontwikkeling; van alle zijden komen avonturiers zich scharen onder ’t vaandel van den balling, het jonge koninkrijk breidt zich door schitterende triomfen uit, het reikt tot ver over de straten, die Java scheiden van de andere eilanden, tot aan Palembang zelfs en op de Menangkabo, en de vloten van Modjopahit zullen Singapore, de Leeuwenstad, zelfs gaan veroveren.

In de 15de eeuw had het rijk zijn hoogtepunt bereikt; maar de onderworpen volken sluiten zich aaneen tegen den overheerscher. Een sterke band, die van den Islam, sluit de bondgenooten vast aaneen, en het gebouw begint te wankelen, stort in en uit de versnipperde deelen ontstaan een aantal rijken, als het koninkrijk Bantam, het sultanaat Demak, ’t beroemde rijk Mataram. Doch daar verschijnt een geduchte vijand ten tooneele, de vloot van Albuquerque heeft Malakka gebombardeerd en Maghelaens is op de Molukken ontscheept. Het verre Europa neemt bezit van de nieuw ontdekte wereld, en paus Alexander verdeelt het land tusschen de Spanjaarden en de Portugeezen. Dag op dag zetten stoutmoedige zeevaarders koers naar de wondereilanden. Op het eind der 16de eeuw sluit admiraal Houtman een verdrag met den koning van Bantam, en weldra verrijst Batavia op de ruïnen van ’t in brand gestoken Jakatra. Dadelijk vestigen de nieuwe heeren, de Hollanders, zich er en nemen er blijvend bezit van. Ondanks allerlei aanvallen, oorlogen en opstanden zal Insulinde hun niet weer ontsnappen.

Sporen van dit oude, grootsche verleden bedekken hier en daar den grond; boeddhistische en brahmaïstische tempels zijn nog aanwezig en worden ook nog opgericht, want de Islam heeft de oude goden niet geheel doen vergeten. Te Singosari, te Brambanan en bij den Boroboedoer heb ik vóór verminkte beelden en omgeworpen basreliefs Javanen zien knielen, en beschroomd legden zij er offers neer, die den hemel gunstig moeten stemmen en de aarde vruchtbaar moeten maken. Bij den Tjandi Brambanan hebben Siva en Doerga nog hun vereerders en hun priesters, en niemand zou de hand durven slaan aan de steenen die verweeren, om het werk des tijds tegen te gaan of herstellingen aan te brengen. Ondanks alles zien deze ruïnen er niet somber uit; de zon beschijnt ze en zorgt voor een mooie belichting; de doffe kleur van het gesteente smelt weg bij ’t helder licht van den stralenden dag.

De gewone landbouwer hanteert zijn ploeg en verplant zijn rijst tot vlak bij de heilige plaatsen, waar oudtijds pelgrims zich verdrongen of de triomphators kwamen danken. De Tjandi Kalassan spiegelt zich in ’t stille water van de natte rijstvelden; de tempel is omslingerd door lianen en klimplanten, die liefkoozend vertrouwelijk zich om de godenbeelden leggen.

De kolossale ruïnen van den Boroboedoer liggen op een heuvel achter een gordijn van boomen, en van het hoogste punt ziet men het mooie dal der Progo zich uitbreiden; de dorpen onder kokospalmen schuilgaand, de groene velden, waar de waterplassen fonkelen als schilden; aan den horizon de mooie, hooge bergen, de zuivere, afgeronde vormen van den Soembing en den Merapi, met bosch bedekt, oprijzend in de zonnige lucht. Al dit land is te zeer levend en vruchtbaar, dan dat het lang de wreede herinnering zou kunnen bewaren aan de vroegere rampen. Als ’t menschenwerk te niet gaat, neemt de natuur er bezit van. In het oude paleis van Djokjokarta kost het moeite de vormen en de inrichting van het gebouw te onderkennen tusschen den wirwar van bamboes en van palmen. Hier en daar hangt nog een stuk muur over een esplanade, ziet men een poort, die gapend toegang geeft tot een kronkelende gang, en naakte kinderen spelen en dartelen in de felle zon op de opeengehoopte steenen. Hoe zou men kunnen stilstaan bij vroegere tragische tooneelen te midden van zoo schitterende décors.

Mijn rijtuig heeft mij langzaam weder in de oude stad teruggebracht. Wij rijden langs een kanaal, pas gegraven en in een rechte lijn verloopend, waaraan huisjes staan onder kokospalmen. Nu en dan verdwijnen de huisjes, en er komt een zwijgend bosch, waar uit den met gras bedekten grond veel slanke zuilen opgaan. Het lijkt, of men zeer ver verwijderd is van een moderne stad, maar de rails en de draden van de electrische tram maken spoedig een eind aan die verkeerde gissing. Hier, in deze lage vlakte, kampeerden tot tweemaal toe de legers van Mataram; tweemaal hebben de stoere verdedigers van Batavia hun vijanden zien vluchten, door het moorddadig beleg geheel uitgeput.

De inhalige kooplieden uit vroeger tijden wisten ook door andere middelen hun veroveringen te behouden. Aan den weg ziet men nog een monument van hun barbaarsch recht, namelijk het huis van Pieter Eberfeld. Een gepleisterd doodshoofd, grijnzend en doorboord met een ijzeren staaf, met een opschrift in het Hollandsch en ’t Maleisch, roept de verschrikkelijke geschiedenis in de herinnering terug. Een oostenrijksch avonturier had met inlandsche hoofden een complot gesmeed, om de Hollanders te verdrijven; zijn dochter, die een hollandsch officier beminde, maakte het geheim bekend, en de afschuwelijke straf werd voltrokken; Eberfeld werd gespietst en in den muur van zijn eigen huis ingemetseld, welk huis niet mag worden aangeraakt en dat, door de planten geheel en al bedekt, aan den eenzamen weg ligt sedert de stichting van Weltevreden.

Door de gapende, scheef hangende deur kan men den tuin zien, waar in het wild wat boomen groeien en waar de Maleiers uit den omtrek vrij de vruchten komen plukken. Aan één dier boomen werd misschien de dochter van den ongelukkige opgehangen, en ik stel mij voor, hoe het drama daar is afgespeeld, nu 150 jaar geleden onder den brandenden zonneschijn, onverbiddelijk als de menschen van toen. Ik denk aan Eberfeld, die door de geschiedenis als een verrader is gebrandmerkt, en die, zoo het succes zijn daad bekroond had, de gevierde stichter zou geworden zijn van een tweede paradijs; aan die heftige en tragische liefde en het geheim, dat haar ontrukt werd; aan de straf, de onverschillige of wreede rechters, die een plicht volbrachten of hun wraak koelden, terwijl ze de een oogenblik bedreigde schatten beschermden.

Van die onverbiddelijke rechters slapen enkelen hier zeer dichtbij, rondom de oude kerk, onder de grafsteenen en de zware metalen platen, waarop de woorden herinneren aan het gedane werk. Dit is de oude stad. Een menigte grachten loopen erdoor en er omheen. In de Europeesche wijk staan de massieve huizen langs de Kali Besar en aan de overzij is de kampong, de chineesche wijk. De koelies en de kooplieden rusten uit op de stoepen. De zon begint reeds te dalen en de hollandsche kooplieden zijn naar Weltevreden teruggekeerd. Elken avond houdt na vijf uur alle werk op, en het leven van arbeid wordt eerst hervat tegen morgen acht of negen uur.

Hier is, evenals te Singapore en Bangkok, alle handel in ’t groot en in ’t klein in handen van Chineezen. Zij zijn al sinds de tiende eeuw trouwe bezoekers dezer streken. Toen Batavia pas gebouwd was, vestigden zij er zich in menigte. Zij waren niet altijd zoo vreedzaam gestemd als tegenwoordig. Zij verdroegen niet lijdzaam de vele onrechtvaardigheden en verkozen niet, de grillen en de heftigheden der veroveraars te verdragen.

In 1737 sloten zich een groot aantal Chineezen aaneen en wapenden zich in een naburig dorp, waarna het leger van de opstandelingen de stad aanviel. De rustige Chineezen hadden hun kantoren niet verlaten; toen het bevel daartoe gegeven werd, hadden zij zich in hun huizen opgesloten. Door hun aantal scheen het, dat zij wel gevaarlijk konden worden, en men besloot, zich van hen te ontdoen. De gouverneur-generaal Valckenier gaf, radeloos van angst, bevel tot den moord. Terwijl de opstandelingen, teruggedrongen na den eersten aanval, op den terugtocht waren, voltrok het garnizoen van Batavia, versterkt met ontscheepte matrozen, het vonnis. Er had een ganschen nacht en een geheelen dag een afschuwelijke, laffe slachting plaats. In het hospitaal zelfs werden vijfhonderd zieke Chineezen geworgd. Bijna negen duizend ongelukkigen werden gedood.

In de stad, die in een slachthuis was veranderd, riepen het vergoten bloed en de opeengehoopte lijken wrekende epidemieën in het leven. De oorlog breidde zich uit, bereikte de naburige provincies, en in ’t verlaten Batavia stond alle handel stil. Dit wekte, meer misschien dan afschuw van de misdaad, de verontwaardiging van de Oost-Indische Compagnie. Valckenier werd gevangen genomen en veroordeeld; maar het dossier van de zaak en het vonnis, dat de doodstraf verlangde, gingen verloren in 1744 bij de schipbreuk van de Streyer. Valckenier stierf eenige jaren daarna vóór het einde van het proces.

Sedert dien tijd zijn de Chineezen teruggekomen. Op het eiland overtreft hun aantal tegenwoordig het cijfer van 250 000; alleen te Batavia telt men 28 000. Op dit late uur geven zij alleen nog eenige levendigheid aan de oude straten, die mij tot aan de citadel voeren, al sinds jaren ontmanteld. De groote poort staat nog overeind, zorgvuldig wit geverfd met vier zwarte urnen er op, en in de nissen twee beelden van woeste krijgers. In het gras, op de plek der geslechte wallen liggen nog enkele oude kanonnen van gietijzer. Een ervan, van vrij groot kaliber, geniet hier een zekere vereering. Het stuk heeft, naar ’t schijnt, wonderbaarlijke eigenschappen; ’t geeft den vrouwen, die geen kinderen hebben, kans op nakroost, en maleische dames vervullen er haar godsdienstplichten. Voor ’t oogenblik echter heeft het oude kanon rust en is door de geloovigen verlaten.

Panorama aan de baai van Palaboean Ratoe.
Panorama aan de baai van Palaboean Ratoe.

Panorama aan de baai van Palaboean Ratoe.

Hier en daar verrijzen tusschen de boomen groote, stille, gesloten gebouwen, die echter goed zijn onderhouden. Dat zijn de oude kazernes, die nu als winkels in gebruik zijn. En dan, voorbij de citadel, volgt de haven. In die nauwe en vuile kom legden vroeger de schepen aan, die in zoo grooten getale het oostersche Venetië bezochten. Zij gingen door tusschen de beide havenhoofden, die tot in zee voortloopen te midden van moerassen. Daaruit rijzen de bladeren van de palmen, die in ’t water groeien, op onder de kanonnen van de batterijen, wier vormen men nog onder ’t groen terug kan vinden. Tegenwoordig gaan alle booten naar Tandjong Priok, de nieuwe haven, en hier is alles dood, somber en stil in het flauwe licht van een regenachtigen avond, en ik keer met voldoening terug naar Weltevreden, de levende stad.

Aan boord van de Speelman, 9 April.

Gisteren om vier uur zijn wij uit Tandjong Priok vertrokken. Enkele vrienden, landgenooten, met wie wij hier kennis hebben gemaakt en die wij, hoop ik, in Frankrijk zullen weerzien, hebben ons vergezeld trots de drukkende hitte. Ik heb Java zonder al te veel smart vaarwel gezegd, en ik gevoel volstrekt niet dien weemoed bij het scheiden, dien vele anderen hebben gevoeld. Ik hecht mij aan de menschen, niet aan de dingen. Aan landen, waar ik gewoond heb, maar waar ik geen menschen, die mij dierbaar zijn, achterlaat, gevoel ik mij slechts door zwakke banden gebonden. Het ontroert mij niet, als ik een eenmaal afgelegden weg weer betreed of bekende plaatsen terugzie, en als ik er een nieuwe vreugde vind, komt dat niet uit gevoelsoorzaken. Ik ben geen slaaf van mijn gewoonten; ik heb de ziel van een vagebond. Reizen opent de poort der droomen voor mij, omdat ik het onbekende zal binnengaan.

Die liefde voor verandering en voor iets nieuws verleent aan ieder afscheid een zekeren glans. En daarbij ben ik op Java min of meer teleurgesteld geworden. Ik heb mij het land dikwijls voorgesteld als een geheimzinnig en gevaarlijk oord; en ik vond er integendeel de vriendelijkste, zonnigste landschappen, een vreedzame, onderworpen bevolking, die een kalm, eentonig leven leidt, juist als de veroveraars ook doen.

De markt is op Java, als overal elders, een plaats van samenkomst.
De markt is op Java, als overal elders, een plaats van samenkomst.

De markt is op Java, als overal elders, een plaats van samenkomst.

Toch heeft mijn jongste uitstapje een diepen indruk op mij gemaakt. Er was mij een geestdriftige beschrijving gegeven van de baai van Palaboean Ratoe, en ik heb van enkele vrije dagen gebruik gemaakt, om dat wonder te gaan zien, vóór het vertrek der Speelman.

De spoorweg bracht mij naar Tji Badak, tusschen Buitenzorg en Soekaboemi, en van daar gingen we per rijtuig langs een steenachtigen weg tot aan den oever der zee. Dit is, naar ’t schijnt, het nog woeste Java, en de Indische Oceaan bespoelt hier een met bosch bedekte rotsachtige kust. Wij hebben den nacht doorgebracht in de pasangrahan, en zoodra het dag was, begaven we ons op weg om weer te Soekaboemi te komen door Pasawahan en Bodjong Lopang. Wij staken eerst op een primitief vlot een rivier over, de Tji Mandiri, en volgden daarna den linkeroever tot de monding.

De weg loopt daarna door een nauw dal en stijgt dan snel tot meer dan 1000 M. hoogte. Naarmate men hooger komt, krijgt men de geheele baai te zien, en weldra doet zich een prachtige aanblik voor, de mooiste stellig, dien ik op Java heb genoten. Eerst ziet men het dal, dat we pas zijn doorgegaan en de met bosch bedekte hellingen, de dichtbebladerde boomen van zoo verschillende soort, de lianen, die ze verbinden en er zich omheen slingeren; dan lager een gehuchtje tusschen palmen, slanke boomen, die hun pluimen wuiven in den wind en verderop de diepe en blauwe zee. Nauwelijks wordt de oppervlakte door een enkel rimpeltje bewogen, en de zachtgeronde kust vloeit samen met het witte schuim, dat het zand omzoomt; dan treft de lichtgroene tint der rijstvelden, en andere landen, geel reeds en gereed om te worden geoogst, en heuvels weer, gekroond met wouden. Aan hun voet stroomt de rivier, die rood en troebel water voert en zich niet wil vereenigen met het kristalheldere water van de zee, en eindelijk op den achtergrond de blauwe bergen, welker toppen zich aaneensluiten tot den horizon. En dat alles onder een prachtigen hemel, schitterenden zonneschijn en onbewogen, doorschijnende lucht, zonder een spoor van nevel of damp en zonder dat toch ’t een of ander hard en onafgerond schijnt. ’t Is een kalm en vredig stemmend landschap, een tooneel, dat men zich telkens voor den geest roept en dat eigenlijk niet door een beschrijving is weer te geven.

Het vertrek van Tandjong Priok biedt niet zooveel moois aan. Dikke nevels verbergen den horizon, en een laag wolken verbergt de beide tweelingvulkanen, Salak en Gedeh, waarvan wij eenige maanden geleden op den morgen onzer aankomst de zuivere omtrekken mochten bewonderen. De Speelman is uit de haven vertrokken. Het schip vaart op korten afstand langs een lage kust, waarvoor een rij van eilandjes liggen. Een dicht plantenkleed loopt tot aan zee. Op dezen vruchtbaren grond is er geen brokje slijk en geen hoekje steen, of de plantengroei legt er beslag op. Het is, of Java uit den oceaan is opgestegen in den ouden tijd, geheel met groen en bloeiend leven overtogen.

De residentie, welker kust wij zien, is toch niet een der schoonste van Java; het is integendeel de armste en de minst bevolkte; ’t is Bantam, waar de Hollanders zich het eerst vestigden. In de vlakte zijn bijna alle gronden, en wel de allervruchtbaarste, aan Europeanen en Chineezen verkocht, een manier van Daendels en Raffles om de schatkist te vullen. Ofschoon zij op die wijze over directe hulpmiddelen beschikten, hebben ze de taak van hun opvolgers bemoeilijkt, want de toestand, zooals hij nu is, drukt zwaar op de bevolking. Waarom den grond te bewerken, als de opbrengst een vreemden meester moet verrijken? De landbouwer van Bantam kan zich niet daarin schikken. Hij trekt ergens anders heen en zoekt in andere residenties gronden, die nog vrij zijn. Diegenen, die achterblijven, hebben niet het zorgelooze karakter der andere Javanen; zij zijn heftig van aard, en hun godsdienst is strenger. De mohammedaansche dweepzucht, die niet veel op Java voorkomt, wordt hier aangetroffen, en nog pas weinige jaren geleden werd een resident er het slachtoffer van.

Vroeger trachtten de inlandsche hoofden, die zelf arm waren te midden van een uitgeputte bevolking, door allerlei middelen, wettige en onwettige, hun rang op te houden. Toen het stelsel der gedwongen cultures in zwang was, trok de Javaan, die meedoogenloos geplunderd werd door zijn hoofden en door een onverzadelijke regeering, de Soendastraat over en zocht een schuilplaats in de Lampongs; er vormden zich benden, troepen arme wanhopigen, die, naar wraak dorstend, het land verwoestten.

Sedert dertig jaren is intusschen alles anders geworden. In deze ongelukkige residentie heeft een bewonderenswaardig man gediend, en zijn geest, die het goede zocht, waagde zich aan een ongelijken strijd, waarin hij niettemin overwinnaar bleef. Men heeft mij eenige dagen geleden te Rangkas Betoeng het huis laten zien, waarin Multatuli woonde. Douwes Dekker was vijf-en-veertig jaren geleden assistent-resident van Lebak. Hij was een onbevreesd en gevaarlijk ambtenaar, omdat zijn beginselen in strijd kwamen met wat de administratie eischte. Hij meende, dat zijn plichten als ambtenaar en zijn plichten als mensch niet met elkander in tegenspraak konden zijn, en op den dag, dat het onrecht, begaan door den regent van Lebak, hem bekend werd, stelde hij zich er niet mee tevreden, het eenvoudig te berichten aan zijn superieur in de hiërarchie. Hij zou vóór alles recht erlangen, niet om het recht alleen, maar omdat menschen leden en hij hun ellende wilde doen ophouden. Men verzocht hem te zwijgen; de plicht van een ambtenaar was dood eenvoudig; die bestond in ’t laten verbouwen van koffie en die zoo goedkoop mogelijk te doen betalen. De inlandsche hoofden waren bij die verheven taak helpers, die men moest ontzien.

Als de regent van Lebak al iets op zijn kerfstok had, dat beteekende weinig; hij bewees diensten, en dat was waarborg genoeg van moraliteit. Douwes Dekker hield vol, werd verplaatst, viel in ongenade, moest zijn ontslag vragen en ging heen. Gedurende vele jaren heeft hij in Nederland ellende en honger gekend, en erger, het sarcasme en het beleedigende medelijden. Multatuli, “ik heb veel geleden”, dat is wel de rechte naam voor een apostel. Niets heeft hem ontmoedigd. Onvermoeid heeft hij geroepen; hij heeft het stelsel van roof en onderdrukking blootgelegd, en zijn adem heeft het trotsch gebouw van onrechtvaardigheid ter neer geworpen. Hij had alle menschelijke machten tegen zich, de ijdelheid der staatslieden, de hebzucht der handelaars, de hatelijke inertie van de administratieve machine, de lafheid van de eerlijke menschen, maar hij heeft gezegevierd. In geheel Nederland heeft iedereen medelijden gekregen met den ongelukkigen en zoo lang reeds onderdrukten inlander. Niemand wilde meer iets weten van een kolonisatiesysteem, waarbij de rijkdommen betaald werden met de tranen der Javanen. Ik heb het voltooide werk aanschouwd. Wat tegenwoordig de hollandsche bestuurswijze kenmerkt en haar een edelmoedig karakter verleent, is de aanhoudende zorg voor den inboorling, den kleinen man, die zoowel tegen anderen als tegen zichzelven beschermd moet worden.

Aan dien onbuigbaren man moet ik telkens denken. Hij zag vóór zich de beide wegen, den eenen rustig, kalm en zachtkens dalend naar de lage landen, den anderen steil en moeilijk naar de hoogten van het leven, en hij heeft den tweeden gekozen. Als hij geleden heeft, hij heeft toch ook bovenmenschelijke blijdschap gesmaakt; hij heeft zijn ideaal verwezenlijkt gezien. Over dat voorbeeld moet ik nadenken, een tooverdrank, waarvan ik kracht en beteekenis begin te begrijpen.

Het is nacht geworden, en de boot glijdt voort in de dikke duisternis. Enkele passagiers luisteren naar de schreeuwerige tonen van een grammophoon. Op het dek hurken inlanders. Onder hen is ook een troep reizende muzikanten; zij gaan naar Padang en zijn de houders van den schat der oude melodieën en der legendarische gedichten. Op ons verzoek gaan ze spelen. Het orkest, de gamelang, bestaat uit instrumenten van allerlei vorm en allerlei soort. Een ervan, een reeks van gongs, op muzikale tonen gezet, geeft aardige muziek, nu en dan afgebroken door het heftige en brutale geroffel der trommen van vel of hout. Meisjes zijn aan het dansen. Zij hebben een costuum van doorschijnende stof aangetrokken met gouden pailletten en dragen een uitgebreid kapsel, waaronder ze als gebukt gaan, met een diadeem, van achteren als een helm opstaand.

Ook hebben ze een masker voor, blauw, rood of zwart, met spitsen neus en gebogen wenkbrauwen, welks trekken eenvoudige gevoelens, vreugde of smart te kennen geven. Zij dansen, en de muzikanten zingen; onbekende woorden vliegen heen en weer, de stemmen rijzen en dalen bij beurten. De danseressen wiegen zich rechts en links, met de voeten dicht bijeen of gekruist; met uitgespreide armen bewegen zij het hoofd, buigen het lichaam, verroeren handen en vingers in zonderlinge, stijve gebaren en dan leggen ze van tijd tot tijd een paar passen af met theatrale groote stappen en uitdagend opgeheven hoofd.

Wat verbeeldt dit alles? wat zeggen ze? De stemmen worden zachter, sterven weg. Dezelfde zuivere, melancholieke toon keert geregeld terug en wordt door een slag op een metalen gong voortgebracht. Het lied, dat er wordt gezongen, het tooneel, dat ze opvoeren, ’t zij kwijnend of hartstochtelijk, ieder van ons mag het uitleggen naar zijn eigen fantazie. De koddige schaduwen, die daar zich bewegen in ’t onzekere licht van eenige lantaarns, schijnen zich op te lossen in niets; het lijken spoken, getuigend van een verdwenen verleden, van doode koninkrijken en voorbijgegane liefde, van heldendaden en nutteloos vergoten bloed. Zij wekken in ons atavistische herinneringen, duistere gedachten, onduidelijke wenschen en terwijl de danseressen buigen en ons groeten, terwijl de duisternis al dieper wordt en de muziek zwijgt, word ik nog gewiegd door den droom, dien het dansen en zingen opriep.

Aan boord van de Speelman, 10 April.

De Speelman haast zich niet. Gisteren zouden wij te Telok Betong hebben moeten aankomen om zes uur in den morgen; averij aan de machine deed ons de vaart vertragen, en we zijn pas om tien uur op de reede aangekomen. Wij hebben geen tijd, aan wal te gaan en moeten ons tevreden stellen met uit de verte de kust te beschouwen. Wij liggen achter in een driehoekige baai, in ’t Zuiden afgesloten door een rij eilandjes. De met bosch bedekte bergen dalen rechtstreeks neer in zee; hooge toppen van 1000 à 1200 M. schijnen den ingang van de haven te bewaken. In het Zuiden kan men door de opening, die wij juist zijn doorgegaan ten westen van het eiland Sebesi, een alleenstaanden kegel zien van grijze kleur, dat is de Krakatau.

Deze rustige berg, boven stille wateren oprijzend, heeft zeventien jaren geleden een der vreeselijkste catastrophen veroorzaakt. Sinds 1680 had de vulkaan niet gewerkt. De zeelieden, die uit Europa kwamen, begroetten altijd reeds van verre den eenzamen berg; hij kondigde hun ’t einde aan der reis. In Maart 1883 is plotseling het monster wakker geworden. De inboorlingen uit het land in de buurt zagen met verbazing den vederbos van rook, die wuifde door de lucht. Zij waren aan zoo’n schouwspel wel gewend, en het boezemde hun geen schrik meer in.

Van de eene naar de andere zijde over Java en Sumatra strekken zich twee rijen van vulkanen uit; elk van die heeft zijn eigen legende, zijn lange perioden van rust en zijn uitbarstingen van woede. De woede van den Krakatau leek niet zoo erg verschrikkelijk. Er lagen op zijn hellingen geen dorpen en geen aanplantingen, en de beschermende zee isoleerde dezen vulkaan. Maar met iederen nieuwen dag namen de verschijnselen in hevigheid toe. In de maand Augustus wierp de berg dikke wolken asch uit; lavastroomen vloeiden over den kraterrand; het eeuwenoude bosch op de hellingen begon te branden als een reuzentoorts. Een planter, die toen op Java woonde in de Preanger Regentschappen, vertelde mij van den schrik en den angst, die gedurende enkele dagen allen vervulden.

Men had in de richting van Batavia een dichte wolk zien opkomen, die langzamerhand grooter werd en al het land overdekte. Het leek, of zij niet door den wind werd voortgedreven. De zware rookkolommen stapelden zich op, en het werd donker, donkere nacht met een fijne, ongrijpbare asch, die onophoudelijk neerdaalde. De menschen hadden zich, bevend van angst, in hun huizen opgesloten.

In die duisternis, die volle vijftig uren duurde, hoorde men ontzettende ontploffingen. Te Singapore meende men, dat de vulkaan van de Karimon Java-eilanden werkte; te Saigon geloofde ieder, dat in de Golf van Siam de eskaders elkaâr een donderend gevecht aandeden. Op de kusten van Java en Sumatra wachtten de doodelijke verschrikte bewoners op de ontknooping. Hoe zou het gevaar zich ten slotte voordoen? Stortte de grond onder hen in en zouden nieuwe kraters worden gevormd? Niemand durfde vluchten in de duisternis; de opgehoopte asch lag hier en daar als een bed van een meter hoogte; de onzichtbare vulkaan ging maar voort met donderen; woedend sloeg daarna de regen neer. Het gevaar leek nog dreigender in het binnenland dan hier aan het strand, waar de vastgemaakte booten nog op het uiterst oogenblik redding mogelijk zouden maken—en toch, juist uit zee is de ramp opgestegen. Plotseling stortte de krater van den Krakatau in; reuzengolven stoven op en kwamen dreigend op de kust aan. In den trechter, door de baai van Telok Betong gevormd, kwam een dertig meter hooge muur van water breken op de kust. Tot aan den voet der bergen veegde de vloedgolf dorpen weg en tuinen; zij nam schepen op en smeet ze neer op het land, en als het water zich had teruggetrokken, liet het in de verwoeste streek duizenden dooden achter. De vulkaan was van vorm en van plaats veranderd; waar vroeger zijn hoogste top verrees, gaapte nu een afgrond in de zee van 300 M. diepte, en nieuwe eilanden waren ontstaan tusschen de ruïnen van den berg.

Rij van buffelkarren in een straat te Batavia.
Rij van buffelkarren in een straat te Batavia.

Rij van buffelkarren in een straat te Batavia.

Wij zijn slechts weinige uren te Telok Betong gebleven en gingen van daar naar Engano. Zonder ons te haasten, voeren we door tusschen de eilanden, die de baai afsluiten; het waren pyramiden van groen en van den top tot den voet spiegelt al dat gebladerte zich in de zee. Toen daarna de laatste kaap was omgezeild, volgden wij verder op korten afstand de kust. De zee is hier om dezen tijd van het jaar zoo stil als in een meer. Links wijken de laatste toppen van Java in den grijzen nevel. En vreemd, eerst op dat oogenblik speet het mij, dat de zoo snel volbrachte reis was afgeloopen. Dat land, dat ik zoozeer had gewenscht te zien en dat ik zeker nooit weer zal aanschouwen, mijn verbeelding begon het nu te vervormen tot iets wonderschoons. Misschien heb ik de vriendelijkste of treffendste punten niet gezien, mogelijk ook had ik er langer moeten blijven en er moeten leven op een andere manier. Java fluistert haar geheimen en geeft haar zoete bekoring slechts voor diegenen, die er trouw aan zijn en zich geheel willen geven.

Het wordt avond; de grijze lucht en de zee smelten samen; enkele zachtrood gekleurde wolken drijven door de lucht; andere komen op aan den horizon. Ieder ondervindt den invloed van dit heerlijke uur. Geluidloos klieft het schip de golven, en een parelmoeren schuim volgt het op zijn weg.

In zulk een lauwe atmosfeer en ’t uniforme licht beginnen droomen zich weer van den geest meester te maken. De straat daarginder is de Soendastraat en zij roept duizend machtige beelden op. In deze zee, waar zooveel groote schepen in de jaren van de eerste ontdekkingsreizen zijn vergaan, moet men wel denken aan de heldhaftige expedities, door avonturiers van vroeger op ’t getouw gezet. Mooie verzen over de conquistadores spelen door mijn brein. Hier was het land van goud en specerijen, het land, dat geurig en welriekend was als geen; de wondereilanden, die hun schatten slechts voor de stoutmoedigen beschikbaar hadden. Naar deze stranden zetten koers die heldenkapiteins, wier uren van triomf ik tracht mij voor den geest te roepen. Hier, op den nu zoo rustigen bodem, stapten zij aan wal bij ’t bulderen der verouderde kanonnen, en bij ’t verlaten van hun schepen zagen zij de volken vluchten. Koningen bogen zich voor deze toovenaars, die onverschrokkenen, gekomen uit het Westen, uit die verre streken, waar de zon des avonds schuilgaat.

Het komt mij voor, dat in dien tijd de natuur met nog veel machtiger bekoring op de helden moet hebben gewerkt. Zij zagen er niets leelijks en niets kleins, en toen de verovering voltooid was en de buit was meegevoerd, toen togen de avonturiers op nieuwe tochten uit, op wankele schepen over onbekende zeeën, weer op de zoek naar nieuwe stranden, waar hen nieuwe zegepralen wachtten.

Ik weet wel, dat de meeste dezer helden niet meer waren dan bandieten, ruw en wreed, dat niet van poëzie hun ziel vervuld was, noch hun hart van medegevoel. De menschelijke inhaligheid kwam toen met zeer naïeve felheid aan den dag; recht, menschelijkheid en al die groote woorden, die ons aangenaam in de ooren klinken, vielen in de stilte neer en wekten in ’t geheel geen echo’s. De wereld behoorde aan de christenvolken; de grond met zijn rijkdommen en met de ongeloovigen, die er woonden. Er bestond geen zedelijke band; de veroveraar bezat de macht, en hij was in ’t bezit der waarheid.

Ieder wenschte voor zich een aandeel aan ’t onmetelijke gebied, waarvan men bij elken stap, dien men deed, de grenzen zag terugwijken. Bij deze jacht naar winst, waarop de volken van Europa elkander de aarde betwistten, hield ieder zijn deel angstvallig vast door alle mogelijke middelen. De wegen, leidend naar de nieuwe landen, waar de zware galjoenen zich langs bewogen, moesten een geheim blijven. De ruwe kaarten, waar de schippers, zoo goed en zoo kwaad als het ging, hun gang op afteekenden, waren nationaal eigendom, en ’t was verraad, ze aan vreemdelingen af te staan of bekend te maken.

Chineesche koelies aan ’t ontschepen van goederen te Benkoelen.
Chineesche koelies aan ’t ontschepen van goederen te Benkoelen.

Chineesche koelies aan ’t ontschepen van goederen te Benkoelen.

Met zweep en brandmerk en verbanning werden de schuldigen of de onvoorzichtigen gestraft. Die blanke menschen, die de volken van het Oosten elken dag zagen aankomen in hun landen en die de zonen schenen van een zelfde ras, leverden elkander op alle zeeën de verwoedste gevechten, en voor hun schreden zonken koninkrijken in het niet en oude beschavingen vielen tot stof ineen.

Maar in onze herinnering blijven wij niet toeven bij de begane wreedheden. Hoe komt het toch, dat die ruwe klanten uit de historie voor ons oprijzen, omstraald door een helder licht? Dat is, omdat elk van ons hun iets van zijn eigen ziel geeft. Wij wenschen te gelooven, dat zij door een ideaal werden geleid. Als wij, bewoonden zij sombere landen, waar ’t banale leven niet genoeg was voor hun ziel. Zij stikten in de enge gevangenis, waarin het lot hen had geplaatst, waar vooroordeelen en allerlei belangen hen vasthielden; zij scheurden zich los, gingen heen, verder en altijd verder, om nieuwe landen te zoeken en krachtiger, vuriger zonnen. Ze hadden hun ketenen verbroken, en de verworven vrijheid steeg hun naar het hoofd. Wie onzer zou zoo’n schoonen droom niet willen leven?

Aan boord van de Speelman, 10 April.

Hedenmorgen zijn wij tegen tien uur te Engano aangekomen. Wij hebben in een kalme baai het anker uitgeworpen, waar drie eilandjes ons tegen de hooge zeeën beschutten. Een kring van brekers, waar de zee geweldig bruist en schuimt, omringt ons in een nauwen cirkel, en slechts met moeite kunnen we nog de doorvaart herkennen, die ons den toegang heeft verleend.

Pas hadden we het anker uitgeworpen, of van elk eiland staken booten van wal, met roeiers bemand. De inboorlingen, die erin waren gezeten, moedigden elkander aan met schelle kreten. Ze zijn halfnaakt en vertoonen ons stevige lichamen met sterke spieren. De gelaatstrekken zijn energiek en woest; de diepliggende oogen fonkelen onder zware wenkbrauwen, die het smalle voorhoofd begrenzen; de jukbeenderen steken vooruit, en de benedenkaak is zwaar en vierkant. Een lap stof houdt het haar in bedwang en omgeeft het voorhoofd als een hoofddoek, en aan den achterkant vallen krullen neer in den nek.

Dit zijn mooie, forsche kerels, die men zou willen zien, getatoeëerd voor den oorlog en met lans of knots gewapend. Ze zijn aan boord gekomen, op een manier, die denken doet aan de vermeestering van een gemakkelijke prooi. Met zulke lenige bewegingen moeten indertijd, als Cook en La Pérouse een nieuw eiland ontdekten, de inboorlingen vol nieuwsgierigheid hun schepen hebben bestormd. Deze wilden hebben intusschen in ’t minst geen booze bedoelingen; zij komen eenvoudig maar copra tegen rijst inwisselen. Zij brengen ook vruchten mee, visschen die er vreemd uitzien, vol stekels, en prachtige schelpen, met parelmoer belegd. Achterop elke schuit staat een Chinees, de onvermijdelijke tusschenpersoon in deze streken, en leidt de bewegingen van het vaartuig.

Vroeger waren de Eugano-eilanden sterk bevolkt. Vijftig jaar geleden woonden de inboorlingen er nog vreedzaam en van de wereld afgezonderd. Ze leefden van jacht en vischvangst, kenden nog niet de bewerking van het ijzer en wisten niets van het bestaan van tabak en alcohol. Als er een schip vóór hun dorpen verscheen, gedroegen zij zich gastvrij en vriendelijk. Maar de menschen van Sumatra minachtten hen als wilden, en ze zijn dan ook sedert dien tijd in beschaving vooruitgegaan. Ze kunnen flink drinken en zijn jaloersche echtgenooten geworden. Een jonge contrôleur, die een tournée er heeft gedaan, vertelt mij, dat hij van geen vrouw het aangezicht te zien heeft gekregen. Toch zijn de meisjes van Engano mooi en flink gebouwd.

De veldwinnende beschaving heeft nog andere gevolgen gehad. De bevolking vermindert onrustbarend in aantal. Ziekten hebben zoo erge verwoestingen aangericht, dat er niet veel meer dan 600 inwoners zijn. Welke kwaal decimeert hier de menschen, die er toch zoo sterk en flink uitzien? Niemand kan het mij zeggen. De inboorlingen meenen, dat booze geesten hen met hun haat vervolgen. Zij hebben het groote eiland verlaten en hebben een schuilplaats gezocht op de kleinere, minder ongezonde eilanden. Dat zijn manden van groen, even slechts zich verheffend boven het doorschijnend heldere water. Eerst ziet men een dun zandlijntje, dat als goud schittert, dan een hoopje struiken, afgeronde groepen en daarachter de dicht bijeen staande stammen en de groene vederbossen van de kokospalmen. Ik zie nergens andere boomen, en onder palmen staan ook de huizen aan het strand.

Links van ons breidt het grootste eiland zich uit, geheel met bosch bedekt. Hier en daar op het strand wijzen boschjes kokospalmen nog de plek der vroegere dorpen aan. Als ik zulke streken zie, zoo mooi en zoo woest, krijg ik lust, mij naar land te laten roeien, aan wal te gaan op die smalle zandige kust, die een gordel vormt om het woud heen en mij op goed geluk diep in het bosch te wagen. Ik weet wel, dat ik er moerassen zal vinden en planten met scherpe dorens en verraderlijke lianen, die u tegenhouden en u de voeten binden, en weerzinwekkende insecten, en toch wordt het een lastige kwelling, dat men aan zulk een wensch niet kan voldoen. Zou ’t zijn, doordat ik ben geboren in een dor en door de zon verschroeid land? Ik weet het niet; maar ik heb een hartstochtelijke vereering voor het woud. Die zware mantel die den grond verbergt, die massa’s donker gebladerte, de smalle, donkere paden lokken mij aan door hun geheimzinnigheid. Ook heb ik vroeger reeds een tijd lang in het bosch geleefd, een vrij en ongebonden leven, en ik heb daarvan, geloof ik, iets ziekelijks behouden, dat mij van tijd tot tijd er altijd naar zal doen terugverlangen.

Wij hebben Eugano zooeven verlaten en zetten koers naar Benkoelen, welks hooge kust wij weldra langzaam uit de wateren zien oprijzen.

Padang, 20 April.

Wij zijn te Padang al sedert den 12den. We hebben reeds een eerste uitstapje gedaan en zijn gisteren hier teruggekomen, om de voorbereiding voor een tweede te houden, een langer en bezwaarlijker tocht.

Van Eugano tot Padang had de reis een zeer alledaagsch verloop. Het was een kalme vaart over een slapende zee met eenige uren oponthoud te Benkoelen. Dat is een klein, zeer stil stadje, waar een weg begint dwars door Sumatra bij Palembang uitkomend. De huizen der chineesche wijk staan tot dicht aan zee, en de dikke palen, die de balkons en de veranda’s dragen, worden door het water bespoeld. Daarachter zijn het residentiehuis en de woningen der Europeanen door groote tuinen omgeven, aan beide zijden van de stille straten.

Boven het strand verrijst een oude citadel en enkele ouderwetsche kanonnen kijken melancholiek in zee. Het is ’t fort Marlborough, reeds meer dan een eeuw geleden gebouwd door de Engelschen. Zij waren er in 1796 in getrokken en hielden zich er lang staande. De verdragen van 1814 hadden hen verplicht, aan Nederland Java en wat er bij behoorde, terug te geven. Men wist toen in Europa nog niet, welk een kostbaren schat sir Stamford Raffles voor zijn land veroverd had. Evenals Clive had hij gedroomd, het rijk uit te breiden en als Clive was hij in de functie van eenvoudig ambtenaartje begonnen op de kantoren der Indische Compagnie en als Clive had hij met zijn genie de hooge ambtenaren voor zijn idee gewonnen. In 1807 droeg lord Minto, gouverneur-generaal van Britsch-Indië, hem op, zich in verbinding te stellen met de maleische vorsten op Sumatra en Java. In 1811, op het oogenblik dat admiraal Stapford op Malakka een expeditie naar Batavia voorbereidde, onderhandelde Raffles met den sultan van Palembang, de radja’s van Bali en Lombok en den regent van Madoera. De nederlaag van ’t fransch-hollandsche leger werd kort daarna gevolgd door de onderwerping aan Engeland van alle inlandsche vorsten.

Benoemd tot luitenant-gouverneur van Java, begon Raffles het land te organiseeren. Hij ging langs nieuwe wegen met een energie en een ijver, die verwonderlijk waren, en zette het werk voort, dat door Daendels was begonnen. Den 24sten Mei 1814 werd hij als door een bliksemslag getroffen; de val van het keizerrijk in Frankrijk gaf aan Nederland zijn onafhankelijkheid terug, en Engeland gaf aan het nieuwe koninkrijk alle koloniën weer, die het op 1 Januari 1803 in bezit had gehad, behalve Kaap de Goede Hoop en Demerary. De terugkeer van Napoleon van Elba deed op onverwachte wijze Raffles’ moed herleven. Hij richtte tot de engelsche Indische Compagnie een vurige smeekbede, trachtte aan te toonen, welke rijkdommen men uit den heerlijken bodem van Insulinde halen kon; maar ’t was te vergeefs. Hij moest buigen en met een bloedend hart het door hem voor zijn vaderland gewonnen terrein opgeven.

Toch deed Raffles nog geen afstand van zijn droom. Benkoelen en Padang waren bezet geweest van 1796 af, en Raffles weigerde die terug te geven. Het gansche zuidelijke deel van Sumatra was nog niet in handen van de Nederlanders of behoorde hun ten minste slechts in naam. Nauwelijks op 40 K.M. afstands van Benkoelen begon het dal der Moesi. Van Kepahang tot aan de Bankastraat strekte zich een prachtig net van waterwegen uit, dat bevaarbaar was en rechtstreeks door het koninkrijk Palembang de tallooze booten met specerijen, tambangangs en bidars met acht roeiers, en pantolans met dertig roeiers kon vervoeren. Reeds in 1811 was de radja van Palembang tegen de Hollanders opgestaan; drie jaren lang had ook Engeland zonder vrucht gestreden tegen het rebellenhoofd Mahmoed Badder Eddin. Nu zouden de rollen omgekeerd worden, Raffles zou, als hij te Benkoelen gevestigd was, in ’t geheim de opstandelingen kunnen steunen. De Hollanders zouden een oorlog moede worden, die maar niet wilde eindigen. Misschien zou men tot een overeenkomst besluiten, waarbij Engeland een vergoeding krijgen kon voor het verlies van Java.

Het had niet veel gescheeld, of het plan van Raffles zou geslaagd zijn. In Juni 1819 viel Badder Eddin Palembang aan, en het garnizoen ontkwam slechts aan een uitmoording, door zich overhaast in te schepen. Twee expedities werden uitgerust van Batavia uit, maar leden een nederlaag tegen de versterkingen, op ’t eiland Gambora opgericht. De oproerlingen zonden tegen de hollandsche vloot veel rakit api uit, vlotten, beladen met ontvlambare stoffen, en de oorlogsschepen stieten op de versperringen, in de rivier aangebracht. Om Palembang te hernemen, moest men een vloot van 118 schepen uitrusten en vierhonderd vuurmonden op de kust richten. Ondanks de onderwerping van Badder Eddin brak de opstand weldra weder uit; maar in 1824 werd een nieuw verdrag tusschen Engeland en Nederland gesloten. Het laatste land herkreeg Benkoelen en Padang en deed afstand van Malakka en van zijn laatste bezittingen in Voor-Indië. Voor de tweede maal vielen de plannen van Raffles in duigen; de onbuigbare man scheen bestemd, om wreed door het lot te worden behandeld. Toch is niet alles weg van wat hij heeft willen in het leven roepen; in de maand Februari 1819 had Raffles op een eilandje, dat bij het sultanaat Johore behoorde, de engelsche vlag geplant op de moskee van Singapore.

Aan al die dingen denk ik vóór de wallen van ’t fort Marlborough, waar nederlandsche soldaten mij wantrouwig aanzien. Op het strand zijn chineesche koelies bezig, waren te lossen. De zee is laag; de sloepen zitten op eenigen afstand van den wal vast, en de arbeiders, tot het middel in het water, nemen bij het werk een gedwongen bad. Maleiers zien, in gehurkte houding, onverschillig naar de gele heeren, die het zich druk maken en voorzichtig de zware kisten sjouwen. Zij zijn vrije mannen, en zoo’n slavenbestaan schijnt hun verachtelijk. Op den oever dringt een dichte menigte samen. Een jonge, te Padang wonende Chinees heeft zich van hier een vrouw gehaald, en de bruiloftstoet doet hun uitgeleide. De vrouwen dragen een kleeding, half chineesch en half maleisch, met een overvloed van groote sieraden, en de mannen pronken in alpacajasjes en vilthoeden. Uiterst voorzichtig neemt het paartje plaats in onze sloep en parasols en zakdoeken worden ten afscheid gewuifd. De jonge vrouw, met haar gepoederd gezichtje, lange fijne wimpers en geverfde lippen, neemt met een gedwongen glimlachje de goede wenschen in ontvangst.

Tot Padang gaat de Speelman vrij dicht langs de kust. Prachtige bergen rijzen kloek omhoog, en hoe dichter wij bij Padang komen, des te smaller wordt het strand, waar boschjes groen de dorpen aanwijzen. De hooge Barisanketen is als een wal, die uit zee zich verheft. Zij zendt naar het strand steile uitloopers, roode rotsen, met groen bekleed en plotseling afdalend in de golven. Hier en daar treedt de berg achteruit en laat een blauwe, bochtige baai vrij, en men ziet het estuarium met de zandige landtong en de stille lagune; reeksen palmen wuiven in den wind, en de soepele bladeren glinsteren in de zon. Mooi wisselen de tinten in het landschap van het blauw der zee tot dat des hemels.

Eerst komen bamboeboschjes en kokospalmen, dan groote boomen met hun donker loof en de groote brokken geheimzinnige schaduw; het gordijn, door ’t bosch gevormd, waarachter een zware violette tint zich uitbreidt. Het land lijkt wonderschoon, en de ongeloofelijke groeikracht der natuur trekt den Europeaan bijzonder sterk. De natuur, die ons zulke tooneelen te zien geeft, oefent een onweerstaanbare bekoring uit. Ik kan mij voorstellen, dat in zulk een land ’t bestaan van dichter of van wijsgeer in een voortdurenden toestand van contemplatie kan verloopen; dat pantheïsme ten grondslag ligt aan al de godsdiensten en dat men dan als ’t eind van alles en als hoogste belooning gaat beschouwen de oplossing in het niet.

Wij zijn niet ontscheept te Padang, maar in Emmahaven, in een ronde baai die wijd naar ’t Zuiden open is en naar het Westen door een uitlooper van het gebergte wordt beschut. Op de plaats, waar nu de lange kaden liggen, zag men weinige jaren geleden niets dan een moeras met wortelboomen en pandanuspalmen. Lichte, gele en witte vlekken ziet men op de hellingen; dat zijn de steengroeven, en noordwaarts laat een opening den spoorweg door. Een hoog gebouw van ijzer steekt met scherpe lijnen tegen de lucht af en strekt tot boven de zee een langen arm uit, alsof die bij een reuzenbalans behoorde. Daar gaan de treinen over, getrokken door kleine locomotieven, en door lange kokers van plaatijzer worden dan de schepen er beneden gevuld met steenkool te midden van een dicht, zwart stof.

Enkele minuten sporens hebben ons in Padang gebracht. Is dit een stad? Zeker, en nog wel de belangrijkste van Sumatra, maar hoe verschillend is zij van wat wij gewoon zijn. Evenals Batavia is het een park vol lange lanen. De huizen zijn van hout, staan op palen en worden met riet gedekt. Maar ze zijn geriefelijk en niet al te warm. De lucht blaast er vrij doorheen onder het hooge dak; de zon, door een bladerdak teruggehouden, schijnt niet al te fel op den met dicht gras begroeiden grond. Aan zee ziet men de bloemperken van een engelschen tuin.

De niet zeer diepe rivier van Padang loopt langs de chineesche wijk; de lichte bootjes kunnen er varen, terwijl de wind de bruine zeilen bolt. Zij leggen aan en brengen vruchten, hout en visch. Zij wagen zich op zee ook langs de gevaarlijke kust, terwijl de zwaarbeladen schuiten stroomaf worden geboomd in het riviertje. Een kleine heuvel aan de kust is de Apenberg, waar aan den mond van de rivier veel schepen dansen op de golven.

Maleische watermolen in Midden-Sumatra.
Maleische watermolen in Midden-Sumatra.

Maleische watermolen in Midden-Sumatra.

Den 16den April vertrokken wij naar het binnenland, de Padangsche Bovenlanden. Twee wegen leiden erheen, één recht naar ’t Oosten over den Soebangpas en naar ’t Singkarameer, en een andere, die eerst langs de kust gaat, dan het dal der Anei volgt en uitkomt te Padang-Pandjang. De spoorweg volgt die tweede route en wij gingen dien op de heenreis.

De trein gaat eerst 40 K.M. lang door een vlak land, waar groote rivieren stroomen, de zee is dichtbij, en men kan haar zien door openingen van het dichte gordijn van boomen. Weldra naderen wij de bergen en rijden langs hooge rotsen van donkere kleur. De dorpen liggen alle dicht aan de rivier, en de vlakke uitgestrektheid der onder water gezette rijstvelden weerkaatst de ronde bergtoppen en het woud, dat zij dragen. Evenals op den dag van onze aankomst worden we verrukt door de weelderigheid van den plantengroei. Er is een eindelooze verscheidenheid van vormen en kleuren.

De slanke, bewegelijke stam en de elegante pluim van den kokospalm wisselen af met sagopalmen, arengpalmen, en het fijne, lichte kantwerk van de bamboeboschjes. Tusschen de groote, satijnzachte bananenbladeren ziet men honderden onbekende boomen met lichte of donkere, doffe en glanzende, groote en kleine bladeren. Daar hecht het bosch zich aan de hellingen met rechte en bochtige stammen, kolossen met uitgespreide bladeren en reuzenwortels, geplant in de weerspannige rots, als wonderlijke krabben grijpend, en lianen, als slingers afhangend en alles omstrikkend.

Aan den voet der rotsen in ’t moeras staan waterplanten en in ’t bosch overheerschen de varens en mossen, tegen takken en stammen hun bleeke tinten spreidend, terwijl orchideeën leven op de hen voedende schorslaag. Tallooze parasieten ziet men er; iedere plant heeft haar eigen woekerplanten, van welke ieder weer de voedster is van een andere.

Inboorlingen van het eiland Engano, die zakken copra tegen rijst inwisselen.
Inboorlingen van het eiland Engano, die zakken copra tegen rijst inwisselen.

Inboorlingen van het eiland Engano, die zakken copra tegen rijst inwisselen.

Zoo’n dichte plantengroei bezet geheel Sumatra en vormt om ’t eiland als een gordel van leven. Daarin snijden de rivieren diepe groeven, ’t Verraderlijke water ondermijnt de rotsen, want elke druppel werkt aan die taak, en op den tijd der hevige regens, storten er groote watervallen neer van de hooge plateaux in wolken van schuim, omhoog en weer omhoog springend; zilveren linten hangen langs de hellingen en in de spleten en kloven, verdwijnen hier en komen daar weer te voorschijn. De berg stort bij stukjes en beetjes in; brokken van bosschen hangen scheef op de hellingen, en reuzenboomen vallen om met donderend geweld, terwijl het water vroolijk zich voortspoedt met de overblijfselen, ze opneemt en weer liggen laat, om ze daarna weer op te nemen. En te midden der ruïnen van een bosch gaan de verborgen zaden opnieuw ontkiemen, op den bij uitstek vruchtbaren grond ontstaat een nieuwe boschvegetatie, en ’t woud zal alle sporen van de afschuiving bedekken, zooals de rivier weer in het dieper wordend bed zal vloeien tusschen muren van groen.

Zoo heeft zich ook de Anei een weg gebaand, en de spoorweg maakt van zijn dal gebruik. Men komt even voorbij Kajoetanam in de Kloof. De tandradspoorweg knarst tegen de hoogte op, en de locomotief rookt en blaast met luid geraas. Zij bevindt zich achter aan den trein, dien zij vooruit duwt, en van ’t balkon van den wagen zien we den kronkelenden weg vóór ons. De lenige rivier slingert en kronkelt van den eenen kant naar den anderen door het smalle dal. Het heldere, schitterende water liefkoost vele steenen en vloeit met zangerige muziek al voort, tot het plotseling bij eenig beletsel, dat in den weg komt, hoog opbruist en zich onderdoor een uitweg baant. Watervallen storten van de rotsen, dertig of veertig meter boven ons hoofd, en de wind zendt ons het fijn verdeelde water als stof toe. De spoorweg gaat eenige malen over den stroom, dan ziet men onder den trein het witte schuim, en bij elke nieuwe bocht verandert het prachtige landschap. Het eerste station binnen de Kloof bestaat uit twee of drie huisjes tusschen palmen en bananen. Een andere halte staat tusschen steile wanden ingesloten als in een put, en men vraagt zich af, hoe men erbinnen is gekomen en hoe men er weer uit zal raken. Dan komen bruggen en een kleine tunnel en altijd het bruisen van den stroom en de wirwar van boomen, die zich buigen over ’t water. De zon werpt op de natte bladeren glansen als van metaal en doet de schuimwolken fonkelen.

Hier en daar zijn de sporen te zien der woede van de Anei. Instortingen en resten van bruggen, door den stroom meegesleept en andere bewijzen, dat de stroom ’t geduld werk van de menschen in één slag vernielde. Een jaar na de inwijding van de lijn waren de nadeelen, door een plotselinge overstrooming teweeggebracht, zoo ernstig, dat de herstellingen een som van ƒ 600 000 eischten. Ik heb te Padang photografieën gezien, genomen op den morgen na de ramp. Zij zouden elken europeeschen ingenieur van schrik ontzet doen staan. De weg is meegesleurd over honderden meters lengte; de berg is onder de lijn weggegleden tot in de bedding der rivier. Rails en dwarsliggers hangen scheef of overdekken nog leêge ruimten en afgronden, stations in puin en afgebroken bruggen, zoo ziet het er uit. Men is heel spoedig aan het werk der herstelling begonnen, en al is men den stroom niet gansch en al meester geworden, men heeft in zekere mate zich toch weten te beveiligen tegen zijn kuren.

Het rijden door de Kloof gaat langzaam. Van Kajoetanam tot Padang-Pandjang is de afstand slechts 15 K.M.; maar de weg gaat omhoog en stijgt zelfs 640 meter op dat korte traject. Het wordt al gauw koeler, en op open plekken in het bosch zien we dorpen. Wij rijden over de Anei een laatste maal over een hooge brug met bogen; de hellingen worden minder steil; plantages liggen aan de lijn en wij zijn te Padang-Pandjang.

Dat is een stadje, op een smallen bergkam, die juist de waterscheiding is tusschen de beide hellingen van Sumatra. In vogelvlucht zijn we niet meer dan 30 K.M. van de kust en nog op den rand van het plateau. Eigenlijk is die naam plateau of hoogvlakte hier niet juist. De Bovenlanden hebben een onregelmatige oppervlakte, sterk golvend en doorsneden door diepe dalen, waarnaast zich hooge toppen verheffen. Drie mooie bergen heeft men boven Padang-Pandjang, den Tandekat en den Singgalang in het Westen, den Merapi in het Noordoosten. Het klimaat zou hier op dit plekje volmaakt zijn, als het niet zoo verbazend veel regende. De morgens zijn zeer mooi; maar van negen uur af komen nevels op en vereenigen zich alle in de Anei-kloof. Zij kruipen tegen de helling der bergen op en onttrekken langzamerhand alles aan het oog, ook de zee, die men nog even te voren in de verte zag glinsteren. De massa wordt zwaarder, en weldra rust een zware deken op het land, die tegen den middag zich in stroomen van regen oplost. Het duurt niet zoo heel lang; maar de zon vertoont zich niet weer, en in het grijze licht biedt de landstreek met haar afgeronde vormen en ’t eentonig groen der weiden en der bosschen een vervelend en eenvormig schouwspel aan. Ik zou bijna vergeten, dat ik mij op Sumatra bevind, als ik niet vóór mij te midden van palmen en bamboes de maleische huizen zag met hun zoo karakteristieke daken.

Die huizen staan op hooge palen; ze zijn gemaakt van hout en bamboes en aan elke punt zijn de randen opgewipt, zooals de voor- en achtersteven van een schip. Ze zijn gekroond met een gebogen dak, dat twee hooge, scherpe punten naar den hemel richt als reuzenhorens. In den voorgevel zijn vensters zonder luiken en vóór de deur is een klein afdak, op licht houtwerk rustend. De muren zijn wit of rood gekalkt en dragen zwarte teekeningen en ruwe ornamenten, versieringen van stukken glas of koper. Aan elke zijde van het hoofdgebouw staan lagere bijgebouwen, symmetrisch tegenover elkander en alle op dezelfde wijze gebouwd, terwijl het lagere dak onder het hoogere wegschuilt als de eene schub onder de andere. In de buurt staan ook nog de rijstschuren, dat zijn kleine vierkante gebouwtjes op palen en met een dak als dat der huizen.

Van Padang-Pandjang af ziet men overal die aardige huizen met hun torens. Wij hebben er ons slechts eenige uren opgehouden en vertrokken weer na het déjeûner. De weg blijft voortdurend stijgen. Zij rijst tot 1154 M., om den pas over te gaan, die den Singgalang en den Merapi scheidt. Rechts van ons daalt de bodem snel, en in de diepte strekt zich het meer van Singkara uit, door nevels omsloten.

Van Kota Baroe af dalen wij weer naar Fort de Kock, dat wij tegen vijf uur bereiken. Het regent en wij kunnen niet anders dan een schuilplaats zoeken in het hôtel. Men is er niet naar wensch gelogeerd. Ook waren nu de prettigste kamers bezet en wij werden ondergebracht in een bijgebouw, dat vergiftigd was door ratten. Den heelen nacht maakten de beesten een helsch spektakel. Wolken muggen gonsden in dit paradijs, dat een ver van liefelijken indruk op mij maakte.

Den volgenden morgen al vroeg zetten wij onzen tocht voort naar Pajacombo. Wij gingen voorloopig maar eens op verkenning uit en wilden later hierheen terugkeeren, om meer in ’t bijzonder de détails te bestudeeren van de vragen, die ons interesseeren. Wij gaan eerst over een plateau, dat zich naar het Oosten uitstrekt in zachte hellingen. Het land is bewonderenswaardig goed bebouwd, en de rijstvelden strekken zich uit tot op de zijden van den Merapi. Daarachter verrijst de Singgalang; van boven is de berg met bosch bedekt; maar aan den voet en tot halverhoogte volgen dorpen en plantages elkaâr op. Op een deel van het traject volgde de spoor den gewonen weg; de rails en de tandraderen liepen langs een der zijden, en wij passeerden heele rijen inlanders met ossenkarretjes, op weg naar de markt.

Daarna daalden we in een rechte lijn, 7 K.M. lang, een geleidelijke helling, zonder twijfel in overoude tijden ontstaan bij een geweldige lava-uitstorting. Links en rechts hebben steile kalkbergen en zandsteenrotsen den nu vastgelegden stroom beteugeld. Zwarte brokken steen lagen overal verspreid. Aan den voet dier helling zagen we een smallen doorgang tusschen twee rotsen, en deze brachten ons in de vlakte van Pajacombo.

Wij gingen naar die plaats, om er den assistent-resident te spreken en met zijn hulp een programma samen te stellen voor onze reis. Toen ons bezoek was afgeloopen, hebben wij dadelijk weer den trein genomen en zijn naar Padang-Pandjang teruggekeerd. Op die plaats splitst zich de spoorweg, en een tak gaat naar Solok en van daar naar de kolenmijnen van Sawah-Loento. Die waren het hoofddoel van ons eerste uitstapje. De trein daalt langzaam langs een zeer steile helling; aan de stations wachten kolentreinen, die op hun beurt op den weg worden gebracht en met moeite door zware locomotieven worden gesleept.

Beneden lag het mooie dal der Soempoer, vol dorpen en rijstvelden. Links van ons liep het terrein geregeld omhoog, doorsneden met diepe kloven, en tot zoo ver het oog reikt zien we koffie, aangeplant rondom de woningen. De regen, de hardnekkige regen, is weer begonnen; de wolken kruipen tegen den Merapi op en een dichte sluier overdekt de rijstvelden, omhult en verbergt den top der bergen. Nu rijden wij langs het meer van Singkara. De groote watermassa ligt daar onbewegelijk in een somber en eentonig licht. De regen houdt op; maar de mist wischt alle omtrekken uit, en ’t landschap, dat onder een helderen zonneschijn er opgewekt en vroolijk moet uitzien, schijnt ingeslapen, somber en doodsch als een noordelijk landschap in den nevel.

De hoogten rondom het meer laten tusschen hun voet en het meer slechts een smalle ruimte over; krachtige waterstroomen hebben de rotswanden uitgehouwen, en een eindelooze menigte kloven vertakken zich in allerlei richtingen. Wat door het water van de bergen meegevoerd is, hoopt zich op tot reuzenkegels van puin, kegels, die 50 of 60 M. hoog worden en zich langzaam verplaatsen. Bij iedere regenbui komt er een stroom van zand en steenen neer tot op den spoorweg en bedekt dien soms geheel. Een lage brug is over de Ombilienrivier gelegd bij den uitgang van het meer. Het prachtige water is onvergelijkelijk helder, blauw als saffieren en volkomen rein. Zwarte rotsen verheffen zich en bij hun aanraking gaan de golven hoog; de gansche oppervlakte van het meer plooit zich en krijgt metaalglansen met veranderlijken weerschijn. Aan het uiteinde van het meer komen we in een dal met vlakken bodem en gaan dan, ongemerkt weer stijgend, naar Solok.

Oudtijds strekte het meer zich uit tot daar. Het had zijn afvloeiing over de terreinplooi, die even boven het stadje merkbaar is, en het water stroomde weg door de Lassi, voordat nog eenige schok of ’t geregelde werk der erosie later de bres had gemaakt of langzaam die had uitgehold, waar nu de Ombilienrivier zich voordoet. Tegenwoordig is de Lassi niet meer dan een helder beekje, kronkelend in een bochtig dal, waar afgeronde heuvels aan de kanten staan, met aanplantingen bezet; die er een gestreept aanzien aan geven.

Dorpen liggen aan de oevers te midden van weelderigen plantengroei, en rijstvelden vormen er reuzentrappen tegen de bergen op. Hoog boven steken kalkbergen ’t hoofd omhoog, bedekt met struikgewas. Aan alle kanten springen watervallen, hier en daar zich vereenigend tot kleine meertjes, om dan weer voort te stroomen in een smalle bedding en vervolgens met donderend geraas naar beneden te storten.

Wij hebben te Solok gelogeerd en zijn in den vroegen morgen weer vertrokken. Enkele kilometers ver dalen we langs de Lassi, maar dan gaat de weg weer omhoog, een nauwe kloof opent zich, wordt nauwer, en een tunnel, 800 à 900 M. lang, is door den berg gegraven. Zoo komen wij in het dal van Sawah Loento.

De steenkoollagen breiden zich over een zeer groote oppervlakte uit, en het dal van de Ombilienrivier loopt er in zijn geheele lengte door. Alleen het zuidelijk gedeelte wordt geëxploiteerd. De kool ligt een honderdtal meters boven de bedding der Loento in drie evenwijdige lagen, waarvan de laagste 6 à 8 M. dik is. Er wordt gewerkt in galerijen, en de steenkool, uit de mijn gehaald, wordt eerst op een Decauvillespoor gebracht in wagentjes, door buffels getrokken, tot op een afstand van ongeveer 1500 M., naar de loods, om te worden geschift. Daarna gaat zij rechtstreeks in de waggons, waarin het vervoer naar Emmahaven plaats heeft.

Wij stijgen met moeite langs het smalle, naar de mijn voerende pad. Boven bedekken plassen zwart slijk den grond, en de buffels, die de wagentjes trekken, plassen er met genoegen in rond. Zij staan bij onzen aanblik stil, verschrikt en dom uit hun oogen starend. Hun kop is gebogen en spoedig hervatten zij den langzamen gang, terwijl de breede pooten, zwaar op den grond gezet, het slijkerige water doen opspatten.

Wij hebben een tochtje door de mijn gedaan tusschen de schitterend zwarte wanden. Het was in de gangen verstikkend heet ondanks de ventilatoren, en wij waren blij; toen we het daglicht terugzagen. De mijnwerkers, meest Chineezen en Maleiers, werken stil voort. De meeste Maleiers zijn dwangarbeiders, en het zware werk, waaraan ze niet gewend zijn, valt hun zwaar. Zij verlangen naar de zon en de wijde velden. De andere, de Chineezen, in stukwerk betaald, doen hun best bij den lucratieven arbeid. De loodsen, waar de werklieden wonen, liggen op den linkeroever van de Loento. De dwangarbeiders werken onder toezicht van opzichters, die zelf ook tot de veroordeelden behooren, maar wier overwicht door allen wordt erkend. Daarbij zijn de arme drommels van werklui niet moeilijk te leiden; de ballingschap, waartoe ze zijn veroordeeld, dooft hun energie, en de koorts, die in dit weinig bebouwde dal veel voorkomt, sloopt hun krachten ondanks de zorg voor de hygiëne, en slechts een enkele maal heeft er eens een vechtpartij plaats, die meestal met een misdaad eindigt.

Groote drukte heerscht er op de terreinen der maatschappij. Ofschoon de kool van vrij slechte hoedanigheid is, vermeerderen de productie en de verkoop met elken dag. Tegenwoordig bereikt de hoeveelheid, die gewonnen wordt, per maand 18 000 ton en bijna 3000 mijnwerkers vinden werk in de mijnen. Die laatste behooren aan den staat, en deze exploiteert tevens den spoorweg, terwijl een ingenieur belast is met het toezicht op de werkzaamheden en op de werken in de Emmahaven. Wij zijn te Sawah Loento 156 K.M. van de haven verwijderd; in vogelvlucht bedraagt de afstand echter niet meer dan 58 K.M. Ook had men eerst gedacht, Solok rechtstreeks met Padang te verbinden door den Soebangpas; maar men heeft er de voorkeur aan gegeven, langs Padang-Padjang te gaan, om zoodoende tegelijk de streek van Fort de Kock en Pajacombo te helpen. Na ons bezoek aan de mijn, zijn wij naar Solok teruggegaan, om er te logeeren.

Moskee en woningen aan den voet van den Singgalang.
Moskee en woningen aan den voet van den Singgalang.

Moskee en woningen aan den voet van den Singgalang.

Solok is geen stad, maar een groot dorp; het land eromheen is nog weinig bebouwd, en de beschaving heeft er nog niet haar taak verricht, zooals op Java. De wilde dieren zijn er nog niet verdwenen; wij zagen in de societeit een jongen tijger, die twee dagen te voren gevangen was. Hij is achter in den tuin in een zware kooi geplaatst, en zoodra hij ons ziet, werpt hij zich met een enkelen sprong naar voren tegen de tralies en ontvangt ons dus op zijn gewone vriendelijke manier. De honger en de opium hebben hem nog niet veranderd in den grooten, kalmen lobbes, dien men weldra in den een of anderen europeeschen dierentuin zal bewonderen. Hij is lenig, en zenuwachtig rekt hij zijn spieren; de oogen vlammen en de lip wordt opgetrokken, terwijl een dof gebrul uit den open muil komt, en de neusgaten trillen van begeerte bij den reuk van het levend menschenvleesch, dat de klauwen zouden willen verscheuren.

Illustration from Van Batavia naar Atjeh, dwars door Sumatra De Aarde en haar Volken, 1904
Dorp tusschen fort Van der Capellen en Pajacombo.
Dorp tusschen fort Van der Capellen en Pajacombo.

Dorp tusschen fort Van der Capellen en Pajacombo.

Wij hebben acht dagen in de Padangsche Bovenlanden doorgebracht en zijn nu gereed om te vertrekken. Na ons eerste uitstapje zijn wij te Padang slechts één dag gebleven. Het is er niet vroolijk, ten minste niet voor vreemdelingen. De beide hôtels, het Atjeh- en ’t Oranjehôtel, zijn ellendige hokken, waar alle comfort ontbreekt en de keuken armzalig is.

Wij waren afgestapt in het Atjehhôtel. Een groot vierkant gebouw op hooge palen staat midden op een met boomen beplant plein. Een reuzenveranda, met wat tafels en schommelstoelen neemt het vóórgedeelte in. De eetzaal is aan de andere zijde en een gang leidt erheen, waar de kamers op uitkomen. Aan een der zijden van het plein staat een langgerekt gebouw met smalle kamertjes; daar logeeren wij. De wanden en de beschotten zijn van hout en dus dringt de warmte overal door, terwijl men de stemmen van het eene eind tot het andere kan hooren. De ratten wandelen er rond en schijnen verlekkerd op het leder van mijn laarzen en het linnen onzer kleeding. Den geheelen dag is het hôtel doodstil en als ingedut. Alleen tegen vijf uur komt er eenige beweging. Ieder stapt in nonchalant costuum langzaam de steile trappen af en begeeft zich naar de badkamers. Het is een belachelijke optocht. De mannen dragen een korte, witte jas en een wijde broek van javaansche stof met groote, zwarte teekeningen op bruinen of blauwen grond. De vrouwen zijn gedrapeerd in veelkleurige sarongs, die in oprechtheid de vormen weergeven en laten zich door hun echtvriend naar de badkamer geleiden. Hij draagt den handdoek voor haar en ziet met welgevallen op haar neer.

Maar zulke tooneeltjes waren niet voldoende om ons te Padang terug te houden, en wij voltooiden haastig onze toebereidselen voor het vertrek. Wij hebben besloten, hier niet terug te komen. Wij willen naar Deli en Atjeh gaan; doch wij zouden niet anders kunnen nemen dan de boot van 10 Mei, en dus geven we er de voorkeur aan, onze reis recht naar het Oosten te vervolgen en zoo te Bengkalis uit te komen aan de oostkust van Sumatra.

Wij zijn den 21 sten April uit Padang vertrokken en kwamen op den middag te Fort de Kock. Dat is de hoofdstad van de Bovenlanden, en het grootste gedeelte van de troepen is er in garnizoen. De stad is midden in een kom gebouwd, een laagte, eertijds door een meer gevuld; in ’t Westen, Zuiden en Noorden sluiten hooge bergen den horizon af. Naar het Oosten daarentegen scheidt een lichte golving in het terrein het bekken van de Masang van dat der Sinamar en der vlakte van Pajacombo.

De vruchtbare grond bestaat uit betrekkelijk jongen, zachten zandsteen, waar de beken diepe gleuven in uithollen, en vooral naar het Noorden ziet men overal groote kloven met steile wanden. In ’t begin van de vorige eeuw bedekten nog dichte wouden de bergen en de zijden van de dalen, en dit land was meer dan eenig ander gunstig gelegen voor den wreeden guerilla-oorlog met zijn hinderlagen en zijn verraad, die hier zoo langen tijd heeft gewoed.

De bewoners der Bovenlanden zijn Maleiers. In verren legendarischen tijd kwamen zij over de straat van Malakka, voeren de rivieren op en stichtten over het geheele eiland een oneindige menigte koninkrijkjes, die door de moeilijkheden van het terrein en de bezwaren van ’t verkeer ieder op zichzelf bleven staan. Hier heerschten langen tijd de vorsten van Menangkabau. Hun bestuur was nooit dat van een geweldenaar en de oude staatsinrichting is nog niet verdwenen. De inboorlingen vormen verschillende stammen, ieder met zijn eigen hoofd, wien een raad ter zijde staat. De stammen sluiten zich aaneen tot een gemeenschap, en die kleine confederaties worden aangeduid met het aantal der dorpen, die ertoe behooren. Zoo heeft men de 50 Kota’s, de 12 Kota’s, de 5 Kota’s. Die kleine staten worden bestuurd òf door een radjah òf door een Raad, waarin de invloedrijke hoofden der verschillende stammen zitting hebben. Elke stam beheert nauwgezet zijn eigen rijkdommen en tracht die te behouden. Deze Maleiers leven onder het stelsel van het matriarchaat, en geen man mag een vrouw nemen van buiten het gebied zijner Kota; de kinderen behooren aan de moeder en moeten hare goederen erven. Als een man zijn dorp verlaat, behooren zijn bezittingen aan de kinderen zijner zuster.

De Islam is de eenige godsdienst; maar de Maleiers zijn geen dwepers. De godsdienstoorlogen hebben intusschen ’t land niet gespaard. In 1803 gaven drie uit Mekka teruggekeerde hadji’s voor, dat zij op Sumatra de heilige leer in haar oorspronkelijke zuiverheid moesten herstellen. Spoedig verzamelden zij om zich de geloovigen, die zij door woorden en beloften voor zich wisten te winnen. Zij droegen witte kleederen, zooals vroeger de portugeesche zendelingen van Malakka droegen, en het volk gaf hun den naam van Padri’s of Orang poetih, d.i. witte menschen. Binnen weinige jaren hadden ze een leger van aanhangers gevormd, en een hunner hoofden begon als Mohammed met het zwaard het geloof uit te breiden. De vorsten van Menangkabau werden vermoord; Bondjol werd de heilige stad, en de zegevierende Padri’s waren meester van de geheele Bovenlanden. In 1820 kwamen eenige maleische hoofden te Padang de bescherming der nederlandsche troepen tegen de Padri’s vragen, en toen begon een bloedige strijd, die bijna dertig jaren heeft geduurd.

Gedurende die periode bepaalden zich de vijandelijkheden tot een vrij beperkt gebied rondom Padang-Pandjang, Fort van der Capellen, Fort de Kock, Bondjol en Rau. ’t Zou moeilijk zijn, de geschiedenis van dien tijd te boek te stellen. Er viel niet een leger te overwinnen, maar een geheel volk; soldaten kwamen als uit den grond op. De dorpen waren vestingen met hooge verschansingen en ondoordringbare heiningen van doornstruiken en toegespitste bamboeversperringen. Tusschen de verschillende dorpen vond men dikwijls lange reeksen van afsluitingen; op bepaalde afstanden waren palissadeeringen aangebracht en scherpe randjoes staken overal uit den grond op.

Diepe kuilen lagen veelal vóór zulke versperringen en deden zich plotseling voor in verschillende hoeken van het gevechtsterrein. Achter heiningen scholen de Padri’s en richtten van daar door lange bamboekokers hun geweren op de vijanden. Het gansche vernuftige verdedigingssysteem, dat de zeeroovers uit Indo-China tegen ons, Franschen, hebben gebruikt, was misschien een erfdeel van hun annamitische voorouders, dat dezen ontleend hadden aan de maleische overweldigers uit de achtste eeuw.

De tallooze episoden uit den Padri-oorlog gelijken zeer veel op elkander, ’t Zijn altijd vermoeiende marschen en verkenningstochten, een plotselinge aanval uit een hinderlaag, bestormingen van stellingen, die met de artillerie van dien tijd niet te nemen waren en die men in een bloedig gevecht van man tegen man moest vermeesteren. De overwonnen vijand vluchtte, verscheen weer en bleek onvermoeibaar. Dan weer volgde een periode van rust, die op vrede scheen te zullen uitloopen, en de Maleiers keerden tot hun rijstvelden terug.

Intusschen deden geheimzinnige woorden en spreuken de ronde; er werden verraderlijke plannen gemaakt, en opnieuw weerklonk de oproep tot den oorlog. In een oogwenk stond alles weer in vuur en vlam.

Op het eind van 1832 scheen alles afgeloopen. De in het dal van Bondjol gevestigde posten en die bij Rau schenen voldoende te zijn om de verdragen te doen eerbiedigen, zooals ze met de maleische vorsten gesloten waren. Eenige maanden gaan voorbij, en plotseling verspreidt zich het gerucht, dat eenige soldaten, die uit Bondjol waren vertrokken, verdwenen waren.

De gouverneur der Bovenlanden begeeft zich naar Pisang, 20 K.M. ten noorden van Fort-de-Kock, om een onderzoek in te stellen. Bij zijn nadering nemen de bewoners de vlucht. In den nacht zien de soldaten aan alle zijden op de hoogten vuren ontsteken; het zijn signalen, die van ’t eene punt naar het andere worden overgebracht. Des morgens ging een vreeselijke tijding rond; de post van Bondjol en die van Loeboe Sikaping zijn verwoest en de beide garnizoenen vermoord. Rondom de kleine colonne rijzen plotseling ontelbare vijanden op, en de kolonel moest stap voor stap van Pisang tot Agam een gedenkwaardigen terugtocht doen uitvoeren, waarbij van de 110 man 71 op het terrein bleven.

De kommandant van het fort Amerongen, kapitein Engelbert, naar Priaman geroepen, had zonder argwaan zich op weg begeven. In de dorpen vroeg hij levensmiddelen en dragers. De onbewegelijke gezichten van de bewoners gaven in ’t geheel geen vijandige gezindheid te kennen. In één dorp weigerden echter de notabelen koelies te leveren; zij gaven Engelbert den raad, naar Loeboe Sikapin te gaan, waar hij ze zeker wel zou kunnen krijgen. Hij haast zich erheen; de post ligt in puin, en de grond is overdekt met verminkte lijken. Engelbert verliest den moed niet. Hij wijkt in de bergen, en acht dagen lang dwaalt hij er met weinige soldaten door de bosschen rond. Dicht bij een dorp wordt hij opgemerkt door een vrouw, die de Padri’s waarschuwt. Een wolk van vijanden gaat op de Europeanenjacht; een woeste bende omringt hem en één voor één vallen verscheiden inlanders. Als door een wonder werd Engelbert niet gewond; de Padri’s deinzen terug, stom van verbazing, hem onkwetsbaar achtend. Zonder dichtbij te durven komen, werpen zij hem uit de verte met steenen en assegaaien, en toen hij eindelijk gewond ineenzinkt, treedt een der hoofden naar voren en doodt hem.

Binnen enkele dagen had de opstand zich over de geheele Bovenlanden uitgebreid; er verliepen meer dan tien jaren, vóór hij voor goed gedempt was. Rondom Fort-de-Kock en in het geheele district van Agam ontmoet men bij elke schrede herinneringen aan vroeger bedreven heldendaden. Bij Padang-Pandjang roept u een monument den heldendood te binnen van de verdedigers van Goengoer Malintang. Het garnizoen van dien post bestond uit een vijftigtal soldaten onder bevel van luitenant Banzer. Het was in het begin van 1833, toen op een morgen bij het aanbreken van den dag een menigte Padri’s, die zich in den nacht verzameld hadden, den post vermeesterden, vóór zelfs nog hunne nadering bemerkt was. Ondanks de verwarring bij zulk een onverwachten overval, was de kleine colonne zoo gelukkig, binnen de vesting zich te verschansen. Alle andere bouwwerken werden in brand gestoken, en de vlammen beletten de Maleiers onmiddellijk tot den aanval over te gaan en dus een beslissing uit te lokken.

Maar de Hollanders waren er slecht aan toe; zij hadden patronen, doch geen levensmiddelen en geen water. Een inlandsch soldaat wilde zich opofferen, door een telegram naar Fort-de-Kock te brengen. Nauwelijks buiten de verschansing, werd hij ontdekt door de opstandelingen; men herkende eenige dagen later zijn verminkt lijk.

Vier dagen lang hield de bezetting tegen alle aanvallen stand. Op den avond van den vijfden dag besloot de commandant, den post op te geven en zich een doortocht te banen. Er waren slechts 33 man meer over, bijna allen gewond, hongerig en, wat den toestand zeer verergerde, vier-en-veertig vrouwen en kinderen waren met de verdedigers van den post opgesloten. Toen de avond gekomen was, verlieten allen hun schuilplaats en waagden zich in de duisternis. Twee dagen later nam een sterke colonne, die hun te hulp gezonden was, de overlevenden in haar armen op, één officier, zeven of acht man en eenige kinderen; de overigen waren in handen gevallen van de Padri’s of waren door tijgers verscheurd. Drie gewonden, te ernstig gekwetst, om hun kameraden te volgen, waren op den post gebleven. Zij heetten Schelling, Marten en Sosmito. Op het oogenblik, toen de zegevierende opstandelingen de vesting binnen gingen, staken de drie helden den brand in het kruit en werden met hun vijanden begraven onder de ruïnen van het fort.

Sedert lang is er een eind gekomen aan dien ruwen oorlog. De Hollanders hebben den overwonnenen geen te zware voorwaarden gesteld. De Maleiers hebben hun instellingen behouden, alsook hun hoofden en hun grond. Ze zijn vrije mannen; dat verkondigen zij luide, en zij spreken Javaansch, maar met minachting in hun stem. De verdragen leggen hun geen andere verplichting op, dan het onderhoud der wegen en het planten van koffie. Zij onderwerpen zich daar gracelijk aan en weten er partij van te trekken.

Het zijn bekwame landbouwers en slimme kooplieden, zóó zelfs, dat de Chineezen niet wagen, met hen in concurrentie te treden. Op marktdagen ziet men lange rijen inboorlingen zich langs de wegen voortspoeden. De mannen hebben een fiere, opgerichte houding en zij slaan den blik niet neer; er spreekt in ’t minst geen nederigheid uit hun wezen, als zij een Europeaan ontmoeten. Enkelen hebben een vogelkooitje in de hand met een doek erover, waaraan zijden eikels hangen. Daarin hebben ze hun kati-tiran, den gelukaanbrengenden vogel van de grootte eener duif, den beschermgeest, in bijna elke woning te vinden. Hij doet de ondernemingen slagen, behoedt de gezinnen voor ziekten en den oogst voor droogte. Zijn deugdelijkheid duurt intusschen niet eeuwig. Na vier jaren verliest hij al zijn macht, en vóór dien fatalen termijn geeft zijn meester hem den dood en beweent hem. Het stoffelijk overschot wordt gebalsemd en in het dak van de woning vastgemaakt boven den huiselijken haard dien hij beschermde, en men haast zich op den volgenden passerdag een anderen goeden genius te koopen.

Die marktdagen zijn altijd in maleische landen dagen van drukte. Er komt dan een woelige, dichte menigte samen. De karren, met buffels of ossen bespannen, blijven op den weg of aan de rivier staan. Onder de groote, veelkleurige parasols zijn schitterende vruchten uitgestald, dan aardewerk, katoenen stoffen, koek en sieraden. Die reuzenvrucht, welker leelijke geur onder de boomen blijft hangen, is de doerian; onder de ruwe, geheel met puntige stekels bezette schil ligt het witte, roomige vruchtvleesch; er behoort moed toe, om ervan te proeven. Een allerdwaaste gril schijnt het van de natuur, dat uitgezocht lekkere, sappige vruchtvleesch te hebben voorzien van dien verschrikkelijken geur. Stoutmoedige lekkerbekken vinden al bij de eerste poging om te proeven, voldoende belooning; ik heb het zoo ver niet kunnen brengen.

Daarnaast liggen manggostans. In den bruinrooden schotel ligt iets, wat op een stuk sneeuw lijkt, en in den mond smelt en vervliegt het fijne, ijskoude goedje, om er een eigenaardigen, geurigen smaak achter te laten. En dan zijn er de zware trossen bananen, de pompelmoezen met de breede sneden, waaruit roze zaden te voorschijn komen, de gebroken kokosnoten, waarin het parelmoer van den inhoud blinkt en de vuurroode spaansche pepers, als stukken glanzig koraal. Onder een boom kijken gehurkte mannen naar kati-tirans, welker groote macht door den koopman luide wordt geprezen. Vrouwen verkoopen vreemde dranken en stukken kleverige waar, die zwart of rood gekleurd is; zij schenken koffie van afgetrokken koffiebladeren, die aan bamboe zijn geregen en waarvan de stukken overal op den grond verspreid liggen. Pakjes lichtbruine tabak, in banaan- of pisangbladeren gewikkeld, worden verkocht en kinderen knippen smalle, dunne reepjes, waarin de rookers hun sigaretten rollen. Op de wegen krioelt het van Maleiers, en velen ziet men met groote apen aan een touw, die gehoorzaam in de hooge kokospalmen klimmen, om de rijpe noten te plukken.

Inboorlingen op weg naar de markt.
Inboorlingen op weg naar de markt.

Inboorlingen op weg naar de markt.

Langzaam bewegen zich de vrouwen door de volte. Zij dragen de lange kabaai en den sarong, met goudgalon afgezet. Op het hoofd hebben ze een grooten tulband of hoofddoek, die opzij breed uitslaat als twee vleugels; de beide einden hangen van achteren neer; een sjerp is op den rechterschouder vastgemaakt en om de borst geslagen, en allen dragen lasten op het opgeheven hoofd. Ze loopen vlug langs de buitenwegen, met hun zware sieraden om de armen en op de borst, dunne, maar talrijke gouden ringen, diademen, oorringen in den vorm van schijven, colliers van bonte kralen, opengewerkte ceintuurs en mooie, vlakke gouden sieraden. Sumatra is het land der kundige goudsmeden, waar Victor Hugo de lamp van Zim Zizim liet versieren. Bij Fort-de-Kock, op de eerste hellingen van den Singgalang, ciseleeren de bewoners van het dorp Kota Gedang geduldig allerlei sieraden; zij maken ook wondermooie stoffen, waarop met filigraanwerk borduursels zijn aangebracht, en hun subtiele kunst vervult de aardige meisjes van dit mooie land met bewondering en begeerte naar ’t bezit.

Vruchtenovervloed op den passar.
Vruchtenovervloed op den passar.

Vruchtenovervloed op den passar.

Fort-de-Kock ligt op 930 M. hoogte en heeft een zeer aangename temperatuur. Toch is de gezondheidstoestand er ver van volmaakt; koortsaanvallen komen veelvuldig voor. De nederlandsche dokters schrijven die toe aan de tallooze muskieten, die rondvliegen boven de plassen der rijstvelden, rondom de stad een reusachtig, kunstmatig moeras vormend. Uit dat oogpunt is Padang-Pandjang, ofschoon veel lager gelegen, veel meer begunstigd. De steilte van de hellingen bevordert er den afloop van het water, en dank zij den overvloedigen en geregeld vallenden regen heeft men er geen groote afwisseling van temperatuur. Ondanks de muggen hebben echter de Europeanen van Fort-de-Kock de gebruinde tint en den veerkrachtigen gang, die op een krachtige gezondheid wijzen.

Het zijn meest menschen met verlof, en er gaan en komen ook veel officieren uit Atjeh. Er is een nog al talrijk garnizoen, en de troepen hebben het er geriefelijk en eenvoudig, met het comfort en de zorg voor een doelmatige leefwijze, die ik reeds op Java heb waargenomen. De kazernen zijn kleine, lage gebouwen, die niets gemeen hebben met de reuzentabernakels, door ons met groote kosten in Saïgon, Hanoï, Dakar en Saint-Louis opgericht. Men is in onze koloniën nog onder den invloed van oude ideeën, die vroeger bij tropische hygiëne den toon aangaven. Men meende toen, dat de moeraskoorts te wijten was aan kiemen, die uit den grond kwamen, en dat men dus de benedenverdiepingen altijd moest bestemmen voor winkels, magazijnen of kantoren, om op de bovenverdiepingen te slapen en te wonen. Tegenwoordig is men het er over eens, dat het overbrengen van de moeraskoortskiemen plaats heeft door een soort van mug, en dat het er weinig toe doet, of men één of vijf meter boven den grond slaapt; men kan in beide gevallen malaria krijgen. Die waarheid schijnt door hollandsche dokters en ingenieurs reeds lang te zijn geraden. Men kan zoowel op Java als op Sumatra de huizen met meer dan één verdieping tellen, en, wat merkwaardig is, juist in de oude wijken van het oude Batavia, die als zeer ongezond te boek staan, en in de thans verlaten straatjes van Samarang en van Soerabaya vindt men nog hooge huizen.

Woning van twee subalterne officieren.
Woning van twee subalterne officieren.

Woning van twee subalterne officieren.

Hier vindt ieder, dat er niets zoo afkeurenswaardig is als zich op te hoopen in de nauwe ruimte van een gemetseld gebouw. Ieder wil vóór alle dingen een eigen huis hebben met lucht en ruimte en een tuin, waarin men kan gaan wandelen, zonder dertig trappen af te gaan en lastige medehuurders te ontmoeten.

De grond kost hier haast niets, en er is geen reden, om alles in de hoogte te bouwen, zooals in de europeesche steden. In Nederlandsch-Indië beslaan de kazernen altijd een groote oppervlakte; zij liggen niet binnen in de steden, zooals te Saïgon of te Hanoï, maar buiten. De zeer talrijke gebouwen zijn gewoonlijk opgericht langs een zacht hellend terrein, dat goed gedraineerd is en doorsneden wordt door diepe geulen van cement, waar steeds overvloedig water door vloeit. Er zijn groote bloemperken, boomgroepen en overvloed van frissche lucht, en achter ieder paviljoen heeft men een voldoend aantal badkamertjes. Die hokjes, waar bij ons zoo weinig werk van wordt gemaakt, worden hier en in de engelsche koloniën als zaken van groote beteekenis beschouwd. Er is geen huis of huisje, hoe klein ook, of het heeft het kamertje, met witgekalkte muren, waar men een gemetselden bak met helder water vindt en een emmertje of schep, om zich een overvloedige douche te geven.

Buiten de kazernen heeft men de societeit of liever de societeiten, die van de onderofficieren en die der soldaten. De officieren zelf gaan naar de Club, de Harmonie, waar ook de civiele ambtenaren der plaats lid van zijn; maar de soldaten hebben ook hun eigen kring. Ze hebben hun lees- en speelzalen en restauraties; hun velden voor balspel en lawntennis en ze hebben nog veel meer, dat onzen soldaten wordt onthouden, en waaruit het zich misschien laat verklaren, dat de gezondheidstoestand in Nederlandsch-Indië beter is dan in Indo-China, en dat de europeesche soldaten er gaarne zes jaar blijven, terwijl in Cochinchina men onze troepen maar met moeite tot een tweejarig verblijf kan dwingen.

Chambrée in een kazerne te Fort-de-Kock.
Chambrée in een kazerne te Fort-de-Kock.

Chambrée in een kazerne te Fort-de-Kock.

’s Avonds komt men overal knappe militairen tegen in bruine uniformen, met een aardig javaansch meisje aan de hand of om het middel gevat, zij met een schitterenden, bonten hoofddoek en pronkend met haar lichtgekleurde parasol. In de kazerne gaan de vrouwen vrij uit en in naar hunne “mannen”, en er is een aparte keuken voor haar, waar ieder van haar eigenhandig den maaltijd voor haar heer en meester bereidt. De slaapruimten zijn in tweeën gescheiden, die voor de vrijgezellen en die voor de gezinnen. De officieren, die mij rondleidden, prezen hoog die vrijheid, die zij aan hun soldaten toestonden en die zij onmisbaar achtten, om het heimwee te keeren en al die andere treurige dingen, en ik geloof dat zij gelijk hebben.

Niet dat ik juist zulk een systeem zou wenschen toegepast te zien in onze koloniën. Men moet rekening houden met karakter en temperament. De Hollanders stellen zich hier tevreden met een zeer rustig en eentonig leven. Ik heb te Magelang een groot aantal officieren ontmoet, die er nooit aan hadden gedacht, op eenige kilometers afstands de ruïnen van Boroboedoer te gaan bekijken. Ook te Fort-de-Kock, te Batavia en elders gaat men weinig uit. Toch zijn de omstreken prachtig. Wij zijn er op gesteld geweest, het Manindjoemeer en den krater van den Merapi te bezoeken.

We vertrokken te paard, den 22sten April in de vroegte. Bij ’t verlaten der stad daalden wij eerst af in een diepe kloof, waardoor een zijtak van de Masang vloeit, de Si Anoq. De rivier kronkelt in de diepte van een 2 à 300 M. breed dal, door witte wanden omsloten, die loodrecht 100 M. hoog oprijzen. Dit dal heet het Karbouwengat. Wij waden door den stroom naar de overzij en volgen den oever tot de samenvloeiing met een ander riviertje, dat op dezelfde manier wordt overgestoken. In den morgennevel maken die lichtgekleurde rotsen met hun scherpe kammen en als gebeeldhouwde vormen een diepen indruk. Elk waterstraaltje heeft in den zachten zandsteen een diepe gleuf gegroefd, waar allerlei planten in groeien. Hier en daar staan afzonderlijke blokken, met boomen gekroond.

Boven van het plateau overzien we de grillige kloof, een nauwe, bochtige engte, zooals er hier zoovele zijn. Zij vormen voorgebergten en eilandjes met groene hoogvlakten, waar buffels loopen te grazen. Wij dalen weldra af in het dal der Masang. Bamboes en struikgewas wijst nog de plek aan, waar vroeger zware versterkingen aangebracht waren, nu door de vele regens met den grond gelijk gemaakt.

Er is bij het dorp Matoea een pasangrahan, waar we onze bagage achterlaten, en waar wij zullen logeeren. De inlandsche mantri of opzichter wachtte er ons; hij heeft versche paarden voor ons gehuurd en na eenige minuten rust zetten we den tocht voort. Het land is bekoorlijk. Rechts en links van den weg stijgt de grond geleidelijk, en er doen zich afgeronde heuvels voor, op hun top met bosch bedekt. Beneden liggen kampongs met huizenrijen langs de rijstvelden, en overal zien we lichte daken met opgewipte randen, die zoo aanstonds schijnen te zullen wegvliegen. Achter den onregelmatigen bergkam, die den horizon dicht bij ons afsluit, stijgen dampen op en verspreiden zich naar alle kanten. Wij gaan steeds hooger; ’t is of het doel voor ons terugwijkt, en plotseling zinkt dan de grond als onder onze voeten weg, we zien het Manindjoemeer.

De cirkel, waarin rustig het meer ligt, is een oude krater van reusachtige afmetingen. Het meer zelf is 16 KM. lang en 8 KM. breed. De wal er omheen, door het water afgebrokkeld, rijst 11 à 1200 M. hoog boven de oevers van het meer. De bres, waar de weg doorheen gaat en waarlangs wij zullen dalen, is een der laagste punten en toch baadt het dorp Manindjoe in het heldere water zijn laatste huizen 700 M. boven ons. De hellingen zijn aan den kant van het meer verbazend steil, met diepe kloven er in, en de weg slingert zich om bergen heen, waar op verschillende hoogten rijstvelden gelegen zijn, met tuinen er omheen.

Ongelukkig is de lucht donker en dreigend. Over het meer ligt een dikke nevelsluier. Men ziet in ’t Zuiden slechts een zwarten muur, oprijzend boven nog zwarter water, waar vaalwitte dampen over slieren. Nu en dan verlichten bliksemstralen de wanden van de kloof, en men stelt zich het schrikwekkend tooneel voor, dat deze omgeving zou vertoonen, wanneer eens gloeiende lavastroomen er hun dreigende golven door mochten storten. Naar het Noorden verlicht een bleeke lichtstraal gouden rijstvelden, palmbosschen, daken van wit plaatijzer en het woud, dat al dichter wordt en zich tot in onze nabijheid voortzet. Wij dalen snel langs zeer steile, afkortende paden, waar trots den glibberigen grond de paarden snel voortgaan; ze zijn behendig en vlug als geiten. Er is geen wind; men ziet nauwelijks enkele rimpeltjes op de oppervlakte van het water, waarboven rook hangt; dan plotseling beginnen enkele druppels te vallen. Wij zijn in het bosch in een smalle kloof, waar de bladeren ons in ’t voorbijgaan in het aangezicht slaan. Op eens stort de zware regen neer, een diluviaansche stortvloed, en wij komen druipend van het water te Manindjoe aan.

De contrôleur van Manindjoe had vooruit bericht gekregen van onze aankomst. De buitengewone vriendelijkheid van zijn ontvangst doet ons al heel spoedig onze minder aangename ervaring vergeten, en daar wij het betreuren, dat we van het mooie landschap door den mist slechts zoo weinig hebben kunnen waarnemen, haalt hij ons over, tot den volgenden dag te blijven. Bij het opgaan der zon zullen wij van een helderen hemel genieten, en dan zullen wij dus het meer in verschillenden tooi kunnen zien. Wij nemen het vriendelijk aanbod aan. Een bediende wordt naar Matoea gezonden, om onze bagage te halen. We brengen den namiddag door in een aangenaam dolce far niente, waarop de lange rit van des morgens ons ook wel eenig recht geeft. Het heeft opgehouden met regenen. Wij doen een klein roeitochtje op het meer. Het diepe, onbewegelijke water opent zijn afgronden onder ons, en het is zoo helder, dat, als men zich over den rand van ’t bootje buigt, men diezelfde lichte, niet onaangename duizeling gewaar wordt, die men ervaart bij ’t neerzien in de diepte vanaf een groote hoogte.

De avond valt, een heerlijke avond van een uitgezochte stilte; slechts enkele roodachtige strepen kleuren ’t effengrijze kleed van den hemel. Het meer slaapt in, en zijn rust wordt door niets gestoord; geen zuchtje wind, geen kreet, en alleen een paar beschroomde lichtjes stralen langs de oevers onder de hooge palmenzuilen.

Den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag hebben wij Manindjoe bijna met een gevoel van leedwezen verlaten. Wat zou men in dit rustig stralend paradijs, deze welriekende, zachte lucht een liefelijk en zoet bestaan kunnen leiden! Geen enkel hoekje van de wijde wereld heeft mij nog ooit zoo sterk het gevoel gegeven van een vredig geluksbestaan en volmaakte rust.

Wij stijgen langzaam en komen weldra buiten de schaduw, door de hooge boomen geworpen. Aan onze voeten breidt zich een bosch van kokospalmen uit, en met een regelmatige beweging wiegelen zich de lange palmboomen. Het is helder weêr; de zon bestraalt de bergen en het meer. Nu ziet men de watermassa in haar volle uitgestrektheid. De zuidelijke oever schijnt woest en eenzaam; de bergen en het bosch sluiten onmiddellijk aan bij het meer, dat hier het diepst is, en waarin vooruitspringende deelen van ’t gebergte kapen vormen.

Tegenover ons opent zich een spleet, alsof men met een bijlslag een opening in ’t gebergte had geslagen en daar, op die plek, vloeit het overtollige water in watervallen naar beneden. Aan beide zijden van den nauwen doorgang liggen twee eilandjes als wachters. In het Noorden daarentegen breiden zich gouden velden uit langs zachter hellingen tot aan den zoom van het woud. Het meer ligt in de bergen gevat als een saffier in een juweelkistje, waarin verscheiden kostbare steenen. Op de oppervlakte van het water tintelen enkele gouden strepen. Hier en daar wekt de zon een weerschijn op het metalen dak der huizen, die verspreid liggen in ’t groen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings