TER INLEIDING.
Reading edition
Een heldere allervroegste voorjaarsdag. Kraaiende hanen, bloeiende hazelaars. Natuur-ontwaken vóór den tijd.
Een breede diepe sloot vol water; een heel smal plankje voert er over, glibberig en half-vergaan. Achter die sloot gaat mijn pad verder; dáár ligt het land, waar ik heen wil, open. Besluiteloos sta ik en draal, zet één voet dwars over het plankje, trek hem weer terug. Een wonderlijke gedachte duikt op: „Als ik er over kom, ga ik nog in dit voorjaar naar Rusland”. Dwaze gril of ingeving? Ik weet het niet, maar „iets” dringt mij het plankje op... ik ga de sloot over... Nu weet ik, dat ik doorzetten zal.
Een grijze dag, einde April. Een naargeestig vertrek: het passenbureau te Rotterdam. Menschen komen, nemen plaats vóór het hekje, wachten, worden geholpen, gaan weg.
„Ein Durchreise-Visum für Berlin? Wo wollen Sie denn hin?”
„Nach Russland”.
Plotselinge stilte. Algemeene on-sympathieke belangstelling in mijn persoon. Het is, of ik gezegd heb: „naar de hel”.
„Bedaure sehr, ich kann Ihnen das Visum nicht geben.”
De stem binnen in zegt: „ik ga toch.”
Een arbeiderswoning, aan den buitenkant van een duitsch grensdorp. Zoo pas aangekomen. Middernacht. Het licht brandt nog hoog in mijn kamer. Uit het andere vertrek roept een stem: „Wollen Sie sogleich das Licht austun”. Ja, het was dom van mij, dit niet te bedenken. In het donker ontkleed ik mij. De dag bracht vele indrukken.
Pas tegen den morgen val ik in slaap.
Ik ontwaak door een droomgezicht: een smalle, steenen trap, die steil en diep afdaalt naar een ondergrondsch water. Het geheel heeft de sfeer van de oubliettes van een of ander middeneeuwsch kasteel. Ik gevoel mij beklemd. „Wat een ellendige droom: geen gelukkig voorteeken”.
Ik slaap weer in: onmiddellijk zie ik weer de trap, steil en diep, afdalen naar dat donkere water, maar... ditmaal stijgt zij aan den overkant daarvan weer omhoog.
Als ik opnieuw ontwaak, is het gevoel van beklemming geweken. Toeval en onzin, of... wijsheid van het onderbewuste? Wie zal het zeggen?