HET VERDWAALDE KIND.
Reading edition
I. WAARIN WE KENNIS MET LOTJE MAKEN.
Lotje was een alleraardigst meisje van negen jaren. Zeker zoudt ge van haar gehouden hebben, als ge ze gekend hadt. Daar ge haar nu niet kent, wil ik u wat meer van haar vertellen, opdat ge belang in haar moogt stellen.
Vooreerst wil ik u dan mededeelen, dat Lotje in een groot dorp woonde en dat ze dus geen stadsjuffertje was. Daarom was ze echter geen boerin en zag ze er niet minder lief uit, — dat behoeft ge niet te denken. Ze had een allerliefst, fijn besneden gezichtje, een paar helder blauwe oogen, een paar roode wangen en een blonden krullebol, die haar allerliefst stond. Ze was echter geen eenig kind, o neen, volstrekt niet, maar wel ’t eenige dochtertje. Vooreerst had ze een ouderen broer, Anton, een jongen van bijna twaalf jaren, een stevigen kerel, die als ’t op vechten aankwam, zijn vijand stond. Overigens was hij een lobbes van een jongen en Lotje vooral zijn lieveling; zeker omdat zij zijn eenig zusje was, kon zij alles van hem gedaan krijgen. En dat wist de slimmerd ook wel; daarom kwam ze, als ze wat hebben wou, altijd bij Anton, van wien ze dan trouwens ook veel hield, dat moet ik zeggen. Dan had Lotje nog drie broertjes, een van zeven, die Karel heette, een aardig kereltje, dat al aan de hand van Lotje mee naar de dorpsschool ging en al wat flink leerde lezen; verder Jakob, die pas vijf jaren oud was, en dan het kleine driejarige Pietje.
Van dat jongste ventje hield Lotje al heel veel en ze kon tusschenbeide net met hem doen, alsof ze zijn moedertje was. En Pietje hield ook veel van Lot, zooals hij haar noemde. Dragen mocht Lotje hem echter niet: dat was haar volstrekt verboden; want er is niets gevaarlijker, dan wanneer kleine meisjes haar broertjes of zusjes dragen. Vooreerst voor de kinderen, want kleine meisjes hebben geen kracht genoeg om hen recht te houden, en als ze zwikken, zijn ze soms voor hun leven ongelukkig. En welk lief meisje zou er graag de schuld van zijn, dat haar broertje of zusje, als het door haar schuld mank ging, of een bochel had, later tot haar zeide: „’t Is jou schuld, dat ik zoo ongelukkig ben. Als je moeder gehoorzaamd hadt, dan zou je mij niet gedragen hebben, dan was ik niet gezwikt en voor mijn leven misvormd geworden.” En ten tweede is het dragen van kinderen zeer gevaarlijk voor de kleine meisjes zelf. Ik ken er, die er zelf door gezwikt zijn en nu aan beide kanten mank gaan, en anderen die er scheef door geworden zijn. Laat u dus raden en draagt nooit kleine kinderen!
Lotje dan deed het nooit. Als ze met Pietje in den tuin speelde, die achter hun huis was, en ’t kleine ventje werd moe en riep: „Draag, Lot!” dan zei Lotje: „Wel zeker, mannetje! We zullen een koetsje voor je bestellen, hoor!” En dan zette ze hem op een grasperk neder, ging naast hem zitten, en plukte gras en gooide hem daarmee, en dan had het kleine kereltje een plezier, dat het omverrolde, met zijn kleine mollige beentjes in de hoogte, welke Lotje dan greep, terwijl hij zich zoo dapper verweerde en zoo hartelijk lachte, dat Lotje met hem mee moest lachen. Gewoonlijk als hij dan lang genoeg gespeeld had, kwam zijn moeder of de meid hem halen, want hij was dan te moê, om naar huis te loopen; hij had ook zulke kleine beentjes, en die moesten zoo’n zwaar lichaampje dragen. Want ons Pietje was een kleine dikkerd. Soms was Pietje wel eens wat knorrig, en dan wist Lotje wel hoe laat het was. Dan ging ze met hem op het gras zitten, nam hem op haar schoot, hield hem in haar armen en zong:
„Slaap, kindje! slaap! Daar buiten loopt een schaap! Een schaap met witte voetjes, Dat drinkt zijn melk zoo zoetjes, Een schaap met witte wol, wol, wol! Dat drinkt zijn buikje vol!”
En dan viel Pietje op haar schoot in slaap en bleef zij geduldig met hem zitten, totdat haar mama of de meid het slapende kind kwam halen, ’t heel voorzichtig optilde en zoo zacht mogelijk in zijn wiegje legde, om zijn tukje te voleindigen. Dikwijls gebeurde het, dat Lotje dan bij zijn wiegje bleef zitten, tot hij weer wakker werd. Kleine Pietje was voor Lotje een groote pop; maar een levende pop, waar ze mee speelde. En evenals een meisje niet altijd met een pop speelt, zoo was Lotje ook natuurlijk niet altijd met Pietje bezig.
Dat zou ze ook niet hebben kunnen doen. Vooreerst toch ging Lotje op school en daar had ze haar vriendinnetjes, met wie ze soms op het kerkhof touwtje sprong of naloopertje speelde. Op het kerkhof, vraagt ge? Dat is een rare plaats om te spelen. Maar ’t was niet het kerkhof, waar de menschen van het dorp begraven werden. Dat was voor jaren wel het geval geweest, maar nu sinds een onheuglijken tijd niet meer. Het kerkhof was een ruime hof of plaats om de kerk van het dorp, voor een groot deel met een muurtje omgeven en waarop hooge, dikke populieren stonden en gras groeide. O, ’t was daar zoo prettig om stuivertje wisselen te doen; want de boomen stonden heel geregeld. En schuilevinkje! Dat was ’t niet minder; want er stond aan den achterkant van ’t kerkhof heel dicht struikgewas, waarachter men zich kon verschuilen, en dan waren er de beeren van de kerk, van die groote schuins toeloopende steenklompen. Ik verzeker u, dat Lotje en haar kornuitjes daar pret genoeg konden maken; en Lotje was niet de minst dolle, dat verzeker ik u. ’t Gebeurde dan ook dikwijls, dat ze thuis kwam met haar hoed in de hand, haar krullebol in wanorde, zoodat die veel van een raagbol had, een kleur als bloed en een paar oogen glinsterend van de pret. Dan zei haar moeder wel eens: „Lot! Lot! Wat ben je weer aan ’t ravotten geweest!” en dan antwoordde Lotje: „O, Moe! ik heb zoo’n pret gehad; dat weet u niet half!” Dikwijls echter kwam ze met een winkelhaak of een scheur in haar jurk thuis, die ze in ’t kreupelboschje had opgedaan of was haar jurk bij ’t „kruipdoor sluipdoor” van achteren geheel uit de plooien getrokken. Maar als dat het geval was, dan liep het niet zoo af; want Lotjes moeder mocht wel eens de zon in het water zien schijnen; maar ze was er toch op gesteld, dat Lotje haar goede jurken wat ontzag. Dan kreeg Lotje knorren en beloofde zij, dat ze voortaan voorzichtiger zou zijn; maar ’t onbedachtzame meisje hield die belofte niet lang: want, al nam ze zich ook nog zoo stellig voor, om voorzichtig te zijn, — in ’t vuur van ’t spelen vergat ze haar belofte ten eenen male. Nu, dat gebeurt wel meer meisjes van mijn kennis!
Dat spelen ging echter alleen in den zomertijd en bij mooi weer; in den winter moest ze zich thuis vermaken, en dan speelde ze ’t liefst met haar broer Anton. Maar die was zoo groot en had gewoonlijk zooveel werk voor zijn meester (want behalve dat hij de school bezocht, kreeg hij nog extra lessen), dat hij niet veel tijd had om met Lotje te spelen, en dan moest ze zich maar met den zevenjarigen Karel vergenoegen, met wien ze paardje of andere jongensachtige spelen deed. Nu moet ge niet denken, dat Lotje zoo’n halve jongen was, — ’t geen wel het geval had kunnen zijn, daar ze één meisje onder vier jongens was. Daar had haar moeder voor gezorgd: want die verzocht van tijd tot tijd een paar vriendinnetjes bij haar, en die brachten haar poppen mee, waarmede men speelde. En dan mocht Lotje uit haar lieve, kleine serviesje koffie schenken en liet moeder van die aardige kleine broodjes bakken, die zoo goed op de bordjes van haar serviesje pasten. Dan moesten de poppen ook aan tafel zitten, en kregen meer knorren, omdat ze niet recht zaten, of omdat ze zoo stuursch keken, dan eten of drinken, — want dat kregen ze in ’t geheel niet; waar ze trouwens ook niet rouwig om waren, om de eenvoudige reden, dat ze toch niet eten of drinken konden.
Ik denk, dat ge nu ons Lotje genoegzaam hebt leeren kennen en ’t wel een heel aardig meisje zult vinden, dat u zeker wel bevallen zal en waarmee ge gaarne zoudt omgaan. Ik moet u toch nog in ’t voorbijgaan zeggen, dat Lotje, al was ze pas negen jaren, heel goed leerde en ook veel lust en ijver bezat, waarom de meester haar dikwijls prees. Dat is zeker: nooit zou ze gaan spelen, vóór ze haar lessen kende of haar werk voor de school gemaakt had; want moeder had haar reeds vroeg geleerd, dat er niets verkeerder is dan uitstellen, dat er dikwerf van uitstel afstel komt, en dat het allerpleizierigste is, als men zijn werk achter den rug heeft, vóór men gaat spelen.
En nu wil ik u eens vertellen, wat Lotjes vader was. Lotjes vader was kapitein op een koopvaardijschip, en daarom dikwijls maanden lang van huis. Vroeger hadden ze in een zeestad gewoond; maar om de gezondheid van vrouw en kinderen had hij hier een woning gehuurd. ’t Kon hem dan ook eigenlijk weinig schelen, waar hij woonde: want een groot deel van ’t jaar was hij op reis. Zijn vrouw echter vond het buiten heel pleizierig, vooral des zomers. Maar, daar haar man altijd zoo lang van huis was, vond ze het toch wel wat eentonig altijd onder kinderen te zijn en nooit eens een groot mensch te zien om, vooral wanneer de kinderen naar bed waren, een toespraak aan te hebben. Daarom had ze, zoodra ze buiten gingen wonen, een jongere, ongetrouwde zuster bij zich in huis genomen, die haar niet alleen tot een allerpleizierigst gezelschap verstrekte, maar haar ook in ’t huishouden een trouwe hulp was. Die zuster, een allerliefst mensch, die veel van kinderen en nog meer van de kinderen van haar zuster hield, heette Eva en werd door hen bij verkorting tante Eef genoemd. ’t Was een lieve tante, die tante Eef, en al de kinderen hielden veel van haar, vooral Lotje, die dan ook haar lievelingetje was en die veel van haar gedaan kon krijgen, waarom ze tante nog al eens in den arm nam.
De reden, waarom tante Eef zooveel van Lotje hield, was niet alleen, omdat zij het eenige meisje onder vier jongens was, maar ook omdat er eens iets gebeurd was, toen Lotje nog heel klein was en dat ik u wil vertellen. Zooals ge weet, woonden zij vroeger in een zeestad, en daar kan het erg druk zijn met allerlei vreemde matrozen en ander volk. Toen ter tijde was tante Eef nog niet in huis bij Lotjes moeder, maar logeerde er nu en dan een poosje. Nu moet ge echter niet denken, dat die stad, waarin zij woonden, vlak aan zee lag. Jongens neen, men moest nog wel een half uurtje door een rivier varen, alvorens men aan zee kwam. Ge begrijpt wel, dat bijna al de menschen die daar woonden een eigen roeibootje hadden, want dat was pleizierig en gemakkelijk meteen. Als ’t nu zomeravonds mooi weer was, dan krioelde het op de rivier van bootjes, met menschen natuurlijk er in. Lotjes vader had ook zoo’n bootje gekocht, en als hij op reis was, en dus zijn familie niet zelf kon roeien, dan werd er een stevige, groote man aangenomen, die dat voor een kleinigheidje deed. Zijn vrouw echter was altijd wel een beetje angstig op het water, vooral als de kleine peuzels er bij waren, en daarom ging zij dan ook niet dikwijls met hem uit roeien. Tante Eef echter was dapperder, en dus kwamen de kinderen altijd maar bij haar bedelen, als zij graag geroeid willen worden. Lotje was destijds vier jaren en Anton zeven. Op een dag kwam de laatste bij haar en vroeg: „Och tante, gaat u eens met ons roeien, ’t is zulk mooi weer?”
„Hoor eens, jongens,” antwoordde tante Eef, „dat zou ik wel willen doen, maar ’t zal zoo vol zijn op de rivier, en je weet moe heeft het niet graag.”
„Roeien, tante, roeien,” riep nu de kleine Lotje. „Lotje graag roeit!”
„Wel, kinderen,” zeide nu tante Eef, die door het vleiende stemmetje van Lotje bijna overgehaald was, „’k Wou zelf ook graag. Nu, dan zal ik het eens vragen!”
En nu ging tante Eef naar haar zuster toe en bepleitte de zaak der kinderen. Hoewel ongaarne, gaf deze eindelijk haar toestemming en in een wip was Anton weg, om den man die hen roeien zou te gaan roepen. Lotje liep dansende door de kamer en zong: „Lotje mag roeien; o, wat een pret!”
„Maar, Eef,” zeide nu Lotjes moeder, „ik vind toch, dat je Lotje niet mee moet nemen, want ze is nog zoo klein en zoo wild. Als het maar goed afloopt.”
Nu was de pret van het kleine meisje heelemaal over en liet zij haar lipje hangen, hoewel zij niet ondeugend werd. Traantjes sprongen er uit haar oogjes, haar lippen trilden en zij keek Moes en tante Eef zoo smeekend aan, dat beiden overwonnen werden.
„Och, zuster,” zeide tante Eef, „ik zal goed op haar passen; laat haar meegaan!”
Lotjes gezichtje helderde op, en zij drong zich tegen haar moeder aan, terwijl zij zeide:
„Lotje zal zoet zijn, Moes! Heel zoet zijn!”
Nu gaf moeder eindelijk haar toestemming, en maakten zij zich gereed om heen te gaan.
Toen zij het huis uitgingen, riep moeder hen nog na, om vooral goed op te passen en gehoorzaam te zijn.
Vroolijk gingen zij met hun drieën naar de rivier, waar het bootje al gereedlag. Tante Eef hield Lotje stevig vast, en toen stapten zij er in. Anton kwam daarna, en een oogenblik later stiet de roeier van wal.
Zij voeren heel pleizierig een poosje de rivier op, maar toen zij weeromgingen, kwamen zij verscheidene bootjes tegen, die stroomopwaarts roeiden, en ’t werd eindelijk zoo vol, dat zij slechts langzaam vooruit konden komen. ’t Werd ook al wat donkerder, en dus zeide tante Eef aan den roeier, dat hij gauw moest maken dat zij thuis kwamen. De man deed zijn best, maar juist door de haast die hij maakte stootten een paar bootjes tegen elkaar. Het kleine Lotje verloor haar evenwicht en viel in het water!
Ge kunt u de vreeselijke schrik en onsteltenis van tante Eef en Anton voorstellen. Lang bedenken kwam hier niet te pas; er moest gehandeld worden. Gelukkig echter zonk Lotje niet dadelijk, maar bleef met haar jurk aan de pin, die van buiten in de boot zat, haken. Tante Eef greep haar, maar ongelukkig scheurde de jurk door Lotjes zwaarte verder af, zoodat zij hoe langer hoe dieper zonk. Op dit gevaarlijke oogenblik boog tante Eef zich echter over haar heen, stak beide armen in het water en had het geluk, het kleine meisje om het middel te vatten en haar dus op te halen.
Lotje schreide erg, zooals ge kunt begrijpen, maar had echter geen letsel bekomen. Weldra waren zij thuis en nu nam de man, die hen geroeid had, het kleine meisje op den arm en droeg haar naar binnen. Het eerste wat zij riep, toen zij bij haar moeder kwam, was: „Lotje is zoet geweest, Moe. Heusch zoet geweest!”
Nu vertelde tante Eef de toedracht der zaak en werd Lotje uitgekleed en warmpjes in haar bedje gestopt. Gelukkig liep alles goed af en kon Lotje den volgenden dag weer opstaan, en behalve een kleine verkoudheid wist zij er later niets van af.
Ge kunt echter begrijpen, dat na dit voorval tante Eef nog veel meer van Lotje ging houden, en deze, die wel wist, welke armen haar uit het water hadden gehaald, hing met haar geheele hart aan haar lieve tante Eef.
Verder moet ik u nog zeggen, dat er vlak bij het dorp een groot bosch was, waardoor een rijweg liep, die van naburige steden of dorpen naar het dorp van Lotjes ouders voerde. Dat bosch was heel groot, en behalve den rijweg had men er nog verscheidene voetpaden in; zoodat hij, die er niet in bekend was, er gemakkelijk in kon verdwalen.
En nu denk ik, dat ge alles weet, wat ge noodig hebt, om ’t vervolg van mijn verhaal te verstaan, hetwelk ik hoop, dat u wel bevallen zal.
II. DE VREEMDE KUNSTENMAKERS.
„Kom, Lot! dat moeten we gauw gaan zien,” zeide Keetje, Lotjes schoolvriendinnetje en buurmeisje tot haar, toen de school uitging. „Ik hoor, dat er op het plein voor den Gouden Valk kunstenmakers bezig zijn hun kunsten te vertoonen.”
„Och, kom!” zeide Lotje ongeloovig. „Nu hou je me zeker voor den gek. Kunstenmakers! Die komen hier nooit dan met de kermis.”
„Ik weet het niet,” antwoordde Keetje. „Ik hoorde het van de meid, die Henriëtte kwam halen, en die ’t mij vertelde.”
„Nu, dat moeten we dan eens gauw gaan zien,” zeide Lotje. „Maar lang durf ik niet; want Moe wacht me straks met eten.”
„Een kijkje kunnen we toch wel even nemen,” zei Keetje. „Zóó lang zal dat niet duren.”
„Laat ons dan maar geen tijd verliezen,” zei Lotje.
En veel harder dan anders liepen onze beide vriendinnetjes naar ’t plein voor den Gouden Valk. Ze kwamen echter te laat en maar juist bijtijds genoeg, om de heele kunstenmakersfamilie de herberg te zien binnengaan, waar ze zeker haar middagmaal zouden gebruiken.
„Kijk eens,” zei Lotje. „Die man is bijna geheel naakt!”
„Ben je dwaas!” antwoordde Keetje. „Die man heeft een gebreid vleeschkleurig pak aan, en dat noemt men tricot. Die juffrouwen met haar korte rokjes hebben ook geen bloote beenen, maar broeken van tricot aan. Alleen haar armen zijn bloot.”
„Nu, dat is grappig,” zei Lotje. „Ik dacht al, dat is niet heel fatsoenlijk, om zoo naakt langs de straat te loopen.”
„Kom, laat ons gauw naar huis gaan en eten,” hernam Keetje. „Na den eten zullen ze wel weer beginnen; want zie, ze hebben al hun boel buiten laten staan, en daar past die kleine jongen op.”
„Zou die dan niet moeten eten?” vroeg Lotje.
„Wel zeker: ze zullen hem ’t eten wel brengen, of anders zal er een vooruit eten, om hem te vervangen,” antwoordde Keetje.
Daaromtrent gerustgesteld, ging Lotje met haar buurmeisje naar huis.
„Nu, tot straks,” zeide deze. „Ik zal dadelijk aan moeder vragen, of ik na den eten eens mag gaan kijken.”
„Ik ook,” zeide Lotje. „Moeder zal het mij zeker wel toestaan.”
„Ik zou niet weten, waarom niet,” zeide Keetje. „’t Was iets anders, als je zelf kunsten moest doen.”
Lotje moest lachen om die aanmerking van Keetje.
„Nu, dat zou me mooi afgaan,” zeide ze. „Adieu! tot straks.”
En met deze woorden deed ze de voordeur open en stapte haar huis in.
Ze vond hier alles in vroolijke opgewondenheid, en vroeg Anton naar de reden daarvan.
„Dat zal ik je zeggen, Lot. Vanmorgen, terwijl we in school waren, is er een brief van vader gekomen, met het bericht dat zijn schip te Nieuwediep is binnengeloopen en dat hij hoopt nog vanavond thuis te zijn.”
„O, dat is heerlijk!” zeide Lotje. „Die goede, lieve Pa! Ik verlang al om hem te zien! En wat zal moeder blij zijn!”
„Dat kun je begrijpen!” zeide Anton. „Nu, ’t zal vanavond een recht feest zijn!”
„Heb je de kunstenmakers al gezien, die op ’t plein voor den Gouden Valk hun kunsten verrichten?” vroeg Lotje.
„Kunstenmakers? Neen!” antwoordde Anton. „Ik ben regelrecht van school hier naar toe gekomen en daar ik er niets van wist, ben ik niet naar den Gouden Valk gegaan.”
„Veel heb je er niet bij verloren,” zeide Lotje. „Ik hoorde het toevallig van Keetje, aan wie de meid van Henriëtte ’t verteld had. We zijn naar den Gouden Valk gegaan, maar kwamen net bijtijds, om de drie laatsten binnen te zien gaan.”
„O, maar na den eten zullen ze wel weer hun kunsten vertoonen, en dan ga ik er eens naar kijken. ’t Is gelukkig Woensdag en er is dus geen middagschool.”
„En dan ga ik toch met je mee, Anton?” zeide Lotje. „Alleen zou ik misschien niet mogen.”
„Wel zeker ga je met me mee,” zeide Anton. „Als Moe het ten minste wil hebben.”
„Waarom zou Moe ’t niet hebben willen, vooral als jij bij me bent?” vroeg Lotje.
„Dan moet je ’t straks maar vragen; dat is het beste, wat ik er op weet,” zeide Anton. „En als je dan moogt, dan gaan we samen.”
Ditmaal deed Lotje iets tegen haar gewoonte: ze ging uit, eer ze haar lessen geleerd en haar werk gemaakt had. Maar ’t was haar ook onmogelijk te wachten, totdat ze dat afhad. Daarenboven had ze er nu geen hoofd naar. Wie toch kan aan werk maken of lessen leeren denken, als daar ginds een troep kunstenmakers hun toeren laten zien en we er naar toe gaan kunnen. Daarbij zou Anton ook geen geduld gehad hebben om op haar te wachten; want ook hij verlangde nu de kunstenmakers te zien, die een bijzonderheid op het dorp waren en er waarlijk niet alle dagen doorkwamen.
Lotje vroeg of zij mee mocht, en haar moeder had er niets tegen, want zooals ik al gezegd heb, zij was een goede vrouw, die haar kinderen wat graag een pleiziertje gunde. Nu zeide zij echter nog tot het kleine meisje:
„Lot, denk er aan om niet te lang weg te blijven, want je weet wel, dat vader elk oogenblik thuis kan komen, en je zoudt toch zeker niet graag willen, dat je uit waart, als het rijtuig voor de deur stilhield.”
„Hè, moe, dat weet u wel beter,” antwoordde Lotje, terwijl haar levendige kijkers glinsterden van genot bij de gedachte aan de ontmoeting. „Neen, we moeten allemaal thuis zijn, als Pa komt, en dan vlieg ik hem meteen om zijn hals!”
„Wel zoo, dus jij wilt de eerste begroeting hebben,” zeide Anton, haar met den vinger dreigend. „’t Is wat moois, Lot, om zoo begeerig te zijn.”
Op dit oogenblik kwam Jaantje binnen met het verzoek, of zij een paar eieren uit den kelder mocht krijgen.
„Eieren?” vroeg Lotje nieuwsgierig. „Waarvoor moet Jaan eieren hebben, Moe?”
„Wat ben je weer nieuwsgierig,” zeide haar moeder lachend. „Begrijp je dan niet, dat wij vanavond toch wat bijzonders moeten hebben, om vaders terugkomst luisterrijk te vieren?”
„Wat zal dat een heerlijke avond zijn,” antwoordde Lotje, met een zucht van genot. „Is het een tulband, of bakt Jaan wafelen?”
„Dat moet je nu maar eens afwachten, juffrouw vraagal,” antwoordde haar moeder.
„Kom, Lot, ga je nu mee?” vroeg Anton. „Anders heb je kans, dat ze hun kunsten allemaal al gedaan hebben.”
„Ja, komaan dan,” antwoordde Lotje. „Ik ben wat verlangend, om al dat moois eens te zien.”
„Hier heb je wat centen, kinderen,” zei Lotjes moeder, terwijl ze er ieder een stuk of drie gaf. „Je begrijpt wel, dat die menschen hun kunsten niet voor niemendal doen; daarom gaan ze eenige keeren met het bakje rond en halen centen op, en ’t is niet meer dan billijk, dat ieder, die toekijkt, hun wat geeft; want het kunsten maken is allesbehalve gemakkelijk en daarenboven hun broodwinning.”
„Elke cent apart geven,” zeide Anton tegen Lotje, toen ze op weg naar den Gouden Valk waren. „Want ze komen meermalen rond, en dan zou je al den tweeden keer moeten weigeren.”
Toen ze aan ’t plein vóór den Gouden Valk kwamen, vonden ze er al een heelen troep menschen en vooral kinderen verzameld. Het scheen echter, dat de kunstenmakers wat lang aan den maaltijd zaten, of dat ze wat van hun vermoeienis moesten uitrusten, of dat ze een middagslaapje deden; ze waren ten minste nog in de herberg en kwamen in ’t eerste halfuur niet voor den dag.
Daar kwamen ze eindelijk in volle statie aan. Vooruit een man met een trompet, die zoo geweldig daarop blies, dat men doof dacht te worden, terwijl een ander man den kring grooter maakte, opdat allen konden zien. En dat was wel noodig; want de menschen stonden zoo op elkaar, dat de een den ander in den weg was. Die man verzocht dan ook, dat men de kinderen in de voorste rij zou laten staan, omdat de anderen over hen konden heenzien. Aan dat verzoek voldeed men; want het hinderde niemand, al stond er een kind vóór hem.
En nu begonnen de kunsten opnieuw. Eerst kwam er een Herkules, een dikke, ferme kerel, die groote gewichten opnam en er allerlei toeren mee deed; vervolgens nam hij twee mannen op zijn beide schouders, en op de schouders van die mannen ging een derde staan, en zoo wandelde hij met die drie mannen den kring rond, zoo gemakkelijk alsof hij niets te dragen had.
„Hè! die man moet kracht hebben,” zeide Lotje tegen Anton.
„Nu, dat zou ik ook meenen,” antwoordde Anton. „Maar daarom heet hij ook een Herkules.”
„Wat is dat dan, een Herkules?” vroeg Lotje.
„Wel een man, die heel sterk is,” antwoordde Anton. „Er is vroeger, heel, heel lang geleden, een man geweest, die Herkules heette, en die man was zoo geducht sterk; en nu noemt men alle sterke mannen naar hem, Herkulessen.”
„Dus is de knecht van vrouw Teunissen, die zoo sterk is, ook een Herkules?”
„Neen, die niet,” hernam Anton. „Men geeft dien naam alleen aan menschen, die er hun brood mee verdienen en op de manier gekleed zijn als deze. Doch kijk nu liever.”
„Wat doet hij nu? Met ballen gooien?” vroeg Lotje.
„Dat noemt men jongleeren,” antwoordde Anton. „Je zult eens zien, hoe raar hij die ballen door elkander gooit, en ze toch opvangt.”
Inderdaad — Lotje kon zich maar niet genoeg verwonderen, hoe ’t mogelijk was, dat de Herkules ze wist niet hoeveel ballen altijd maar in de hoogte gooide en ze weer opving. Daar was geen oog op te houden. Eindelijk nam de Herkules groote ijzeren ballen, die hij over zijn armen, zijn borst, zijn rug liet loopen en die toch altijd weer in zijn handen terugkwamen.
Zoo iets had ons Lotje nooit gezien! Ze kon dan ook haar verbazing niet verbergen. Intusschen kwam de vrouw met het bakje rond en zoowel Anton als Lotje wierpen er een cent in.
Nu werden er twee in ’t midden aan elkander vastgebonden stokken aan den eenen kant, en twee even zulke stokken aan den anderen kant van ’t plein gezet. Daarover werd een dik touw gespannen, wel zoo dik als Lotjes arm, en op dat touw ging een man, die een langen stok in zijn beide handen hield, loopen, springen en dansen en allerlei kunsten doen.
„Dat noemt men koordedansen,” zei Anton. „Met dien stok houden ze zich in balans of rechtop; daarom heet die balanceerstok.”

„Nu, ik zou niet graag op zoo’n touw loopen en er nog minder op dansen en springen,” zeide Lotje.
„Dat wil ik wel gelooven,” antwoordde Anton. „Je bent ook geen koordedanseres. Je begrijpt wel, dat het een heelen tijd kost, eer men dat kent.”
Nadat de man een tijdlang met zijn balanceerstok gedanst had, gaf hij dien aan den Herkules over, en danste zonder stok.
„Dat is nu nog grooter kunst,” zei Anton.
„Ik wil ’t graag gelooven,” zeide Lotje; „maar als ik ’t moest doen, deê ik ’t liever zonder zoo’n zwaren stok.”
Nadat de man zijn kunsten op de koord lang genoeg vertoond had, ging de vrouw weer met het bakje rond, om centen op te halen.
’t Koord werd onderwijl afgebroken, en een groot karpet over den grond gelegd. Wat Lotje nu zag, verwonderde haar nog meer. Mannen, die op hun handen liepen; die op hun rug gingen liggen en kleine jongens op hun voeten als ballen in de hoogte gooiden en weer opvingen, die zich als een bal ineen- en naar alle kanten heenrolden, of die hun hoofd tusschen hun beenen staken, en de allerzotste figuren vormden. Lotje had geen oogen genoeg om te kijken; daar had ze maar geen begrip van. Ze had dan trouwens ook nooit zoo iets gezien, en ’t was dus geheel en al nieuw voor haar.
Eindelijk was de voorstelling afgeloopen: koord, stokken, kleed en al wat de kunstenmakers al meer bij zich gehad hadden, werd in een klein wagentje gepakt, dat door een ezel werd getrokken, en weg ging de troep, voorafgegaan door den man met de trompet, die er helder op blies. De dorpelingen gingen zeer tevreden over ’t geen ze gezien hadden naar hun woningen, maar een heele troep kinderen volgde de kunstenmakers in het bosch, waar ze den straatweg namen: ’t was den dorpskleinen nog niet mogelijk afscheid te nemen van die wonderlijke mannen. Nadat echter de trompetter zijn muziekinstrument op ’t wagentje geborgen had, verspreidden velen der kinderen zich in ’t bosch om blauwbessen te zoeken of boschbloemen te plukken; anderen keerden naar huis terug.
Ook Keetje was er tegenwoordig geweest, en de beide meisjes waren niet tevreden, alvorens zij bij elkander waren, toen alles afgeloopen was.
„Zoo, Kee, mocht je ook komen?” zeide Lotje, toen zij dicht genoeg bij haar vriendinnetje was.
„Wel zeker, Lotje,” antwoordde Keetje. „Moeder zei tegen me, dat ik gerust mocht gaan kijken, als ik maar maakte, dat ik op mijn tijd thuis was.”
„Ja, zie je,” zeide Lotje, „ik wist wel, dat je moeder het zou willen hebben, maar ik dacht dat je misschien eerst je werk zoudt maken.”
„Dat zou wat moois zijn,” lachte Keetje; „de kunstenmakers wachten niet op mij. ’t Is beter dat wij op hen wachten.”
„Nu, we hebben lang genoeg op hen gewacht,” merkte Anton aan. „Ik dacht, dat ze nooit voor den dag zouden komen.”
„Ze hebben zeker een stevig diner gebruikt,” zeide Keetje. „Want me dunkt, ze moeten goed eten om zoo vreeselijk sterk te zijn.”
„Ik geloof, dat hun diner niet zoo schitterend geweest zal zijn,” zeide Anton lachend. „Aardappelen met zout en spek misschien. Je zoudt zeker niet met hen hebben willen ruilen.”
„Neen, heusch niet,” antwoordde Keetje. „Ik heb vanmiddag veel te lekker gegeten.”
„En ik,” voegde Lotje er bij. „Wij eten vanavond ook nog wat erg lekkers, Kee; want Pa komt dan thuis.”
„Wel zoo,” antwoordde Keetje. „Ik féliciteer jelui, want dat zal een heel feest zijn.”
„Dat kun je begrijpen,” zeide Lotje opgeruimd. „’t Is maar naar, dat Pa altijd weer weg moet. Wat zou het niet erg veel prettiger zijn, als Pa altijd aan wal bleef.”
„Ja, dat vind ik ook,” bevestigde Keetje. „Ik zou het volstrekt niet prettig vinden, als mijn vader elk oogenblik weg moest. Zijn jelui niet soms erg angstig?”
„Ja zeker,” antwoordde Lotje, „vooral als het stormt. Dan huilt Moe wat dikwijls, want dan zijn wij altijd bang, dat Pa verdrinken zal.”
„Weet je wat,” zeide nu Keetje, na zich een oogenblik bedacht te hebben. „Als je Pa nu vanavond thuis komt, dan moet je meteen vragen, of hij jelui den volgenden keer mee op het schip neemt; dan blijven jelui bij elkander.”
„Hé ja, dat zou aardig zijn,” riep Lotje vroolijk uit. „Verbeeld je op zoo’n schip! En dan moeten we allemaal meegaan, tante Eef en Jaan ook!”
„Ik geloof niet, dat Jaan mee hoeft,” zeide Keetje. „Want ik heb altijd gehoord, dat er op zoo’n schip een kok of zoo iemand meegaat.”
„Maar dan kunnen we niet schoolgaan,” riep Lotje eensklaps uit. „Want de school kunnen wij toch niet meenemen!”
„Niet de school, maar je Pa kan toch een meester mee aan boord nemen,” helderde Keetje op. „Dan kunnen jelui allemaal net zoo goed leeren, als hier op ’t dorp!”
„Nu, ik zal het heusch vanavond eens aan Pa vragen, of hij het doen wil,” betuigde Lotje. „Misschien gebeurt het wel; wat zou dat prettig zijn!”
„Ja, ik hoop het voor je,” antwoordde Keetje.
Druk over ’t een of ander pratende, wandelden de vriendinnen voort, zonder te merken dat zij Anton kwijt waren geraakt.
Deze keerde na een poosje weder huiswaarts. Door een toeval was hij haar kwijtgeraakt, en nu hij op ’t punt was van om te keeren, zocht hij haar, doch vond geen van beiden de meisjes. Hij vroeg een ander buurmeisje naar haar.
„Ik geloof, dat ik haar daar straks naar het dorp heb zien terugkeeren,” zei er een.
„Was ze niet met Keetje?” vroeg een ander.
„Ja,” zeide Anton. „Ze waren ten minste samen, toen we het dorp verlieten.”
„Nu, dan zijn ze straks weggegaan,” hernam ze. „Ze scheen nog naar je rond te zien, maar je niet te vinden.”
Gerustgesteld door deze berichten, wandelde Anton naar huis.
„Is Lotje al thuis?” was ’t eerste, wat hij vroeg, toen hij de kamer binnentrad.
„Lotje?” vroeg zijn moeder verwonderd. „En jij bent met haar uitgegaan en je zoudt op haar passen!”
„Ik ben haar door de drukte kwijtgeraakt,” zeide Anton, „zoowat een goed kwartier van het dorp. Ze liep met Keetje.”
„Maar je hadt haar niet moeten kwijtraken,” zei zijn moeder berispend. „Loop eens even naar Keetje en vraag of Lotje daar is.”
Anton deed het.
„Ze zijn nog niet thuis,” was de boodschap, welke hij meebracht. „Maar Keetjes moeder denkt, dat ze bij de een of andere harer kennisjes aan ’t praten zijn.”
„Dat is wel mogelijk,” zeide Antons moeder. „Maar ’t neemt niet weg, dat het ondeugend van Lotje is, dat ze niet bij je is gebleven. Ze moet knorren hebben.”
Niemand echter maakte zich bepaald ongerust over Lotje, die immers met Keetje naar het dorp was teruggekeerd en dus wel bij den een of ander van de kennisjes zou zijn.
„Hoe laat denkt ge, Moe, dat Pa zal komen?” vroeg Anton een poos later.
„Ja, dat zal wel niet vóór den donker zijn,” antwoordde de moeder. „Tot H. kan hij ’t per spoor afleggen; doch dan moet hij extra rijtuig nemen. Zoo gauw kan hij niet van boord, of hij moet een namiddagtrein nemen.”
„Maar hij komt toch stellig, niet waar?” zeide Anton.
„Dat heeft hij beloofd,” antwoordde zijn moeder. „En je weet wel, dat als vader iets belooft, hij het ook volbrengt.”
„Zoo, Anton, ben je eindelijk terug?” zei tante Eef, die de kamer binnenkwam. „Die kunstenmakers hebben je lang beziggehouden, mannetje!”
„Dat hebben ze, tante,” antwoordde Anton. „Maar we zijn ze nog een kwartiertje buiten het dorp nagegaan.”
„Wat een dwaasheid!” zei tante Eef. „Dacht je dan, dat ze op den straatweg nog eens hun kunsten zouden vertoonen?”
„Dat wel niet,” antwoordde Anton; „maar al de dorpskinderen gingen met hen mee; en ik zou wel teruggekeerd zijn, maar Lotje wou zoo graag nog een eindje meegaan.”
„’t Hielp ook wat, of hij haar vergezelde,” zeide de moeder glimlachend. „Begrijp eens, Eef! hij komt zonder zijn zusje thuis. Hoe vind je dat?”
„Dat vind ik al heel fraai,” zeide tante Eef. „Moeder vertrouwt je je zusje toe, en je laat het in den steek. En waar is Lotje nu?”
„Dat weet ik niet,” antwoordde Anton. „Denkelijk bij ’t een of ander schoolkameraadje, waar ze over de kunstenmakers praat.”
„Je moogt wel aan je werk gaan, Anton,” zeide zijn moeder, „want je hebt een heelen tijd verzuimd.”
„Dat zal ik doen; want om halfacht moet ik les hebben. Ofschoon, ik heb ’t bijna af; ik moet mijn lessen nog maar even overzien.”
Dit zeggende, ging Anton naar zijn kamertje, om zich voor zijn extra les gereed te maken. Hij was er spoedig mee klaar en begaf zich met de boeken onder zijn arm naar zijn meester.
„Als je Lotje soms onder weg tegenkomt, zeg haar dan, dat ze terstond naar huis moet komen,” zeide zijn moeder.
„Dat beloof ik u, moeder,” antwoordde hij, zeide haar goedendag en vertrok, om zich naar ’t schoolhuis te begeven.
III. HET VERDWAALDE KIND.
Zooals we weten, waren Lotje en Keetje met Anton den troep kunstenmakers op den straatweg in ’t bosch gevolgd. Anton had een kennis aangetroffen en was zoo druk met hem aan ’t praten geraakt, dat hij van Lotje en Keetje, die ook al met haar kornuitjes babbelden, was afgeraakt. Nu was daar niets gevaarlijks in; want als ze straks naar het dorp terugkeerden, zouden ze elkander vanzelf wel terugvinden. Maar terwijl de kinderen daar zoo voortgingen, waren er een paar van Lotjes kennisjes, die met haar en Keetje liepen, welke eensklaps bleven staan.
„O, zie eens, Lot! wat een heerlijke blauwbessen! Die moesten we eens even plukken.”
„Ja, maar dan gaan de anderen voort, Truitje,” zei Lotje, „en dan raken we ten achteren.”
„O, dat is niets,” antwoordde Truitje. „Zoover zullen ze niet meegaan, en ze komen toch altijd dezen weg terug.”
„Dat is waar,” zeide Lotje. „’t Zijn heerlijke blauwbessen!” en dit zeggende, ging zij met haar buurmeisjes het bosch in, om blauwbessen te zoeken. Ze vonden er verscheidene en die smaakten heerlijk.
Nu is blauwbessen zoeken een gevaarlijk werk, — niet het zoeken op zichzelf; daar is geen ander gevaar bij dan dat men blauwe handen en, door ’t eten, een blauwen mond krijgt. Maar er is een ander gevaar bij. Door ’t zoeken naar de blauwbessen is men ieder voor zich zoo druk bezig, dat men van elkander af raakt; want de een gaat dezen en de ander weer een anderen kant op. Dat is nu niets, wanneer men op een bekende plaats of in een dennenbosch is, waar hooge dennen staan en men elkander op een grooten afstand kan zien; erger is het, wanneer men op onbekende plaatsen en te midden van laag dennenhout of kreupelbosch is, want dan raakt men elkander zoo licht kwijt en verdwaalt men. En als men eenmaal te midden van zoo’n bosch verdwaald is, dan slaat men soms een verkeerden weg in, vooral omdat men door het bessen zoeken allerlei kringen en bochten gemaakt heeft en dus den koers kwijt is.
Zoo ten minste ging het onze Lotje. Al zoekende was ze eerst van haar vriendinnetjes afgedwaald, welke ze van tijd tot tijd nog door ’t kreupelhout hoorde lachen; doch daar kwam ze aan een plaats, die zoo rijk bezet was, dat ze er spijt van had hier alleen te zijn. Ze riep ze dus, maar kreeg geen antwoord: ze waren zeker een anderen kant opgegaan. Toen ze nu haar buikje vol gegeten had, begon ze er aan te denken, om haar kameraadjes op te zoeken.
„Ik ben dezen weg afgekomen,” zei ze bij zichzelf, „en ik moet dien dus terug.”
En zonder aarzelen sloeg ze dan ook dien weg in. Jammer echter, dat ze dien weg niet was afgekomen, maar de wegen in zulk een bosch gelijken ook zooveel op elkander. Nu had ze ’t ongeluk, om er juist een in te slaan, die net regelrecht van den weg afliep, waardoor ze hoe langer hoe dieper in ’t bosch verdwaalde. Ze begon angstig te worden; want voor zoo’n klein meisje alleen in een bosch, en dat tegen den nacht, is niet alles. Intusschen liep ze nu her- dan derwaarts, zonder dat ze eigenlijk iets verder kwam.
„Kon ik den straatweg maar bereiken!” zeide zij, terwijl haar de tranen langs de wangen liepen; „dan zou ik den weg naar huis wel vinden.”
Van tijd tot tijd liet ze haar stemmetje hooren; maar dat zwakke stemmetje werd door niemand vernomen. Langzamerhand begon de zon te dalen en gingen de vogels naar bed; het zou niet lang duren, of ’t was donker, en dan zou ze den geheelen nacht in ’t bosch moeten blijven! Den geheelen nacht in ’t bosch! O, daar moest ze niet aan denken! In ’t bosch, waar ze haar lekker warm bedje zou missen, — in ’t bosch, waar allerlei beesten waren; wel geen leeuwen en tijgers, maar toch vossen en bunzings, herten met zulke groote horens, en wat haar angstige verbeelding daar al bij schiep. O, ’t was vreeselijk! In den donker alleen in een bosch!
Op eens hoorde ze een geritsel door de bladeren. Ze stond stil en keek op. Ze dacht, dat het ’t een of ander dier zou zijn. Maar neen, daar stond eensklaps voor haar een leelijk oud wijf, met een hengselmand aan den arm en een takkenbos op den rug. Het wijf was misschien niet minder verwonderd, een klein meisje van negen jaren daar zoo alleen in het bosch aan te treffen, dan Lotje toen ze op eens zoo’n leelijk schepsel voor zich zag. Hoe afschuwelijk het wijf er echter ook uitzag, — ’t was voor Lotje toch een rust, dat ze een menschelijk wezen ontmoette.
„Wat moet jij hier?” vroeg het oude wijf met een heesche stem en een grimmig gezicht.
„Ach, lieve juffrouw,” zeide Lotje, „ik heb blauwbessen gezocht en ben verdwaald. Zou je me niet op den rechten weg willen helpen?”
„Ja, dat gaat zoo maar niet,” hernam het oude wijf scherp. „Onze Lieve Heer laat de blauwbessen groeien voor ons arme lui, om ze te plukken en bij de rijke lui op het dorp te verkoopen. Maar dan gaan de kinderen van die rijke lui ze plukken, en dan kunnen wij er geen geld voor maken. En dan verdwalen ze en zouden nog willen, dat we hun den weg wezen, om terug te komen. Zeg eens, kind, heb je geld bij je?”
„Ach neen, juffrouw! geen cent,” antwoordde Lotje.
„Voor niemendal wijs ik je den weg niet,” hernam de vrouw grijnzend.
„Maar als je me thuis wilt brengen, zal Moe je wel beloonen, juffrouw,” zeide Lotje.
„Ja, misschien met een paar centen, een dubbeltje of op zijn hoogst een kwartje,” hernam het oude wijf. „Ik zou je bedanken, om daar zoo’n end voor te loopen. Maar ik weet beter. Je hebt daar een paar gouden belletjes in je ooren en een granaten ketting met een gouden slotje om den hals. Als je mij die geeft, dan wijs ik je den weg.”
„Maar dan zal moeder knorren,” zeide Lotje.
„Wat knorren! Nu wil ik ze hebben en wijs je toch den weg niet!” En dit zeggende, zette het oude wijf haar mandje neer, wiep haar takkenbos op den grond en pakte het arme Lotje beet, wie ze haar gouden belletjes en haar granaten ketting met gouden slotje afnam.
„Ja, schreeuw maar!” riep ze, toen Lotje hard om hulp riep. „’t Helpt je toch niet; geen mensch kan je hier hooren! Had je ’t me gewillig gegeven, dan zou ik je den weg gewezen hebben; maar nu kun je vannacht in ’t bosch blijven, waar de een of andere hongerige wolf je wel zal komen opkluiven. Nu, ik wensch hem smakelijk eten; want je bent een vet, lekker boutje, — dat ben je.”
’t Afschuwelijke wijf deed de belletjes en den ketting grijnzend in haar mandje, nam den takkenbos weer op den rug, knikte Lotje goedenavond en vertrok.
Schreiend en over al haar leden bevende stond onze arme Lotje daar! Haar mooie belletjes haar ontstolen, welke ze van moeder op haar negenden verjaardag gekregen had! ’t Was verschrikkelijk! Wat zou moeder knorren, als ze thuis kwam! En toch, was ze maar thuis! Ze had wel knorren willen hebben van moeder, van tante Eef, ja, van Jaan de meid er bij, als ze maar weer in haar lekkere, warme huis was. En vanavond kwam haar vader thuis! O, als die zijn lieve Lotje niet vond, wat zou hij bedroefd zijn! En wie weet, of hij zijn Lotje wel ooit zou weerzien! Want had dat leelijke wijf niet gezegd, dat er wolven in ’t bosch waren. En wolven eten kinderen op; dat had ze immers in ’t sprookje van Roodkapje duidelijk gelezen. Al die akelige gedachten en nog zoo veel andere kwamen in haar op, terwijl ze daar bitter schreiend het oude wijf stond na te kijken.
Ons Lotje was voor haar jaren een heel verstandig kind.
„Als ik den weg eens opging, dien het oude wijf gegaan is,” zei ze bij zichzelf, „dan kom ik zeker terecht!” En, hoe bang ze ook voor de dievegge van haar sieraden was, liep ze snel dien kant uit. Juist was zij den hoek van ’t pad om, toen ze het oude wijf op een heelen afstand een hoek zag omslaan. Zoo gauw ze nu kon, liep ze het rechte pad af; doch aan den hoek gekomen, welken ’t wijf was omgeslagen, kwam ze aan een kronkelpad en zag ze haar in geen velden of wegen. Toch sloeg ze dat kronkelpad in, en — wat hoorde ze daar? . . . Een rijtuig op den grooten weg!
„Dus ben ik dicht bij den straatweg!” riep ze uit. „Laat mij nu goed luisteren, waar het rijtuig rijdt; dan ga ik dien kant op.”
Duidelijk hoorde ze ’t ratelen der wielen harder worden, toen weer verminderen, eindelijk wegsterven. Maar ’t was nu geheel donker geworden en ’t zou haar dus moeilijk vallen om de gebaande paden te houden. Daarenboven hield ze die ook niet, want ze vreesde, en niet ten onrechte, dat die haar van den rechten koers mochten afleiden. Ze drong dus regelrecht naar ’t punt toe, door ’t lage dennenhout heen, dat hier gelukkig niet dicht op elkander stond; want ze smachtte er naar om op den straatweg te komen, waar ze waarschijnlijk menschen zou vinden, die haar den weg naar ’t dorp konden wijzen, of wellicht een rijtuig, dat haar zou meenemen. Hier en daar bleef ze aan de dennentakken vastzitten, waardoor ze een winkelhaak in haar jurkje haalde. Daar reed weer een rijtuig over den grooten weg. ’t Scheen een boerenwagen te zijn, dat kon ze aan ’t zware rollen hooren. Maar hij was dichter bij dan ’t vorige rijtuig, dat was zeker. Met moed zette ze dus haar koers voort, dwars door ’t geboomte heen, en — tot haar onuitsprekelijke blijdschap, stond ze eenige minuten later op den straatweg.
Intusschen was er nu wel veel, maar niet alles gewonnen. Ze wist niet, of ze rechts of links moest gaan. Ging ze den verkeerden kant op, dan verwijderde zij zich hoe langer meer van het dorp. Daarenboven — zouden er, bij den avond op den zoo zelden bereden weg nog rijtuigen komen? Wandelaars zeker niet; daarvoor was het te laat.
Daar stond ze weer in diepe gedachten stil, en hoe blij ze ook was, dat ze ten minste uit het bosch was, ze was nog allesbehalve thuis. Bedroefd zette ze zich op een steenhoop aan den weg neder.
„Ik zal wachten, tot ik de klok van ons dorp hoor slaan,” zeide ze. „Dan weet ik ten minste, welken kant ik gaan moet.”
Dat was heel verstandig van haar. Maar ik heb u ook al gezegd, dat ze voor haar leeftijd heel verstandig was. Het duurde echter lang, eer haar verlangen vervuld werd en ze de klok hoorde slaan. Waarschijnlijk had die juist geslagen, toen ze nog in ’t lage dennenhout was, en had ze haar daardoor niet gehoord; daarbij valt de tijd altoos dubbel lang, als men op iets wacht, en daarom scheen ’t haar toe, alsof die klok nooit zou slaan. Eindelijk, daar klonk het: „een, twee, drie, vier, vijf, zes, zeven, acht.”
„Halfacht of acht uur!” zeide zij verschrikt. „O, wat zal moeder ongerust zijn! Wie weet, waar ze mij zoeken! — Maar wat is die klok veraf. O, wat ben ik een eind van ons dorp afgedwaald! Wie weet, hoe laat ik thuis kom! Maar thuis kom ik toch vóór den nacht! Als ik maar niet zoo moe was! Ik moet nog een oogenblik blijven zitten, maar niet te lang: want ik heb zoo’n vaak, en als ik lang zat, dan had ik kans dat ik in slaap viel.”
’t Was heel verstandig geredeneerd; maar ’t zou nog vrij wat verstandiger geweest zijn, als ze maar terstond was opgestaan; want zonder dat ze ’t wist viel ze, terwijl ze slechts een oogenblik wilde uitrusten, in een diepen slaap, waaruit haar zelfs ’t geratel der wielen van een aankomend rijtuig niet wakker deed worden. Ze droomde juist van huis en van haar moeder, van Anton en kleine Pietje, toen ze wakker gemaakt werd door een heer, die over haar heen boog, en nog half slapend een rijtuig met twee brandende lantaarns op ’t midden van den weg zag stilstaan. Zoo slaperig was ze, dat ze weer ingesluimerd zou zijn, had de heer haar niet met een paar stevige armen opgenomen en in ’t rijtuig gedragen, waar hij haar naast zich neerzette.
IV. HOE ’T BIJ LOTJE AAN HUIS WAS.
Anton was naar zijn meester gegaan en had Lotje natuurlijk niet ontmoet. Enkele dorpsmeisjes, welke hij tegengekomen was en naar haar gevraagd had, konden hem geen uitsluitsel geven. Zoo kwam hij bij zijn meester, nam zijn les, en was zoo bezig met hetgeen hij leerde, dat hij Lotje geheel vergat. Toen hij echter ’t schoolhuis verlaten had en op straat was, kwam ze hem weer in de gedachten.
„O, ze zal nu wel al lang thuis zijn,” dacht hij, en stapte onbekommerd voort.
Maar in huis vond hij alles in rep en roer: moeder in doodelijke onrust over haar Lotje; tante Eef en Jaantje het dorp in, om bij al de kennissen te vernemen, of ze daar ook was.
„En ieder oogenblik kan je vader thuis komen,” riep zijn moeder uit. „En wat zal de goede man zeggen, als hij zijn Lotje niet vindt!”
„Moeder,” zeide Anton, „natuurlijk is Lotje in het bosch verdwaald. Hoe ze echter in ’t bosch gekomen is, begrijp ik niet.”
„Ik wel, of liever ik weet het,” antwoordde zijn moeder. „Met Keetje van hiernaast, Truitje en nog een ander meisje, is ze, door de heerlijke blauwbessen, die er stonden, verlokt geworden. De drie andere meisjes hebben zich dichter bij elkander gehouden; maar Lotje schijnt van haar afgedwaald te zijn; ten minste, toen ze naar huis wilden gaan en door elkaar te roepen, weer bij elkander kwamen, kwam, ondanks al haar schreeuwen, Lotje niet voor den dag. Wel een bewijs dus, dat zij verder afgedwaald was, dan zij vermoedden. Na nog eenigen tijd gezocht te hebben, gaven ze ’t zoeken op, en, eensdeels zich verbeeldende dat Lotje alweer op den straatweg zou zijn, in aantocht huiswaarts, misschien reeds lang thuis, voor zij ’t nog waren, anderdeels zelf niet langer uit durvende blijven, gingen ze terug en kwamen laat genoeg in het dorp aan, om ook haar ouders in onrust te brengen. En zoo zijn ze zonder ons lieve Lotje teruggekeerd.”
„’t Eenige wat er aan te doen is, moeder,” zeide Anton, „is, dat eenige mannen met fakkels mij vergezellen en we in ’t bosch zoeken. Zoo ver af kan ze toch niet gedwaald zijn, of we zullen haar spoedig vinden.”
„We zullen eerst de terugkomst van tante Eef en Jaantje afwachten,” zeide de angstige moeder. „Als Lotje soms hier of daar bij den een of ander aan ’t praten was, zouden we voor niet een geheele opschudding in het dorp veroorzaken. ’t Ergst van alles is, dat vader vanavond komt; en wat zal die wel zeggen, als hij Lotje niet vindt?”
„Misschien is ze vóór dien tijd wel thuis,” zeide Anton troostend. „Ik wou, dat tante Eef en Jaan maar terugkwamen; dan zouden we ten minste weten, wat we moeten doen.”
’t Duurde wel een half uur, eer beiden terug waren. Ze waren elk aan een kant van het dorp in de verschillende huizen geweest, waar Lotje kennissen had; maar Lotje hadden ze er niet getroffen.
„Och wat zou er toch met Lotje gebeurd zijn?” riep tante Eef schreiend uit, zoodra zij in huis kwam. „Begrijp eens, niemand heeft haar gezien!”
„Neen, juffrouw,” zeide nu Jaantje, die ook binnen kwam, „aan den anderen kant is Lotje ook niet geweest. Ik ben bij vrouw Jansen geweest, en die woont heel aan ’t eind van ’t dorp, maar zij wist er niets van.”
Terwijl men aan ’t beraadslagen was over ’t geen men doen zou, kwam er een rijtuig de straat oprijden.
„Dat zal vader zijn,” riep Anton uit. „O, op welk een ongelukkig oogenblik komt hij!”
„We kunnen hem met geen treurige gezichten ontvangen!” zeide zijn moeder, terwijl ze haar tranen droogde. „Eerst, als hij in ons midden zit, zullen we ’t hem vertellen. Mocht hij naar Lotje vragen, dan zeggen we, dat ze naar bed is. Eigenlijk ben ik blij, dat hij thuis komt; dan kan hijzelf maatregelen nemen, om haar te zoeken.”
Op dit oogenblik hield het rijtuig voor ’t huis stil, en snelde ze naar de deur, om haar man te verwelkomen. Spoedig was deze in de helder verlichte kamer, waar hij door zijn schoonzuster, Anton en Karel verwelkomd werd. Jacob en Pietje waren nog te klein om op te blijven en dus naar bed gebracht, omdat moeder niet wist, hoe laat vader misschien thuis zou komen.
Dat was een ontmoeting! Ge kunt begrijpen, dat de kapitein in de eerste verrukking zijn kleine Lotje zoo gauw niet miste. Hij zag ook niet, dat zijn vrouw en tante Eef roodgeschreide oogen hadden, en dat Anton een erg benauwd gezicht zette.
„Jongens, wat is het toch heerlijk om thuis te zijn,” riep hij uit, zoodra de eerste begroeting afgeloopen was. „’t Oude spreekwoord: „Oost, west, thuis best!” is wel waar. De man die het bedacht heeft, is zeker ook zeekapitein geweest!”
„Maar, Pa,” merkte Karel nu aan, „dat kan ik aan u toch niet merken. Als u het thuis dan zoo prettig vindt, waarom blijft u dan niet bij ons?”
„O, lepidum!” zeide de kapitein hartelijk lachend. „Weet je dan niet, dat ik juist telkens weg moet, om het hier zoo prettig, gezellig en huiselijk te maken? Als ik niet op reis ging, waar zou de schoorsteen dan van rooken?”
„Ja, dat is waar,” antwoordde Karel, „maar er blijven zooveel menschen thuis, bij wie de schoorsteen toch rookt! Als u nu eens iets anders werd?”
„Op mijn leeftijd, mijn jongen, gaat dat maar zoo gemakkelijk niet,” antwoordde de kapitein, „en daarenboven ik houd veel van de blauwe baren: de zee is mijn element!”
Onder het gesprek zaten tante Eef en Lotjes moeder elkander angstig aan te kijken, en zagen vol vrees het oogenblik te gemoet, waarop de kapitein naar Lotje zou vragen. Eensklaps gebeurde dit, en zeide hij:
„Waar is Lot?”
„Ze had zoo’n slaap en is naar bed gegaan,” zeide zijn vrouw.
„O, die luie meid! Kon ze niet opblijven, totdat haar vader thuis was?” zeide hij. „Kom, ik ga even naar boven en moet haar en de beide anderen toch eens kussen. Misschien wordt ze wel wakker, en dan breng ik haar mee naar beneden.”
Lotjes moeder zat in pijnlijke onrust. Als haar man boven kwam en hij vond Lotje niet in haar bedje, — dan zou hij zeker vreeselijk ontstellen en niet weten, wat er gebeurd was. Daarom zeide zij:
„Wacht nog even. Ze mocht eens schrikken, als ze je zoo in eens zag. Laat Eef liever naar boven gaan en zien, dat ze haar wakker krijgt. Slaapt ze dan zoo vast, welnu, dan kunt ge gerust gaan.”
„Nu, mij is ’t goed,” antwoordde de kapitein. „Eef, als je ’t wilt doen, ga dan maar gauw; want je begrijpt wel, dat ik erg naar Lot verlang.”
Toen tante Eef naar boven was, begon Lotjes moeder:
„Hoor eens, lieve man! Ik moet je iets mededeelen. . .”
„Wacht even met je mededeeling,” viel hij zijn vrouw in de rede, „want daar hoor ik voetstappen op straat. ’t Zijn zeker de mannen met het cadeau, hetwelk ik je uit de Oost heb meegebracht. Ik moet er zelf bij zijn, dat ze ’t voorzichtig dragen; anders mocht het eens breken.”
„Laat Anton dat maar doen,” zeide zijn vrouw.
„Neen, ik vertrouw ’t niemand toe dan aan mijzelf. Ik heb het opzettelijk in den Gouden Valk van de imperiaal der vigilante laten afhijschen, om dat ik bang was dat de koetsier met Jaan het niet voorzichtig genoeg zouden doen. Ha! daar schellen ze reeds!”
En eer zijn vrouw er iets tegen doen kon, was hij de kamer al uit en naar de voordeur.
Kort daarna kwamen er twee mannen met een lange, vierkante mand binnen. De kapitein liep er naast.
„Voorzichtig maar! Voorzichtig!” riep hij.
Nadat de mannen de mand voorzichtig hadden neergezet en ze, na van den kapitein een fooi gekregen te hebben, vertrokken waren, zette deze de lamp dicht bij den rand der tafel, en een oogenblik vergat Lotjes moeder haar verdriet, uit nieuwsgierigheid, wat er toch voor kostbaars uit die mand zou komen. Ook Anton en Karel stonden er vol verwachting bij. Juist kwam tante Eef van boven. Haar zuster wenkte haar, dat ze haar man nog niets van Lotje gezegd had.
„Lot slaapt zoo vast, dat ik haar niet wakker kan krijgen,” zeide ze.
„Nu, dat is niets,” zei de kapitein. „Dan zal ik haar straks wel wakker kussen. Kom nu echter hier, Eef; dan zal ik je eens laten zien, wat ik voor mijn vrouw uit de Oost heb medegebracht. Je zult zeker nog nooit zoo’n cadeau aanschouwd hebben.”
Ook tante Eef kwam bij de mand staan, waarvan de kapitein de touwen heel bedaard lossneed. Toen nam hij er het deksel af, en — daar verrees met een lachend gezicht en beide armen naar moeder uitgestrekt, de kleine verlorene dochter, de lieve Lotje.
Met een kreet van blijdschap nam de verrukte moeder het kind uit de mand en barstte in tranen van lang opgehouden aandoening uit.
„Moe! lieve Moe! Ik zal ’t nooit weer doen!” riep Lotje.
„Goddank! dat ik je terug heb!” riep de moeder. „Ondeugende man! om mij zoo te doen schrikken,” zeide ze onder haar tranen door lachende.
„Ondeugend?” vroeg de kapitein. „Omdat ik je ons Lotje terugbreng?”
„Maar hoe hebt ge haar toch gevonden?” vroeg zij.
„Dat zal ik je straks vertellen, en daarna mag Lotje spreken. Doch gaat eerst allen zitten, en tante Eef, krijg een fijne flesch wijn en laat Jaan dan glazen geven; dan zullen we straks op mijn welkomst en den gelukkigen terugkeer van ons lieve Lotje drinken.”
„Dat is goed,” zeide zijn vrouw, die met Lotje op haar schoot aan de tafel ging zitten. ’t Was alsof ze bang was, dat het kind haar weer ontnomen zou worden.
„Je bent je belletjes kwijt, en je ketting ook!” zei ze, toen ze haar Lotje goed bekeek. „Waar heb je die gelaten, Lot?”
„Dat zal ze je straks wel vertellen,” zeide de kapitein. „Ha, daar is Eef al met den wijn en Jaan met de glazen! Geef nu maar hier, dan zal ik de flesch opentrekken, en schenken we de glazen vol, om straks te drinken.”
Nadat hij dit gedaan had, vertelde de kapitein:
„Ik reed langs den straatweg, toen de koetsier eensklaps ophield. — „Wat is er?” — vroeg ik hem. „Is er wat met de paarden of ’t rijtuig gebeurd?” — „Neen, mijnheer,” antwoordde hij. „Wees maar volkomen gerust. Doch zie eens, daar aan den kant van den weg, daar zit een klein meisje op een hoop steenen te slapen.” — „’t Zal een bedelaarskind zijn,” zeide ik. — „Ik geloof ’t niet, mijnheer,” antwoordde hij; „’t heeft ten minste, voor zooveel ik zien kan, een hoedje op.” — In een oogenblik was ik het rijtuig uit, en daar zag ik werkelijk bij ’t licht, dat de lantaarns op haar wierpen, een klein slapend meisje zitten. Ik riep haar wakker; ze keek even op, maar liet haar hoofdje weer zakken. — „Ik zal haar in ’t rijtuig nemen,” zeide ik en tilde haar op. „’t Is zeker een kind van ons dorp, dat te ver geloopen en hier in slaap gevallen is.” — Dit zeggende, nam ik het slapende kind op en droeg het naar ’t rijtuig. Doch eer ik er het kind inlegde, hield ik het dicht bij een der lantaarns van ’t rijtuig, om te zien, of ik ’t ook kende. Verbeeldt u, hoe verbaasd ik opkeek, toen ik daar mijn lieve Lotje zag, ofschoon met blauwe lippen en blauwe vingers, die mij verrieden, dat ze aan ’t boschbessen plukken geweest was. Nu maakte ik haar wakker. En toen ze mij herkende en de armpjes om mijn hals sloeg, om mij met haar blauwe bekje te kussen, week alle slaap uit haar oogen. Ik zette haar nu in ’t rijtuig, nam haar op mijn schoot en nu moest ze me vertellen, hoe ze hier gekomen en wat haar al zoo gebeurd was; en dat mag ze straks nog eens aan u allen doen. Doch eerst moet ik mijn vertelling afmaken. Ik beval nu den koetsier, om aan den Gouden Valk stil te houden. — „Hemel! kapitein,” riep de kasteleines uit. „U hier! En Lotje bij u! Nu, dat is een geluk! Uw vrouw heeft al door ’t heele dorp naar haar laten zoeken en is mooi in angst.” — „Kom, dan zullen we eens een grap hebben. Vooreerst, juffrouw, moest je eens even de blauwe dame schoonmaken; en dan, kastelein, heb je geen leege champagnemand, waar ze in kan? Dan rijd ik naar huis, en laat jij de mand voorzichtig door een paar mannen aan huis brengen. Als ze te gelijk met mij de deur uitgaan, zijn ze er juist op hun tijd.” — De kastelein vond die verrassing zoo aardig, dat hij spoedig met een leege mand kwam aandragen. Nu vertelde ik Lotje, dat ze heel zoet in de mand moest gaan liggen en vooral heel stil zijn, als ze bij Moe in de kamer kwam; en ’t kleine ding heeft zich goed gehouden. Heeft ze niet, Moe?”
„Nu, dat zou ik zeggen!” zeide Lotjes moeder, terwijl ze haar lieveling nog eens aan haar hart drukte.
„En nu,” zei de kapitein, zijn glas opnemende, „nu op mijn terugkomst en de gelukkige terugvinding van onze lieve Lotje!”
„Daar drinken we volgaarne op,” zei tante Eef. „En dat je nooit weer in de noodzakelijkheid moogt komen, om je vrouw zulke presenten uit de Oost mee te brengen!”
„Dat wensch ik van harte!” zei de kapitein lachende.
„Maar nu is de beurt aan Lotje, om te vertellen,” vervolgde hij, nadat men gedronken had. „En als je haar gehoord hebt, zul je moeten toestemmen, dat het kleine ding geducht bijdehand is! Was ze dat niet geweest, dan zat ze misschien nog midden in ’t bosch te slapen, en dan konden we met een aantal fakkeldragers haar gaan opzoeken. Door haar gevatheid heeft ze gemaakt, dat mijn thuiskomst een dubbel feest is.”
Lotje vertelde nu, wat ze haar vader reeds verhaald had, en wat we ook alreeds weten.
„Hoe slim, niet waar?” zei de kapitein, toen Lotje haar vertelling gedaan had, „om ondanks haar verdriet en angst dat oude wijf in de verte te volgen en toen door dik en dun regelrecht op den rijweg af te gaan en te wachten tot de klok sloeg, om geen verkeerden kant in te slaan.”
„Maar ’t was niet slim van je, Lot, dat je gingt slapen,” zeide Anton.
„Ik had zoo’n slaap en ik was zoo moe,” zei Lotje heel onnoozel.
„En zouden we niets kunnen doen, om haar belletjes en haar ketting terug te krijgen?” vroeg haar moeder.
„Ik vrees, dat alles tevergeefs zal zijn,” antwoordde de kapitein. „De dievegge zal wel zorgen, dat ze vooreerst niet hier op het dorp komt; want Lotje heeft haar gezegd, waar ze woonde; — dus dat weet ze. En waar zul je ’t wijf vinden, dat waarschijnlijk een landloopster is en ’t gestolen goed zoo gauw mogelijk van de hand zal doen. Ze zijn nu eenmaal weg, en ’t is geen doodwond. Laat ons er dus maar geen moeite voor doen. — Lot krijgt van mij andere belletjes en een anderen ketting, zoodra ik naar Amsterdam moet, hetgeen over een paar dagen ’t geval zal zijn, als mijn schip in ’t Oosterdok ligt. Laat ons maar tevreden zijn, dat we ons lieve kind gezond en ongedeerd weer hebben! Beter de belletjes en de ketting weg, dan mijn Lotje.”
Toen de eerste verrukking een weinig bedaard was, herinnerde Lotje zich het gesprek, dat zij met Keetje had gehad, en zij besloot nu dadelijk met haar verzoek voor den dag te komen. Zij bedacht zich even en zette, terwijl ze dat deed, zulk een ernstig gezichtje, dat de kapitein uitriep: „Wel, Lot, waar zit je zoo vreeselijk ernstig over te denken? Je zet een gezicht, alsof je weer naar het bosch moest.”
„Pa, ik wou u wel eens wat vragen,” zeide Lotje bedeesd, „en ik zou zoo heel graag willen, dat u het deed.”
„Wat is dat een geheimzinnig begin,” zeide haar vader lachend. „Ik kan toch vooruit niet beloven, dat ik doen zal wat je wilt. Wie weet, welke dwaze gedachten er in dat kleine hoofdje huizen!”
„Neen, Pa, ’t is heusch niet dwaas,” beweerde Lotje ernstig.
„Kom, biecht dan maar op,” zeide Anton vroolijk. „Wie weet, welke slimme gedachten Lot in het bosch gekregen heeft!”
„Jongen, je begrijpt er niets van,” antwoordde Lotje. „En ik zou het wel aan uw oor willen vragen, Pa,” voegde zij er vleiend bij. „Nu, kom dan maar hier, op mijn knie,” zeide de kapitein. „En vertel mij dan eens, wat voor vreeselijke zaken je te zeggen hebt.” Lotje zat nu op haar vaders knie, sloeg haar beide armpjes liefkoozend om zijn hals en legde haar wang tegen zijn baard, terwijl zij fluisterde:
„Als u weer naar zee gaat, Paatje, dan moet u ons allemaal mee op ’t schip nemen.”
„Jullie allemaal meenemen!” riep de kapitein uit, die groote oogen opzette. „Lot, hoe kom je aan dat dwaze denkbeeld? Begrijp eens,” voegde hij er tot de anderen bij, „Lotje wil, dat ik jullie allemaal mee op ’t schip neem, als ik weer op reis ga!”
„O, hoe kom je daaraan?” riep haar moeder lachend uit. „Nu, man, je zoudt een schip vol krijgen.”
„Lotje is zeker bang, dat zij weer verdwalen zal,” merkte Anton nu aan, „en ze denkt, dat we haar op het schip gauwer zullen vinden.”
„Vindt u het dan zoo heel gek?” vroeg Lotje onschuldig. „Wij konden dan allemaal bij elkander blijven, en Moe zou niet meer huilen, als het zoo hard waait.”
„Ik zou het ook wel prettig vinden, als wij bij elkander konden blijven,” antwoordde de kapitein, terwijl hij haar over haar krullebol streelde. „Maar op zee zou ik jullie toch liefst niet bij mij hebben; ik zou maar bang zijn, dat je in het water vielt of zeeziek werdt.”
„En, Lot, hoe moest het dan met je schoolgaan?” vroeg Anton. „Of zou je het leeren er maar aan geven?”
„Wel neen, Pa moest een meester mee aan boord nemen, en dan was het toch even zoo goed alsof wij schoolgingen: we konden dan immers ook leeren,” zeide Lotje.
„’t Is heel aardig van je bedacht, Lotje; en ’t zou voor mij heel gezellig wezen, maar het zou je aan boord volstrekt niet bevallen. We zullen de zaken dus maar laten, zooals ze zijn; en daar heb je een lekkere wafel, eet die nu maar eens smakelijk op.”
Lotje was de heldin van dien avond. Maar dit beloofde ze, dat ze nooit weer met een of meer van haar vriendinnetjes blauwbessen in het bosch zou gaan plukken. Als ze het dan wou doen, zou ze vragen, of vader of moeder of tante Eef meeging.
Den volgenden ochtend ging Lotje weer naar school. Zoodra zij op de plaats voor het schoolhuis kwam, werd zij aan alle kanten met vragen bestormd, want het was nog een minuut of tien te vroeg, en dus stonden de meisjes buiten een beetje met elkander te praten.
„Welkom in het leven, Lot!” riep Truitje uit.
„Lot, waar heb je gisteren toch gezeten?” riep Keetje.
„We dachten, dat je verongelukt waart,” zeide een ander.
„Of door de kunstenmakers meegepakt!” zeide Truitje.
„Meisjes, weest nu eens stil, dan zal ik jelui op de hoogte brengen,” zeide Lotje.
„Maar waar was je toch, Lot?” vroeg nu Keetje weer.
„Ik mag wel vragen, waar jelui waart,” antwoordde Lotje. „’t Is wat moois, om mij in den steek te laten. Ik heb jullie geroepen en geschreeuwd van belang, want ik had zoo’n heerlijk plekje gevonden! ’t Stond er vol blauwbessen; ik kon ze allemaal niet opeten. En ze waren zoo lekker rijp! Jullie hebben wat gemist!”
„Maar waar heb je toch gezeten, Lot?” herhaalde Keetje. „Iedereen is doodelijk ongerust over je geweest.”
„Ik was verdwaald,” antwoordde Lotje en vertelde nu in kleuren, hoe alles zich had toegedragen. Toen zij aan die ontmoeting met de dievegge kwam, zeide Keetje:
„Hoe jammer, dat je je belletjes en kralen kwijt bent! Heb je knorren gehad?”
„Wel neen, Keetje, volstrekt niet. Moe was veel te blij, dat ze me weerom had,” antwoordde Lotje. „En Pa gaat gauw naar Amsterdam en zal dan nieuwe voor mij koopen.”
„Nu, dat is prettig,” riep Truitje uit. „Maar daar slaat het negen uren; kom, ga mee naar binnen.”
Een dag of wat later ging de kapitein met Anton naar Amsterdam en bracht, behalve verschillende cadeaux, voor Lotje een klein pakje mede, waarin een paar oorbelletjes en een bloedkoralen ketting met gouden slot waren; en op dat pakje stond met groote letters: Voor
HET VERDWAALDE KIND.