Note 2 — De Man in den Stampersblok1
Reading edition
Hij sprak alzoo, opdat zij hem kiekens zouden slachten. Maar de vrouwen droegen de boonen weg, namen hunne korven en mandekens en gingen naar ’t hooge gras. Hij, hij bleef zitten in de warmte van ’t dorp, hij wist niet waar henen, ’t was een dorp van vreemdelingen. Wat hij zoude eten, niets. Hij begon honger te krijgen, en hij begon zich te berouwen, alzoo: Wo! E ngwa mono tata2! Ai! He, moeder, ik vader, de schaamte eet mij op. Toen zij mij boonen gaven, ik, ik eet geene boonen. Waarlijk, de jonkheid heeft mij bedrogen. Wacht, ik ga ten minste den stampersblok uitlekken.