← Table of contents
Twee Vrinden

Hoofdstuk XIII.

Reading edition

Twee dagen voor Kerstmis, komen Grootmoeder, Arthur, Oom en Tante Bantam en Lili tegelijk op Beukenwoud aan. Tante Colesberg komt hen in de vestibule tegemoet, en een prettige, geurige warmte komt hen tegen uit de huiskamer. Er staan overal groote potten en vazen met dennetakken en hulst met roode besjes. Ze doen hun mantels en jassen uit in het kleine spreekkamertje en als ze daarna binnen komen in de huiskamer, loopen ze allen naar de zijramen om in de menagerie te kijken.

„Mijn lieve Lili,” zegt tante Colesberg, „ik ben een en al verbazing, wat loop je goed, je hebt niet veel steun meer noodig.”

„O tante, het is zoo heerlijk; ik heb ook al even in de sneeuw geloopen bij ons in den tuin; het gaat hoe langer hoe beter. O kijk eens, wat zijn er veel duiven, zijn ze nog zoo mak?”

„O ja, wil je het zien? Herman!” zegt tante tegen haar zoon, „wil je Jantje even halen?”

Neef gaat dadelijk naar buiten, fluit en neemt wat maïs uit zijn vestjeszak en als hij de hand uitsteekt, komt er dadelijk een aardig wit duifje op zitten en pikt gretig de korrels op. Daar komen er nog twee en gaan op neefs arm zitten en nu komt neef met de drie duifjes de kamer in.

„O wat aardig!”

„Dit kleine makke diertje is Jantje en dat is Beb en dezen heb ik naar jou genoemd.”

„Ja? naar mij? Arthur?”

„Neen, Mung noem ik hem, is het goed?”

„Ja neef, best, maar waarom heet die andere Beb? wie is dat?”

„Beb Dolijn woonde hier vroeger, een heel lief meisje, zij hield zoo veel van haar duifjes en daarom heb ik er een naar haar genoemd.”

„Waar is nu het kippekamertje?”

„Wou je het graag zien? kom dan maar mee.”

„Ik wou ook mee, daar mag ik immers logeeren,” zegt Lili en neef en Arthur helpen haar de trap op en ze komen op een aardig kamertje, dat in de ménagerie uitziet.

„Hé, wat heb je hier een mooi uitzicht, wat aardig al die eenden en kippen; kijk, een ooievaarsnest, wat leuk, en daar aan den vijver zie ik een koepeltje.”

„Ja, er is hier een heele boel te kijken,” zegt neef, „zie je wel de kippenbrug, daar naar het bosch toe? daar gaan de kippen zoo graag in het eikenblad krabben, maar nu kunnen ze er niet bij komen door de sneeuw. Nu naar Nova Zembla.”

„Nova Zembla?”

„Ja; dat is een kamertje op het Noorden, daar ben je toch niet bang voor? daar sliepen vroeger ook jongens van mijnheer Dolijn.”

„O, neen neef,” zegt Arthur, „ik ben niets bang voor koû, dat is frisch.”

Ze gaan over den overloop en daar ziet Arthur iets op den deurpost geschreven; hij leest:

„Arthur is een muziekmannetje.”

„Wat is dat? wie heeft dat gedaan, ik doe nooit aan muziek.”

Neef lacht en zegt:

„Dat is Arthur Dolijn, die hier vroeger woonde, er staat hier nog meer, kijk maar:

„Jongeheer Arthur,

„Eet 12 boterhammen in één uur.”

„Kijk eens hier:

„Pumpie is een soes

En Meta is een snoes.”

„Ga nu mee naar Nova Zembla, daar staat ook nog wat gekrabbeld.”

Arthur en Lili zien op de vensterbank allerlei letters, E. D. en A. D. F. B. F. H. en W. H.

„Wie zijn dat allemaal?” vraagt Arthur.

„Ja, dat weet ik niet, maar kijk hier eens: „E. is een ezel, D. is een duivel en U. is een uilskuiken.”

Lili en Arthur schateren van het lachen en Lili zegt:

„E. D. U., dat is Edu, dat zal hij wel niet zelf gedaan hebben; o kijk eens:

„E. is edel, D. is dapper, U. is ulevel.”

„Die is prachtig, dat heeft Edu zeker wel zelf gedaan.”

Ze zoeken nog meer, maar ze kunnen niets meer vinden.

„Kom, het is hier koud, ik verlang naar de warme kamer, jullie ook?”

Ze gaan samen naar beneden en ze vinden het erg gezellig in de huiskamer. Ze drinken thee met kattetongetjes en ze praten over alles en nog wat. Na het eten zitten ze om den knappenden haard; ze kraken noten en mogen de doppen in het vuur gooien, en neef doet er ook wat dennenappels op, het knapt en knettert zoo heerlijk. Tante Colesberg en neef vertellen allerlei dingen, die ze hier gehoord hebben over de familie Dolijn en dat vinden Lili en Arthur erg prettig om te hooren.

Den volgenden morgen zegt tante Colesberg:

„Ik zend een mand met appels en dennetakken naar Amsterdam aan de familie Dolijn, wil jullie helpen?”

„Graag tante.”

Arthur en Lili wrijven de appels en peren tot ze glimmen; er worden ook noten in gepakt; dennetakken en hulst gaan er boven op en Willem, de tuinman, komt met een stuk linnen, touw en een paknaald om het dicht te naaien.

„Dat doe je geloof ik graag?” vraagt neef.

„Ik doe niets liever dan vrachtjes zenden aan de familie Dolijn,” zegt Willem, „wat zullen de kinderen blij zijn, och, och, wat waren ze hier graag!”

De dagen vliegen om, veel te gauw en als Arthur den laatsten avond in zijn bed ligt en door Grootmoeder wordt toegedekt, zegt hij:

„Wat is het toch vreemd verdeeld; wij hebben het zoo vreeselijk goed en er zijn er zoo veel die het zoo ellendig hebben, dat is toch akelig.”

„Ja beste jongen, dat is heel ongelukkig, vooral als de ellende tot slechtheid brengt!”

„Grootmoeder, wat is het toch gelukkig om rijk te zijn.”

„Neen mijn jongen, zeg dat niet, het geld brengt volstrekt niet altijd geluk aan, heel dikwijls het tegendeel. Voor menigeen zou het een geluk zijn, minder geld te hebben en gedwongen te zijn hard te werken.”

„Maar Grootmoeder, als men rijk is, kan men er veel goed mee doen.”

„Ja, als men dat altijd deed, zou het geld geluk aanbrengen, maar het geld brengt zoo veel menschen tot luiheid en zorgeloosheid. Men moet heel flink en verstandig zijn om een goed gebruik van het geld te maken, en als men dat niet kan, is het veel beter arm te zijn. En veel geld geeft veel zorgen; een man die met een kermiswagen door het land trekt, heeft het dikwijls gemakkelijker dan een schatrijk man.”

„Hé Grootmoeder, hoe kan dat?”

„Als men veel geld heeft en als men het goed wil besteden, moet men heel knap en verstandig zijn, men is dan verplicht heel veel voor de maatschappij te doen.”

„Dus moet men heel knap en verstandig zijn als men rijk is?”

„Ja beste jongen, heel knap en heel goed.”

Arthur denkt hier veel over na; hij weet dat zijn vader heel rijk is en dat hij het waarschijnlijk ook zal worden. „Als ik dus knap word,” denkt hij, „zal ik een goed gebruik van het geld kunnen maken; gelukkig dat ik nog veel kan leeren.”

Als Grootmoeder en Arthur terug komen op Conifera, worden ze verwelkomd door Constant, die blij is dat Arthur er weer is.

„Hè, ik vond het saai, dat je weg waart, ik ben hier elken dag geweest om een eind met Pandoer te wandelen, we hebben geprobeerd om elkaar op te vroolijken. Maar we hebben toch prettige Kerstdagen gehad; de Kerstboom was prachtig.”

„Ik vind het niets naar om weer naar school te gaan,” zegt Arthur.

„Ik ook niet,” zegt Constant, „het is zoo prettig om samen te gaan.”

„En het is ook zoo prettig om met een mooi rapport thuis te komen,” zegt Arthur.

„Jongens,” zegt Grootmoeder, „ik ben blij, dat jullie er zoo over denkt, nu kun je het ver brengen en twee mannen van beteekenis worden.”

„Maar ook altijd twee vrinden.”

DE FAMILIE GODARD van dezelfde schrijfster, is het vervolg op dit werkje.

De volgende KINDERWERKJES zijn verschenen bij ALLERT DE LANGE Uitgever TE AMSTERDAM en zijn alom verkrijgbaar.
De volgende KINDERWERKJES zijn verschenen bij ALLERT DE LANGE Uitgever TE AMSTERDAM en zijn alom verkrijgbaar.

ALLERT DE LANGE, Uitgever, Amsterdam.

KINDERWERKJES:

Andriesse (K.), In het armhuis. Een vertelling. post 8o.

f 0.60; geb. f 0.90.

Bruyn (A. J.), De Zoon van den Rentmeester. groot 8o. Geïllustreerd

f 1.50; geb. f 1.90.

Fabius-Cremer Eindhoven (M.w.), Jongens lief en leed. Een boek voor jongens. Geïllustreerd met 4 gekl. platen van Jacoba. post 8o.

f 1.50; geb. f 1.90.

——, Pension „Van Hagen”. Een verhaal voor jongens en meisjes van 10–14 jaar. post 8o. met 2 gekleurde platen.

f 1.50; geb. f 1.90.

——, Het geheim van de Pastorie. Een vertelling voor de jeugd. post 8o. met 4 platen.

f 1.50; geb. f 1.90.

——, De Verheidens. post 8o. met 4 pl.

f 1.50; geb. f 1.90.

——, Op avontuur. Een verhaal voor jongens. post 8o. met 4 platen.

f 1.50; geb. f 1.90.

Langermans (Mej. W.), Vriendjes, die ik gekend heb. Zeven vertellingen voor kinderen van 8–11 jaar. post 8o. geïllustreerd.

f 1.25; geb. f 1.75.

——, Naar Zee.

f 0.275.

——, Gekke Jan.

f 0.275.

Rye (A. J. van) en E. C. Houbolt, Herman’s eerste Zeereis. post 8o. geïllustreerd

f 1.50; geb. f 1.90.

Rye (A. J. van) en E. C. Houbolt, De Spion. Een verhaal uit het jaar 1672. post 8o. geïllustr.

f 1.50; geb. f 1.90.

——, De jonge gijzelaar. Een verhaal uit het begin van den tachtigjarigen oorlog. post 8o. geïllustr.

f 1.50; geb. f 1.90.

——, Odo, De Batavenknaap. gr. 8o. Geïllustreerd.

f 1.50; geb. f 1.90.

Traynel (O. de), Het gestolen geheim. Kinderboek. post 8o. Geïllustreerd.

f 0.90; geb. f 1.20.

Vries (J. H. de), Uw Levensweg.

f 2.50; geb. f 2.90.

——, Teunis de Boer.

f 0.50; geb. f 0.80.

——, De verdwaalde reiziger.

f 0.50; geb. f 0.80.

——, Het huisje van Jeanne d’Arc.

f 0.50; geb. f 0.80.

——, De uitgehongerde wolf.

f 0.50; geb. f 0.80.

——, De onbekende redder.

f 0.50; geb. f 0.80.

(Deze vijf werkjes vormen Uw levensweg.)

Wijk (C. van), De geschiedenis van drie dappere Indianen. post 8o.

f 0.35; geb. f 0.60.

——, De strijd om de schatten van oom Tom. post 8o.

f 0.35; geb. f 0.60.

——, Prins zwartrok. post 8o.

f 0.35; geb. f 0.60.

——, Wildbrugge, bevattende de drie bovenstaande werkjes in één deeltje.

f 0.90; geb. f 1.35.

Wijthoff (Henriette), Ook een held. Vertelling. 2e druk. post 8o. Geïllustreerd.

f 0.125.

——, Schoorsteenvegertje. 2e druk.

f 0.125.

Wijthoff (Henriette), Achter de tralies. (Met plaat). post 8o.

f 0.125.

——, De bovenste sport. (Met plaat). post 8o.

f 0.125.

——, Het ezeltje van den zandman. post 8o.

f 0.125.

——, Vriendjes. Vertelling. post 8o.

f 0.125.

——, Kleine helden. post 8o. (Dit werkje bevat de bovenstaande zes vertellingen in één deeltje)

f 0.90; geb. f 1.25.

——, Aries Zusje. Kerstvertelling. 2e druk, post 8o. (Met een plaatje).

f 0.125.

——, Lindenbloesempje. 2e druk, post 8o.

f 0.125.

——, Uit Glanskopjes leven. Paaschsprookje. 2e druk. post 8o.

f 0.125.

——, Grootmoeder. Paaschsprookje. 2e druk, post 8o.

f 0.125.

——, Op de heide. 2e druk, post 8o.

f 0.125.

——, Zangvogeltje. Pinkstervertelling. 2e druk, post 8o.

f 0.125.

——, Piet en Pietertje. 2e druk, post 8o.

f 0.125.

——, In den mist. 2e druk, post 8o.

f 0.125.

——, Oude jaar buiten het nestje. 2e druk, post 8o.

f 0.125.

——, Kinderen als wij. Vertellingen voor jongens en meisjes. Met een plaatje van Anna Wijthoff. 2e druk, post 8o.

f 0.90; geb. f 1.25.

(Dit werkje bevat bovenstaande 9 verhalen).

Oorspronkelijke rug.
Oorspronkelijke rug.
Oorspronkelijke achterkant.
Oorspronkelijke achterkant.
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings