← Table of contents
Tocht naar de dalen van den kinaboom (Peru)

Tocht naar de dalen van den kinaboom (Peru). (continued 2)

Reading edition

Huatinmio, dorp der Siriniris.
Huatinmio, dorp der Siriniris.

Huatinmio, dorp der Siriniris.

Nu volgde een tooneel van uitgelaten dartelheid, waarvan wij de weerlooze slachtoffers waren. De Chunchos bespotten ons met woorden en gebaren, en begonnen eindelijk onze aangezichten, die hun waarschijnlijk te bleek voorkwam, met plantensap te verven. Nadat dit een poos geduurd had, en de wilden alles bijeen hadden geraapt wat nog vatbaar was om medegenomen te worden, verwijderden zij zich, lachende en met de hand afscheidsgroeten toewuivende.

Wij bleven nog een poos roerloos zitten, niet anders denkende dan dat de dieven aanstonds weder terug zouden komen. Toen wij ons eindelijk overtuigd hadden dat zij voorgoed vertrokken waren, rezen wij op, daalden van den heuvel af, en gingen het bosch in. Weldra werd onze marsch een overhaaste vlucht: wij stormden voort, dwars door struiken, kreupelhout en lianen en doornen, zonder ons te bekommeren over onze gescheurde kleederen of opengereten handen en beenen. Eindelijk bereikten wij den oever van de Ayapata, waar wij, verscholen onder het dichte houtgewas, eenigen tijd rustten, en beraadslaagden wat ons verder te doen stond. Onzen honger stilden wij met eenige wilde vruchten, die de cascarilleros, op handen en voeten voortkruipende, gingen opzoeken. Na een uur gerust te hebben, vervolgden wij onzen tocht, altijd even hard loopende, en beurtelings den oever en het bosch volgende, om de wilden het spoor bijster te doen worden. In den namiddag vonden wij een grooten drijvenden boomstam, waarvan wij gebruik maakten om naar den linker oever van de Ayapata over te steken, waar wij dadelijk het woud ingingen. Wij moesten nu nog de rivier de Ollachea oversteken, om de vallei van Marcapata te bereiken, vanwaar wij uitgegaan waren.

Nog twee dagen verliepen er, eer wij de rivier de Ollachea bereikten: twee dagen van bijna doodelijke vermoeienis en ontbering. Wij leefden van wilde vruchten en wortelen, die het woud opleverde, en konden niet dan met groote moeite voortgaan. Wij doorwaadden de Ollachea op de plaats, waar zij, in twee armen zich splitsende, eene bruikbare voorde heeft, en zetten onzen tocht voort naar de Camantis, waar wij na verloop van nogmaals twee dagen aankwamen. Daar mochten wij ons vleien veilig te zijn voor verdere ontmoetingen met de Chunchos, die ons als onze schaduw gevolgd waren; wij maakten dus een groot vuur aan, en deden ons te goed aan vruchten, benevens aan sprinkhanen en slakken, die wij lieten braden. Onze dragers wisten bovendien, met groote behendigheid, eenige palmboomen te beklimmen, en met behulp van mijn mes, het eenige dat ons nog overgebleven was, de zoogenaamde palmkool af te snijden, die eene ware lekkernij was.

Den volgenden morgen hervatten wij met frisschen moed, onzen tocht. Bij het wederzien der bekende punten, was het ons of wij een nieuw leven tegemoet gingen. Hoe ook vermoeid en uitgehongerd, trokken wij opgewekt en blijmoedig voort, zeker, dat wij nu den eindpaal van ons lijden naderden. Weldra bereikten wij Maniri, en dan, na een geforceerden marsch, Sausipata, waar wij ons te goed deden aan de onrijpe vruchten in den tuin van den gobernador van Marcapata, den oom van Aragon. Zoo ging de tocht nu rustiger en met minder overhaasting voort, van station tot station, tot wij eindelijk, op zekeren namiddag Marcapata in het gezicht kregen, waar men bereids van onze nadering onderricht was. Nauwelijks hadden wij het vlek betreden, of de pastoor en de gobernador kwamen ons te gemoet om ons te begroeten. Toen zij ons zagen, konden zij een uitroep van verbazing en medelijden niet bedwingen: in plaats toch van de vroolijke, hoopvolle reizigers, die, met blijden moed, nu twee maanden geleden, afscheid van hen genomen hadden, vonden zij uitgeputte, uitgehongerde wezens, in lompen gehuld, door de zon verbrand en door de venijnige insecten en de scherpe doornen onbarmhartig toegetakeld. “Ach, mijn zoon, zeide de waardige geestelijke tot mij, terwijl hij mij bij het afstijgen hielp; dat komt er van, wanneer men in het land der ongeloovigen cascarillas gaat zoeken.”

Wij begaven ons nu naar de pastorie, waar wij twee dagen vertoefden. Na met onze tolken en dragers afgerekend te hebben, namen wij afscheid van den braven pastoor, en vervolgden onze reis naar Cuzco, waar ik aan Juan Sanz de Santo-Domingo een uitvoerig verslag van het resultaat onzer expeditie ter hand stelde. Acht dagen later had ik mij weder op reis begeven, en stond ik aan den oever van het heilige meer Titicaca.

Gezicht op de oevers van den Cconi.
Gezicht op de oevers van den Cconi.

Gezicht op de oevers van den Cconi.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings