TWEEDE BEDRIJF
Reading edition
More’s paviljoen te Chelsea.
More, Margreet, een kind van Margreet zit op More’s knie. Dienaar. Later Bisschop Cranmer en de Hertog van Norfolk.
MARGREET (lezend) En Crito, dit gehoord hebbende sprak tot Sokrates.... DIENAAR Heer Thomas, de Hertog van Norfolk en bisschop Cranmer vragen om u te spreken. MORE Breng de heeren hierheen.—Doe ’t boek niet dicht, mijn kind: wij zullen na het bezoek verder lezen. (Cranmer en Norfolk treden binnen) Welkom, mijnheeren. Zet u. Het is lang sinds wij elkander zagen. In mijn woning zijn gaste’ als gij nu zeldzaam gelijk bloemen in wintertijd, en des te warmer welkom. CRANMER Plato, naar ik zie. Het doet mij leed, dat wij u en uw dochter storen in zoo zoete genieting.... maar ’t geldt een zaak van gewicht.... Wij wenschten u vertrouwelijk te spreken.... MORE Ik heb voor deze geen geheimen. NORFOLK ’t Zijn Zaken van staat. MORE ’k Meende, met zulke zaken te hebben afgedaan.—Laat ons alleen, Margreet. (Margreet en kind af.) NORFOLK Ik zou u haast benijden, More. De last der openbare zaak is van uw schouders gelicht; ge zijt gezond, nog krachtig, uw lieven vorme’ om u een dubblen ring van kind’ren en kindskind’ren: daarin straalt ge, hun middelpunt, hun zon; en al uw uren moogt g’ als u lust verdeelen, tusschen ’t zoet verkeer met de geliefde uwer jeugd: de studie, en het zorgloos samenzijn met d’uwe’ in teeder kooze’ of luchte scherts; terwijl wij in de stormbewogen tijden, van onzen post, met zorgbezwaarde harten de golven zien bespringen ’t schip van staat, en onze willen spannen, ze te keeren.— Gelukkig man! MORE Misgun mij niet, mijnheer, het gloren dat mijn avondlijken hemel verguldt: wie weet hoe ras mijn dag zal zinken! Ik koester mij misschien aan jeugd en blijheid vandaag voor ’t laatst.—Maar wat brengt u hierheen? NORFOLK Wij komen, More, tot u als vrienden,—mij behaagde altijd uw frank en open wezen, uw vrije luim, de mildheid van uw hart. Gij hebt den staat goede diensten bewezen en niemand was aan ’s konings hart gegroeid zoo innig als gij.—Hij treurt om uw besluit nog immer, wenschte u weer terug aan ’t hof, hem bij te staan gelijk gij placht. Hij is bereid al wat geschiedde te vergeten en u opnieuw t’ omvatten in de koest’ring van zijne gunst. MORE Ik dank den koning, Norfolk, zijn goedertierenheid verwarmt mijn hart. NORFOLK Gij hebt niet anders te doen als ’t eene woord te spreken, More, dat, zooals ’t flappen van den standaard meldt aan allen die het zien: „hier wijlt de koning”, u kenbaar maakt wijd-uit bij alle menschen een trouw dienaar der koninklijke macht. MORE Welk woord, mijnheer? NORFOLK ’t Bezweren der nieuwe besluiten die de kind’ren der vroeg’re koningin uitsluiten van den troon met hun geslacht en den koning tot hoofd der kerk van Engeland verheffen. MORE Mijnheeren, ik dank u voor de vriendlijke gezindheid die u doet pogen de wijzers van mijn zin te richten naar de slag van den koninklijken wil. Maar zij zijn te stroef om den sprong te maken dien gij verlangt. Ik kan de gunst des konings niet koopen tot den prijs dien hij mij vraagt: de rust van mijn geweten. Het verbiedt mij dien eed. CRANMER Hoe kan ’t geweten u te doen verbieden wat zooveel eerwaard’ge en vrome Christenen zonder schroom hebben gedaan? Acht gij u dan hen allen wijzer, méér door godlijk licht verhelderd? Zie: dat zweemt naar hoogmoed, naar eigengerechtigheid. Behoede u God voor deze zonde! En dan, hoe zou ’t geweten u verbieden, om een woord te spreken, dat den toegang tot de lichte banen van barmhartigheid en goede werken opent? Ge zijt mild, haast overmild placht ge uw geld en goed te deelen met die derfden; schutspatroon waart g’ aller armen; uw lach klonk nooit zoo ruim, noch stond uw oog zoo helder, dan wanneer ge een bekommerde hadt opgericht, geholpen een verdrukte. Maar toen ge uw ambt verliet, wierpen uw eigen handen de bronnen van uw macht tot helpen dicht. Ge hebt noch geld, noch invloed meer te geven, en ongetroost gaan velen van u weg. Keer terug tot des konings dienst, en dra zullen de bronnen van uw gulheid weder borrelen, rijklijk als weleer.... ik spreek niet van de vruchten voor wie zijn u ’t naast: ge telt dat niet—’t is edel—maar bedenk: wie arm is.... MORE Ik raad u, mijnheer, niet verder te ploegen deze voor, zoo ge niet wilt dat ons gesprek stuite op ijzerhard en niet weg te ruimen oer.—En wat betreft mijn machtloosheid te helpen, hare heeling: ik weet dat geen gulheid kan zegen werken die uit den modder van een veil geweten troebel ontspringt; en geen werk’lijke gave groeit uit het zaad, dat in de slechte aarde verzuurd is van een slinksch gemoed.—Ge zegt dat ik niets kan, niets meer vermag te doen nu koninklijke gunst mij niet meer hooghoudt op haren arm—toch nog een man te wezen, wil ’k hopen, die zich niet verlokken laat zijn geweten te ruilen voor wat aanzien en goud:—misschien een vaan ook waar omheen zich zaamlen wie denke’ als ik.... CRANMER Wat, wilt ge worden middelpunt van verzet?—Vergeldt ge zóó den vorst zijn gunst, de lange weldaden dier jaren dat de weerschijn van zijn macht om uw persoon een sfeer van hoogheid spreidde die elk eerbiedig neigen deed voor u? Zwarte ondank, trouweloosheid zou dat wezen.... dat meent ge niet.... MORE Trouweloosheid en ondank zijn mijn zin vreemd, mijnheer. Ondankbaar is wie met een stomp of geprikkeld gemoed ziende naar het weldadig vuur waaraan hij verwarmde zijn kleumende lijf, het uittrapt en verder gaat, niet wie de taaie vezels van liefde voor zijn weldoener, met pijn rukt uit zijn eigen tegenstrevend hart, zich zelven aandoend een bloedende wonde die nooit meer heelt.... CRANMER Hoe meent ge? MORE Luister.... ik wensch geen mensch toe dat het lot hem bescheer’ wat ’t mij beschoor: zich los te moeten maken van wat hij liefhad, tegenover ’t voorwerp van lange liefde met ontgoochelde oogen te komen staan.... Mijn hart hing aan den koning. Had ik den jong’ling niet zien overbuigen hunk’rend om uit den stroom van ’t nieuwe weten te drinken, waar ik zelf zoo diep-begeerig uit dronk? Wist ik hem aan zijns vaders hof niet kwijne’, een plant van eed’ler soort, dan in die grove aarde tieren kon? Ik zag de adem van den zachter, ruimer geest die waarde door Europa, vulle’ en ronden de weeke vormen van zijn jong gemoed. En toen zijn koninklijke wil mij riep, verliet ik welgemoed de vreed’ge stilte, waar ’t plechtig ruischen van philosophie zich met klokjes-heldere stemmen, kinder- stemmen, verbond tot schoone harmonie. Het beste deel van mijn manlijke krachten, gaf ik den koning—en hij hief mij hoog in zijn vertrouwen, stortte gunst en vriendschap met milde hande’ over mij uit. ’k Gedenk het, al die glans-omvloten jaren gedenk ik, gelijk mij past, met eerbiedigen dank; en ook, als wij verloren vreugd herdenken: met smartbewogen zin.... NORFOLK Maar waarom hebt ge.... MORE Toen ik dat alles weg moest stooten, dien bond van veel jaren breken, heb ik lang naar kracht gezocht, om wat in ’t hart was samen- gegroeid met de ranken van veel-vertakt levensbedrijf, daaruit te rukken. En in ’t eind vond ik die kracht: in mijn geweten vond ik haar. En de stille oogen van mijn dankbaarheid, die mij verwijtend volgden, heb ik gesloten met een lange kus gelijk men een vrouw kust waar men voor eeuwig van scheidt. Begrijpt ge nu, waarom mijn ooren wel hoore’ uw verwijt, ik zou ondankbaar wezen, mijn hart het niet verstaat? CRANMER Maar de trouw schendt, wie, gelijk gij.... MORE Gunt me, ik bid u, ’t recht van iederen beklaagde: vrij te spreken tot zijn verdediging—’k zal niet lang meer zijn. Ge noemt me trouwloos: ik erken geen trouw die bindt in ’t slechte.—Mijn trouw was ’t, den koning ’t gelaat der waarheid t’ ontsluieren, haar stem te doen uitklinken boven het koor van vleierij en logen, dat de ooren der vorsten vult. Mijn trouw was ’t hem te raden tegen de baan, waarheen hem drong begeerte, zijn driftig bloed, zijn heerschzuchtige aard. Mijn trouw, met zachten aandrang hem te leiden omhoog tot effen vrede-weiden waar zijn volk kon grazen—niet met hem te rollen de helling af van ied’re lust. Mijn trouw was het, niet elke ongerechtigheid met hondsche aanbidding t’ omkwispelen. Niet die trouw had hij gevraagd, had ik gezworen, in ’t uur dat onze bond gesloten werd, toen hij, zijn arm om mijnen nek geslagen, zóó, sprak tot mij: „Zie eerst naar God en uw geweten—dan naar mij; zoo zult ge mij immer het beste dienen.” O ’k heb hem nog lief, omdat hij dat woord heeft gesproken eenmaal. Mijn trouw verkoor het zich tot vaan, volgde ’t op de woelige levensvelden waarheen zijn dienst mij voerde,—en volgt het heden door ter zijde te staan.... NORFOLK Het loopt verkeerd.—De koning, Morus, is zeer verbitterd tegen u. Zijn gunst hield u vaak staande als uw benijders saamspanden tot uw val; zij was het schild dat hunne slagen weerde. Nu heeft hij zijn vrienden noodig. De lucht bulkt van strijd: het gaat er om, wie heerschen zal in Eng’land, koning of paus. Ontvalt gij hem—de staf die hij zich uitverkoor om op te leunen— dan aadmen al zijn vijanden verruimd, en steken tot weerspannigheid de hoofden bijeen. Uw afval geeft hun moed. Hij kàn uw afval niet gedoogen. Begrijpt ge? Hij kan ’t niet. Zoo staat de zaak. Ik raad u, om uw zelfs wil, raad ik u, Morus, voorzichtig te zijn. MORUS Ik dank u voor dien raad, mijnheer. Voorzichtig was ik zoo lang ik kon. De dagen van heldhaftige overmoed ben ik ontwassen sinds lang; mijn lijf jaagt niet vooruit, begeerig, bij ’t speuren van gevaar. Door meen’ge rustelooze nacht lag ik uitmetend de gevaren die mij dreigden zoo ik niet zwenkte, en hun aangezichten maakten mijn zwak hart telkenmaal vervaard. Daarom ontweek ik mij te stellen tegen- over den koning—’k had voor dit ontwijken grond genoeg—zocht ik veiligheid in het verborgen bestaan van den simp’len burger, als een dier in zijn hol. Maar in het perk des levens rukken onvoorziene winden de ballen onzer best-gemikte daden vaak van hun baan. Niet met mijn wil, mijn neiging, ondanks hen is het oogenblik gekomen van de keus: voor, of—tegen. Hoort mij aan: ik ben een oud man, gehecht aan de zijnen, verlangend naar rust en een weinig vreugde om zacht t’ enden.—Maar bovenal schat ik inwend’ge vrede.... Ge kunt verder spreken u sparen: ’k heb de keus gedaan. CRANMER Stijfhoofdig en roek’loos man, hol niet zoo blindelings naar uw verderf. Staat ge alleen? Hebt ge het recht, om al de uwen te verderven, ze mee te sleuren in uw val? Vijf gezinnen hebt g’ om u heen verzameld van kind’ren en kindskind’ren, ze gewend van u t’ ontvangen al wat leven zacht en behaaglijk maakt. In uwe ruime huizing vonden allen plaats. Reeds waart, naar men zegt, de armoewolf rondom de staat’ge woning, die nu, een overruim gewaad, omrimpelt uw veel-gekrompen staat.—Maar laat dit wezen als ’t is. Wat zal gebeuren, zoo ge blijft weig’ren te zweren?—U zelf wacht de Tower tot de dood u verlost.... Uw goederen verklaart de kroon vervallen, d’ uwen worden verjaagd van huis en hof.... Denk aan hun lot, denk aan ’t harde bestaan dat al die teere vrouwe’ en jonge kindren bedreigt.... verstrooid zullen zij zwerven, lijden, verkwijne’ in zorg en kommer.... van het oude glansrijke leven, zal hun enkel blijven stekende herinnering.... MORE Zij zijn jong en sterk, met kennis en verstand gewapend: zij zullen eten ’t zelfverdiende brood en proeven ’t zoet.... CRANMER Waar zullen ze verdienste vinden? Des konings ongenade schuift den grendel dicht voor ieder wel-bezoldigd en eervol ambt—weet ge het niet? MORE Dan zullen z’ aan de deuren vragen barmhartigheid van wie vergeefs barmhartigheid nooit vroegen aan onze deur. CRANMER En zullen vinden ze geslote’ alom, want des verraders kindren te helpen, brengt zelf in reuk van verraad, en vrees bedwingt de laffe menschenharten.... MORE Niet alle.... CRANMER Neen, maar ’t overgroot getal. Laat een storm schudden aan uw levensboom: de vrienden die hem welig maakten, dwar’len omlaag en vluchten weg in dolle vaart. Uw kind’ren zullen naakt staan in de wereld, zonder bescherming, vriendeloos, verlaten.... dat zal uw daad zijn.... zij zullen hun vader niet danken voor die daad.... MORE Zij zouden hem verachten zoo zijn leer ging eenen weg, zijn doen een andre.... Laat hij in hun hart voortleven als een man, die ’t liefste liet, ’t lieve leven zelf neerlei, liever dan wat hem heilig was, uit vrees te verraden.... ik ben tevree als zulk een man te leven in hun herin’ring.... NORFOLK Maar ge zult dat niet, vriend, want de greep der wereld zal het beeld van den held en den mart’laar in hun harten verwringen tot gedaante monsterlijk, en haar bazuinen stem zal zóó luid dreunen: „schande over Morus, hij verried zijn koning, die hem met weldaden omkranste”, dat de stem des bloeds in een beschaamd gefluister uitdooven zal. Bezin u, Morus, luister naar rede, onteer niet den naam dien ge draagt! Ge erfdet hem, een ongerepte spiegel, die veel geslachten voor u hielden blank; uw daden en geschriften maakten heller zijn glans: en wilt ge nu die naam uw kind’ren overgeven, zwart besmeurd met roep van verraad? Zal uw geslacht hem voortaan medesleepen door de tijden, beschaamd, of schuw verbergen onder een geborgden, klankloos van herinneringen, inderhaast opgeraapt? MORE Ik geef mijn naam vertrouwend aan den vloed der tijden over, wetend, dat hij daaruit eens op zal rijzen blinkend-geschuurd en blank van schuld. De toekomst maakt het onrecht van heden goed.... NORFOLK En zoo het anders kwame? MORE Dan wil ik liever ook toekomstig onrecht dragen, dan tegen mijn geweten doen.... NORFOLK Ge zijt uitzinnig! Allen zullen zweren.... MORE Zoo laat dan één anders dan allen zijn: gewetens zijn niet gelijk aren, buigend alle naar ééne zijde voor den wind. NORFOLK Bij God, Heer Thomas, voor de laatste maal, neem u in acht met koningen te twisten: des konings wraak beduidt de dood. MORE De dood spaart evenmin wie in ’s konings genade volop zich zont. Hij is de oceaan waar onze levens eens alle in monden, al is hun aller weg niet even lang.... CRANMER (tot Norfolk) Hij is niet meer te helpen.... (tot More) ’t Is des konings wil dat gij en de bisschop van Rochester morgen u vervoegt in het aartsbisschoppelijk paleis, om de besluiten te bezweren.... Een bode haalt u nog van avond af.... Zie toe, dat ge voor morgen maakt gesmijdig dit overstug geweten, ’t leert te plooien zich naar den vorm van ’s konings wil. Zoo niet: de Tower wacht.... MORE (tot Cranmer) Morgen als heden geve God mij kracht voor geen verlokking of geweld te wijken; (tot Norfolk) Ik wensch u heil, mijnheer. NORFOLK Ik u verstand. (Norfolk en Cranmer af). MORE Nu heb ik een koers gezet, die mijn schip doet recht tegen de klip der koningsmacht oploope’, en zeker zal verbrijzelen.... Ik kan niet meer terug.... Vreemd om het land te zien wegdeinen en zeker te weten dat men nooit in de haven wederkeert.... Goddank! het zwaarste deed ik.... al het and’re zal gebeuren zonder mijn doen. (Margreet treedt binnen) Margreet.... Kom bij me, kind. MARGREET Ik zag de heeren gaan.... Ze bleven lang.... (Zij ziet More aan en verschrikt) Vader, wat is.... wat kwamen ze doen? MORE Zien, of ze konden met gedreig murv maken je vaders gewete’, of dat hardere hamers daartoe noodig zijn.... MARGREET Ze dreigden u? Waarmee?.... MORE (ziet haar zwijgend aan; zij bedekt het gezicht met de handen) Wees niet verschrikt, er is niets gebeurd om verschrikt te wezen, mijn kind. Kom, zet je op het oude plaatsje: wij willen akademie houden, als je placht te noemen ons vertrouw’lijk spreken over de vragen die van alle zijden dit klein levens-eiland ombruisen. MARGREET (gaat aan zijn voeten op een bankje zitten) Zoo voel ’k mij weer worden het jongmeisje, vol van vagen drang en onbestemd verlangen, dat uit uw zacht-nadrukkelijke woorden eens ’t licht van zekerheid zag opgaan.... MORE Zacht wendde je jonge ziel zich naar dat licht.... Ik zag de kelk zich openen, begeerig drinken den dauw, dien ik opving voor jou van Plato’s lip en die der and’re wijzen. MARGREET Wat was het zoet, aan uw hand te betreên dat gouden land van de philosophie; te voelen, hoe een vastheid in mij groeide en sterker werd. MORE Wat was het zoet, te stijgen hand in hand naar de toppen der gedachte, waar opengaat de zin des levens.... Kind, ik heb in jou mijn groot geluk gevonden en ik wil dat je weet hoe ik het vond.— Mijn kind’ren heb ik alle lief gelijkelijk, met de teedere liefde eens vaders, maar jou heb ik ook nog lief anders, niet teederder maar hoopvoller. Ik heb in jou mijn liefste droomen lief, het heilige verlangen en verwachten, dat mijn hart aanraakte: het zoet gezicht dat in mij groeide door de blijde dagen van mijn volrijpe jeugd.... MARGREET Ge meent het beeld der vrouw, gelijk zij zijn zal, wanneer allen denken als gij denkt. MORE Ja, het beeld der vrouw als zij zijn zal in schemerverren tijd, wanneer de booze waan heeft uitgewoed die haar nu houdt vernederd en gevangen.... O schoone wereld, waarin zij zal zijn den man gezellin, saam zij zullen dorschen ’t gedachte-zaad.... MARGREET Konden wij haar zien worden, die schoone wereld.... MORE Ik zag haar worden kind en dat was mijn geluk.... ’k zag in jou hoofdje de vonk der rede aangroeien tot vlam.... Ik zag over dit zacht gelaat, tot mij in teed’re schroomvalligheid eerst geheven, den glans zich breiden van bewusten wil, en d’argelooze blik dier lieve oogen verdiepen tot lange nadenkendheid. Ik zag het meisje vol verholen drang schuilgaand in droomen, tot de jonkvrouw rijpen, moedig en frank, wier welgewogen oordeel weegt voor den man, dien hare vrije neiging verkoor.... ik zag de jonge moeder niet de lijfjes maar van haar liev’lingen koest’ren, hun leen’ge willen ook buigen en leiden met zek’ren zin en vaste hand.—En als de spotters, kleingeloovigen, wier vleugels hen niet drage’ over heden heen, mij hoonden om de droomvrouwen van Utopia, lachte ik hun een stille glimlach tegen en mijn hart sprong de tijden tegemoet dat de kleine jonkvrouwen zullen baden in klare kennis hun kost’lijke ziel, en de moeders wetenden zijn, en vroed voor de gemeenschap.... jij gaf mij die zegen: ik dank je daarvoor kind.... MARGREET Al wat ik ben werd ik door u; al wat ik weet, ik heb het van u geleerd; aan u gelijk te worden zooveel ik kon, dat was mijn prilste wensch; mijn stoutste droom, u tot een hulp te zijn. MORE Jij waart de blanke vijver, die getrouw de kruinen spiegelde, en al hun deinen van mijn gedachte-woud, die ’t heimlijk ruischen van mijn hart kende, en nimmer verried. MARGREET O laat het mij nu ook zijn! Geef mij weder uw hart! Vertrouw mij, leg op mij de zwaarte die ’k zie dat u bedrukt.... MORE Heugt je den dag dat wij gelezen hadden Plato’s woorden over de ziel en haar onsterflijkheid, en daarna zaten in den stillen schemer wiens zachte hand soms de verborgen dingen omhoog streelt uit hun schuilhoek in het hart? Heugt het je nog? MARGREET Het was den dag nadat ge tot het kanselierschap waart gehuldigd, een vrede-ademende najaarsdag.... Vijf jaren zijn sinds dien voorbijgestroomd, ik huwde, God schonk mij twee lieve kindren, en gist’ren schijnt die dag.... MORE Heugt je nog wat wij toen sprake’ over dood en leven, hoe worde’ is der wereld wezen, alle dingen dragen in zich kiem van weder-vergaan? En dit aller droefheden droefheid is, dat het hart niets omvatten kan in veilig bezit? MARGREET ’t Is mij als hoor ik weer uw stem, manend: „daarom moet het tot d’ eeuwge sterren zich beuren, en tusschen hun gouden spaken zich vleie’ als in een nest”.... ’k voel langs mijn wangen weer druppen de tranen van stil berouw. Wij meisjes waren overstelpt geweest door d’ ongewende pracht, de vreemde hulde.... Wij waande’ ons in een hoog’re sfeer geheven boven ons oude zelf.... den dag na ’t feest riept ge mij, om samen Plato te lezen en koost den Phaedon.... ik voelde den roes van wereldschheid als dunne damp vervliegen.... Mijn beste vader, ’k dank het meest dat uur dat toen ineenstortte ons oude leven van weelde en glans, mijn hart niet werd verschrikt. MORE Ja, jij bleef staan, een steun voor arme ontwrichtte moeder en jongere zusters, die met duiven-oogen mij hulp’loos aanzagen.... O blijf ook nu mijn onverschrokken kind.... Heugt het je nog hoe wij verder sprake’ in den stillen avond over den mensch, hoe hij soms raakt beklemd tusschen ’t stuwen van oversterke machten, gedreven wordt waarheen hij niet wil gaan, en een wijl worstelt in wanhopig weren van wat zijn diepst ik onafweerbaar weet? Tot hij op een dag neerdaalt in zichzelven en zich gewonnen geeft; en op het pad, dat hem ontvoeren zal aan de beklemming der dingen en het wrijten van zijn wil, vestigt hij rustig-lang den blik der oogen en rijst om te gaan.... Weet je ’t nog, Margreet? MARGREET Hoe zou ik het vergeten? In dat uur werd immers ons verbond gesloten.... MORE Ja, in dat uur vond je dapper hart zichzelf. Want toen ik vroeg: kind, zoo wie jou was ’t liefste, stond voor de keus, als voor een donker water, de steilte van den dood beklimmen, of zich laten dringen op omlage wegen die hij verfoeit—zag ik je wange’ en hals en heel je wezen bespreid van den gloed dien het hart opzendt als een eed’le en hooge willing ’t in vlam zet, en je stem was hel van dapperheids goudenen klankkleur, sprekend: „veel liever zag ik hem dood, dan zich zelven ontrouw—immers wenschte ik hem dan toe lijden bitterder dan de dood”—weet je het nog, mijn kind? MARGREET Ik heb zoo vaak geschreid, omdat ik het niet kon vergeten, en wat toen kwam.... MORE Hoe ik je hand nam en die kleine koude hand tusschen de mijnen klemmend, vroeg „zoo de dag eens kwam, Margreet, dat ik stond, aangedrukt tegen de keuze waaraan het leven hangt—zou jij mij dan steunen van uit je hart”—en jij niet spreken kon, maar knikte van ja?—dat was ’t niet waar? (Margreet knikt zwijgend.) Het heugt je nog. Nu is die dag gekomen. Help mij Margreet. Ik heb de keus gedaan. MARGREET Vader.... Wat gaat ge doen? MORE Ik ben gedreven naar wat ik wou ontgaan. Al mijn beleid heb ik gebruikt, mijn boot voorbij te sturen aan deze klip, met al mijn kracht gestreefd den greep t’ ontkomen, die zich om mij knelt. Vergeefs! ik had sinds lang met eigen handen de ketenen gesmeed waarmee het lot mij binden zou. MARGREET Van dat g’ u verbondt aan den koning, broeide de botsing aan de kim van elken dag; komen moest zij als zijn zelfzuchtige driften schuimend zouden bijte’ in den breidel van uw wil.... wij wisten ’t.... Dikwijls vreesden wij wat ging gebeuren. Maar ge hebt den band verbroken, die u aan den koning bond.... ge zijt weer vrij.... ik dacht u veilig.... vader, wat dreigt ons nog? MORE Ik heb den band verbroken die m’ aan den koning bond, maar niemand kan den band ontbinden tusschen hem en zijn verleden: ’t weefsel van zijn vroeg’re daden omwikkelt hem voor goed.... Hoe hooger ’k steeg, hoe vaster mij de vorst in zijn vertrouwen omvatte, als in een tooverring, die zich nooit meer ontsluit waar hij zich heeft gesloten, des te minder kon zijn koningswil dulden dat ik mij loswrong.... poogde het te doen.... Toen in zijn sterke lijf de sterke lusten: wulpschheid, heerschzucht, gelddorst, uitbraken en het teer gewas wegvraten der belofte van zijn groene jeugd, toen moest ik gaan, wilde ik niet, blijvend, mee schuld drage’ aan daden die ik verfoeide,—of tusschen hem en mij oproepen d’ erge botsing, die zou voeren tot mijn vernietiging. Die te ontwijken ben ik gegaan: ik ging vergeefs, Margreet. MARGREET Wat wil hij nog? MORE Aanzien en rijkdom stroopte ik mij als waardelooze vodden van het lijf en waande een poos den greep te zijn ontkomen, reeds knellend om mijn hals.—’k Herademde! Maar ’t onweer drong weer op, geduchter dan het eerst was geweest.... Toen wist ik mij verloren.... Ik wees het je, maar je wilde niet zien.... MARGREET Ik kon het niet.... MORE Mijn dapper kind, nu staat de booze wolk vlak boven onze hoofden: nu moèt je zien. De koning eischt een eed, die zijn leugenbond met Anna vat in gouden lijst van wettelijke wijding, en een and’ren, die hem verheft tot hoofd der kerk van Engeland. Ik kan die eeden niet zweren, mijn geweten wil het niet. MARGREET Wat zult ge.... MORE Ik kan niet verder uitwijken, en mijn weig’ring raakt den koning in ’t hart; want om zijn wil door te zetten behoeft hij steun van allen, wier woord in de schalen der openbare meening weegt:—wie niet met hem meespringt over de hinderpalen van wet en zede en goddelijk gebod, wordt zelf, een hinderpaal, omvergehaald. Hem blijft geen keus, als mij geen keus blijft. Hij moet mij vernielen, misschien tegenwillig, zooals ik tegenwillig moet trotseeren ’t zwaard zijner macht. MARGREET O waart ge nooit in dienst getreden van den koning! Hadt ge nooit voor hem ’t vrije leven van den geleerde vaarwel gezegd, waarnaar uw hart bleef hunk’ren als een schelp naar de zee.... Hem offerdet ge de rust der dagen, de slaap der nachten, ’t zoet verzamen met ons,.... voor hem hebt ge der zorgen last geschouderd, haar gedragen van jaar op jaar, en nu.... MORE Margreet, spreek zoo niet verder; je weet niet wat mij dreef in ’s konings dienst. Ik wil je alles toevertrouwen, kind, dat je moogt zien hoe wat nu gaat gebeuren met diepe wortels vastzit in ’t verleên.— Heerlijk waren de dagen mijner jeugd! de luchten trilden van de nieuwe leuzen, die d’ ontwakenden toeriepen elkaar. Boven de grenzen uit van land en taal werd een zuivere broederschap geboren; strijdbroederschap tegen al wat het blijde leven op Gods lieflijke aarde ontwijdt: domheid en wreedheid, breidelooze zeden en blind geweld. Eén hoop bevleugelde ons: niet maar de kerk, neen, d’ aarde zelf, de menschheid te zuiveren door de macht van den geest. Sommigen onzer verdiepten zich zoo in de zinnige woorden die ons tegen- fonkelden uit de lang verzonken tijden, dat zij tot zoete levenstaak verkozen die te reinigen van der eeuwen stof. Mij gaf natuur een zin, die zich niet kon gansch in vervlogene schoonheid verzinken, maar zich van haar beurde naar onze dagen, om die schooner te maken, kon het zijn. Ik zag der tijden drang, den harden nood der arme duizenden, die hulploos zwerven, verjaagd van hof en erf; ’k zag gouddorst in de grooten mensch’lijkheid versmoren, de kleinen zich, gelijk wormen gemarteld, winde’ in kronkels van den nijd. Ik zag de vrouw in lediggang vermorsen haar reedlijke vermogens en haar hart, een weeldepop, of als lastdier beladen overzwaar, zwoegen naar den dood. Ik zag alom de ongelijkheid van bezit, als de grond van de algemeene krankte die ’t lichaam aanvrat van de christenheid. —Maar ook zag ik het menschelijk vernuft opendwingen, een geweldige beitel, de geheime bergplaatsen der natuur. Ik zag de aarde grooter worden: voor onze verbaasde, opgetogen oogen nieuwe deelen van haar verschijnen, als trok morgennevel op over de wereld. En toen rijpte het droomgezicht in mij; uit vele wortels groeide het omhoog.... Land van geluk en minnelijk verkeer der menschen, van vrede die zal omranken hun dagen, als ’t bezit gemeen zal zijn van de goederen des levens, en geen mensch meer om geld zijn broeder misbruikt en verdrukt, als allen samen maken wat behoeven allen tot leven, lieflijke velden van Utopia, lachende huizen tusschen groene tuinen, lachende kinderen die geen vrees kent, blinkende scharen van mannen en vrouwen edel van leden en zuiver van ziel: eens zult ge zijn, ik weet het. Maar wanneer? Hoe zal de menschheid haar weg tot u vinden? Ik kan ’t niet zien.—In mijn hoopvolle jeugd, Margreet, waande ik een weg te weten: daarom trad ik in ’s konings dienst. MARGREET Vader.... ik zie uw hoop.... den koning.... hem wildet gij winnen, voor de wet winnen van Utopia.... MORE Een vriend van ’t nieuwe weten leek hij, wien het dienden minlijk gezind—en toen hij was gekroond, wendend den steven van zijn vaders banen naar recht en vrede weg. Hij riep mij tot zich, en het snijdend woord mishaagde hem niet, waar ik de euvelen van de gemeenschap mee openlei. Zoo werd mijn waan geboren, —uit verlangen en hoop werd die geboren— dat hij de heerscher was, verkozen om menschheid op den weg van geluk te voeren, zoo ik hem steunde. Heerlijk door mijn leden welde een vloed toen van duizelig geluk. Maar ook verhief zich door het bloed de stem der neiging, en fluisterde mijn hart toe: „de staatsdienst is het graf der vrijheid”, en uit nog dieper gewelven rees omhoog woord’looze maning, zoodat ik mij wist op een verraderlijke zee te wagen, die mij niet weer zou geve’.... Een dag, een nacht, en nog een dag en nacht heb ik gestreden tegen mij zelf: toen overwon dat hunk’ren naar ’t menschengeluk en die hoop. Ik ging tot den koning. Dien dag bracht ik aan ’t wank’len de steen die mij verplettren gaat. God weet het, ik was niet karig met mijn kracht. Den boog van mijn vermogens spande ik dag aan dag tot het uiterste,—en ’t scheen in ’t eerst, als neigde het hart des konings naar mijn raad.... Niet lang.... ’t was ’t gloren van een valsche dageraad, waarop een somb’re nacht van onrecht volgde... bedrog.... geweld.... Ik heb het doel gemist... De hoop die ontlook aan mijn morgenhemel, is sedert lang verwelkt; ik zelf ga door dwingelandij gebroken worden. Ik zie de baan niet naar menschegeluk, ik weet den zin niet van mijn eigen leven: moge ’t een and’re wezen, dan nu schijnt! Maar één ding weet ik: wat mij dreef in jeugd, te doen als ik deed, dat drijft mij ook nu. Niet allen kunnen strijden op één wijs, noch kan op d’ eigen wijze één altijd strijden, maar één ding doet allen die strijden nood t’ allen tijde voor meer gerechtigheid en meer geluk op aard: zich zelven niet te zoeken, de zoete dingen van ’t leven niet liever te hebben dan ’t klaar gebod van d’innerlijke stem. Dit ééne weet ik, en zoo zal ’k doen, Margreet. MARGREET O ik ben blij dat ge zijt als de heil’ge martelaren en d’ oude helden... ik heb u zoo lief... vader, ik kan niet zonder u.... MORE Mijn hart, een macht oversterk dringt tusschen ons beide en maakt d’omstreng’ling onzer armen los. Wij moete’ uiteen. De zoete wenning die de jaren tusschen ons al vaster vlochten wordt nu ontknocht. Wij zullen niet meer gaan samen door ’t bosch in den herfstklaren morgen, als de lage zon ’t laatste knetterblad rosgoud doet gloeien onder schuinsch gestraal. En als de lente komt, zal zij ons niet meer dwalen zien, het avondrood in d’oogen, langs ’t slingerpad dat de rivier bezoomt, en huiswaarts keeren als de vogels zwijgen, vol vredige gedachten, arm in arm. Wij zullen niet meer, onze hoofden samen aandachtig buigend over ’t oude boek, waaruit heil’ge schoonheid en wijsheid stijgen, voele’ onze harten kloppen in één maatgang van eerbiedige vreugd. Wij zullen niet meer, in de ijle sfeeren der muziek samen ontzweefd, werelden op zien deinen en weer vergaan.... Ik daal waar de lente geen oogen heeft en alle zachte lach en stemmen zwijgen, en dalend breng ik droefheid over jou. Arm kind, nu zullen je dagen voortaan gedoopt zijn in de vale schaduw van de alleenheid waarin ik jou laat.—Nu moeten we sterk zijn, hart, en wat we al die jaren beleden met de lippen, onze levens- waarheid te zijn, moet het hange’ onzer schouders weer richten overend. Moeder en zusters zullen mijn zin zwaar maken, d’armen, met bidden en vermanen dat ik toch buige.... Zult jij stand houden, en voor mij vechten tegen hun begeeren, voor wat je weet in mij ’t beste te wezen, al gaat het om het leven zelf? Kunt je ’t beloven, hart? MARGREET Ik kan beloven.... te trachten trouw te zijn aan den wil dien g’ in mij gewekt hebt.... MORE Dan ga ik gerust den donk’ren gang in der gevangenschap. Trouw hart, wij blijven samen, worden onze lichamen ook gescheiden.... en mijn lieven laat ik in zek’ren troost.... Dat nu een stem mocht zinge’ een dier verlangenzware wijzen, waar ’t hart zoo zoet op wegdeint.... ik ben mat.... (More zinkt vermoeid in zijn zetel achterover. Men hoort Mercy in den tuin zingen. Tegen het einde van het gezang ziet men haar). MARGREET Hoor vader, Mercy heeft uw wensch geraden gelijk zij pleegt zoo vaak.... het is de wijze van het eiland glanzend over den vloed. MERCY Ver over de glinst’rende zeeën, verder weg dan het avondrood, voorbij de klippen van strijd, en het bare strand van den nood, voorbij aan de rots waar de winden van den haat worden uitgebroed drijft het zon- en schaduwbeminde eiland van geluk op den vloed. Zijn groene oevers ombruisen de oevers van groen kristal, den zeezang echoot het ruischen van zijn dichten boomenwal. Daar in het bosch wordt geboren het allerinnigst geluid: de tortel koert haar bekoren-bewogene vrede uit. Glanzende boomen dragen ’t eener tijd bloesem en vrucht, en door de bloeiende hagen gonst altijd zomergerucht. Het dichte gewas der dalen buigt onder zijn gouden vracht, en tegen de hellingen stralen de weiden hun gouden pracht. Daar wonen de blinkende menschen met vrede-omlicht gelaat door wien het gemeene wenschen als een stroom van kracht heengaat. Hun spraak ruischt als onze gebeden, hun gang schrijdt als onze dans, hun stem is een nest van zachtheden, hun oog een bad van glans. Leven is altijd beladen daar met een geur van vreugd als waar zomerwind vol genade hier somtijds ons hart mee verheugt. In den morgen gaan blijde gezellen zingend tot het arbeidsfeest dat lijf noch ziel zal kwellen, en dadendrang geneest. En de uren der rust heenglijden door den toover menigvoud van der schoonheid fonk’lend gesmijde, en het plechtig gedachtewoud. De dood komt op lichte schreden, hij draagt een wit gewaad en wie hij wenkt gaat mede, als een gast van een feest opstaat. Hem woelt door het hart niet de wreede zorg om wees of hulplooze weeuw, want daar heerschen de zachte zeden, heerscht de wet van de gouden eeuw. Het veld en de wei en de bosschen, en de vruchten der zee en de wijn. geperst uit de purperen trossen, daar het erfdeel van allen zijn. Mijn en dijn hebben verloren hun rink’lende klank van metaal en zoeme’ in die zuivere ooren als zinlooze kindertaal. O wisten wij waar u te vinden, land van gelukzaligheid, voorbij aan de rots der winden van haat, en de klippen van strijd. DIENAAR Heer Thomas, een bode van staat wacht buiten; hij vraagt of ge gereed zijt. MORE Zeg hem: ja.